De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 67
Er zijn vele gevallen bekend waarin, bij speciale gelegenheden, het mogelijk is voor menschen, die hartstochtelijk aan elkander gehecht zijn, de daad van den coïtus, of ten minste het orgasme, een buitensporig aantal malen binnen eenige uren te herhalen. Dit gebeurt gewoonlijk bij het begin van een intimiteit of na een lange scheiding. Zoo ondervond bijvoorbeeld een pas getrouwde vrouw orgasme veertien maal in een nacht, terwijl haar man het in dien tijd zeven maal had. In een ander geval ondervond een vrouw, die een kuisch leven geleid had, toen de sexueele verhoudingen eindelijk begonnen, het eens veertien of vijftien maal tegen haar echtgenoot driemaal. In een geval, waarvan ik zeer bepaald weet dat het waar is, geraakte een jonge vrouw van zeer erotisch, prikkelbaar, lichtelijk abnormaal temperament zes en twintig maal binnen de vijf kwartier in opwinding, na een maand afwezigheid van haar man; haar echtgenoot, een veel oudere man, had tweemaal orgasme in dezen tijd; de vrouw gaf toe, dat ze daarna zich volkomen geradbraakt gevoelde, maar het is wel zeker dat, als dit geval als waar beschouwd kan worden, de orgasmen van zeer geringe hevigheid waren. Een jonge vrouw, die pas getrouwd was met een physiek robusten man, had eens acht maal in twee uren omgang met hem, terwijl ieder keer orgasme voorkwam bij beide partijen. Guttceit (Dreissig Jahre Praxis, deel II, p. 311), in Rusland, kende vele gevallen van jonge mannen van twee en twintig tot acht en twintig jaar, die meer dan tien maal in een nacht omgang hadden, hoewel er na den vierden keer zelden meer eenig zaad aanwezig is. Hij had mannen gekend, die in hun vroege jeugd gemasturbeerd hadden, en die op hun vijftiende jaar waren begonnen met vrouwen om te gaan, en die toch krachtig bleven tot op hoogen leeftijd, terwijl hij anderen kende, die den omgang laat begonnen waren en op veertigjarigen leeftijd hun kracht verloren. Mantegazza, die een man kende, die veertien maal per dag omgang had, maakt de opmerking, dat de verhalen van de oude Italiaansche romanschrijvers aantoonen, dat twaalf maal beschouwd werd als een zeldzame uitzondering. Burchard, de secretaris van Alexander VI, zegt, dat de zoon van den gezant uit Florence, in Rome in 1489 "een meisje zevenmaal in een uur naderde" (J. Burchardi, Diarium, ed. Thuasne, deel I, p. 329). Olivier, de paladijn van Karel den Groote, pochte er, zooals de legende luidt, op, dat hij honderd maal per nacht zijn mannelijke kracht kon toonen, als hij mocht slapen met de dochter van den Keizer van Constantinopel; hem werd toegestaan het te beproeven, naar men zegt, en het gelukte hem dertig maal (Schultz, Das Höfische Leben, deel I, p. 581).
Men zal zien dat, telkens als de geslachtsdaad binnen korten tijd dikwijls herhaald wordt, de echtgenoot maar zeer zelden pas kan houden met de vrouw. Het is waar, dat de sexueele energie van de vrouw langzamer en moeilijker op te wekken is dan die van den man, maar als ze eens gewekt is, dan neemt de aandrang toe. De man, wiens energie gemakkelijk opgewekt wordt, is spoedig uitgeput; de vrouw bereikt dikwijls ternauwernood haar hoogtepunt, voordat het eerste orgasme voorbij is. Het is soms een verrassing voor een jongen echtgenoot, die gelukkig getrouwd is, te ontdekken, dat de daad van sexueelen omgang, die hem volkomen bevredigt, alleen gediend heeft om den gloed van zijn vrouw op te wekken. Zeer vele vrouwen gevoelen, dat de herhaling van de daad verscheidene malen achtereen noodig is, om, zooals zij het uitdrukken, "aan den gang te komen", en wel verre van slaperigheid en vermoeidheid teweeg te brengen, maakt ze haar vroolijk en levendig.
Jonge en krachtige vrouwen, die een kuisch leven geleid hebben, ondervinden bij het begin van het regelmatige geslachtsverkeer, iets alsof ze verscheidene mannen noodig hadden, en of ze behoefte hadden aan verkeer minstens eens per dag, terwijl ze later, als zij aangepast raken aan het gehuwde leven tot de conclusie komen, dat haar wenschen niet buitengewoon sterk zijn. De man moet zich aanpassen aan de sexueele behoeften van zijn vrouw, door zijn sexueele kracht, als hij die heeft, en, als hij ze niet heeft, door zijn handigheid en takt. De zeldzaam voorkomende mannen, die een aangeboren kracht bezitten, die zij kunnen gebruiken tot bevrediging van vrouwen, zonder nadeel voor henzelf, zijn door Professor Benedictus genoemd "sexueele athleten", en hij merkt op, dat zulke mannen gemakkelijk vrouwen beheerschen. Hij beschouwt terecht Casanova als het type van den sexueelen athleet (Archives d'Anthropologie Criminelle, Jan., 1896). Näcke vermeldt het geval van een man, dien hij beschouwt als een sexueelen athleet, die zijn geheele leven door eens of tweemaal per dag omgang had met zijn vrouw, of, als zij niet wilde, met een andere vrouw, totdat hij krankzinnig werd op den leeftijd van vijf en zeventig jaar (Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Aug., 1908, p. 507). Dit mag men echter eerder beschouwen als een geval van ziekelijke overgevoeligheid, dan van sexueele athletiek.
In dit stadium komen wij tot de grondelementen van de kunst van liefhebben. Wij hebben gezien, dat vele moreele gewoonten en moreele theorieën, die in ruimen kring bij het Christendom in zwang waren, tradities ontwikkeld hebben, die nog in het geheel niet onder ons zijn uitgestorven, volkomen tegenovergesteld aan de kunst van liefhebben. Het denkbeeld ontwikkelde zich van "huwelijksplichten", van "rechten van den man" [395]. De man had het recht en den plicht sexueelen omgang te hebben met zijn vrouw, wat ook haar wenschen in deze zaak mochten zijn, terwijl de vrouw het recht en de plicht had (terwijl de plicht in haar geval gewoonlijk vooropgesteld werd) om zich aan dien omgang te onderwerpen, waarvan haar gewoonlijk geleerd was, dat het iets laags en alleen physieks was, een onpleizierige en bijna vernederende noodzakelijkheid, waarvan het het beste was, als ze haar zoo spoedig mogelijk uit haar gedachten zette. Het is niet te verwonderen, dat zulk een houding tegenover het huwelijk het ongeluk in het huwelijk zeer begunstigd heeft, meer speciaal dat van de vrouw [396], en ze heeft er toe bijgedragen echtbreuk en echtscheiding te bevorderen. Het had ons meer moeten verwonderen als het anders geweest was.
De kunst van liefhebben is gebaseerd op het fundamenteele feit van het hofmaken; en het hofmaken is de poging van den man om zich aannemelijk te maken bij de vrouw. "De kunst van liefhebben", zeide Vatsyayana, een van de grootste der autoriteiten, "is de kunst aan vrouwen te behagen". "Een man moet zich nooit een genoegen met zijn vrouw veroorloven", zeide Balzac in zijn Physiologie du Mariage, "waarvan hij niet de handigheid gehad heeft het eerst door zijn vrouw te doen wenschen". Dat is de geheele kunst van liefhebben. Vrouwen trachten zich van nature en instinctief voor mannen begeerlijk te maken, zelfs aan mannen, voor wie ze volkomen onverschillig zijn, en de vrouw, die op een man verliefd is, tracht door een even natuurlijk instinct zichzelf te vormen naar den vorm, d.i. in de gedaante, die hem persoonlijk aangenaam is. Deze neiging wordt niet gewijzigd door het grondfeit, dat in deze zaak alleen de kunst, die door de natuur gemaakt is, waarlijk effect heeft. Het is ten slotte door wat hij is, dat een man de diepste aandoeningen van sympathie of antipathie in de vrouw opwekt, en hij behaagt haar dikwijls meer door zijn geschiktheid om een groote rol te spelen in de buitenwereld dan door enkele verkregen volkomenheden in de kunst van het hofmaken. Wanneer echter het ernstige en meer intieme spel der liefde begint, dan is de rol van de vrouw, zelfs biologisch, oppervlakkig de meer passieve rol [397]. Zij is, aan den physieken kant, onvermijdelijk in de liefde het instrument; het moeten 's mans hand zijn en zijn boog, die de muziek te voorschijn roepen.
Als we van de kunst van liefhebben spreken is het echter onmogelijk om geheel het geestelijke van het physieke los te maken. De poging alleen al om dit te doen is een fatale vergissing. De man, die alleen maar de physieke zijde van de sexueele verhouding kan zien, staat, zooals Hinton gewoon was te zeggen, op een hoogte met den man, die, als hij naar een viool-sonate van Beethoven luistert, zich alleen bewust is van het physieke feit, dat er een paardenstaart geschuurd wordt over schapen-ingewanden.
Het beeld van het muziekinstrument doet zich herhaaldelijk voor aan hen, die over de kunst van liefhebben schrijven. De vergelijking van Balzac van den onhandigen echtgenoot bij den oerang-oetan, die probeert viool te spelen, is reeds aangehaald. Dr. Jules Guyot komt in zijn ernstig en bewonderenswaardig boekje, Bréviaire de l'Amour Expérimental, tot dezelfde vergelijking: "Er zijn een onnoemelijk groot aantal onwetende, zelfzuchtige en ruwe mannen, die zich geen moeite geven om het instrument te bestudeeren, dat God hun heeft toevertrouwd, en die zelfs niet vermoeden, dat het noodig is het te bestudeeren, om er maar de geringste tonen uit te halen... Ieder direct contact, zelfs met de clitoris, iedere poging tot coïtus (zelfs als het vrouwelijk organisme niet geprikkeld is) roept een pijnlijk gevoel te voorschijn, een instinctieve afstooting, een gevoel van walging en afkeer. Iedere man, iedere echtgenoot, die dit feit niet kent, is belachelijk en verachtelijk. Iedere man, iedere echtgenoot, die, terwijl hij het weet, het buiten beschouwing durft te laten, heeft geweld gepleegd... In de eindelijke vereeniging van man en vrouw heeft het positieve element, de man, het initiatief en de verantwoordelijkheid voor het echtelijk leven. Hij is de minstreel, die met zijn hand en zijn boog harmonie of disharmonie kan te voorschijn roepen. De vrouw is uit dit gezichtspunt werkelijk het veelsnarige instrument, dat harmonieuze of disharmonieuze geluiden zal voortbrengen al naar dat zij goed of slecht bespeeld wordt" (Guyot, Bréviaire, blz. 99, 115, 138).
Dat zulk een liefde overeenkomt met de behoefte van een vrouw kan niet betwijfeld worden. Alle ontwikkelde vrouwen willen bemind worden, zegt Ellen Key, niet "en mâle" maar "en artiste" (Liefde en Huwelijk, p. 92). "Alleen de man, waarvan ze gevoelt, dat hij de vreugde van den kunstenaar in haar heeft, en die deze vreugde toont door zijn schuchtere en teedere aanraking zoowel van haar ziel als van haar lichaam, kan de vrouw van tegenwoordig boeien. Zij wil alleen toebehooren aan een man, die nog voortgaat naar haar te verlangen, als hij haar reeds in zijn armen genomen heeft. En als zulk een vrouw uitroept: "Je hebt me noodig, maar je kunt me niet liefkoozen, je kunt me niet zeggen wat ik hooren wil", dan is die man geoordeeld". Liefde is werkelijk een teedere kunst, waarvoor, zooals Remy de Gourmont opmerkt, evenals voor muziek en schilderen, maar weinigen de gave bezitten.
Men moet niet meenen, dat de eisch aan den minnaar en den echtgenoot om de vrouw in denzelfden geest te naderen, met dezelfde tact en den ervaren aanslag, als waarmee de musicus zijn instrument aanvat, enkel een eisch is, welke gedaan wordt door de moderne vrouwen, die waarschijnlijk neurotisch of hysterisch zijn. Geen lezer van deze Studies, die de besprekingen over het hofmaken en de sexueele keuze in de vorige hoofdstukken heeft gevolgd, kan nalaten te erkennen, dat--hoewel wij getracht hebben onszelf te bedriegen door het geven van een verkeerde onwettige beteekenis aan het woord "ruw"--tact en respect voor het vrouwtje bijna algemeen is in de sexueele verhoudingen van de dieren, die lager dan de menschen staan; alleen onder de verst verwijderden van de wilde dieren, bij de beschaafde menschen, is sexueele "ruwheid" over het geheel gewoon, en zelfs daar is ze voornamelijk het gevolg van onwetendheid. Als we afdalen tot de insecten, die geen familieleven hebben, en die gewoonlijk beschouwd worden als zorgeloos en lichtzinnig, dan vinden we deze houding jegens het wijfje soms volkomen ontwikkeld, en de groote zorgvuldigheid van het mannetje voor het vrouwtje, dat hij toch stevig onder zich houdt, de teedere voorbereidingen, het uiterst geleidelijke naderen tot de sexueele daad, geeft ons een bewonderenswaardige les.
Deze grootere moeite en langzaamheid van den kant van de vrouwen in het beantwoorden van de erotische opwinding van het hofmaken is werkelijk zeer fundamenteel. Het karakteriseert het geheele erotische leven van de vrouw, van den vroegsten leeftijd af, als de kuischheid en het schaamtegevoel zich ontwikkelen. De liefde ontwikkelt zich bij de vrouw veel langzamer dan bij den man. Er is werkelijke physiologische beteekenis in het feit, dat het verlangen van een man naar een vrouw neiging heeft spontaan te ontstaan, terwijl het verlangen van een vrouw naar een man eerst langzamerhand gewekt wordt, naarmate haar betrekkingen tot hem zich samengestelder ontwikkelen. Daarvandaan is haar sexueele emotie dikwijls minder abstract, meer intiem verbonden met den persoonlijken minnaar, op wien ze geconcentreerd is. "De weg tot mijn zinnen is door mijn hart", schreef Mary Wollstonecraft aan haar minnaar Imlay, "maar vergeef mij! tot uw zinnen leidt dikwijls een kortere weg". Zij sprak voor het beste, zoo niet voor het grootste deel van haar sekse. Een man bereikt den uitersten grens van zijn physieke capaciteit tot liefhebben met een enkelen stap, en het schijnt wel dikwijls, dat zijn psychische grenzen niet moeilijker te bereiken zijn. Dit is het zekere feit, dat ten grondslag ligt aan het meer gewaagd gezegde, 't welk men zoo dikwijls hoort: dat de vrouw monogamisch is en de man polygamisch.
Wat den physieken kant betreft, merkt Guttceit op, dat een maand na het huwelijk niet meer dan twee van de tien vrouwen het volle genot ondervonden hebben van den sexueelen omgang, en soms is het eerst na zes maanden of een jaar, of zelfs eerst na de geboorte van verschillende kinderen, dat een vrouw werkelijk genot heeft van de physieke verhouding, en zelfs dan alleen met een man, dien zij volkomen liefheeft, zoodat de voorwaarden voor sexueele bevrediging veel meer complex zijn bij vrouwen dan bij mannen. Ditzelfde wordt door Ellen Key aan den psychischen kant opgemerkt (Ueber Liebe und Ehe, p. 111). "Het is zeker waar, dat een vrouw sexueele bevrediging begeert door een man. Maar terwijl bij haar dit verlangen niet zelden eerst optreedt, nadat zij hem genoeg liefheeft om haar leven voor hem te geven, begeert een man dikwijls physiek een vrouw te bezitten voordat hij genoeg van haar houdt om ook maar zijn pink voor haar te geven. Het feit, dat liefde bij een vrouw meestal gaat van de ziel naar de zinnen en deze laatste dikwijls niet bereikt, en dat ze bij een man meestal gaat van de zinnen naar de ziel en dikwijls dat doel nooit bereikt--dit is van al de bestaande verschillen tusschen mannen en vrouwen hetgene, dat aan beiden de meeste kwelling veroorzaakt". Het zal natuurlijk duidelijk zijn voor den lezer van mijn andere werken op dit gebied, dat de methode om het verschil te constateeren die aan Mary Wollstonecraft, Ellen Key, en anderen juist toescheen, niet strikt correct is; zoo zal b.v. de meest kuische vrouw, als ze een te warm bad genomen heeft, wel kunnen ondervinden, dat haar hart niet de eenige weg is, waardoor haar zinnen kunnen bereikt worden. De zinnen zijn de eenige kanalen naar de uitwendige wereld die wij bezitten, en liefde moet door deze kanalen komen of in het geheel niet. Het verschil schijnt echter een werkelijk verschil te zijn als wij zeggen, dat, zooals ik elders reeds trachtte aan te toonen, er bij vrouwen zijn 1o. specifiek zintuigelijke wegen van sexueele stimuli, zooals een schijnbaar overheerschen van tast- en gehoorswegen, vergeleken bij mannen; 2o. een meer massief, samengesteld en teer geëquilibreerd sexueel mechanisme: en als resultaat hiervan, 3o. eindelijk een grootere mate van sexueele irradiatie van de zenuwen en de hersenen.
We moeten echter in herinnering houden, dat, ofschoon deze onderscheiding een werkelijke neiging tot sexueel verschil aangeeft, met een organische en niet enkel traditioneele basis, er niets absoluuts in is. Er is een groot aantal vrouwen, wier sexueele plooibaarheid, en wel door een natuurlijke neiging en niet alleen door verkregen gewoonten, even duidelijk uitgesproken is als die van een man, en zelfs meer. Op sexueel gebied is de omvang van de veranderlijkheid bij vrouwen zelfs grooter dan bij mannen.
Het feit, dat liefde een kunst is, een methode om muziek uit een instrument te halen, en niet het enkele doen van een daad met wederzijdsche toestemming, maakt iedere overeenkomst tot liefde in woorden, van weinig belang. Als liefde een kwestie was van een contract, een louter intellectueele toestemming, van vraag en antwoord, dan zou ze nooit in de wereld gekomen zijn. Liefde vertoonde zich van den beginne af als kunst, en de latere ontwikkelingen van de kort samengevatte methoden van rede en spraak kunnen dat grondfeit niet veranderen. Dit wordt ternauwernood beseft door die slecht ingelichte minnaars, die meenen, dat de eerste stap bij het hofmaken--en misschien zelfs het geheele hofmaken--is, dat een man een meisje vraagt, zijn vrouw te worden. Integendeel gebeurt het dikwijls, dat de voorbarige uiting van een zoo ver strekkenden eisch in eens en voor goed alle kansen verijdelt. Het is ongetwijfeld treurig, dat een zoo ernstige en noodlottige zaak als het huwelijk zoo dikwijls beslist wordt zonder kalm overleg en verstandige voorzorg. Maar sexueele zaken kunnen nooit en moesten ook nooit enkel een zaak zijn van koele berekening. Als een vrouw plotseling voor den eisch gesteld wordt, dat ze zich als vrouw zal geven aan een man, die er nog niet in geslaagd is haar genegenheid te winnen, dan zal ze zeker vinden--mits ze verheven is boven de koele beweegredenen van de zelfzucht--dat er vele goede redenen voor haar zijn om neen te zeggen. En nadat ze zoo de kwestie in koelen bloede bezien en beslist heeft, zal ze voortaan dien minnaar waarschijnlijk tegemoet treden met een met staal ompantserde borst.
"Liefde moet zich openbaren door daden en niet zich verraden door woorden. Ik beschouw als abnormaal de zeldzame methode van een haastig toestemmen van tevoren; want ze is niet de directe weg der mededeeling, maar de reflexweg. Hoe normaal en aangenaam een bekentenis zijn mag, wanneer ze eenmaal wederkeerig is, als veroveringsmethode beschouw ik ze als gevaarlijk en zal ze waarschijnlijk het tegendeel uitwerken van het gewenschte resultaat!" Ik ontleen deze woorden aan een geestige verhandeling "Essai sur l'Amour" (Archives de Psychologie, 1904) door een niet psychologisch Zwitsersch schrijver, die zijn eigen ondervindingen vermeldt, en die ten zeerste aandringt op het overheerschen van het geestelijk element in de liefde.
Hier dient te worden opgemerkt; dat de erkenning, dat spreken bij het hofmaken misplaatst is, niet moet beschouwd worden als een verfijning van de beschaving. Bij natuurvolken wordt overal ten volle erkend, dat het liefdesoffer, en het aannemen of het weigeren ervan, gedaan moeten worden door symbolische daden, en niet door de ruwe methode van vraag en antwoord. Bij de Indianen van Paraguay, die veel sexueele vrijheid toestaan aan hun vrouwen, maar die nooit liefde koopen of verkoopen, zegt Mantegazza (Rio de la Plata e Tenerife, 1867, p. 225), dat een meisje uit het volk aan je deur zal komen of aan je raam en in de Guarani-taal schuchter en verlegen vragen om een dronk water. Bij de Taharumari-Indianen van Mexico, bij wie het initiatief van het hofmaken bij de vrouwen berust, doet het meisje den eersten stap door haar ouders, dan werpt ze kiezelsteentjes naar den jongen man; als hij ze teruggooit, is de zaak afgeloopen (Carl Lumholtz, Scribner's Magazine, Sept., 1894). In vele deelen van de wereld is het de vrouw, die haar man kiest (zie bv. M. A. Potter, Sohrab und Rustem, blz. 169 et seq.), en zeer dikwijls neemt ze een symbolische methode van aanzoek aan. Behalve wanneer het handelselement in het huwelijk overheerscht, wordt een dergelijke methode ook dikwijls door mannen aangenomen bij het doen van huwelijksvoorstellen.
Het is niet alleen bij het begin van het hofmaken, dat er bij de liefdedaad weinig plaats is voor vormelijke verklaringen, voor de vragen en de toestemmingen, die duidelijk in gesproken woorden kunnen uitgedrukt worden. Dezelfde regel blijft ook bestaan in de meest intieme verhoudingen van oude geliefden, het geheele huwelijksleven door. Het blijvende element in de schuchterheid, dat ieder sexueel gewennen overleeft om samen te smelten met de koenste driestheden van liefde, verbindt zich met een werkelijk erotisch instinct en verzet zich tegen in woorden geformuleerde eischen, tegen bevestigingen en ontkenningen in woorden. Liefde kan haren wensch niet in woorden uiten, en ook niet naar waarheid in woorden beantwoord worden; een fijn voorzeggingsvermogen blijft noodig zoolang als de liefde duurt.
Het feit, dat de behoeften der liefde niet uitgedrukt kunnen worden, maar dat ze geraden moeten worden, is al vroeger erkend door hen, die over de kunst van liefhebben geschreven hebben, evenzeer door schrijvers in Europa als buiten de Europeesch Christelijke tradities. Zoo wijst Zacchia, in zijn groote medisch-juridische verhandeling er op, dat een echtgenoot opmerkzaam moet zijn op de teekenen van sexueel verlangen bij zijn vrouw. "Vrouwen", zegt hij, "zijn gewoon, als sexueel verlangen in haar gewekt is, haar mannen vragen te doen over zaken van liefde; zij vleien en liefkoozen hen; zij laten een of ander deel van haar lichaam als bij toeval ongedekt; haar borsten schijnen te zwellen; zij vertoonen ongewone levendigheid; zij blozen; haar oogen worden glanzend; en als ze ongewonen gloed ondervinden, dan stamelen zij, verspreken zich en kunnen zich nauwelijks beheerschen. Tegelijk worden haar geheime deelen vol en warm. Al deze teekenen moesten een echtgenoot er op wijzen, dat zijn vrouw naar bevrediging verlangt". (Zacchiæ Questionum Medico-legalium Opus, lib. VII, tit. III, quæst. I; deel II, p. 624 in de uitgave van 1688).