De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 64

Chapter 643,648 wordsPublic domain

Het is volstrekt niet overbodig op dit punt den nadruk te leggen. Er zijn nog vele menschen, die het niet hebben kunnen inzien. Er zijn zelfs menschen, die schijnen te meenen, dat het van geen belang is, of er genoegen is bij de sexueele daad of niet. "Ik geloof niet, dat wederzijdsch genoegen in de sexueele daad eenige speciale betrekking heeft op het levensgeluk", merkte eens Dr. Howard A. Kelly [373] op. Zulk een gezegde beteekent--als het ten minste iets beteekent--dat de huwelijksband geen "speciale betrekking" heeft op het menschelijk geluk; het beteekent, dat de weg vrij open moet gezet worden voor echtbreuk en echtscheiding. Zelfs de meest perverse asceet van de Middeleeuwen kon het nauwelijks wagen een bewering te uiten, zoo lijnrecht tegenovergesteld aan de ervaringen van de menschheid, en het feit, dat een beroemd gynaecoloog van de twintigste eeuw ze uiten kan, met bijna het air van een waarheid te zeggen, is in ruime mate een rechtvaardiging voor den nadruk, die het tegenwoordig noodig is geworden op de liefdekunst te leggen. "Uxor enim dignitatis nomen est, non voluptatis", dat was een oud heidensch gezegde. Maar het is niet in harmonie met moderne denkbeelden. Het was zelfs niet geheel in harmonie met het Christendom. Voor onze moderne moraal is de eenheid van liefde en huwelijk een axioma [374].

De verwaarloozing van de liefdekunst is geen algemeen verschijnsel geweest; het is meer speciaal een verschijnsel van het Christendom. De geest van het oude Rome heeft ongetwijfeld Europa gepredisponeerd tot zulk een verwaarloozing, want met hun ruw aankweeken van militaire deugden en hun ongeschiktheid voor de fijnere gezichtspunten van de beschaving waren de Romeinen bereid liefde te beschouwen als een vergeeflijke zwakheid, maar ze waren niet, als een volk, bereid om ze aan te kweeken als een kunst. Hun dichters vertegenwoordigen in deze zaak het moreele gevoelen van hun beste burgers niet. Het is werkelijk een feit van zeer groote beteekenis, dat Ovidius, de meest bekende Latijnsche dichter, die veel over de kunst van liefhebben heeft nagedacht, die kunst niet zoozeer met de moraliteit in verband bracht als met de immoraliteit. Zooals hij het beschouwde, was de kunst van liefhebben minder de kunst om een vrouw in haar huis te houden, dan de kunst om haar er uit te lokken; het was eerder de kunst van den echtbreker dan van den echtgenoot. Zulk een opvatting zou buiten Europa onmogelijk zijn, maar ze bleek zeer gunstig te zijn aan den groei van de Christelijke houding jegens de kunst van liefhebben.

De liefde als een kunst, zoowel als een hartstocht, schijnt in de oudheid veel bestudeerd te zijn geworden, hoewel de resultaten van die studie verloren zijn gegaan. Cadmus Milesius, zegt Suidas, schreef veertien groote boekdeelen over den liefdehartstocht, maar ze zijn nu niet meer te vinden. Rohde geeft in (Der Griechische Roman, p. 55) een kort uittreksel uit de Grieksche philosophische schrijvers over de liefde. Bloch (Beiträge zur Psychopathia Sexualis, deel I, p. 191) somt de schrijfsters uit de oudheid op, die de liefdekunst behandelden. Montaigne (Essais, boek II, hoofdstuk V) geeft een lijst van oude klassieke boeken over de liefde, die verloren zijn gegaan. Ook Burton (Anatomy of Melancholy, uitgave van Bell, deel III, p. 2) geeft een lijst van boeken over de liefde, die verloren zijn gegaan. Burton zelf behandelde in den breede de menigvuldige teekenen van de liefde en de depressieve symptomen ervan. Boissier de Sauvages gaf in 't begin der achttiende eeuw een Latijnsche stelling uit, De Amore, waarin hij de liefde ongeveer in denzelfden geest behandelt als Burton, als een psychische ziekte, die behandeld moet worden en genezen.

De adem van het Christelijk ascetisme was over de liefde heengegaan; ze was niet langer als in de klassieke dagen een kunst, die beoefend, maar een ziekte, die genezen moest worden. De ware erfgenaam van den klassieken geest in dezen was, evenals in zooveel andere zaken, niet het Christendom, maar de Islam. The Perfumed Garden van den Sheik Nefzaoui was waarschijnlijk geschreven in de stad Tunis, in het begin der zestiende eeuw door een schrijver, die tot het Zuiden van Tunis behoorde. De aanroeping, waarmee het geschrift begint, toont duidelijk aan, dat het ver verwijderd is van de opvatting van liefde als een ziekte: "Eere zij God, die de grootste vreugde van den man gelegd heeft in de natuurlijke deelen van de vrouw, en die de natuurlijke deelen van den man bestemd heeft om de grootste genoegens te bereiden aan de vrouw". Het Arabische boek, El Ktab, of "The Secret Laws of Love"; is een modern werk door Omer Haleby Abu Othman, die in Algiers geboren was uit een Noorsche moeder en een Turkschen vader.

Voor het Christendom was de permissie om aan den sexueelen impuls toe te geven niets dan een concessie aan de menschelijke zwakheid, een toegeven, dat alleen maar mogelijk was onder de voorzichtigste voorzorgsmaatregelen. Bijna van het begin af aan begonnen de Christenen de maagdelijkheid aan te kweeken, en zij konden zich niet in die mate van hun gezichtspunt los maken, om voor de liefdekunst iets te voelen. Al hun hartstochtelijke bewondering in de sexueele sfeer ging uit naar de kuischheid. Door zulke idealen bezield konden ze de menschelijke liefde alleen maar dulden door aan een specialen vorm ervan het karakter te verleenen van een godsdienstig sacrament, en zelfs die glans van het sacrament gaf aan de liefde een quasi-ascetisch karakter, dat het denkbeeld uitsloot van de liefde te beschouwen als een kunst [375]. Liefde verkreeg een godsdienstig element, maar ze verloor een moreel element, daar, buiten het Christendom, de liefdekunst een deel is van den grondslag van de sexueele moraal, overal waar zoo'n moraal in eenige mate bestaat. In het Christendom werd aan de liefde in het huwelijk overgelaten zich te redden zoo goed als ze kon; de kunst van liefhebben was een kunst van twijfelachtig allooi, waarvan men vond, dat ze een zeker verband had met de immoraliteit en zelfs zelf immoreel was. Dat gevoel werd ongetwijfeld versterkt door het feit, dat Ovidius de meest in het oog springende meester was in de literatuur van de kunst van liefhebben. Zijn literaire reputatie--die veel grooter was dan ze ons nu toeschijnt [376]--gaf aan zijn kunst van liefhebben de plaats van het voornaamste bestaande handboek over de liefde. Met het humanisme en de Renaissance en de daarop volgende erkenning, dat het Christendom een zijde van het leven voorbijgezien had, werd Ovidius' Ars Amatoria geplaatst op een voetstuk, zooals nooit te voren of daarna. Het vertegenwoordigde een schrede voorwaarts in de beschaving; het openbaarde de liefde niet uitsluitend als een dierlijk instinct of als een ernstige plicht, maar als een samengestelde, menschelijke en verfijnde verhouding, die moest aangekweekt worden; "arte regendus amor". Bij Boccaccio geeft een wijs leeraar den scholieren de Ars Amatoria van Ovidius in handen. In een eeuw, die nog onder den druk was van den middeleeuwschen geest, was het een handboek, waaraan veel behoefte was, maar het had het fatale gebrek als handboek om de erotische eischen van het individu voor te stellen als afgescheiden van de eischen van een goede maatschappelijke orde. Het kwam nooit zoover, dat het het algemeen erkende handboek der liefde werd, en in de oogen van velen drukte het op het onderwerp, waar het over handelde, het stempel van te liggen buiten de grenzen van de goede moraal.

Als wij echter van een ruimer standpunt zien, en navraag doen naar de tucht voor het leven, die in vele deelen van de wereld aan jonge menschen wordt medegegeven, dan zullen we dikwijls bemerken, dat de kunst van liefhebben, op verschillende wijzen begrepen, een essentieel gedeelte is van die tucht. Hoewel de opvoedingsmethoden bij natuurvolken kort, maar toch over het algemeen voldoende zijn, sluiten ze niet zelden in een oefenen in die kunsten, die in de huwelijksverhouding een vrouw aangenaam maken aan een man en een man aan een vrouw, en het wordt dikwijls min of meer vaag erkend, dat het hofmaken niet is een enkele inleiding tot het huwelijk, maar een biologisch essentieel gedeelte van de geheele huwelijksverhouding.

Sexueele inwijding wordt zeer grondig in praktijk gebracht in Azimbaland, in Centraal Afrika. H. Crawford Angus, de eerste Europeaan, die het volk der Azimba bezocht, woonde een jaar onder hen, en heeft een beschrijving gegeven van de Chensamwali, of inwijdingsceremonie van meisjes. "Bij het eerste teeken van de menstruatie bij een jong meisje wordt zij onderwezen in de geheimen van de vrouwelijkheid en worden haar de verschillende houdingen gewezen voor den sexueelen omgang. De vagina wordt vrijelijk behandeld, en als ze niet tevoren verwijd is (hetgeen gebeurd kan zijn op het oogstfeest, als een jongen en een meisje verlof krijgen om samen over dag "huis te houden" en wanneer quasi-omgang plaats vindt) wordt ze nu verwijd door middel van een horen, die ingebracht en met een verband van boomschors bevestigd wordt. Als alle teekenen van de menstruatie over zijn, wordt er een algemeene aankondiging gedaan aan de vrouwen in het dorp voor een dans. Bij dezen dans worden geen mannen toegelaten, en alleen met heel veel moeite heb ik ik het gedaan gekregen er bij tegenwoordig te zijn. Het meisje, dat "verdanst" zal worden, wordt uit het kreupelbosch geleid naar de hut van haar moeder, waar zij in eenzaamheid gehouden wordt tot den morgen van den dans. Op dien morgen wordt ze in zittende houding op den grond gezet, terwijl de danseressen een kring om haar heen vormen. Verschillende gezangen worden dan gezongen met betrekking tot de genitaliën. Het meisje wordt dan naakt uitgekleed en moet mimisch de voltrekking van den sexueelen omgang doormaken, en als de bewegingen niet goed uitgevoerd worden, zooals dikwijls het geval is als het meisje jong is en verlegen, dan neemt een van de oudere vrouwen haar plaats in en wijst haar hoe ze doen moet. Vele liederen worden gezongen over de verhouding van mannen en vrouwen, en het meisje wordt ingelicht over al haar plichten als ze trouwt. Haar wordt ook geleerd, dat zij in den tijd van haar menstruatie onrein is, en dat ze gedurende haar maandelijksche periode haar vulva moet afsluiten met een bosje gras. Het doel van den dans is aan het meisje de kennis van het huwelijksleven in te prenten. Aan het meisje wordt geleerd trouw te zijn aan haar echtgenoot en hoe ze zich gedragen moet tijdens de zwangerschap, en haar worden ook de verschillende kunsten en methoden geleerd om zich verleidelijk en aangenaam voor haar echtgenoot te maken, en om hem zoo in haar macht te houden". (H. Crawford Angus, "The Chensamwali", Zeitschrift für Ethnologie, 1898, Heft 6, p. 479).

In Abyssinië, evenals op de kust van Zanzibar, worden jonge meisjes, volgens Stecker (aangehaald door Ploss-Bartels, Das Weib, afdeeling 119) geoefend in bekkenbewegingen, die haar bekoorlijkheid bij den coïtus doen toenemen. Deze bewegingen, van een draaienden aard, worden genoemd Duk-Duk. Niet op de hoogte te zijn van Duk-Duk is een groote schande voor een meisje. Bij de vrouwen van de Swahili in Zanzibar wordt een volkomen artistiek systeem van heupbewegingen aangekweekt, dat bij den coïtus in praktijk moet gebracht worden. Het is voornamelijk op de kust in zwang, en een vrouw uit Swanghali wordt niet als een lady "bibi" beschouwd, als ze niet met deze kunst bekend is. Zestig tot tachtig jonge vrouwen oefenen deze bekkendans tezamen, soms acht uren per dag, geheel naakt en zingen er bij. Publiek wordt niet toegelaten. De dans, die een soort van inwijding is tot den coïtus, is beschreven door Zache ("Sitten und Gebräuche der Suaheli", Zeitschrift für Ethnologie, 1899, Heft 2-3, p. 72). De beste danseressen verwekken algemeene bewondering. Bij het laatste gedeelte van deze inwijding worden verschillende feiten ingevoegd, om de handigheid en de zelfbeheersching van het meisje op den proef te stellen. Zij moet bijvoorbeeld naar een vuur toe dansen en midden uit dat vuur een ketel water, die tot het randje toe vol is, weghalen zonder er mee te morsen. Aan het einde van drie maanden is de oefening voorbij, en gaat het meisje in feestkleeding naar huis. Zij kan nu ten huwelijk gekozen worden. Men zegt, dat dergelijke gewoonten ook in Indië en elders bestaan.

De Hebreërs hadden erotische dansen, die ongetwijfeld in verband stonden met de kunst van liefhebben in het huwelijk, en onder de Grieken, en hun leerlingen, de Romeinen, bestond nog de opvatting van liefde als een kunst, die behoefte heeft aan oefening, behendigheid en aankweeking. Die opvatting werd teniet gedaan door het Christendom, dat, hoewel het de instelling van het huwelijk heiligde, die sexueele liefde naar beneden haalde, die in normale omstandigheden de inhoud is van het huwelijk.

In 1176 werd door een baron en een barones van Champagne, de kwestie of liefde bestaanbaar is met het huwelijk voor een liefdesgerechtshof gebracht. "Neen", zeide de baron, "ik bewonder en eerbiedig de zoete intimiteit van getrouwde paren, maar ik kan het geen liefde noemen. Liefde wenscht bezwaren te overwinnen, geheimzinnigheid, gestolen gunsten. Nu erkennen man en vrouw vrijmoedig hun verhouding; zij bezitten elkander zonder tegenspraak en zonder terughouding. Dan kan het geen liefde zijn, die zij ondervinden". En na rijpe overweging namen de dames van het hof de conclusies van den baron aan (E. de la Bedollière, Histoire des Moeurs des Français, dl. III, p. 334). Er was ongetwijfeld een grond van waarheid in de beweringen van den baron. Toch mag wel betwijfeld worden of het in eenig niet Christelijk land ooit mogelijk zou geweest zijn om de leer aangenomen te krijgen, dat liefde en huwelijk onvereenigbaar zijn. Deze leer was echter, zooals Ribot aantoont in zijn Logique des Sentiments, onvermijdelijk, toen, zooals bij de middeleeuwsche edelen, het huwelijk alleen maar een politiek of huiselijk verdrag was en daarom niet een methode kon zijn tot moreele verheffing.

"Hoe komt het", vroeg Rétif de la Bretonne, tegen het einde van de achttiende eeuw, "dat meisjes, die geen moraal hebben, verleidelijker zijn en beminnelijker dan fatsoenlijke vrouwen? Het is omdat zij, evenals de Grieksche courtisanen, aan wie bevalligheid en zinnelijkheid geleerd werd, de kunst bestudeerd hebben van te behagen. Onder hen, die dwaselijk mijn Contemporaines belasteren heeft geen enkele het philosophische doel gegist van bijna al deze vertellingen n.l. om aan fatsoenlijke vrouwen de methoden aan de hand te doen om zich bemind te maken. Ik zou graag de instelling der inwijding willen zien zooals ze bestond bij de ouden... Tegenwoordig wordt het geluk van de menschelijke soort overgelaten aan het toeval; al de ondervinding van de vrouwen is individueel, zooals bij de dieren; ze gaat verloren bij die vrouwen, die, daar ze van nature beminnelijk zijn, anderen konden hebben geleerd om het ook te worden. Alleen prostituées maken er een oppervlakkige studie van, en de lessen, die zij krijgen, zijn voor het grootste deel even schadelijk als die van de respectabele Grieksche en Romeinsche matrones heilig en eerbiedwaardig waren, daar ze alleen aanleiding geven tot losbandigheid, tot uitputting gelijkelijk van de beurs en van de physieke krachten, terwijl het doel van de oude matrones de vereeniging van man en vrouw en hun wederzijdsche gehechtheid door genoegen was. De Christelijke godsdienst vernietigde de Mysteries als schandelijk, maar we mogen die vernietiging wel beschouwen als een van de nadeelen door het Christendom toegebracht aan de menschheid, als het werk van menschen met weinig verlichting en bitteren ijver, gevaarlijke puriteinen, die de natuurlijke vijanden van het huwelijk waren" (Rétif de la Bretonne, Monsieur Nicolas, herdruk van 1883, dl. X, blz. 160-3). We mogen er aan toevoegen, dat Dühren (Dr. Iwan Bloch) Rétif beschouwt als "een meester in de Ars Amandi", en hem van dit standpunt bespreekt in zijn Rétif de la Bretonne (pp. 362-371).

Hetzij het Christendom verantwoordelijk gesteld moet worden of niet, er kan niet aan getwijfeld worden, dat door het Christendom is ontstaan een bedroevend gebrek aan erkenning van het allerhoogste belang, niet alleen erotisch, maar moreel, van de kunst van liefhebben. Zelfs in de groote herleving, die nu om ons heen plaats vindt, wordt nog maar uiterst zelden erkend, dat de eenige zaak, die in haar wezen noodzakelijk is bij de sexueele inlichting, bekendheid met de kunst van liefhebben is. Voor het grootste deel is de sexueele inlichting, zooals ze tegenwoordig gegeven wordt, zuiver negatief, niets dan een reeks van "Gij zult niet". Als dat gebrek berustte op de bewuste en opzettelijke erkenning, dat, terwijl de kunst van liefhebben gebaseerd moet zijn op physiologische en psychologische kennis, ze veel te fijn is, te samengesteld, te persoonlijk, om geformuleerd te worden in lezingen en handboeken, zou het verstandig en gezond zijn. Maar het schijnt geheel op onwetendheid te berusten, of erger.

Het hof maken is, evenals andere kunsten, een kunst, die gedeeltelijk natuurlijk is--"een kunst, die de natuur maakt",--en daarom is het een natuurlijk onderwerp voor leering en oefening in het spel. Kinderen, die aan zich zelf overgelaten worden, hebben neiging zoowel spelende als in ernst liefde in praktijk te brengen, zoowel van den physieken als van den psychischen kant [377]. Maar dit spel wordt van den physieken kant streng door de ouders onderdrukt, als het ontdekt wordt, en aan den psychischen kant wordt er om gelachen. Onder de wel-opgevoede klassen houdt het gewoonlijk op jeugdigen leeftijd op.

Na de puberteit, zoo niet eerder, is er een andere vorm, waarin de kunst van liefhebben in ruime mate beoefend en in praktijk gebracht wordt, vooral in Engeland en Amerika, de vorm van het flirten. In zijn eerste uitingen is het flirten volkomen natuurlijk en normaal; we kunnen het zelfs bij de dieren nasporen; het is eenvoudig het begin van het hofmaken, in een vroeg stadium, als het hofmaken nog, als men dat wil, kan afgebroken worden. Onder de moderne beschaafde toestanden is het flirten echter dikwijls meer dan dit. Deze voorwaarden maken het huwelijk moeilijk; zij maken liefde en de toenadering daartoe tot iets dat te ernstig is om het lichtzinnig te beginnen; zij maken het werkelijke sexueele verkeer gevaarlijk zoowel als schandelijk. De flirt past zich aan deze voorwaarden aan. In plaats van alleen het inleidende stadium te zijn van het normale hofmaken, heeft zij zich ontwikkeld tot een vorm van sexueele bevrediging zoo volledig als een behoorlijke inachtneming van de voorwaarde, die we reeds vermeld hebben, toe wil staan. In Duitschland, en vooral in Frankrijk, waar ze in hooge mate verafschuwd wordt, is dit de eenige bekende wijze van flirten; ze wordt beschouwd als een export-artikel van de Vereenigde Staten en wordt "flirtage" genoemd. Als praktisch product ervan wordt beschouwd de "demi-vierge", die al de vreugden der sekse kent en ondervonden heeft, terwijl zij toch haar hymen intact bewaard heeft.

Deze ontaarde vorm van de flirt, die aangekweekt wordt, niet als een deel van het hofmaken, maar om zich zelf, is uitvoerig en goed beschreven door Forel (Die Sexuelle Frage, pp. 97-101). Hij zegt, dat ze "alle uitdrukkingswijzen omvat van het sexueele instinct van een individu jegens een ander individu, die het sexueele instinct van den ander opwekken, den coïtus altijd uitgesloten". Eerst is het misschien alleen maar een beteekenisvolle blik of een eenvoudige aanraking schijnbaar zonder bedoeling; en met geringe overgangen komt het wellicht tot liefkoozingen, kussen, omhelzingen, en kan zich zelfs uitstrekken tot wrijving van de genitaliën, die soms tot orgasme leidt. Zoo, zegt Forel, kan een zinnelijke vrouw, door de aanraking van haar kleeren bij het dansen, ejaculatie te voorschijn roepen bij haar danser. Gewoonlijk is het proces dàt wellustige contact en die droomerij, welke in het Engelsche spraakgebruik genoemd wordt "spooning". In éen vorm echter bestaat de flirt geheel in de opwinding van een gesprek, dat gewijd is aan erotische en onfatsoenlijke onderwerpen. De man of de vrouw kan de actieve rol spelen bij het flirten, maar bij een vrouw wordt meer verfijning en handigheid vereischt om de actieve rol te spelen zonder den man terug te schrikken of haar naam te benadeelen. Ja, hetzelfde geldt ook voor mannen, want vrouwen, al houden zij dikwijls van flirten, prefereeren gewoonlijk de meer verfijnde vormen er van. Er zijn onnoemelijk veel vormen van flirt, en, terwijl ze als inleiding tot het hofmaken, haar normale plaats inneemt en gerechtvaardigd is, besluit Forel, dat ze "als een doel op zich zelf, en nooit boven zich zelf uitkomende, een degeneratieverschijnsel is".

Van het Fransche standpunt zijn "flirtage" en de flirt in het algemeen, besproken door Madame Bentzon ("Family Life in America", Forum, Maart, 1896), die echter niet de natuurlijke basis van de flirt bij het hofmaken erkent. Zij beschouwt het als een zonde tegen de wet "Gij zult niet met de liefde spelen", want deze moet de verontschuldiging hebben van een onwederstaanbaren hartstocht, maar ze meent, dat ze in Amerika betrekkelijk onschadelijk is (hoewel toch nog van verderfelijken invloed op vrouwen) wegens het temperament, de opvoeding en de gewoonten van de menschen daar. Wij moeten echter in de herinnering houden, dat het spel een zekere betrekking heeft op alle levensfuncties, en dat een redelijke critiek op de flirt eer betrekking heeft op de normale beperkingen, dan op het bestaansrecht ervan.

Terwijl de flirt in haar natuurlijken vorm--niet in de geperverteerden vorm van "flirtage"--een gezonde rechtvaardiging heeft, zoowel als een methode om den minnaar te leeren kennen, als om een klein deel van de kunst van liefhebben te verkrijgen, blijft ze toch een volkomen onvoldoende voorbereiding voor de liefde. Dit blijkt voldoende uit de veel voorkomende ongeschiktheid voor de kunst van liefhebben, en zelfs voor de enkele physieke daad der liefde, die zich zoo dikwijls bij mannen en vrouwen beide voordoet in de landen, waar juist de flirt het meest in eere is.

Deze onwetendheid, niet alleen van de daad der liefde, maar zelfs van de physieke feiten van de sexueele liefde, is duidelijk merkbaar, niet alleen bij vrouwen, vooral vrouwen van de middelklasse, maar ook bij mannen, want de beschaafde man, zooals Fritsh lang geleden opmerkte, weet dikwijls minder van de feiten van het sexueele leven dan een stalmeid. Ze vertoont zich echter op verschillende wijze bij de twee seksen.