De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 7

Chapter 73,435 wordsPublic domain

Deze spelen sluiten niet noodzakelijk de medewerking van de sexueele impuls in, en nog minder bevatten zij eenig element van liefde. Maar liefdegevoelens, ternauwernood of in het geheel niet te onderscheiden van sexueele liefde van volwassenen, komen dikwijls op even jeugdigen leeftijd voor. Zij behooren tot het spel, in zoover spel een voorbereiding is voor de werkzaamheden van het latere leven, ofschoon zij, anders dan de spelen, niet als spel gevoeld worden. Ramdohr heeft, meer dan een eeuw geleden (Venus Urania, 1798) gewezen op de veel voorkomende liefde van kleine jongens voor vrouwen. Meestal wordt de liefde gevoeld voor individuen van de andere of van dezelfde sekse, die niet veel in leeftijd verschillen, hoewel zij gewoonlijk ouder zijn. De meest omvattende studie over deze zaak is gedaan door Sanford Bell in Amerika op een basis van 2,300 gevallen (S. Bell, "A Preliminary Study of the Emotion of Love Between the Sexes", American Journal of Psychology, July, 1902). Bell bevindt, dat de aanwezigheid van de aandoening tusschen de drie en de acht jaar blijkt uit daden als pakken, kussen, elkaar opbeuren, worstelen, dicht bij elkaar gaan zitten, bekentenissen doen aan elkaar en aan anderen, over elkaar praten als ze van elkaar af zijn, elkaar zoeken en de rest buitensluiten, verdriet bij scheiding, het geven van presenten, elkaar speciale beleefdheden aandoen, kleine opofferingen voor elkaar doen, jaloezie betoonen. De meisjes zijn, over het geheel, aggressiever dan de jongens en er minder op uit om de zaak geheim te houden. Na den leeftijd van acht, worden de meisjes bescheidener en de jongens worden nog schuwer. De physieke sensaties komen gewoonlijk niet voor in de sexueele organen; erectie van de penis en hyperaemia van de vrouwelijke geslachtsdeelen beschouwt Bell als teekenen van ongewone vroegrijpheid. Maar er is een verspreide vasomotorische opzwelling en een toestand van opgewondenheid, die te vergelijken is met wat ondervonden wordt op jongelings- en volwassen leeftijd, al is het dan niet hetzelfde. Over het geheel, besluit Bell terecht, staat de liefde tusschen kinderen van verschillend geslacht met betrekking tot de liefde tot volwassenen, als de bloem staat tot de vrucht en heeft ze misschien even weinig in zich van physieke sexualiteit als een appelbloesem in zich heeft van den appel, die er zich uit ontwikkelt. Moll meent ook, (op. cit., pag. 76) dat kussen en andere dergelijke oppervlakkige aanrakingen, die hij verschijnselen van contrectatie noemt, heel dikwijls de eerste en eenige uiting zijn van den sexueelen impuls in de jeugd.

Het is dikwijls gezegd, dat het voor kinderen gemakkelijker is hun sexueele onschuld te bewaren op het land dan in de stad en dat alleen in de steden de sexualiteit teugelloos en zichtbaar is. Dit is in geenen deele waar en in sommige opzichten is het het tegenovergestelde van de waarheid. Zeker, hard werken, een natuurlijk en eenvoudig leven en geen ingespannen geestesarbeid, werken dikwijls samen om den jongen van het land kuisch te houden in gedachten en daden, totdat de tijd der jongelingschap voorbij is. Ammon zegt, b.v. echter zonder bepaald bewijs te geven, dat dit gewoon is onder de lotelingen in Baden. Zekerlijk leiden ook al de velerlei zinsprikkelingen van het stadsleven er toe, de prikkelbaarheid van zenuwen en hersenen van de jonge menschen op te wekken op een betrekkelijk jeugdigen leeftijd op sexueel evenals op ander gebied en vroeg begeerte en nieuwsgierigheid aan te wakkeren. Maar aan den anderen kant biedt het stadsleven den jongen menschen geen bevrediging voor hun wenschen en nieuwsgierigheden. De openbaarheid van een stad, het algemeene toezicht, het bestudeerde decorum van een bevolking, die zich bewust is, dat ze voortdurend blootgesteld is aan den blik van vreemdelingen, werken samen om een sluier te werpen over de geheime zijde van het leven, die, zoo hij al niet voor de jonge menschen verbergt de groote-stadsprikkels van dat leven, toch voor het grootste deel verbergt hoe die prikkels bevredigd worden. Op het land echter bestaan deze beperkingen niet in overeenkomstigen graad; de dieren maken de elementaire feiten van het sexueele leven voor allen duidelijk zichtbaar; er is minder behoefte aan of respect voor decorum; men spreekt meer openlijk; toezicht is onmogelijk en gelegenheden voor sexueele intimiteit zijn in de ruimste mate voorhanden. Als men misschien zeggen kan, dat de stad onkuischheid van gedachten bij jonge menschen kan aanmoedigen, dan kan men zeker zeggen, dat het land onkuischheid in daden aanmoedigt.

De uitgebreide onderzoekingen van het Comité van Luthersche geestelijken over de sexueele moraal (Die geschlechtlich-sittlichen Verhältnisse im Deutschen Reiche), een paar jaar geleden uitgegeven, geven duidelijk blijk van de sexueele vrijheid op het platteland van Duitschland, en Moll, die bepaald van meening is, dat het land betrekkelijk niet vrij is van sexualiteit, zegt (op. cit., pp. 137-139, 239) dat zelfs het circuleeren van obscene boeken en prenten onder schoolkinderen meer schijnt voor te komen in kleine steden en op het land, dan in groote steden. In Rusland, waar men zou kunnen denken, dat toestanden van de stad en van het land minder contrast opleverden dan in vele andere landen, heeft men hetzelfde verschil opgemerkt. "Ik weet niet", schrijft een Russisch correspondent, "of Zola in La Terre het leven van Fransche dorpen juist beschrijft. Maar de manieren op een Russisch dorp, waar ik een deel van mijn jeugd doorgebracht heb, gelijken tamelijk wel op die, door Zola beschreven. In het leven van de landelijke bevolking, waarin ik terecht kwam, was alles doortrokken van erotica. Men was er omringd door dierlijke wellust in al zijn onbescheidenheid. Tegenovergesteld aan de algemeen gebruikelijke opinie, geloof ik, dat een kind zijn sexueele onschuld gemakkelijker kan bewaren in de stad dan op het land. Er zijn, zonder twijfel, veel uitzonderingen op dezen regel. Maar de functies van het sexueele leven zijn in de steden gewoonlijk meer verborgen dan op de velden. Zedigheid (hetzij ze van de meer oppervlakkige en uiterlijke soort is of niet) is sterker ontwikkeld bij de bevolkingen van de steden. Als zij over sexueele zaken spreken, omsluieren de menschen in de steden hun gedachten meer; zelfs de lagere klassen in steden gebruiken meer terughouding, meer euphemismen, dan boeren. Zoo kan in de steden een kind het gemakkelijk niet begrijpen als er over gewaagde onderwerpen gesproken wordt in zijn tegenwoordigheid. Men kan zeggen, dat de corruptie in de steden, hoewel meer verborgen, des te dieper is. Het kan zijn, maar die verborgenheid beschermt kinderen er tegen. Het stadskind ziet alle dagen op straat prostituées, zonder ze van andere menschen te onderscheiden. Op het land kan hij iederen dag in de ruwste bewoordingen hooren zeggen, dat dat of dat meisje 's nachts in een schuur of in een sloot gevonden is in liefdesverkeer met dien en dien jongen man, of dat het dienstmeisje iederen nacht bij den koetsier in bed kruipt, terwijl over de feiten van sexueelen omgang, zwangerschap en geboorte in de duidelijkste woorden gesproken wordt. In steden wordt de aandacht van het kind getrokken door duizend verschillende onderwerpen; op het land hoort hij, behalve over veldarbeid, die hem niet interesseert, alleen spreken over de voortbrenging van dieren en over de erotische prestaties van meisjes en jonge mannen. Als wij zeggen, dat het stadsleven meer opwindend is, dan denken we aan volwassenen, maar de dingen, die den volwassene prikkelen, hebben gewoonlijk geen erotische werking op het kind, dat echter niet lang zonder sexueel gevoel kan blijven als het ziet, hoe de groote boerenmeisjes zich, vurig als merries in een wedloop, geven in de armen van krachtige jonge mannen. Het moet wel deze vrije uitingen van sexualiteit opmerken, hoezeer de teere en perverse verfijningen van de stad aan zijn opmerkzaamheid zouden ontgaan. Ik weet, dat er in de landen van overdreven preutschheid veel verborgen corruptie is, meer, is men wel eens geneigd te denken, dan in minder huichelachtige landen. Maar ik geloof, dat dat een onjuiste indruk is, en ik ben overtuigd, dat juist tengevolge van al deze kleine geheimhoudingen, die het ondeugend vermaak opwekken van de vreemdelingen, er werkelijk veel meer jonge menschen in Engeland zijn, die kuisch blijven, dan in de landen die sexueele verhoudingen meer openlijk behandelen. In ieder geval, zoo ik al Engelschen heb leeren kennen, die zeer losbandig waren en zeer verfijnd in de zonde, ik heb ook jonge mannen van dezelfde natie gekend van over de 20 jaar, die zoo onschuldig waren als kinderen, maar nooit een jongen Franschman, Italiaan, of Spanjaard, waarvan men hetzelfde kon zeggen". Er is, ongetwijfeld, waarheid in deze bewering, hoewel wij toch moeten bedenken, dat, hoe uitstekend kuischheid ook is, als deze kuischheid berust enkel op onwetendheid, de bezitter ervan aan vreeselijke gevaren is blootgesteld.

De kwestie van sexueele hygiëne, meer bijzonder het speciale onderdeel ervan, de sexueele opheldering, hangt echter niet af van het feit, dat bij sommige kinderen de psychische en nerveuze uiting van sekse op een vroeger leeftijd aan den dag treedt dan bij andere. Het berust op het ruimere, algemeene feit, dat bij alle kinderen het verstand begint te werken op een heel vroegen leeftijd en dat deze werkzaamheid van het verstand neiging heeft zich te openbaren in een weetgierige begeerte om vele grondfeiten van het leven te kennen, die inderdaad berusten op sekse. De eerste en meest algemeen voorkomende van deze wenschen is de wensch om te weten, waar de kinderen vandaan komen. Er is geen vraag, die natuurlijker is; de vraag naar oorzaken is noodzakelijk een grondvraag in kinderlijke philosophieën, zooals zij het in verder gevorderde gedaanten is van de philosophieën van volwassenen. De meeste kinderen, hetzij zij geleid worden door mededeelingen, gewoonlijk de onjuiste mededeelingen van ouderen, of door hun eigen verstand, dat werkt onder die aanwijzingen die het krijgen kan, hebben een theorie over de herkomst van kinderen.

Stanley Hall ("Contents of Children's Minds on Entering School", Pedagogical Seminary, June, 1891) heeft eenige van de denkbeelden van jonge kinderen over de herkomst van kinderen verzameld. "God maakt de kinderen in den hemel, hoewel de Heilige Moeder en zelfs Sint Niklaas er ook maken. Hij laat ze naar beneden en laat ze zakken, en de vrouwen en de dokters pakken ze, of Hij legt ze op het trottoir, of Hij brengt ze naar beneden langs een houten ladder, die achterste voren is gezet en haalt dien weer in de hoogte; of moeder of de dokter of de baker gaan er op en halen ze, soms in een ballon, of zij vliegen naar beneden en leggen hier of daar hun vleugels af en vergeten waar, en zij springen naar beneden naar Jezus, die ze ronddeelt. Zoo werd er ook dikwijls gezegd, dat ze gevonden werden in meelvaten en het meel kleeft heel lang aan ze vast, of zij groeiden in koolen, of God legde ze in het water, misschien wel in het riool, en de dokter haalt ze er uit en brengt ze aan zieke menschen, die ze graag hebben willen, of de melkboer brengt ze 's morgens vroeg; zij worden opgegraven uit den grond, of ze worden in den kinderwinkel gekocht".

In Engeland en Amerika vertelt men dikwijls aan het nieuwsgierige kind, dat het kind in den tuin gevonden is onder een kruisbessenstruik of ergens anders; of meermalen wordt er gezegd met wat ongetwijfeld gevoeld wordt als een dichter naderen tot de waarheid, dat de dokter het gebracht heeft. In Duitschland is het gewone verhaaltje, dat men de kinderen vertelt, dat de ooievaar het kind brengt. Verschillende theorieën, voor het meerendeel gebaseerd op volkssagen, zijn voor den dag gebracht om dit verhaaltje te verklaren, maar zij schijnen geen van allen overtuigend te zijn (zie bv. G. Herman, "Sexual-Mythen", Geschlecht und Gesellschaft, Bd. 1, afl. 5, 1906, pag. 176, en P. Näcke, Neurologisches Centralblatt, No. 17, 1907). Näcke meent, dat er iets aannemelijks is in de suggestie van Professor Petermann, dat een kikvorsch, die zich wringt in den bek van een ooievaar, op een menschelijk wezentje gelijkt.

In IJsland vinden we, volgens Max Bartels ("Isländischer Brauch und Volksglaube", etc., Zeitschrift für Ethnologie, 1900, afl. 2 en 3) een overgang tusschen de werkelijkheid en de phantasie in de verhalen, die aan kinderen verteld worden over de herkomst van kinderen (de ooievaar is hier uitgesloten, want die komt niet verder dan tot de zuidelijke grens van de Scandinavische landen). In Noordelijk IJsland wordt gezegd, dat God het kind gemaakt heeft en dat de moeder het gedragen heeft, en dat zij daarom nu ziek is. In het Noord-Westen zegt men, dat God het kind gemaakt heeft en het aan de moeder heeft gegeven. Elders zegt men, dat God het kind gezonden heeft en dat de vroedvrouw het heeft gebracht en dat de moeder alleen maar in bed ligt om dicht bij het kind te zijn (wat maar zelden in een wieg wordt gelegd). Soms wordt ook gezegd dat een lam of een vogel het kind gebracht heeft. En dan weer zegt men, dat het in den nacht door het raam is binnengekomen. Soms echter vertelt men het kind, dat het kindje gekomen is uit de borsten van de moeder, of van onder haar borsten, en dat zij daarom ziek is.

Zelfs als de kinderen te weten komen, dat kleine kinderen uit het lichaam der moeder komen, dan blijft deze kennis dikwijls nog heel vaag en onnauwkeurig. Het gebeurt bv. heel dikwijls in alle beschaafde landen, dat de navel beschouwd wordt als het punt, waar het kind uit het lichaam komt. Dit is een natuurlijke conclusie, omdat de navel een kanaal schijnt te zijn naar binnen in het lichaam, en een kanaal waarvoor geen zichtbaar gebruik is, terwijl de geslachtsspleet zich niet zou opperen voor meisjes (en nog minder voor jongens) als de doorgang der geboorte, omdat die reeds gemonopoliseerd schijnt te worden door de afscheiding der urine. Dit geloof omtrent den navel wordt soms behouden den geheelen tijd der jeugd door, vooral bij meisjes van de zoogenaamde welopgevoede klasse, die te wel opgevoed zijn om de zaak te bespreken met haar getrouwde vriendinnen, en die werkelijk meenen, dat zij reeds voldoende op de hoogte zijn. Op dezen leeftijd kan het zijn, dat het geloof niet geheel onschadelijk is, in zooverre het er toe leidt den werkelijken toegang der sexualiteit onbewaakt te laten. In den Elzas, waar meisjes gewoonlijk gelooven, en waar haar ook geleerd wordt, dat de kinderen door den navel komen, loopen populaire verhalen (Anthropophyteia, deel III, pag. 89), die de verkeerde gevolgen doen zien van dit geloof, die soms leiden tot verlies der maagdelijkheid.

Freud, die meent dat kinderen niet hard gelooven aan den fabel van den ooievaar en dergelijke verhalen, die uitgevonden zijn om hen te misleiden, heeft een belangwekkend psychologisch onderzoek gedaan naar de werkelijke theorieën, die kinderen zelf maken als het resultaat van waarneming en nadenken van de sexueele feiten van het leven (zie Freud, "Ueber Infantile Sexualtheorien", Sexual-Probleme, Dec. 1908). Zulke theorieën, merkt hij op, komen overeen met de schitterende, maar onvolledige veronderstellingen, waar natuurvolken toe komen over den aard en den oorsprong der wereld. Er zijn drie theorieën, die, zooals Freud geheel naar waarheid besluit, zeer dikwijls door kinderen gevormd worden. De eerste en de verst verspreide is, dat er geen werkelijk anatomisch verschil is tusschen jongens en meisjes; als de jongen opmerkt dat zijn zusje geen zichtbare penis heeft, dan komt hij zelfs tot het besluit, dat het komt omdat ze nog te jong is, en het kleine meisje zelf denkt hetzelfde. Het feit, dat in de kindsheid de clitoris betrekkelijk grooter is en meer op een penis gelijkt, helpt deze gedachte bevestigen, die Freud in verband brengt met de neiging op lateren leeftijd tot erotische droomen over vrouwen voorzien van een penis. Deze theorie begunstigt, zooals Freud opmerkt, den groei der homo-sexualiteit, als de kiemen er van aanwezig zijn. De tweede theorie is de fæcale theorie van de herkomst van kinderen. Het kind, dat misschien denkt dat zijn moeder een penis heeft, en dat in ieder geval niet weet van de vagina, komt tot het besluit dat het kind ter wereld gebracht wordt door een werking, gelijk aan de werking van de ingewanden. De derde theorie, die misschien minder voorkomt dan de andere, noemt Freud de sadistische theorie van den coïtus. Het kind erkent, dat zijn vader op eene of andere wijze moet hebben deelgenomen aan zijn verwekking. De theorie, dat sexueele omgang bestaat in geweld, heeft een spoor van waarheid in zich, maar kinderen schijnen er op duistere wijze toe te komen. De eigen sexueele gevoelens van het kind worden dikwijls het eerst gewekt als het worstelt of vecht met een kameraadje; het kan ook zijn, dat hij zijn moeder min of meer speelsch ziet weerstand bieden aan een plotselinge liefkoozing van zijn vader; en als een werkelijke twist plaats vindt, dan kan die indruk versterkt worden. Wat de ideeën van het kind betreft over den huwelijkschen staat, bevindt Freud, dat hij gewoonlijk beschouwd wordt als een staat, die ingetogenheid afschaft; en de meest voorkomende theorie is, dat getrouwd zijn beteekent, dat de menschen in elkanders tegenwoordigheid kunnen urineeren, terwijl een andere gewone kindertheorie is, dat getrouwd zijn is, dat de menschen elkaar hun genitaliën laten zien.

Zoo komt het, dat wij al op een zeer vroeg stadium van het leven van het kind tegenover de kwestie komen te staan, hoe wij het wijste kunnen beginnen met zijn inwijding in de kennis van de groote centrale feiten van sekse. Het is misschien wat achterlijk het als een kwestie te beschouwen, maar dat is het toch onder ons, ofschoon drie duizend vijf honderd jaar geleden de Egyptische vader tot zijn kind aldus heeft gesproken: "Ik heb je een moeder gegeven, die je bij zich gedragen heeft, als een zware last, om jouwentwille, en zonder op mij te steunen. Toen je eindelijk geboren was, onderwierp zij zich aan het juk, want drie jaar lang waren haar tepels in je mond. Je uitwerpselen hebben haar nooit tegenzin ingeboezemd, of haar doen zeggen: Wat doe ik? Toen je naar school gezonden waart, ging zij regelmatig iederen dag om eigengebakken brood en eigengebrouwen bier aan je meester te brengen. Als jij op jouw beurt trouwt en een kind krijgt, voed dan je kind op, zooals je moeder jou opgevoed heeft" [21].

"Alles wat de liefde en zorgvuldigheid van ouderlijke liefde kan geven", schrijft Dr. G. F. Butler, van Chicago (Love and its Affinities, 1899, pag. 83), "alles wat de meest verfijnde godsdienstinvloed kan geven, alles wat de meest beschaafde vereenigingen kunnen tot stand brengen, dat kan door een enkel oogenblik teniet worden gedaan. Er is geen plaats voor ethisch betoog, ja, er is zelfs dikwijls geen bewustzijn van kwaad, maar alleen Gretchen's "Es war so süsz". Dezelfde schrijver voegt er aan toe (wat al tevoren opgemerkt was door Mrs. Craik en anderen) dat het onder de leden der kerk de fijnere en meer gevoelige organisaties zijn, die het meest onderhevig zijn aan sexueele emoties. Voor zoover het jongens aangaat, laten wij de mededeeling in geslachtszaken, het heiligste en meest centrale feit ter wereld, zooals de kanunnik Lyttelton opmerkt, over aan onreindenkende schooljongens, rijknechts, tuinjongens, in het kort aan iedereen, die op jeugdigen leeftijd voldoende bedorven is en voldoende roekeloos om er over te spreken". Er, wat meisjes aangaat, zooals Balzac lang geleden opmerkte, "een moeder kan haar dochter streng opvoeden, en haar onder haar vleugelen hoeden zeventien jaar lang; maar een dienstmeisje kan dat lange werk teniet doen door een woord, zelfs door een gebaar".

De groote rol, die door dienstmeisjes van de lagere klasse gespeeld wordt bij de sexueele inwijding van de kinderen van den middenstand, is toegelicht bij de behandeling van "De sexueele impuls bij vrouwen" in een van mijn andere werken, en behoeft nu niet verder besproken te worden. Ik wil alleen hier in het voorbijgaan een woord zeggen over de andere zijde. Hoe dikwijls dienstmeisjes ook deze rol spelen, moeten we toch niet zoo ver gaan van te zeggen, dat dit het geval is met de meerderheid. Wat Duitschland aangaat, heeft Dr. Alfred Kind onlangs zijn ondervinding medegedeeld: "Ik heb nooit in mijn jeugd een slecht of ongepast woord gehoord over geslachtsverhoudingen van een dienstmeisje, ofschoon de dienstmeisjes elkaar in ons huis opvolgden als zonneschijn en regenbuien in April en er was altijd een kameraadschappelijke betrekking tusschen ons kinderen en de dienstboden". Wat Engeland aangaat, kan ik er bijvoegen, dat mijn eigen jeugdondervindingen overeenkomen met die van Dr. Kind. Dit behoeft geen verwondering te wekken, want we kunnen zeggen, dat bij het gewone meisje in goede omstandigheden, hoewel haar deugd misschien niet ontwikkeld is tot heldenverhoudingen, toch gewoonlijk een natuurlijke eerbied is voor de onschuld van kinderen, een natuurlijke sexueele onverschilligheid jegens hen en een natuurlijke verwachting, dat de man de actieve rol moet spelen als er een sexueele verhouding zal ontstaan.