De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 69
coïtus reservatus,--waarbij de omgang zelfs zeer lange tijden achtereen wordt volgehouden, waarbij de vrouw verscheiden malen orgasme kan hebben, terwijl de man er in slaagt orgasme tegen te houden,--wel verre van nadeelig te zijn voor de vrouw, is waarschijnlijk de vorm van coïtus, die haar de meeste bevrediging en verlichting geeft. Voor de meeste mannen echter schijnt deze zelfbeheersching over de processen, die leiden tot de onwillekeurige daad der uitstorting, moeilijk te verkrijgen te zijn, terwijl het voor zwakke, zenuwachtige en prikkelbare personen onmogelijk is. Het is echter een wenschelijke voorwaarde voor geheel volledige coïtus, en in het Oosten wordt dit ten volle erkend en de methode zorgvuldig aangekweekt. Zoo zegt W. D. Sutherland ("Einiges über das Alltagsleben und die Volksmedizin unter den Bauern Britischostindiens", Münchener Medizinische Wochenschrift, No. 12, 1906), dat de Hindoe tijdens het verkeer rookt en praat om het orgasme te vertragen, en soms een opiumdeeg legt op de klieren van den penis met hetzelfde doel. Sommige autoriteiten hebben geconstateerd, dat de voortzetting van de coïtusdaad in zijn uitwerking nadeelig is voor den man. Zoo zegt R. W. Taylor (Practical Treatise on Sexual Disorders, third ed. p. 121), dat ze neiging heeft atonische impotentie te veroorzaken, en Löwenfeld (Sexualleben und Nervenleiden, p. 74) meent, dat de snelle en ongehinderde culminatie van de geslachtsdaad noodig is om de spankracht van de reflex-centra te verkrijgen. Dit is waarschijnlijk waar van uiterste en dikwijls herhaalde gevallen van onbepaalde verlenging van uitgesproken erectie zonder uitstorting, maar het is niet waar binnen de tamelijk wijde grenzen bij gezonde personen. Verlengde coïtus reservatus was een gebruik van het samengestelde huwelijkssysteem van de Oneida gemeenschap, en de nu overleden Noyes Miller, die het grootste deel van zijn leven in de gemeenschap doorgebracht had, heeft mij verzekerd, dat het gebruik geenerlei verkeerde gevolgen had. Coïtus reservatus werd in de Oneida gemeenschap tot principe verheven. Iedere man in de gemeenschap was theoretisch de echtgenoot van iedere vrouw, maar iedere man was niet vrij om kinderen te hebben met iedere vrouw. Sexueele inwijding had plaats spoedig na de puberteit bij jongens, een paar jaar later bij meisjes, door een veel ouder persoon van het andere geslacht. Bij het verkeer liet de man zijn penis wel een uur in de vagina zonder ejaculatie, hoewel orgasme plaats vond bij de vrouw. Er was gewoonlijk geen ejaculatie in het geval van den man, zelfs na het terugtrekken, en hij gevoelde geen behoefte aan ejaculatie. Het maatschappelijk gevoel van deze gemeenschap was een kracht ten gunste van dit gebruik, de zorgelooze, onhandige mannen werden vermeden door de vrouwen, terwijl ook het algemeene romantische gevoel van liefde voor al de vrouwen in de gemeenschap, een kracht was. Masturbatie was onbekend, en geen ongeregelde verhoudingen hadden plaats met personen buiten de gemeenschap. Het gebruik werd dertig jaar lang in stand gehouden, en eindelijk werd het afgeschaft, niet om de gebreken ervan, maar uit eerbied voor de buitenwereld. Mr. Miller gaf toe, dat het gebruik moeilijker werd in het gewone huwelijk, dat een meer mechanische gewoonte van omgang begunstigt. De opgaven van Miller worden aangevuld door een geschrift, getiteld Male Continence (de naam, die in de gemeenschap gegeven werd aan coïtus reservatus), geschreven in 1872 door den stichter, John Humphrey Noyes. De gewoonte is, naar hij zegt, gebaseerd op het feit, dat het sexueele verkeer in twee daden bestaat, een maatschappelijke daad en een voortplantingsdaad, en dat, als voortplanting wetenschappelijk zal zijn, er geen verwarring moet zijn tusschen deze twee daden, en dat voortplanting nooit onwillekeurig moet zijn. Het was, zegt hij, in 1844, dat dit denkbeeld bij hem opkwam, als het resultaat van een besluit om zich van sexueelen omgang te onthouden, tengevolge van de teere gezondheid van zijn vrouw en van haar ongeschiktheid om gezonde kinderen voort te brengen, en in zijn eigen geval achtte hij het gebruik "een groote verlichting. Het maakte een huishouden gelukkig". Hij wijst er op, dat de voornaamste leden van de Oneida gemeenschap "behoorden tot de meest respectabele families in Vermont, dat zij opgevoed waren in de beste scholen van moraal en verfijning van Nieuw Engeland, en dat ze, naar den gewonen standaard, onberispelijk waren in hun gedrag wat sexueele zaken aangaat, totdat zij in 1846 de proef namen met een nieuwe inrichting van de maatschappij, op grondbeginselen, die ze langen tijd rijpelijk hadden overwogen en die ze bereid waren voor de wereld te verdedigen". Wat de "male continence" aangaat, meende Noyes dus, dat de gemeenschap gevoegelijk kon beschouwd worden als "het Comitee van de Voorzienigheid, om de waarde ervan in het werkelijke leven te onderzoeken". Hij zegt, dat een zorgvuldige, medische vergelijking van de Statistieken van de gemeenschap had aangetoond, dat het aantal nerveuze kwalen in de gemeenschap aanmerkelijk lager was dan het gemiddelde daarbuiten, en dat er maar twee gevallen waren voorgekomen van nerveuse stoornissen, die met eenige waarschijnlijkheid konden teruggebracht worden tot een overdrijven van de "male continence". Dit is bevestigd door Van de Warker, die twee en veertig vrouwen uit de gemeenschap bestudeerd heeft zonder eenig buitengewoon overheerschen van vrouwenziekte te vinden, en ook kon hij geen ziekelijken toestand vinden, die kon worden toegeschreven aan de sexueele gewoonten van de gemeenschap. (vergelijk C. Reed, Text-Book of Gynecology, 1901, p. 9).
Noyes meende, dat "male continence" nooit tevoren een bepaald erkend gebruik geweest was, gebaseerd op theorie, hoewel het er nu en dan dicht aan toe is geweest. Dit is waarschijnlijk waar, als de coïtus reservatus is in de volle beteekenis, met volkomen afwezigheid van ejaculatie. Verlengde coïtus echter, die aan de vrouw gelegenheid geeft om meer dan eens orgasme te hebben, terwijl de man het niet heeft, is sinds lang erkend. Zoo besprak in de zeventiende eeuw Zacchia de kwestie, of zulk een gebruik gewettigd was (Zacchiæ Questionum Opus, ed. van 1688, lib. VII, tit. III, quæst. VI). In moderne tijden is het nu en dan in praktijk gebracht, zonder eenige theorie en het is altijd aangenaam gevonden door de vrouw, terwijl het geen slechte gevolgen schijnt te hebben voor den man. In zulk een geval gebeurt het wel, dat de daad van coïtus een uur duurt of zelfs langer, terwijl het maximum van het genoegen van de vrouw niet bereikt wordt voordat er drie kwartier zijn voorbijgegaan; in dien tijd ondervindt de vrouw vier of vijf maal orgasme, de man alleen bij het einde. Het komt nu en dan voor, dat de vrouw iets later weer verlangen heeft, en dan begint het verkeer opnieuw op dezelfde wijze. Maar daarna is ze bevredigd, en dan komt het verlangen niet weer terug.
Het kan wenschelijk zijn hier in het kort te verwijzen naar de voornaamste variaties in de methode van uitvoeren van den coïtus in hun betrekking op de kunst van liefhebben en het verkrijgen van een gepaste en bevredigende detumescentie.
Het voornaamste en essentieele kenmerk van de speciaal menschelijke methode van coïtus is het feit, dat hij plaats vindt met de gezichten naar elkaar toe. Het feit, dat bij de typisch normale voltrekking de vrouw op den rug ligt en de man boven op haar, is iets bijkomstigs. Psychisch is deze houding van aangezicht tot aangezicht een groot voordeel boven de methode van de viervoeters. De twee deelgenooten vertoonen elkaar den belangrijksten en den mooisten kant van hun persoonlijkheid, den kant, waarin de meeste uitdrukking is, en zoo verhoogen ze het wederzijdsch genoegen en de harmonie van de intieme daad der vereeniging. Bovendien heeft deze houding van aangezicht tot aangezicht een groote beteekenis in het feit, dat het het uiterlijke teeken is, dat het menschelijk paar de dierlijke sexueele houding te boven is gekomen van den jager, die zijn prooi in de vlucht grijpt, en die er mee tevreden is, deze in die houding, van achteren, te genieten. Men kan zeggen, dat de man bij de menschen dezelfde houding behouden heeft, maar dat de vrouw zich omgedraaid heeft; zij is haar deelgenoot gaan aanzien en is hem genaderd, en geeft zoo een symbool van haar opzettelijke toestemming tot de daad der vereeniging.
De variaties bij de menschen bij het uitoefenen van den coïtus zijn echter, individueel, zoowel als nationaal, uiterst veelvuldig. "Om volkomen de waarheid te zeggen", zegt Fürbringer (Senator en Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 213), "kan ik mij nauwelijks een combinatie denken, die niet voorkomt onder mijn aanteekeningen, als in praktijk gebracht door mijn patiënten". Wij moeten niet te haastig besluiten, dat zulke variaties het gevolg zijn van het zich gewennen aan de ondeugd. Dat is in het geheel niet het geval. Zij komen dikwijls natuurlijk en spontaan voor. Freud heeft er terecht op gewezen (in de tweede serie van zijn Beiträge zur Neurosenlehre, "Bruchstück" etc.), dat we niet al te zeer geschokt moeten zijn, zelfs als het denkbeeld van fellatio spontaan bij een vrouw opkomt, want dat denkbeeld vindt zijn onschuldigen oorsprong in de overeenkomst tusschen den penis en den tepel. Evenzoo kunnen we er aan toevoegen, heeft het verlangen naar cunnilinctus, dat bij de vrouwen zooveel meer verborgen aanwezig schijnt te zijn dan bij mannen, een natuurlijke analogie in het genoegen van het zuigen, een genoegen, dat werkelijk dikwijls erotisch getint is.
Iedere variatie in deze zaak, merkt Rémy de Gourmont op (Physique de l'Amour, p. 264) maakt deel uit van de zonde der wellust en sommige van de theologen in Europa hebben iedere positie bij den coïtus, behalve die welke gewoonlijk normaal geheeten wordt, doodzonde genoemd. Andere theologen daarentegen hebben zulke variaties uitsluitend beschouwd als vergeeflijke zonden, mits ejaculatie plaats had in de vagina, evenals sommige theologen irrumatio wilden toestaan als een voorbereiding tot coïtus, mits er geen ejaculatie was. Aquinas was zeer gestreng jegens de afwijkingen van het normale verkeer; Sanchez was meer toegevend, vooral met het oog op de leer, ontleend aan de Grieksche en Arabische natuurphilosophen, dat de schoot het zaad kan aantrekken, zoodat het natuurlijke doel toch bereikt kan worden zelfs in ongewone houdingen.
Wat voor meeningsverschillen er mogen geweest zijn onder oude theologen, het wordt door moderne medici erkend, dat variaties van de gewone methode van coïtus in speciale gevallen wenschelijk zijn. Zoo wijst Kisch er op (Sterilität des Weibes, p. 107), dat het in sommige gevallen voor de vrouw alleen maar mogelijk is om sexueele opwinding te verkrijgen, als coïtus plaats vindt in de zijdelingsche positie of als deze "a posteriori" gedaan wordt, of als de gewone houding omgekeerd wordt; en ook in zijn Sexual Life of Woman, beveelt Kisch verschillende variaties aan van de positie bij coïtus. Ook Adler wijst (op. cit., blz. 151, 186) op de waarde van dezelfde houdingen in sommige gevallen, en merkt op, dat zulke variaties dikwijls verborgen sexueele gevoelens als bij tooverij te voorschijn roepen. Zulke gevallen komen inderdaad tamelijk veel voor, terwijl het voordeel van de ongewone positie berust hetzij op physieke of op psychische oorzaken, en het ontdekken van de juiste houding wordt soms gevonden bij een zuiver speelsche poging. Het is nu en dan ook wel voorgekomen, dat, als het verkeer gewoonlijk heeft plaats gevonden in een abnormale positie, er geen bevrediging door de vrouw wordt ondervonden voordat de normale positie is aangenomen. De eenige tamelijk gewone variatie van coïtus, die onvoorwaardelijk wordt afgekeurd, is die in de staande positie. (Zie bv. Hammond, op. cit. blz. 257 et seq.).
Lucretius raadde vooral aan de variatie van de viervoetige dieren van coïtus (boek IV, 1258), en als Ovidius beschrijft (einde van boek III van de Ars Amatoria) wat hij beschouwt als aangename variaties, dan geeft hij als de gemakkelijkste en eenvoudigste methode de voorkeur aan die methode, waarbij de vrouw half op haar rug ligt en half op haar zijde. Misschien echter is de variatie, die het dichtst de normale houding nadert en die zich het meest en het meest volkomen aanbevolen heeft, en die klaarblijkelijk bekend is bij Arabische erotische schrijvers als dok el arz, deze, waarbij de man zit en zijn deelgenoot dwars over zijn dijen zit, zijn lichaam met haar beenen omspant en zijn hals met haar armen, terwijl hij haar middel omvat; hiervan zegt men in de Arabische Perfumed Garden, dat het de methode is, die het aangenaamst wordt gevonden door vrouwen.
De andere meest gewone variatie is de omgekeerd gewone positie waarbij de man op zijn rug ligt, en de vrouw zich aan die positie aanpast, hetgeen verschillende variaties toelaat, die tamelijk gunstig zijn, vooral als de man veel grooter is dan zijn deelgenoot. De Christelijke, zoowel als de Mohammedaansche theologen schijnen echter over het algemeen tègen deze superieure positie van de vrouw geweest te zijn, blijkbaar, naar het schijnt, omdat zij de letterlijke onderwerping van den man aan de vrouw, die hij in zich sluit, beschouwden als een symbool van moreele onderwerping. Vele menschen echter getuigen tegenwoordig voor deze houding, meer speciaal wat de vrouwen aangaat, omdat ze haar in staat stelt een betere aanpassing te verkrijgen en een grootere controle over het proces, en zich dikwijls op deze wijze sexueele bevrediging verschaffen, die ze moeilijk of onmogelijk in de normale positie zouden kunnen verkrijgen.
De theologen schijnen minder afwerend geweest te zijn tegenover een houding, zooals die bij de viervoeters normaal is, die "a posteriori", terwijl de oude poenitentialia deze streng behandelden, bv. die van Angers, die daarvoor 40 dagen boete verordende en die van den heiligen Egbert, die een driejarige kerkboete oplegde, als het uit gewoonte gebeurde. (Ze is besproken door J. Peterman "Venus Aversa", Sexual-Probleme, Febr., 1909). Er zijn goede redenen, waarom in vele gevallen deze positie wenschelijk is, meer speciaal van het standpunt van de vrouwen, die ze inderdaad herhaaldelijk prefereeren. Het moet altijd in herinnering blijven, dat, zooals ook reeds aangetoond is bij den voortgang van anthropoid tot mensch, het de vrouw is en niet de man, die de positie bij den coïtus veranderd heeft. Terwijl echter de menschelijke houding een psychische vooruitgang beteekent, is er nooit een volkomen physieke aanpassing geweest van de vrouwelijke organen aan de omgekeerde methode. Meer speciaal is de plaats van de clitoris zóó (op. cit., blz. 117-119) dat ze als regel gemakkelijker te prikkelen is door coïtus van achteren dan van voren. Een latere schrijver, Klotz, neemt in zijn boek Der Mensch ein Vierfüssler (1908) zelfs de tè uiterste positie in van te meenen, dat de wijze van coïtus van de viervoeters, omdat dat de eenige methode is die behoorlijk contact oplevert met de clitoris, de natuurlijke menschelijke positie is. Er moet echter toegegeven worden, dat de methode a posteriori van coïtus niet alleen een in ruimen kring verspreide, maar ook een zeer belangrijke variatie is, in beide haar voornaamste vormen: de Pompejische methode, waarbij de vrouw voorover buigt en de man haar van achteren nadert, of de methode beschreven door Boccaccio, waarbij de man op zijn rug ligt en de vrouw schrijlings zit.
Fellatio en cunnilinctus, die wel geen variaties zijn van den coïtus, omdat daarbij geen vereeniging van de genitaliën der beide geslachten voorkomt, zijn wijd verbreid als voorbereidingen tot de eigenlijke geslachtsdaad, of als plaatsvervangende vorm van den coïtus, evenzeer bij beschaafde als bij onbeschaafde volken. Zoo zegt men mij, dat in Indië fellatio bijna algemeen wijd verspreid is in de huishoudingen, en dat ze beschouwd wordt als een natuurlijke plicht jegens den pater familias. Wat cunnilinctus aangaat heeft Max Dessoir gezegd (Allgemeine Zeitschrift für Psychiatrie, 1894, afl. 5), dat de betere Berlijnsche prostituées zeggen, dat ongeveer een vierde van haar klanten ze wenschen in praktijk te brengen, en dat in Frankrijk en Italië het aantal nog grooter is; het aantal vrouwen, dat cunnilinctus aangenaam vinden, is ongetwijfeld veel grooter. Verkeer per anum moet ook beschouwd worden als een plaatsvervangenden vorm van coïtus. Het schijnt niet ongewoon te zijn, vooral onder de lagere volksklassen, en terwijl het dikwijls het gevolg is van den wensch om de conceptie te voorkomen, wordt het ook soms in praktijk gebracht als een sexueele afwijking, op wensch van den man of van de vrouw, daar de anus tot zekere hoogte een erogene zone is.
In alle beschaafde landen hebben van de vroegste tijden af schrijvers over de kunst van liefhebben formeel en systematisch de verschillende houdingen bij den coïtus uiteengezet. Het vroegste geschrift van deze soort, dat nu nog bestaat, schijnt een Egyptische papyrus te zijn, die bewaard wordt in Turijn, gedateerd van 1300 a. C; hierin zijn veertien verschillende houdingen beschreven. De Indianen kennen, volgens Iwan Bloch, in het geheel acht en veertig verschillende posities; de Ananga Ranga beschrijft twee en dertig hoofdvormen. De Mohammedaansche Perfumed Garden beschrijft veertig vormen, en zes verschillende soorten van beweging bij den coïtus. De Oostersche boeken van deze soort zijn over het geheel beter dan die door de Westersche wereld zijn geproduceerd, niet alleen door hun grootere grondigheid, maar door den hoogeren geest, waardoor ze dikwijls geïnspireerd zijn.
De oude Grieksche erotische geschriften, nu alle verloren gegaan, waarin de wijzen van coïtus beschreven zijn, worden bijna alle toegeschreven aan vrouwen. Volgens een legende, door Suidas vermeld, was de vroegste schrijver van deze soort Astyanassa, het dienstmeisje van Helena van Troje. De dichteres Elephantis heeft, naar men meent, negen posities bezongen. Verschillende vrouwen hebben in later tijd over deze onderwerpen geschreven en één boek wordt toegeschreven aan Polycrates, den sophist.
Aretino--die schreef, nadat de invloed van het Christendom erotische zaken verraderlijk laag tot het terrein van de pornographie had neergehaald, vanwaar ze eerst nu beginnen te worden te voorschijn gehaald--beschreef in zijn Sonnetti Lussoriosi zes en twintig verschillende soorten van coïtus, ieder voorzien van een illustreerende teekening van Giulio Romano, den voornaamsten van Raphael's leerlingen. Veniero beschreef in zijn Puttana Errante twee en dertig posities. Later heeft Forberg, de voornaamste moderne autoriteit, negentig posities opgenoemd, naar men zegt, dat maar acht en veertig zelfs bij de meest liberale taxatie beschouwd kunnen worden als te vallen binnen de sfeer van de normale variaties.
De oneer, die aan de daad van de paring is ten deel gevallen, en die ze gemaakt heeft tot een daad der duisternis, is ongetwijfeld grootendeels verantwoordelijk voor het feit, dat de voornaamste tijd voor de voltrekking ervan onder moderne beschaafde volken de donkerheid van den vroegen nacht is in stoffige slaapkamers, als de vermoeienis van het dagwerk in strijd is met de kunstmatige opwekking, teweeg gebracht door zware maaltijden en alcohol bevattende dranken. Deze gewoonte is voor een deel de schuld van de onverschilligheid, of zelfs den afkeer, waarmee vrouwen coïtus soms beschouwen.
Vele meer primitieve volken zijn wijzer. De Papoea's aan de baai van Astrolabe op Nieuw-Guinea hebben, volgens Vahness (Zeitschrift für Ethnologie, 1900, afl. 5, p. 414), hoewel men in herinnering moet houden, dat de combinatie van de sexueele daad met duisternis veel ouder is dan het Christendom, en in verband staat met zeer oude godsdienstige denkbeelden (vergelijk Hesiodus, Works and Days, Boek II), altijd omgang in de open lucht. De hard werkende vrouwen van de Gebvuka en Euru-eilanden zijn 's nachts te moe voor coïtus; hij wordt uitgevoerd bij dag onder de boomen, en ook de bewoners van de Serang-eilanden hebben coïtus in de bosschen (Ploss and Bartels, Das Weib, Boek I, hoofdst. XVII).
Deze voorbeelden kan men klaarblijkelijk in moderne steden niet volgen, zelfs niet als de werkzaamheden en het klimaat het toelieten. Men is het er ook over eens, dat sexueel verkeer moet gevolgd worden door rust. Er schijnt echter weinig twijfel aan te bestaan, dat de vroege morgen en het daglicht een gunstiger tijd zijn dan de vroege nacht. Conceptie behoort plaats te hebben bij licht, zeide Michelet (L'Amour, p. 153); sexueel verkeer in het donker van den nacht is een daad, gedaan met een vrouwelijk dier; bij dag is het de vereeniging met een liefhebbend en geliefd individueel persoon.
Dit is in ruimen kring erkend geworden. De Grieken beschouwden, zooals we van Aristophanes, in zijn Acharniërs hooren, zonsopgang als de gepaste tijd voor coïtus. De Zuidelijke Slaven zeggen ook, dat de ochtendschemering de tijd is voor coïtus. Vele moderne autoriteiten hebben zich uitgesproken ten gunste van coïtus in den vroegen morgen. De morgen, zeide Roubaud (Traité de l'Impuissance, blz. 15 1-3) is de tijd voor coïtus, en zelfs als het verlangen grooter is in den avond, is het genoegen toch grooter in den morgen. Ook Osiander raadde coïtus aan in den vroegen morgen, en Venette zegt in een vroeger eeuw, waar hij er over spreekt "op wat voor tijd een man zijn vrouw in liefde behoort te omarmen" (La Génération de l'Homme, Part. II, hoofdst. V) en de meening uit, dat het 't beste is zijn neiging te volgen, "dat een mooie vrouw er beter uitziet bij zonlicht dan bij kaarslicht". Een paar autoriteiten, zooals Burdach, zijn er tevreden mee geweest de gewoonte van coïtus bij nacht aan te nemen, en Busch (Das Geschlechtsleben des Weibes, deel I, p. 214) was geneigd om te meenen, dat de duisternis van den nacht de "natuurlijkste" tijd was, terwijl Fürbringer (Senator and Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 217) zegt, dat de vroege morgen "nu en dan" de beste tijd is.