De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 68

Chapter 683,487 wordsPublic domain

De oude Hindoeschrijvers over erotica hechtten groote waarde aan de oplettendheid van den man voor de erotische behoeften van de vrouw, en ook aan zijn bekwaamheid en tact bij al de voorbereidselen tot de sexueele daad. Hij moet alles doen wat hij kan om haar genoegen te geven, zegt Vatsyayana. Als zij op haar bed zit, en misschien in een gesprek verdiept is, moet hij zachtjes de banden van haar ondergoed losmaken. Als zij protesteert, sluit hij haar mond met een kus. Sommige schrijvers, merkt Vatsyayana op, meenen, dat de minnaar moet beginnen met te zuigen aan de tepels van haar borsten. Wanneer er erectie is, raakt hij haar met zijn handen aan, zachtjes de verschillende deelen van haar lichaam liefkozend. Hij moet altijd die deelen van haar lichaam drukken, waarop zij haar oogen richt. Als zij verlegen is en het de eerste keer is, dan moet hij zijn handen tusschen haar beenen leggen, en zal ze die dan als bij instinct samendrukken. Als zij jong is, moet hij zijn handen op haar borsten leggen; dan zal zij die ongetwijfeld met de hare bedekken. Als zij rijp is, zal ze alles doen wat gepast en aangenaam is voor beide partijen. Dan zal hij heur haar en haar kin tusschen zijn vingers nemen en ze kussen. Als ze heel jong is, zal ze blozen en haar oogen sluiten. Door de wijze waarop ze zijn liefkoozingen in ontvangst neemt, moet hij raden, wat haar het meest bij het samenzijn bevalt. De teekenen van haar vreugde zijn, dat haar lichaam slap wordt, haar oogen zich sluiten, zij alle verlegenheid verliest en deel neemt aan de bewegingen, die haar zoo dicht mogelijk bij hem brengen. Als zij aan den anderen kant geen genot voelt, dan strijkt zij met haar hand over het laken, wil haar man niet toestaan door te gaan, is saai, bijt of slaat zelfs, en gaat met coïtusbewegingen voort als de man al opgehouden heeft. In zulke gevallen, voegt Vatsyayana er bij, is het zijn plicht de vulva vóór de vereeniging met zijn hand te wrijven tot ze vochtig is, en hij moet dezelfde bewegingen naderhand maken, als zijn eigen geprikkeldheid het eerst voorbij is.

Aangaande Indische erotische kunst in het algemeen, en meer speciaal over Vatsyayana, die eenige honderde jaren geleden schijnt geleefd te hebben, kan men inlichtingen vinden bij Valentino, "L'Hygiène conjugale chez les Hindous", Archives Générales de Médecine, April 25, 1905; Iwan Bloch, "Indische Medizin", Puschmann's Handbuch der Geschichte der Medizin, deel I, Heimann and Stephan, "Beiträge zur Ehehygiene nach der Lehren des Kamasutram", Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Sept., 1908; ook een overzicht van de Duitsche vertaling van de Kamashastra van Vatsyayana in het Zeitschrift für Ethnologie, 1902, afl. 2. Er heeft lang een Engelsche vertaling van dit werk bestaan. In de langdradige voorrede bij de Fransche vertaling wijst Lamairesse op de superioriteit van de Indische erotische kunst boven die van de Latijnsche dichters door den meer verheven geest, de meerdere reinheid en het grooter idealisme. Ze wordt in haar geheel gekenmerkt door eerbied voor de vrouwen, en de geest ervan wordt uitgedrukt in het welbekende spreekwoord: "Gij zult een vrouw niet slaan, zelfs niet met een bloem". Zie ook van Margaret Noble Web of Indian Life, vooral hoofdstuk III, "On the Hindu Woman as Wife", en hoofdstuk IV, "Love Strong as Death".

De raad door Guyot aan echtgenooten gegeven (Bréviaire de l'Amour Expérimental, p. 422) komt nauwkeurig overeen met den raad, die, onder geheel verschillende omstandigheden gegeven is door Zacchia en Vatsyayana. "In een toestand van sexueel verlangen zijn de lippen van de vrouw vast en zij trillen, de borsten zijn gezwollen en de tepels opgezet. De intelligente echtgenoot kan zich in deze teekenen niet bedriegen. Als ze niet bestaan, is het zijn rol ze door kussen en liefkoozingen te voorschijn te roepen en als, niettegenstaande zijn teedere en zachte opwekking de lippen geen warmte krijgen en de borsten geen zwelling, en vooral als de tepels onaangenaam aangedaan worden door zacht zuigen, dan moet hij zijn wenschen beheerschen en zich van alle contact met de voortplantingsorganen onthouden, want hij zou ze zeker in een toestand van uitputting vinden en geneigd tot afstooting. Als integendeel de medeplichtige organen bezield zijn of bezield worden onder zijn liefkoozingen, dan moet hij deze uitstrekken tot de voortplantingsorganen, en vooral tot de clitoris, die onder zijn aanraking vol en gloeiend zal worden".

Op het belang van voorafgaande streeling van de sexueele organen is zoowel door een lange reeks van dokters, als door erotische schrijvers de nadruk gelegd, van Ovidius af (Ars Amatoria Bk. II). Eulenburg (Die Sexuale Neuropathie, blz. 79) meent dat streeling soms noodig is, en Adler legt eveneens den nadruk op de voorbereidselen tot psychisch en physiek hofmaken (Die Mangelhafte Geschlechtsempfindung des Weibes, p. 188), en merkt op, dat de man, die begaafd is met inzicht en handigheid in deze zaken een bekoring bezit, die vonken van gevoel zal slaan uit het koelste vrouwenhart. De raad van den medicus komt in deze zaak overeen met de leerstellingen van den erotischen kunstenaar en met de behoeften van de liefhebbende vrouw. Bij het hof maken moet geen haast zijn, schreef Ovidius:

"Crede mihi, non est Veneris properanda voluptas, Sed sensim tarda prolicienda mora".

"Echtgenooten", heeft een vrouw eens geschreven, "missen, evenals kinderen, dikwijls het genoegen, dat ze anders zouden gehad hebben, door het op den verkeerden tijd te eischen. De man, die meent, dat dit langdurig hofmaken voorafgaande aan de daad van de sexueele vereeniging vervelend is, heeft het nooit geprobeerd. Het is het naderen tot de huwelijksomarming, evenzeer als de omarming zelf, die de bekoring uitmaken van de verhouding tusschen de geslachten".

Het gebeurt niet zelden, merkt Adler op (op. cit., p. 186), dat de ongevoeligheid van de vrouw behandeld moet worden--bij den man. En Guyot brengt hetzelfde punt op den voorgrond en schrijft (op. cit., p. 130): "Als, na een uitstel voor teedere bestudeering de man zijn jonge vrouw begrepen heeft, als hij in staat is voor haar de onuitsprekelijke gelukzaligheid en de droomen van de jeugd te verwezenlijken, dan zal hij voor goed bemind worden; hij zal haar heer en meester zijn. Als hij haar niet heeft kunnen verstaan, dan zal hij zich vermoeien en uitputten in vruchtelooze pogingen en haar ten slotte rangschikken onder de onverschillige en koele vrouwen. Zij zal uit plicht zijn vrouw zijn, de moeder van zijn kinderen. Hij zal zijn genoegen elders zoeken, want de man zoekt altijd een vrouw, die bij hem geslachtsgenot ondervindt. Zoo is het onbepaalde en domme zoeken naar een andere helft, die deel kan nemen aan die bacchantische finale, de hoofdoorzaak van alle huwelijksoneenigheden. In zoo'n geval gelijkt de man op een slecht musicus, die een andere viool neemt, in de hoop, dat een nieuw instrument hem de melodie zal brengen, die hij niet kan spelen".

Het feit, dat er dus een liefdekunst is, en dat de sexueele omgang niet alleen een daad is, die uitgevoerd moet worden door spierkracht, kan meehelpen om te verklaren, hoe het komt, dat in zoo vele deelen van de wereld de defloratie niet onmiddellijk na de bruiloft plaats vindt [398]. Ongetwijfeld kunnen er hier ook godsdienstige of magische redenen tusschenbeide komen, maar, zooals zoo dikwijls gebeurt, zijn zij in harmonie met het biologische proces. Dit is zelfs het geval onder onbeschaafde volken, die jong trouwen. De behoefte aan uitstel en aan tactvolle bedrevenheid is veel grooter, als, zooals bij ons, het huwelijk van een vrouw uitgesteld wordt tot lang na het intreden van de puberteit, tot een tijd waarop het moeilijker is de psychische en misschien zelfs de physieke slagboomen van de persoonlijkheid te verbreken.

Er moet aan toegevoegd worden, dat de kunst van liefhebben in de daad van het hofmaken niet beperkt wordt tot de enkele daad van den coïtus. In zekeren zin is het liefdeleven een voortdurend hofmaken met een voortdurenden voortgang. Het instellen van physieken omgang is alleen maar het begin ervan. Dit is vooral waar voor vrouwen. "De bekroning van liefdesverlangen", zegt Senancour [399], "die dikwijls het einde is van de liefde bij den man, is dikwijls het begin van de liefde bij de vrouw, een bewijs van vertrouwen, een uitmeten van komende vreugde, een soort van belofte van komende intimiteit". "De ziel en het lichaam van een vrouw", zegt een andere schrijver [400], "worden niet ineens gegeven op een bepaald oogenblik; maar alleen langzamerhand, beetje bij beetje, door vele stadiën heen worden beide aan den geliefde gegeven. Inplaats van de jonge vrouw op den avond van het huwelijk aan den bruidegom over te laten, als een gevangen muis, die aan de kat toegeworpen wordt om opgegeten te worden, zou het beter zijn het jonge bruidspaar naast elkaar te laten leven als twee vrienden en makkers, totdat zij langzamerhand leeren hoe zij hun sexueele bewustzijn moeten ontwikkelen en gebruiken". De conventioneele bruiloft is misplaatst als voorbereiding tot de huwelijksvoltrekking, alleen al op grond daarvan, dat het onmogelijk te zeggen is in welk stadium van het eindeloos lange proces van het hofmaken zij zou moeten plaats vinden.

Een vrouw is, anders dan een man, er door de Natuur op voorbereid om een handige rol te spelen in de kunst van liefhebben. De rol van den man bij het hofmaken, die de rol is van het mannetje de geheele dierenwereld door, kan moeilijk zijn en vol gevaar, maar het is een rechte lijn, tamelijk eenvoudig en direct. De rol van een vrouw, die op hetzelfde oogenblik twee geheel verschillende impulsen moet volgen, is noodzakelijk altijd een zig-zag of een curve. Dat is te zeggen, dat op ieder erotisch oogenblik haar gedrag de resultante is van de vereenigde kracht van haar begeerte (bewust of onbewust) en haar schaamtegevoel. Zij moet doorzeilen door een kronkelig kanaal met Scylla aan den eenen en Charybdis aan den anderen kant, en het al te angstig ontwijken van het gevaar aan den eenen kant kan schipbreuk beteekenen aan den anderen kant. Zij moet ondoordringbaar zijn voor iedereen, maar het moet een ondoordringbaarheid zijn, die niet al te dicht is voor het raadselvermogen van den rechten man. Haar spreken moet eerlijk zijn, maar zij moet toch in het geheel niet alles zeggen; haar daden moeten het gevolg zijn van haar impulsen, en juist om die reden moeten ze op twee wijzen uitgelegd kunnen worden. Alleen op het laatste oogenblik van volkomen intimiteit kan zij geheel vrouw worden,

"Whose speech Truth knows not from her thought, Nor Love her body from her soul".

Voor menige vrouw komt het laatste oogenblik van deze erotische openbaring--dit stralen in afgeworpen schaamte, "dat", zooals Pyke zegt, "het mooiste in de volmaakte liefde is"--nooit. Zij wordt gedwongen om tot het einde van haar erotische leven dat te zijn, wat zij bij het begin altijd moet zijn, een samengestelde en tweevoudige persoonlijkheid, van nature geslepen. Daarmee is zij beter dan de man er toe voorbereid om haar rol in de kunst van liefhebben te spelen.

De rol van den man in de kunst van liefhebben is echter in het geheel, niet gemakkelijk. Dat wordt niet altijd ingezien door de vrouwen, die zich beklagen over zijn gebrek aan handigheid bij het spelen van die rol. Hoewel een man niet dezelfde natuurlijke tweevoudigheid heeft aan te kweeken als de vrouw, moet hij een groote mate van raadselvermogen bezitten. Hij is daartoe niet wel toegerust, want de traditioneele mannelijke deugd is kracht eerder dan inzicht. Het werk van den man, zegt men ons, is heerschen, en door zulk heerschen wordt de vrouw aangetrokken. Er is een element van waarheid in die leer, een element van waarheid, dat gemakkelijk den man op een dwaalweg zou kunnen voeren, die zich er tè uitsluitend op verlaat in de kunst van liefhebben. Geweld is slecht in iedere kunst, en in de kunst van liefhebben wil de vrouw tot de liefde gewonnen en niet tot de liefde bevolen worden. Dat is fundamenteel. Wij zien de zaak soms zoo gesteld, alsof het bezwaar tegen kracht en overheersching in de liefde een geheel nieuwe en revolutionaire eisch was van de "moderne vrouw". Dat is, we behoeven het nauwelijks te zeggen, het gevolg van onwetendheid. De kunst van liefhebben, een kunst door de Natuur gemaakt, is nu in haar wezen dezelfde als ze altijd geweest is, en ze bestond al eer de vrouw in de wereld kwam. Dat ze niet altijd heel handig betracht is, is een andere kwestie. En, voor zoover den man aangaat, is het juist deze traditie van mannelijke overheersching, die bijgedragen heeft tot de moeilijkheid van het handig spelen van die rol. De vrouw bewondert de kracht van den man; zij wenscht zelfs gedwongen te worden tot de dingen, die zij zelf zoo gaarne wenscht; en toch schrikt zij terug voor iedere aanwending van geweld buiten deze nauwe grenzen, hetzij eer de grens bereikt is, of nadat de grens overschreden is. Zoo is de positie van den man in werkelijkheid moeilijker, dan van de vrouwen, die over zijn onhandigheid in de liefde klagen, altijd geneigd zijn toe te geven. Hij moet kracht aankweeken, niet alleen in de wereld, maar zelfs om ten toon te spreiden in de liefde; hij moet in staat zijn om de oogenblikken te raden waarop in de liefde kracht niet meer geweld is, omdat zijn eigen wil ook de wil is van zijn deelgenoote; hij moet tevens zichzelf volkomen in bedwang houden om niet in de noodlottige fout te vervallen van toe te geven aan zijn eigen aandrift tot heerschen; en dit alles juist op het oogenblik, dat hij zijn emoties het minst in bedwang heeft. We behoeven wel nauwelijks verwonderd te zijn, dat van de millioenen, die zich inschepen op de zee der liefde, maar zoo weinig vrouwen, en zoo heel weinig mannen, veilig de haven bereiken.

Het zal sommigen misschien toeschijnen, dat, als we stilstaan bij de wetten, die een richtsnoer moeten zijn in het erotische leven, om dat leven gezond en volkomen te doen zijn, wij afgedwaald zijn van de beschouwing van het sexueele instinct in zijn verhouding tot de maatschappij. Het kan daarom wenschelijk zijn tot de grondvragen terug te keeren en er op te wijzen, dat we nog vasthouden aan de grondfeiten van het persoonlijke en maatschappelijke leven. Het huwelijk is, zooals we reden hebben gezien om te gelooven, een groote maatschappelijke instelling; de voortplanting, die, aan den openbaren kant de hoogste functie ervan is, is een groot maatschappelijk doel. Maar het huwelijk en de voortplanting zijn beide gebaseerd op het erotische leven. Als het erotische leven niet gezond is, wordt het huwelijk verbroken, zoo al niet formeel, dan toch in de praktijk en het proces der voortplanting wordt uitgevoerd onder ongunstige voorwaarden of in het geheel niet.

Dit maatschappelijke en persoonlijke belang van het erotische leven is, hoewel het onder den invloed van een valsche moraal en een even valsche ingetogenheid soms in stadiën van kunstmatige beschaving op den achtergrond gekomen is, altijd duidelijk erkend door de menschen, die hun oog op het leven gericht hadden. Onder die onbeschaafde rassen schijnen er geen "sexueel koele" vrouwen te zijn. Het spreekt weinig ten gunste van onze eigen "beschaving", dat het tegenwoordig voor doktoren mogelijk zou zijn 25 percent vrouwen te vinden, die aldus kunnen beschreven worden.

De geheele bouw van de wereld berust op het algemeene feit, dat het intieme contact van den man en de vrouw, die elkander gekozen hebben, wederzijds genoegen geeft. Onder dit algemeene feit is het meer specifieke feit, dat bij het normaal volvoeren van de daad van de sexueele vereeniging de twee deelgenooten de acute bevrediging ondervinden van gelijk orgasme. Hierin, zegt men, ligt het geheim der liefde. Het is de basis zelf der liefde, de voorwaarde voor het gezond uitoefenen van de sexueele functies, en in vele gevallen waarschijnlijk ook de voorwaarde voor de bevruchting.

Zelfs wilden op een zeer lage trap van beschaving zijn soms geduldig en tactvol bij het te voorschijn roepen van en het wachten op de teekenen van sexueele begeerte bij hun vrouwen. In Katholieke tijden werkte de invloed der theologen gezond in dezelfde richting, hoewel die theologen zoo scherpzinnig waren de doodzonde van den lust te ontdekken. Wèl gaat de accentuatie van de Katholieken op de wenschelijkheid van gelijktijdig orgasme terug tot de op een misverstand berustende opinie, dat om conceptie te verzekeren, het noodig was, dat er "inseminatio" zou zijn aan den kant van de vrouw, zoowel als aan den kant van den man, maar dat was niet de eenige bron van het theologische standpunt. Zoo bespreekt Zacchia de vraag of een man behoort voort te gaan met zijn vrouw totdat zij orgasme heeft en zich bevredigd gevoelt, en hij beslist, dat dat de plicht van den man is; anders vervalt de vrouw in het gevaar van het ondervinden van het orgasme in den slaap, of nog waarschijnlijker door zelfbevrediging, "want veel vrouwen plaatsen, als haar wenschen niet bevredigd zijn door den coïtus het eene been op het andere, drukken en wrijven ze totdat orgasme plaats vindt, in de meening, dat ze geen zonde begaan, als ze haar handen niet gebruiken". Hij voegt er bij, dat sommige theologen dat geloof begunstigen, vooral Hurtado de Mendosa en Sanchez, en verder haalt hij de meening van dezen laatsten aan, dat vrouwen, die niet bevredigd worden bij den coïtus neiging hebben om hysterisch of melancoliek te worden. (Zacchide Quaestionum Medica-legalium Opus, lib. VII, tit. III, quaest. VI). In denzelfden geest hebben sommige theologen irrumatio (zonder ejaculatie) toegestaan, mits het alleen de voorbereiding is tot de normale sexueele daad.

Tegenwoordig hebben de medici ten volle de meening van Sanchez bevestigd. Het wordt erkend, dat vrouwen bij wie, uit welke oorzaak dan ook, acute sexueele opwinding dikwijls voorkomt zonder de behoorlijke natuurlijke verlichting van orgasme, onderhevig zijn aan verschillende symptomen van de zenuwen en van de spijsvertering, die haar vitaliteit schaden, en die zeer wel tot een ineenstorting van de gezondheid leiden kunnen. Kisch heeft, als neurose van het hart, van sexueelen oorsprong, beschreven een pathologische tachycardia, die een vermeerdering is van den physiologischen hartklop door sexueele opwinding. J. Inglis Parsons (British Medical Journal, Oct. 22, 1904, p. 1062) verwijst naar de pijn in de ovariën, veroorzaakt door sterke sexueele opwinding, dikwijls bij krachtige ongetrouwde vrouwen, en soms een oorzaak van groot verdriet. Een ervaren Oostenrijksch gynaecoloog vertelde aan Hirth (Wege zur Heimat, p. 613), dat van de honderd vrouwen, die bij hem komen met uterus-bezwaren er zeventig lijden aan congestie van de baarmoeder, wat hij beschouwde als een gevolg van onvolkomen coïtus.

Er wordt dikwijls gezegd, dat het nadeel van onvolkomen bevrediging en van afwezigheid van orgasme bij vrouwen voornamelijk komt von coïtus interruptus, waarbij de penis haastig teruggetrokken wordt als onwillekeurige ejaculatie op handen is; en soms wordt er gezegd, dat hetzelfde in ruimen kring voorkomende gebruik ook geringe of ernstige gevolgen te voorschijn roept bij den man (zie b.v. L. B. Bangs, Transactions New York Academy of Medicine, dl. IX, 1893; D S. Booth, "Coitus Interruptus and Coitus Reservatus as Causes of Profound Neurosis and Psychosis" Alienist and Neurologist, Nov. 1906; ook, Alienist and Neurologist, Oct., 1897, p. 588).

Het is ontwijfelbaar waar, dat coïtus reservatus, het plotseling terugtrekken aan den kant van den man, zonder te letten op het stadium van sexueele opwinding, dat zijn deelgenoote misschien bereikt heeft, dikwijls wel een nadeelige uitwerking moet hebben op de zenuwen van de vrouw, terwijl de nadeelige gevolgen op den man, die ejaculatie bereikt, gering zijn of in het geheel niet bestaan. Maar het gebruik is zoo wijd verspreid, dat men niet kan denken, dat het noodzakelijk dit slechte gevolg moet hebben. Ik ben er zeker van, dat er geen twijfel aan kan bestaan, dat Blumreich gelijk heeft, waar hij zegt (Senator and Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, dl. II, p. 783), dat "onderbroken coïtus nadeelig is voor het systeem der genitaliën alleen van die vrouwen, die in haar wellustgevoelens gestoord worden door dezen vorm van cohabitatie, bij wie het orgasme niet voorkomt, en die urenlang daarna nog gekweld worden door gevoelens van een onbevredigd verlangen". Even nadeelige gevolgen ontstaan bij normalen coïtus, als het orgasme van den man te spoedig volgt.

"Deze verschijnselen", zegt hij, "zijn daarom geen eigenaardigheden van den onderbroken coïtus, maar gevolgen van een niet voldoende geëindigde cohabitatie als zoodanig". Ook Kisch zegt, in zijn uitgebreid en gezaghebbend werk over The Sexual Life of Woman, dat de kwestie van de slechte gevolgen van coïtus interruptus bij vrouwen eenvoudig een kwestie is, of zij sexueele bevrediging hebben of niet. (Vergelijk ook Fürbringer, Health and Disease in Relation to Marriage dl. I, blz. 232 et seq.). Dit is klaarblijkelijk het meest redelijke standpunt, dat wij kunnen innemen over de oudste der methoden ter voorkoming van de conceptie. In het Boek Genesis vinden we ze in praktijk gebracht door Onan, en in meer moderne tijden, in de zestiende eeuw schijnt ze bekend te zijn geweest bij Fransche dames, die, volgens Brantôme, ze aan haar minnaars aanbevolen.