De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 66
Deze kwestie van de sexueele vroegrijpheid van meisjes heeft een groote beteekenis voor de kwestie van den "leeftijd tot toestemming" of den leeftijd, waarop het voor een meisje gewettigd zal zijn om haar toestemming te geven tot sexueelen omgang. Tot vijf en twintig jaar geleden stelde men dien leeftijd zeer laag (zelfs op tien jaar); dit was dan de leeftijd, waarop een man geen misdaad beging als hij omgang had met een meisje. In de laatste jaren is er een neiging geweest om in het tegenovergestelde en even ongelukkige uiterste te vervallen, door dien leeftijd zeer hoog te stellen. In Engeland heeft de aanvullingswet op de strafwet van 1885 de "age of consent" gesteld op zestien jaar (deze clausule van de wet werd in het House of Commons aangenomen met een meerderheid van 108 stemmen). Dit schijnt de redelijke leeftijd te zijn voor het stellen van den grens, en de uiterste hooge grens er van voor een warm klimaat. Het is de leeftijd, erkend door het wetboek van strafrecht in Italië; en in vele deelen van de beschaafde wereld. Gladstone was er echter voor hem te verhoogen tot achttien jaar, en Howard meent, als hij de kwestie voor de Vereenigde Staten bespreekt (Matrimonial Institutions, deel III, blz. 195-203) dat hij overal verhoogd moet worden tot een en twintig, om zoo samen te vallen met den leeftijd van wettige meerderjarigheid, waarop een vrouw een bedrijf kan beginnen of politieke verhoudingen kan aangaan. Er is op dit punt in de laatste jaren een breede variatiegrens geweest in de wetgeving van de verschillende Amerikaansche Staten; en het verschil tusschen de twee grenspunten was acht jaar; in sommige groote Staten wordt de daad van verkeer met een meisje onder de achttien jaar verklaard tot "verkrachting", en is ze strafbaar met gevangenisstraf voor het leven.
Zulke verordeningen echter zijn, wij moeten het erkennen, willekeurig, kunstmatig en onnatuurlijk. Zij berusten niet op een gezonde natuurlijke basis, en kunnen niet verdedigd worden door het gezond verstand van de gemeenschap. Er is geen juiste analogie tusschen den leeftijd van wettige meerderjarigheid, die ten naastenbij vastgesteld is met betrekking tot de geschiktheid tot het begrijpen van abstracte zaken van het verstand, en den leeftijd van de sexueele rijpheid, die veel vroeger valt, physiek zoowel als psychisch, en die bij vrouwen wordt bepaald door een zeer bizonder biologisch feit, de voltooiing van de puberteit met het begin van de menstruatie. Bij volken, die in natuurlijke omstandigheden leven, wordt in alle deelen van de wereld erkend, dat een meisje sexueel vrouw wordt met de puberteit; op dat tijdstip ontvangt ze haar inwijding in het leven der volwassenen en wordt vrouw en moeder. De verklaring dat de daad van omgang met een vrouw, die, naar het natuurlijk instinct van de menschheid in het algemeen beschouwd wordt als oud genoeg voor al de plichten van de vrouwelijkheid, een misdadige daad van verkrachting is, strafbaar met gevangenisstraf voor het leven, kan alleen beschouwd worden als een misbruik van de taal, en wat erger is, als een misbruik van de wet, zelfs als we alle psychologische en moreele beschouwingen buiten kwestie laten, want het berooft het denkbeeld van verkrachting van alles, wat het van nature en terecht stuitend maakt.
Het gezonde standpunt in deze kwestie is klaarblijkelijk, dat het de puberteit van het meisje is, die de maatstaf vormt voor de strafbaarheid van den man, als hij haar sexueel nadert. In de gematigde streken van Europa en Noord-Amerika is de gemiddelde leeftijd voor het optreden van de menstruatie, het kritieke oogenblik bij het intreden van volkomen puberteit, vijftien jaar (zie bv. Havelock Ellis, Man and Woman, hoofdst. XI; de feiten zijn in den breede uiteengezet in Sexual Life of Woman van Kisch, 1909). Daarom is het redelijk, dat de daad van een volwassen man, die sexueele betrekking heeft met een meisje onder de zestien jaar, met of zonder haar toestemming, terecht een strafbare daad is, die streng gestraft moet worden. In die landen, waar de gemiddelde leeftijd van de puberteit hooger of lager is, moest de leeftijd van de toestemming dienovereenkomstig verhoogd of verlaagd worden. (Bruno Meyer, die argumenten bijeen brengt tegen iedere poging om den leeftijd van toestemming te verhoogen boven de zestien, houdt het er voor, dat de juiste leeftijd voor de toestemming gewoonlijk veertien jaar is, als, naar hij terecht zegt, de lijn van afscheiding tusschen de rijpe en de onrijpe persoonlijkheid, en terwijl de laatste streng beschermd moet worden tegen de sexueele sfeer, kan alleen vrijwillige, niet gedwongen invloed gebruikt worden voor de eerste. Sexual-Probleme, April 1909).
Als we in onze beschouwing de ruimere overwegingen opnemen van psychologie, moraal en wet, dan zullen we ruime rechtvaardiging vinden voor dit gezichtspunt. Wij moeten in gedachte houden, dat een meisje, al de jaren van haar leven op school door, altijd physiek zoowel als psychisch den jongen van denzelfden leeftijd vooruit is, en we moeten erkennen, dat die vroegrijpheid zich ook uitstrekt over haar sexueele ontwikkeling; want zelfs al is het waar, dat over het algemeen het werkdadige sexueele verlangen gewoonlijk niet in vrouwen gewekt wordt voor een eenigszins later leeftijd, is er ook waarheid in de opmerking van Mr. Thomas Hardy (New Review, Juni 1894): "Het is mij nooit opgevallen, dat de spin altijd mannelijk is en de vlieg altijd vrouwelijk". Dus, zelfs als sexueele omgang plaats vindt tusschen een meisje en een jongen, die iets ouder is dan zij, dan is het waarschijnlijk, dat zij de rijpste van de twee is, dat zij de meeste zelfbeheersching heeft en het meeste gevoel van verantwoordelijkheid, en dikwijls degene is, die de meer actieve rol gespeeld heeft bij het aanleiding geven tot de daad. Men moet ook in herinnering houden dat, als een meisje eenmaal den leeftijd der puberteit bereikt heeft, en al de manieren en de gewoonten aangenomen heeft zoowel als de physieke ontwikkeling van een vrouw, dat het dan voor een man niet langer mogelijk is haar leeftijd te schatten. Het is gemakkelijk te zien, dat een meisje den leeftijd der puberteit nog niet bereikt heeft; het is niet mogelijk te zeggen of een rijpe vrouw boven of onder de achttien jaar oud is; het is daarom, op zijn zachtst gesproken, onrechtvaardig om het levenslot van haar mannelijken deelgenoot te doen afhangen van het herkennen van een onderscheid, dat geen basis heeft in de natuur. Zulke overwegingen zijn zoo in het oog springend juist, dat er geen kans is in de praktijk de leer door te voeren, dat een man voor zijn leven gevangen gezet moet worden, omdat hij omgang heeft gehad met een meisje, dat ouder is dan zestien jaar. Het is, uit wettig gezichtspunt beter, het net minder ver uit te werpen en er geheel zeker van te zijn, dat het er op gemaakt is den werkelijken en bewusten overtreder te vangen, die gestraft kan worden zonder het rechtsgevoel van de gemeenschap te beleedigen. (Vergelijk Bloch, The Sexual Life of Our Time, hoofdstuk XXIV; hij meent, dat de "leeftijd van toestemmen" moet beginnen aan het einde van het zestiende jaar).
Het kan noodig zijn hier bij te voegen, dat het bepalen van den "leeftijd van toestemming" op deze basis in het geheel niet beteekent, dat omgang met meisjes, die maar weinig boven de zestien zijn, aangemoedigd zou moeten worden, of zelfs maar maatschappelijk en moreel geduld. Hier zijn we echter niet in de sfeer der wet. Het is de natuurlijke neiging van het meisje van goede geboorte en van goede opvoeding onder beschaafde omstandigheden zich gereserveerd te houden, en de druk, waarmee die neiging door de geheele omgeving van het meisje, gehandhaafd en bevorderd wordt, moet geleverd worden in de eerste plaats door de verstandsoverdenking van het meisje zelf als zij den leeftijd van het jong meisje zijn bereikt heeft. Het kweeken in een jonge vrouw, die het tijdstip der puberteit al voorbij is, van het denkbeeld, dat zij geen verantwoordelijkheid heeft bij het bewaken van haar eigen lichaam en ziel, is niet in harmonie met het moderne gevoel, en ook ongunstig aan het geschikt maken van vrouwen voor de wereld. De Staten, die er toe gebracht zijn den hoogen grens voor den leeftijd voor toestemming aan te nemen, hebben daarmee inderdaad een verachtelijke bekentenis gedaan van hun onbekwaamheid om een fatsoenlijk moreel niveau in stand te houden door meer wettige middelen; zij kunnen als waarschuwing dienen, eerder dan als voorbeeld.
De kennis van vrouwen kan echter niet de onwetendheid van mannen goedmaken, maar dient integendeel alleen om die te doen uitkomen. Want in de kunst van liefhebben moet de man noodzakelijk het initiatief nemen. Hij is het, die het eerst het zegel moet afnemen van het mysterie van de intimiteiten en de stoutheden, die het hart van de vrouw bevat. Het gevaar van zelfs maar een schaduw te ontmoeten van tegenzin is tè ernstig dan dat een vrouw, zelfs een getrouwde vrouw, de geheimen der liefde zou kunnen openbaren aan een man, die zich niet een ingewijde daarin getoond heeft [383]. Ontelbaar zijn de joviale en tevreden echtgenooten, die nooit vermoed hebben, en nooit weten zullen, dat hun vrouw, soms met stillen wrok, de pijn met zich omdraagt van geheimzinnige taboes. Het gevoel, dat er heerlijke intimiteiten en voorrechten zijn, waarvan haar nooit gevraagd is ze te nemen, of die haar nooit opgedrongen zijn, scheidt een vrouw soms erotisch van een man, die zich nooit duidelijk voor oogen stelt, wat hij gemist heeft [384]. Het geval van zulke echtgenooten is des te harder, omdat, voor het grootste gedeelte, alles wat zij gedaan hebben het resultaat is van de moraal, die hun gepredikt is geworden. Hun is geleerd, van hun jongensleeftijd af, ernstig, mannelijk en rein te zijn, gedachten aan vrouwen of het verlangen naar sexueel genot uit hun gedachte te bannen. Hun wordt van alle kanten geleerd, dat het alleen in het huwelijk goed of zelfs veilig is, vrouwen te naderen. Zij hebben het denkbeeld in zich opgenomen dat sexueele toegevendheid en alles, wat er toe behoort, iets laags en vernederends is, op zijn slechtst een enkel natuurlijke behoefte, op zijn best een plicht, die vervuld moet worden op directe, fatsoenlijke en rechtstreeksche wijze. Niemand schijnt hun gezegd te hebben, dat de liefde een kunst is, en dat het verkrijgen van het volle bezit van de ziel en het lichaam van de vrouw een taak is, die al het beste, wat een man aan handigheid en inzicht heeft, vereischt. Het kan wel zijn, dat, als een man zijn les te laat leert, hij geneigd is woedend te worden op de maatschappij, die door haar complot van nagemaakte moraal haar best gedaan heeft om zijn leven en dat van zijn vrouw te verwoesten. In sommige van deze gevallen worden de man of de vrouw of beiden, ten slotte aangetrokken tot een derde persoon en een echtscheiding stelt hen dan in staat opnieuw met meer ondervinding onder gelukkiger voorteekens te beginnen. Maar zooals de zaken nu staan, is dat een treurige en ernstige loop van zaken, voor velen onmogelijk. Gelukkiger zijn zij, wier liefdesproeven voor het huwelijk, zooals Milton aangetoond heeft, "zoovele echtscheidingen geweest zijn om hun ondervinding te leeren".
De algemeene onwetendheid over de kunst van liefhebben kan men peilen aan het feit, dat misschien de vraag, die in deze zaak het meest gedaan wordt, de ruwe vraag is, hoe dikwijls geslachtsverkeer behoort plaats te vinden. Dat is inderdaad een kwestie, die de grondvesters der godsdiensten, de wetgever en de philosophen van de menschheid, van de vroegste tijden af heeft bezig gehouden [385]. Zoroaster zeide, dat het eens in negen dagen moest zijn. De wetten van Manes stonden verkeer toe veertien dagen van iederen maand, maar een beroemd Hindoe dokter, Susruta, schreef voor zes maal per maand, behalve in de zomerhitte, wanneer het eens in de maand moest zijn, terwijl andere Hindoe-autoriteiten spreken van drie of viermaal in de maand. Solon's voorschrift, dat voor den burger het verkeer drie maal per maand moet plaats hebben komt tamelijk wel overeen met dat van Zoroaster. Mohammed schrijft in den Koran verkeer voor eenmaal in de week. De Joodsche Talmud is minder algemeen in zijn voorschriften, en maakt onderscheid tusschen verschillende soorten van menschen; aan den krachtigen en gezonden jongen man, die niet gedwongen is hard te werken, wordt eenmaal per dag opgelegd, aan den gewonen werkman tweemaal per week, aan geleerden eens per week. Luther beschouwde tweemaal per week als de juiste maat voor omgang.
We kunnen, zooals te verwachten was, opmerken, dat deze voorschriften in ver terug liggende tijden, toen erotische opwekking waarschijnlijk gering en erotisch erethisme waarschijnlijk zeer zeldzaam was, neiging hebben een grooteren tusschentijd te bepalen, terwijl we kortere tusschenpoozen vinden, als we de moderne beschaving naderen. Ook zullen we kunnen opmerken, dat die variatie plaats vindt binnen tamelijk nauwe grenzen. Dit berust waarschijnlijk op het feit, dat deze wetgevers in alle gevallen mannen waren. Vrouwelijke wetgevers zouden waarschijnlijk grootere neiging vertoond hebben tot verschil, want de verschillen in den sexueelen impuls zijn bij vrouwen ruimer. Zoo verlangde Zenobia de nadering van haar echtgenoot eens in de maand, mits er geen bevruchting had plaats gehad in de vorige maand, terwijl een andere koningin zeer ver naar het andere uiterste oversloeg, want men zegt ons, dat de Koningin van Arragon, na rijp beraad, besliste, dat zes maal per dag de juiste regel was in een wettig huwelijk [386].
We moeten in het voorbijgaan opmerken, dat aan de bepalingen over de veelvuldigheid van het sexueele verkeer meestal ten grondslag ligt de veronderstelling, dat het tijdens de menstruatie ophoudt. Dit is vooral het geval voor de eerste tijden van de cultuur, toen omgang op dezen tijd gewoonlijk beschouwd werd als gevaarlijk of zondig, of beide. Onder beschaafde omstandigheden berust de belemmering op æsthetische gronden, daar de vrouw, zelfs als ze omgang wenscht, er een tegenzin tegen gevoelt om genaderd te worden op een tijd, waarop ze zich zelf als weerzinwekkend voorkomt, en omdat de man gemakkelijk die houding overneemt. Er kan echter op gewezen worden, dat de æsthetische bezwaren in zeer groote mate het resultaat zijn van de bijgeloovige vrees voor water, die nog in ruimen kring gevoeld wordt in dezen tijd, en dat die tot zekere hoogte zou verdwijnen, als een nauwgezetter zindelijkheid werd in acht genomen. Het blijft een goede algemeene regel om zich te onthouden van sexueelen omgang tijdens de periode der menstruatie, maar in sommige gevallen kan er voldoende reden zijn er mee te breken. Dit is zoo, als het verlangen op dezen tijd speciaal sterk is, of als de omgang physiek moeilijk is op andere tijden, maar gemakkelijker door de verslapping van de deelen, als gevolg van de menstruatie. Wij moeten ook in herinnering houden, dat de tijd, als de vloed der menstruatie begint op te houden, waarschijnlijk meer dan eenige andere tijd van de maand de biologisch juiste tijd is voor den sexueelen omgang, omdat niet alleen de omgang dan het gemakkelijkst is, en ook het meest bevredigend voor de vrouw, maar omdat ze ook de gunstigste gelegenheid geeft voor het verzekeren van de bevruchting.
Reeds langen tijd geleden bracht Schurig bewijsgronden te zamen (Parthenologia, p. 302 et seq.), waaruit blijkt, dat coïtus het gemakkelijkst is tijdens de menstruatie. Sommige van de Katholieke theologen (zooals Sanchez, en al later Liguori) gingen tegen de publieke opinie in en lieten zeer bepaald omgang tijdens de menstruatie toe, hoewel vele vroegere theologen hem beschouwden als een doodzonde. Van medische zijde raadt Kossmann (Senator en Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 249) coïtus aan, niet alleen aan het einde van de menstruatie, maar zelfs tijdens het laatste gedeelte van de periode, daar dat de tijd is, waarop vrouwen er gewoonlijk behoefte aan hebben, daar de uitgesproken humeurigheid van vrouwen op dezen tijd, naar hij zegt, komt door het door de gewoonte geëischte onderdrukken van een natuurlijke begeerte. "Het is bijna altijd in de menstruatie, dat de eerste wolken zich aan den huwelijkshemel vertoonen".
In moderne tijden zijn de physiologen en de medici, die eenige opinie over dit onderwerp hebben uitgesproken, gewoonlijk de uitspraak van Luther zeer nabij gekomen. Haller zeide, dat omgang niet veel meer moest plaats hebben, dan tweemaal in de week [387]. Acton sprak van eenmaal in de week, en Hammond ook, zelfs voor gezonde mannen tusschen den leeftijd van vijf en twintig en veertig [388]. Fürbringer komt maar even boven deze taxatie uit, daar hij aanraadt van vijftig tot honderd daden per jaar [389]. Forel raadt twee of driemaal per week aan voor een man in den eersten bloei der mannelijkheid, maar hij voegt er bij, dat voor sommige gezonde en krachtige mannen eens in de maand al overdaad blijkt te zijn [390]. Mantegazza zegt in zijn Hygiene of Love ook, dat, voor een man tusschen de twintig en dertig twee of driemaal per week de juiste maat is voor het verkeer, en tusschen den leeftijd van dertig en vijf en veertig, tweemaal per week. Guyot raadt aan om de drie dagen [391].
Het schijnt echter geheel onnoodig eenige speciale regels te geven aangaande de veelvuldigheid van den coïtus. Individueele begeerte en individueele geschiktheid verschillen enorm, zelfs binnen de grenzen der gezondheid. Bovendien, als we erkennen, dat de beperking van de begeerte soms wenschelijk, en dikwijls noodig is, lange tijden achtereen, dan is het verstandig zich te onthouden van zelfs den schijn van de noodzakelijkheid van sexueelen omgang vast te stellen op dikwijls herhaalde en regelmatige tijden. De kwestie is voornamelijk van belang om te behoeden tegen overmaat, of zelfs tegen de poging van als gewoonte dicht bij de grens te leven. Vele autoriteiten zijn er daarom op uit er op te wijzen, dat het niet raadzaam is om te bepaald te zijn. Zoo zegt Erb, terwijl hij opmerkt, dat voor sommigen de uitspraak van Luther het uiterste maximum vertegenwoordigt, dat anderen die maat ongestraft ver kunnen te buiten gaan, en hij meent, dat zulke verschillen aangeboren zijn [392]. Ribbing, die het over het algemeen eens is met den regel van Luther, protesteert tegen iedere poging om voor iedereen wetten op te stellen, en is geneigd te zeggen, dat het een veilige regel is, zoo dikwijls als men wil, zoolang als er geen slechte gevolgen zijn [393].
Het schijnt wel algemeen toegestemd te worden, dat slechte resultaten van onmatigheid in coïtus, als ze voorkomen, zeldzaam zijn bij vrouwen (zie b.v., Hammond, Sexual Impotence, p. 127). Nu en dan echter komen er slechte resultaten bij vrouwen voor. Een geval, dat mogelijk in dit verband moet vermeld worden, is dat van een man, die achtereenvolgens drie vrouwen had, die krankzinnig werden na het huwelijk (Journal of Mental Science, Jan., 1879, p. 611). In gevallen van sexueele onmatigheid wordt dikwijls groote physieke uitputting opgemerkt, met achterdocht en waanideeën. Hutchinson heeft drie gevallen vermeld van tijdelijke blindheid, alle bij mannen, het resultaat van sexueele onmatigheid na het huwelijk (Archives of Surgery, Jan., 1893). De oude medische autoriteiten brachten veel verkeerde dingen terug op onmatigheid bij coïtus. Zoo brengt Schurig (Spermatologia, 1720, p. 260 et seq.) gevallen samen van krankzinnigheid, apoplexie, syncope, epilepsie, verlies van herinneringsvermogen, blindheid, kaalheid, eenzijdig overmatig transpireeren, jicht, en dood, die aan deze oorzaak worden toegeschreven; vele gevallen van dood worden gegeven, sommige bij vrouwen, maar men kan gemakkelijk merken, dat post dikwijls in de plaats gesteld werd voor propter.
Er is echter een andere overweging, die ternauwernood aan de aandacht van den lezer van dit werk kan ontsnappen. Bijna al de taxaties van de wenschelijke veelvuldigheid van coïtus zijn gemaakt om aan te passen aan de veronderstelde physiologische behoeften van den man [394], en zij schijnen gewoonlijk gevormd te zijn in denzelfden geest van uitsluitende attentie voor die behoeften, alsof er kwestie was van de physiologische behoeften van het ledigen van de ingewanden of van de blaas. Maar sexueele behoeften zijn de behoeften van twee personen, van den man en van de vrouw. Het komt aan op de harmonische overeenstemming van deze twee groepen van behoeften. Die overweging alleen is, te zamen met de groote variaties van individueele behoeften, al voldoende om alle bepaalde regels van zeer weinig waarde te doen zijn.
Het is van belang de ruime grenzen van de variatie in de sexueele capaciteit in herinnering te houden, evenals het feit, dat zulke variaties in beide richtingen gezond en normaal kunnen zijn, hoewel variaties, als ze tot het uiterste overslaan, pathologische beteekenis kunnen hebben. Bekend is bijvoorbeeld het geval van een man, die eenmaal per maand omgang heeft en dit voldoende vindt; hij heeft geen emissies en ook geen sterke begeerten in den tusschentijd; toch leidt hij een ledig, lui en weelderig leven en wordt niet tegengehouden door eenige moreele of godsdienstige gewetensbezwaren; als hij ver boven zijn gewoonte gaat, dan voelt hij zich onwel, hoewel hij overigens volkomen gezond is, behalve een eenigszins zwakke spijsvertering. Aan het andere uiterste had een gelukkig getrouwd paar, tusschen de vijf en veertig en de vijftig jaren oud en elkander zeer genegen, twintig jaar lang iederen nacht sexueelen omgang gehad, behalve in den tijd der menstruatie en bij zwangerschap in de laatste maanden, hetgeen maar eenmaal was voorgekomen; zij zijn hartelijke, volbloedige, intellectueele menschen, gesteld op een goed leven, en zij schrijven hun genegenheid en standvastigheid toe aan het veelvuldig toegeven aan coïtus; het eenige kind, een meisje, is niet sterk, al is ze tamelijk gezond.