De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 70

Chapter 702,914 wordsPublic domain

Aan den anderen kant is voor sommigen het uitoefenen van sexueel verkeer bij zonlicht en in de open lucht van zooveel belang, dat zij geneigd zijn het te verheffen tot den rang van een godsdienstige oefening. Ik haal uit een mededeeling over dit punt, die ik uit Australië ontvangen heb, het volgende aan: "Dit schandelijk iets, waarover men niet moet spreken en dat men niet moet doen (behalve in het donker) zal, naar ik meen, eens de eenige godsdienstige plechtigheid worden van het menschelijk ras, in de lente. En wat voor lentes! De menschen zullen dan zeer gezond, wel opgevoed en aristocratisch zijn (allen aristocratisch), en over het geheel gekant tegen riten en bijgeloovige gebruiken, want zij zullen het verleden volkomen kennen. De vereeniging van menschen, die elkaar liefhebben in de lente zal de eenige godsdienstige plechtigheid zijn, die ze zich zullen veroorloven. Ik heb soms een visioen van het heilige tafereel, maar ik vrees, dat het te mooi is om te beschrijven. "De omgang tusschen de seksen, heb ik gedroomd, is onuitsprekelijk mooi, te mooi om mij te herinneren", schreef de kuische Thoreau. Waarlijk, menschelijke schoonheid, vreugde en liefde zullen hun meest goddelijke hoogte bereiken in die eerste dagen van het paren in de lente. Als de wereld één Paradijs is, zal de gemeenschap van de menschen die elkaar lief hebben, de jongste en mooiste, plaats vinden in bepaalde heilige valleien ten aanschouwe van duizenden, die vergaderd zijn om er getuigen van te zijn. Dagenlang zal het plaats hebben in deze valleien, waar de zon zal opgaan over een droom van hartstochtelijke stemmen, van elkaar omarmende lichamen, van bloemen en wateren, en het purper en goud van den zonsopgang zal weerkaatst worden op heuvels, die gekleurd zijn door violen. (Ik weet niet of de schrijver zich "Enamelled pansies used at nuptials still" van George Chapman herinnerde), en dat herhaalde voor gouden menschelijk vleesch en menschelijk haar. In deze geheiligde valleien zal de teere geur van de violen zich vermengen met de hemelsche geur van gezonde jonge vrouwen en mannen bij de lenteparing. Gij en ik zullen het niet zien, maar we kunnen helpen om het mogelijk te maken". Deze rhapsodie (een onbewuste herhaling van die van Saint-Lambert aan de tafel van Mlle Quinault in de achttiende eeuw) dient om een beeld te geven van den opstand, die plaats vindt tegen de onnatuurlijke en kunstmatige degradatie van de sexueele daad.

In sommige deelen van de wereld heeft het volkomen natuurlijk en redelijk geschenen, dat een daad zoo vol beteekenis als de coïtusdaad aan de godheid gewijd zou zijn, en daaruit ontstond de gewoonte van het gebed vóór het sexueel verkeer. Zoo verordende Zoroaster, dat een gehuwd paar vóór den coïtus moest bidden, en na de daad moesten ze te zamen zeggen: "O, Sapondomad, ik vertrouw u dit zaad toe, bewaar het voor mij, want het is een mensch". In de Gorong Archipel is het ook de gewoonte, dat man en vrouw te zamen bidden voor de sexueele daad (Ploss en Bartels, Das Weib, Bd. I, hoofdst. XVII). De beschaafde mensch daarentegen is er toe gekomen zijn maag als het belangrijkste van zijn organen te beschouwen, en hij zegt zijn conventioneele gebed niet voor de liefdedaad, maar voor het gebruik van voedsel. Zelfs is het in Europa moeilijk nog eenige sporen te vinden van ritueel van een godsdienstige erkenning van coïtus. We kunnen ze misschien ontdekken onder de Spanjaarden, met hun taai instinct voor ritueel, in de plechtige etiquette, waarmee in de zeventiende eeuw het volgens Madame d'Aulnay de gewoonte van den koning was om de slaapkamer van de koningin binnen te komen: "Hij heeft zijn pantoffels aan, zijn zwarten mantel over zijn schouder, zijn schild in zijn eenen arm, een flesch aan een koord aan zijn anderen arm hangen (deze flesch is niet om uit te drinken, maar voor een geheel tegenovergesteld doeleinde, dat gij wel zult kunnen raden). Bij dit alles moet de koning ook zijn groote zwaard in zijn eene hand hebben en een dievenlantaarn in de andere. Op deze wijze moet hij, alleen, de kamer van de koningin binnen treden" (Madame d'Aulnay, Relation du Voyage d'Espagne, 1692, deel III, p. 221).

Bij het bespreken van de kunst van liefhebben is het noodig een eerste plaats toe te kennen aan het centrale feit van den coïtus, wegens de onwetendheid, die daarover in ruimen kring heerscht, en de ongelukkige vooroordeelen, die in de duisternis er om heen welig tieren. De tradities van de Christelijke kerk, die geheel Europa hebben overstroomd, en die ter vereering een goddelijke maagd hebben gesteld en haar goddelijken zoon, terwijl ze beiden met uitgezochte verfijndheid onttrok aan persoonlijk contact met sexualiteit, vernietigde volkomen iedere poging om een heilig en uitspreekbaar ideaal te vinden in huwelijksliefde. Zelfs de pogingen van de kerk zelf om het huwelijk te verheffen werden te niet gedaan door haar eigen idealen. Die invloed oefent zelfs nu nog een drukkenden invloed op onze beschaving. Toen Walt Whitman zijn "Children of Adam" schreef, gaf hij een onvolkomen uitdrukking aan opvattingen over den godsdienstigen aard van sexueele liefde, die gezond en natuurlijk bestaan hebben in alle deelen van de wereld, maar die nog niet door de duisternis van het Christendom waren heengedrongen, waar ze nog vreemd schenen en nieuw, zoo niet verschrikkelijk. En de weigering om de heiligheid van de sekse te erkennen heeft een sluier van smaad en duisternis over de hoogste sexueele daad zelf gespreid. Ze werd uitgesloten van den zonneschijn en van de sfeer der vereering.

De geslachtsdaad is belangrijk uit het oogpunt van de kunst van liefhebben, niet alleen wegens de onwetendheid en de vooroordeelen, waardoor ze omgeven is, maar ook omdat ze een werkelijke waarde heeft zelfs voor den psychischen kant van het huwelijksleven. "Deze organen", zegt de oude Fransche dokter, Ambrose Paré, "maken den vrede in huis". Hoe dit gebeurt, zien we nu en dan geïllustreerd in het dagboek van Pepys. Terzelfder tijd is het nauwelijks noodig te zeggen, na alles wat vooraf is gegaan, dat deze oude bron van huiselijken vrede onbepaald wordt gecompliceerd door de oneindige verscheidenheid in erotische behoeften, die steeds meer uitgesproken worden met den groei van de beschaving [401].

De kunst van liefhebben begint inderdaad eerst met het plaats vinden van den sexueelen omgang. Bij het instellen van die verhouding worden alle krachten van de natuur zoo sterk in beslag genomen, dat onder volkomen gunstige omstandigheden--die inderdaad maar zeer zelden voorkomen in onze beschaving--de bekendheid met die kunst en een zekere handigheid in de uitoefening ervan bijna van zelf komen. De werkelijke proef voor den liefde-kunstenaar ligt in de bedrevenheid ze te doen voortduren langer dan den tijd, waarop de belangen van de natuur, nadat ze in werkelijkheid of in schijn verzekerd zijn, beginnen te verslappen. De geheele kunst van de liefde ligt daarin, dat men steeds iets nieuws vindt in de zelfde persoon. De liefdekunst is zelfs meer de kunst de liefde te behouden dan ze op te wekken. Anders dreigt ze te ontaarden in wat Shakespeare noemt lust,

"Past reason hunted, and no sooner had, Past reason hated",

hoewel men in gedachte moet houden, dat zelfs volgens de meest strikt natuurlijke zienswijze na hartstocht normaal niet tegenzin, maar genegenheid volgt [402].

De jonge man en vrouw, die tot de onbeperkte mogelijkheden van het huwelijk komen, terwijl gedurende dien tijd de begeerte nooit gevolgd werd door de bevrediging van die begeerte, zijn zeker niet in de beste omstandigheden om de kunst van liefhebben te leeren. Zij komen in de verleiding, door roekeloos zwelgen in de intimiteiten van het huwelijk op alle uren van den dag al de redenen te verwaarloozen, die het niet zoo noodig doen schijnen die kunst te leeren. "Er zijn getrouwde menschen", zooals Ellen Key opmerkt, "die elkander hun geheele leven hadden kunnen lief hebben, als ze niet gedwongen waren geweest alle dagen en het geheele jaar lang hun gewoonten, hun wil en hun neigingen naar elkander te richten".

Al de neigingen van ons beschaafde leven gaan, in persoonlijke zaken, naar het individualisme; zij sluiten specialisatie in zich, en zij verzekeren de heiligheid van persoonlijke gewoonten en zelfs van eigenaardigheden. Dit individualisme kan niet plotseling op een willekeurig bevel van een traditie te niet gedaan worden, of zelfs door de kracht van een hartstocht, waarvan de beperkingen zijn weg genomen. Uit ontzag voor de conventies en de vooroordeelen van hun vrienden, of uit onbeteugelde overgave aan jonge liefde of alleen maar uit vrees elkander te krenken, storten jonge paren zich dikwijls in een grenzenlooze intimiteit, die voor het duurzaam bestaan van het huwelijk zelfs nog nadeeliger is, dan algeheel uitblijven van volle intimiteit. Dat is een van de voornaamste redenen, waarom de meeste schrijvers over de moreele hygiëne van het huwelijk tegenwoordig afzonderlijke slaapkamers aanbevelen, en soms zelfs, met Ellen Key, geen bezwaar er in zien, dat zij in afzonderlijke huizen wonen. Zeker, de gelukkigste huwelijken hebben dikwijls de nauwste en meest ononderbroken intimiteit in zich gesloten, bij personen, die bijzonder voor zulk een intimiteit geschikt waren. Het is in het geheel niet waar, zooals Bloch heeft verzekerd, dat familiariteit noodlottig is voor de liefde. Ze is doodelijk voor een liefde, die geen wortels heeft, maar ze is het voedsel voor de diep gewortelde liefde. Toch blijft het waar, dat afwezigheid noodig is om de geurige frischheid en het mooie idealisme van de liefde te bewaren. "Afwezigheid", zegt Landor, "is de onzichtbare en lichaamlooze moeder van ideale schoonheid". Gehuwde gelieven, die elkaar maar betrekkelijk korten tijd kunnen ontmoeten tusschen lange tijden van afwezigheid, hebben dikwijls in deze ontmoetingen een het leven doorloopende keten van wittebroodsweken ondervonden [403].

Er kan geen twijfel aan zijn, dat, evenals aanwezigheid haar gevaren heeft voor de liefde, het evenzoo is met de afwezigheid. Beide zien ten slotte, als zij lang duren, het herinneringsbeeld der liefde verbleeken, en scheiding, met haar vele betrekkingen tot veraf-zijnde personen en dingen, brengt het gevaar der ijverzucht mee, hoewel het moeilijk is een graad van levensgemeenzaamheid te vinden, die de ijverzucht of ook maar alleen de motieven voor de ijverzucht uitsluit.

IJverzucht berust op fundamenteele instincten, die bij het begin van het dierlijk leven optreden. Descartes definieerde jaloezie als "een soort van vrees, die betrekking heeft op een begeerte om een bezitting te bewaren". Iedere aandrift tot toeëigenen wordt in de dierenwereld tot grootere activiteit aangespoord als er een concurrent is, die zich het begeerde voorwerp eerder kan toeëigenen, Dit schijnt een fundamenteel feit te zijn in de dierenwereld; het is een leven behoudende neiging geweest, want, zooals iemand gezegd heeft, een dier, dat er bij zou staan, als zijn kameraden zich aan voedsel te goed deden, en dat niets dan zuivere bevrediging ondervond bij dat gezicht, zou spoedig te gronde gaan. In dit feit zien we de natuurlijke basis der jaloezie [404].

Met betrekking tot voedsel doet zich dit verschijnsel het eerst en het duidelijkst voor onder de dieren. Het is een wel bekend feit, dat het samenzijn met andere dieren er een dier toe brengt om veel meer te eten, dan wanneer het alleen gehouden wordt. Het eet niet meer uit honger, maar het eet, naar het heet, om zijn voedsel te bewaren voor mededingers op de eenige veilige bewaarplaats, die het kent. Hetzelfde gevoel wordt onder dieren op het geslachtsgebied overgebracht. En verder wordt in de verhouding van honden en andere getemde dieren jegens hun meester de gemoedsbeweging der jaloezie zeer duidelijk opgemerkt [405].

Jaloezie is een gemoedsbeweging, die het meest tot uitdrukking komt bij dieren, bij natuurvolken [406], bij kinderen [407], bij oude menschen, bij gedegenereerden, en zeer speciaal bij chronische alcoholisten [408]. Het verdient onze aandacht, dat de beste artisten en kenners van het menschenhart, die de tragedie van de jaloezie het volkomenst uitgebeeld hebben, duidelijk ingezien hebben, dat ze òf atavistisch, òf pathologisch is; Shakespeare maakte zijn Othello tot een barbaar, en Tolstoy maakte den Pozdnischeff van zijn Kreutzer Sonate tot een krankzinnige. Ze is een tegenmaatschappelijke emotie, hoewel sommigen hebben staande gehouden, dat ze de oorzaak geweest is van kuischheid en trouw. Gesell bij voorbeeld geeft toe, dat ze tegenmaatschappelijk van aard is en doet aanhalingen om de kwelling en de ellende te laten blijken, die ze veroorzaakt, maar hij schijnt te meenen, dat ze toch behoorde aangekweekt te worden om sexueele deugden aan te moedigen. Zeer bepaalde opinies zijn uitgesproken in den tegenovergestelden zin. Jaloezie behoort, evenals andere schaduwen, zegt Ellen Key, slechts bij de morgenschemering en het begin der liefde, en een mensch moest voelen, dat het een wonder is, en niet zijn recht, als de zon nog op haar hoogtepunt staat [409].

Daarom, zelfs als jaloezie een gunstige invloed geweest is bij het begin van de beschaving, evenals onder de dieren--zooals waarschijnlijk kan aangenomen worden, hoewel ze over het geheel eerder het nevenproduct van een gunstigen invloed is, dan zulk een invloed zelf--is het toch in het geheel niet duidelijk, dat ze daarom een gewenschte gemoedsbeweging wordt in meer gevorderde stadiën van de beschaving. Er zijn vele primitieve emoties, zooals toorn en vrees, waarvan we het niet wenschelijk vinden ze aan te moedigen in meer gevorderde stadiën van de beschaving in samengestelde beschaafde maatschappijen, maar die we eerder trachten te beperken en te controleeren, en zelfs als we geneigd zijn een oorspronkelijke waarde toe te kennen aan de jaloezie, schijnt ze toch onder deze emoties geplaatst te moeten worden.

Miss Clapperton volgt, bij het bespreken van dit probleem (Scientific Meliorism, blz. 129-137) Darwin (Descent of Man, Deel I, hoofdst. IV); ze denkt, dat jaloezie geleid heeft tot "het inprenten van de vrouwelijke deugd", maar zij voegt er aan toe, dat ze ook de oorzaak geweest is van de onderwerping der vrouw, en dat ze nu uitgeschakeld moet worden. "Onszelf zoo spoedig mogelijk van jaloezie te verlossen is een hoofdzaak; anders zal de groote beweging ten gunste van de gelijkheid der seksen noodzakelijkerwijze op remmen en zware hindernissen stooten".

Ribot (La Logique des Sentiments, blz. 75 et seq.; Essai sur les Passions, blz. 91, 175) constateert, dat de taxatie van de jaloezie subjectief moet verschillen naarmate van het ideaal van het leven, dat men heeft, maar hij meent, dat we objectief geneigd moeten zijn tot een ongunstige taxatie. "Zelfs een korte hartstocht is een breuk in het moreele leven; het is het abnormale, zoo niet een pathologische toestand, een uitwas, een parasitisme".

Forel (Die Sexuelle Frage, hoofdstuk V) spreekt met sterke woorden in denzelfden geest, en meent, dat het noodig is de jaloezie uit te schakelen door het niet jaloersch maken van de menschen. "Jaloezie is", verklaart hij, "de ergste en ongelukkig de diepst gewortelde van de "uitstralingen", of liever, de "contrastreacties", van sexueele liefde, geërfd van onze dier-voorvaders. Een oud Duitsch gezegde, "Eifersucht ist eine Leidenschaft die mit Eifer sucht was Leiden schafft", zegt geenszins te veel... Jaloezie is een erfdeel van dierlijkheid en barbarisme; ik zou dit in de herinnering willen brengen van hen, die ze, onder den naam "beleedigde eer", trachten te rechtvaardigen en op een voetstuk te plaatsen. Een ontrouw echtgenoot is voor een vrouw tienmaal wenschelijker dan een jaloersch echtgenoot... Wij hooren dikwijls van "gerechtvaardigde jaloezie". Ik geloof echter, dat er geen rechtvaardige jaloezie is; ze is altijd atavistisch of anders pathologisch; op zijn best is ze niets anders dan een brutale dierlijke domheid. Een man, die uit zijn aard, dat is door zijn erfelijke constitutie, jaloersch is, zal zeker zijn eigen leven en dat van zijn vrouw vergiftigen. Zulke mannen moesten onder geen voorwaarde trouwen. Opvoeding en keuze behooren saam te werken, om jaloezie uit het menschelijk brein uit te schakelen zooveel het maar kan".

Eric Gillard verklaart, in een artikel over "Jaloezie" (Free Review, Sept. 1896), in tegenstelling van hen, die meenen, dat jaloezie "het tehuis vormt", dat zij integendeel de voornaamste kracht is, die het tehuis ontbindt. "Zoolang het egoïsme ze begiet met de tranen van gevoel en ze beschermt tegen de koude vlagen van wetenschappelijk onderzoek, zoolang zal ze bloeien. Maar er zal een tijd komen, dat ze in den tuin der Liefde zal worden verbrand als een schadelijk onkruid. Haar verpestende invloed in de maatschappij kan niet verborgen blijven. Ze maakt tehuizen, die heiligdommen van liefde hadden kunnen wezen tot hellen van tweedracht en haat; ze geeft aanleiding tot zelfmoord, en ze brengt duizenden tot den drank, tot roekelooze uitspattingen en tot krankzinnigheid. Vormt het tehuis! Een van uw getrouwde vrienden ziet een waarschijnlijken verleider in iederen man, die tegen zijn vrouw glimlacht: een ander is jaloersch op de vriendinnen van zijn vrouw; een derde is beleedigd, omdat zijn vrouw zooveel belangstelling toont voor de kinderen. Sommige van de vrouwen, die gij kent, zijn jaloersch op iedere vrouw, onder de kennissen van haar man, en sommige op zijn hond. Gij moet geheel gemonopoliseerd worden, of gij bemint niet geheel. Gij moet niemand bewonderen, dan de eene persoon, waarmee ge u voor het leven hebt ingemetseld. Oude vriendschappen moeten verbroken worden, nieuwe vriendschappen moeten niet gevormd worden, uit vrees, dat de mooie emotie zal gewekt worden, die "het tehuis vormt"".

Zelfs als jaloezie in sexueele zaken kon worden toegelaten als een emotie, die werkte aan de zijde van den beschaafden vooruitgang, dan moeten we er toch op wijzen, dat ze alleen uiterlijk werkt; ze kan weinig of geen werkelijken invloed hebben; de persoon, die jaloersch is, maakt zich zelden beminnelijker door zijn jaloezie en dikwijls minder beminnelijk. Het voornaamste gevolg van zijn jaloezie is, dat ze de oorzaken voor de jaloezie doet toenemen, en ze niet zelden opwekt, en tevens, dat ze het huichelen aanmoedigt.