De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 63

Chapter 633,567 wordsPublic domain

Als wij--resumeerend--den loop nagaan, die de regeling van het huwelijk gehad heeft in het Christelijke tijdperk, het eenige tijdperk dat ons onmiddellijk aangaat, dan is het niet moeilijk de hoofdlijnen ervan te volgen. Het huwelijk begon als een bijzondere instelling, die de kerk, zonder ze te kunnen controleeren, bereid was in te zegenen, zooals ze zoo menige andere wereldlijke zaak inzegende; zij probeerde nog niet de natuurlijke aanpassing ervan aan menschelijke behoeften te beperken. Maar langzamerhand en onmerkbaar, zonder tusschenkomst van de wet, verkreeg het Christendom de volle heerschappij over het huwelijk, overeenkomstig de reeds ontwikkelde opvattingen over het kwaad van den lust, de deugd der kuischheid, de doodzonde van de ontucht, en, na door den invloed van deze heerschende opvattingen de buigzaamheid van het huwelijk in alle richtingen te hebben beperkt, plaatste ze het op een verheven, maar smal voetstuk als een sacrament. Om redenen, die in het geheel niet liggen in de natuur van de sexueele verhoudingen, maar die waarschijnlijk aan de priester-wetgevers dringend toeschenen, die haar assimileerden met de wijding tot priester, werd het huwelijk voor onontbindbaar verklaard. Niets was zoo gemakkelijk om binnen te gaan als de poort van het huwelijk, maar, evenals een muizenval, ging ze alleen naar binnen open en niet naar buiten; eens er in, kon men er levend niet weer uit komen. De regeling van het huwelijk door de kerk was, terwijl ze, evenals het coelibaat van de geestelijkheid, een succes was uit het oogpunt van kerkelijke politiek, en zelfs in het eerst uit het oogpunt van beschaving, want ze bracht orde in een maatschappelijken chaos, toch op den langen duur een mislukking uit een oogpunt van maatschappij en moraal. Aan den eenen kant verviel ze in belachelijke spitsvondigheden en haarkloverijen; aan den anderen kant had ze, omdat ze niet berustte op hetzij de rede of op de menschelijkheid, niets van die geschiktheid tot aanpassen aan de behoeften van het leven, die het Christendom in zijn eersten tijd in zoo ruime mate behield, terwijl het toch verheven idealen hoog hield. Aan den traditioneelen kant werd dit huwelijkswetboek onbeholpen en onpractisch; aan den biologischen kant was het een wanhopige misgreep. Zoo was dus de weg gebaand tot de opvatting der Protestanten van het huwelijk als een contract, maar die opvatting werd minder op den voorgrond gebracht ter wille van zich zelf, dan als een protest tegen de moeilijkheden en dwaasheden van de Katholieke canonieke, wet. Deze beschouwing als contract, die nog in ruime mate bestaat, zelfs nu nog, nam spoedig veel over van de leerstellingen van de canonieke wet over het huwelijk, en werd in de praktijk een soort van hervormde en verwereldlijkte canonieke wet. Ze paste zich eenigszins meer aan aan de moderne behoeften, maar ze behield veel van de starheid van het Katholieke huwelijk zonder den sacramenteelen aard ervan, en ze deed nooit een poging om meer dan in naam een contract te worden. Ze is te beschouwen als een compromis van deelen, die niet bij elkaar passen en ze is een overgangsstadium geweest naar het vrije persoonlijke huwelijk. Wij kunnen die phase herkennen in de neiging, die in de beschaafde landen duidelijk uitgesproken is, naar een steeds toenemende rekbaarheid van het huwelijk. Het denkbeeld en zelfs het feit van het huwelijk door overeenstemming en van de echtscheiding bij gebrek aan die overeenstemming, waar we nu heen gaan, is in werkelijkheid nooit geheel uitgestorven geweest. In de Latijnsche landen is het blijven bestaan in de traditie van de Romeinsche wet; in de Engelsch sprekende landen is het samengegroeid met den geest van het puritanisme, die er op aandringt, dat in de dingen die het individu alleen aangaan, het individu zelf opperste rechter moet zijn. Die leer, toegepast op het huwelijk, werd in Engeland schitterend tot uitdrukking gebracht door het genie van Milton, en in Amerika is zij het zuurdeesem geweest, dat nog voortwerkt in de huwelijkswetgeving naar een onvermijdelijk doel, dat nog nauwelijks in het zicht is. Het huwelijkssysteem van de toekomst zal op het oude Christelijke systeem gelijken in zoover het den geheiligden en sacramenteelen aard zal erkennen van de sexueele verhouding, en het zal gelijken op de burgerlijke opvatting in zooverre het er op zal aandringen, dat het huwelijk, wat de voortplanting aangaat, openlijk door den Staat zal worden geregistreerd. Maar in tegenstelling met de kerk zal het erkennen, dat het huwelijk, in zoover het zuiver een sexueele verhouding is, een persoonlijke zaak is, waarvan de voorwaarden moeten overgelaten worden aan de personen, die er in betrokken zijn; en in tegenstelling met de burgerlijke theorie zal het erkennen, dat het huwelijk in zijn wezen een feit is en geen contract, hoewel het aanleiding kan geven tot contracten, zoolang die contracten dat essentieele feit niet raken. En in een opzicht zal het gaan boven de kerkelijke opvatting en de burgerlijke opvatting beide. De mensch heeft in den laatsten tijd de heerschappij verkregen over zijn eigen voortbrengende krachten, en die heerschappij brengt mee een verplaatsen van het centrum van den ernst van het huwelijk, in zooverre het huwelijk een staatszaak is, van de vagina naar het kind, dat de vrucht is van den schoot. Het huwelijk, als een instelling van den Staat, zal zich concentreeren, niet om de sexueele verhouding, maar om het kind, dat het resultaat is van die verhouding. In zooverre het huwelijk een onschendbaar openlijk contract is, zal het van zulk een aard zijn, dat het vanzelf met zijn bescherming zal dekken ieder kind, dat in de wereld geboren wordt, zoodat ieder kind een wettigen vader en een wettige moeder zal hebben. Aan den eenen kant heeft het huwelijk dus neiging om minder bindend te worden; aan den anderen kant heeft het neiging meer bindend te worden. Aan den persoonlijken kant is het een intieme en heilige verhouding, waarmee de Staat niet te maken heeft; aan den maatschappelijken kant is het het aannemen van het verantwoordelijk openlijk borg zijn voor een nieuw lid van den Staat. Sommigen onder ons zijn bezig de eerste van deze beschouwingswijzen van het huwelijk te bevorderen, anderen de tweede. Beide zijn noodig om een volkomen harmonie te vormen. Het is noodig de twee beschouwingswijzen van het huwelijk afzonderlijk te houden, om gelijkelijk rechtvaardigheid te betrachten jegens het individu en jegens den Staat, maar als het huwelijk zijn idealen staat bereikt, worden die twee beschouwingswijzen tot een.

Wij hebben nu de bespreking van het huwelijk, zooals het zich voordoet aan den modernen mensch, die geboren is in wat in middeleeuwsche dagen het Christendom genoemd werd, voltooid. Het was geen gemakkelijk onderwerp om te bespreken. Het is werkelijk een zeer moeilijk vraagstuk, en eerst na vele jaren zal het mogelijk zijn de voornaamste richting te ontdekken van de schijnbaar aan elkander tegenovergestelde en verwarde stroomingen, als men er zelf midden in is. Voor een Engelschman is het misschien bijzonder moeilijk, want de Engelschman is vóor alles een eiland-bewoner; in dat feit liggen alle deugden die hij bezit, zoowel als zijn ondeugden [370].

Toch loont het de moeite te trachten een hoogte te beklimmen, vanwaar we den stroom van de neiging der maatschappij kunnen beschouwen in zijn ware proporties en de richting ervan kunnen taxeeren. Het is noodig dat te doen, als wij waarde hechten aan den vrede van onzen geest in een eeuw, waarin de geesten van de menschen in beweging worden gebracht door vele kleine beproevingen, die niets te maken hebben met hun groote tijdelijke belangen, om nog niets te zeggen van hun eeuwigheidsbelangen. Als wij een ruim overzicht over de vaststaande biologische feiten van het leven gekregen hebben, als wij de groote stroomingen zien, die te zamen het plan vormen van de menschelijke zaken, dan kunnen wij met kalmte toezien op de kleine maatschappelijke veranderingen, die in onze eeuw plaats vinden, zooals zij plaats vinden in iedere eeuw.

HOOFDSTUK XI

DE KUNST VAN LIEFHEBBEN

Het huwelijk is er niet alleen voor de voortplanting.--Theologen over het "sacramentum solationis".--Het belang van de kunst van liefhebben.--De grondslag van bestendigheid in het huwelijk en de voorwaarde voor juiste voortplanting.--De kunst van liefhebben is het bolwerk tegen de echtscheiding.--De eenheid van liefde en huwelijk is een principe van de moderne moraal.--Het Christendom en de kunst van liefhebben onder natuurvolken.--Sexueele inwijding in Afrika en elders.--De neiging tot spontane ontwikkeling van de kunst van liefhebben in de jeugd.--Flirt.--Sexueele onwetendheid bij vrouwen.--De plaats van den echtgenoot bij de sexueele inwijding.--Sexueele onwetendheid bij mannen.--De opvoeding van den echtgenoot voor het huwelijk.--Het onheil gesticht door de onwetendheid van den man.--De physieke en psychische gevolgen van den onbeholpen coïtus.--Vrouwen verstaan de kunst van liefhebben beter dan mannen.--Oude en nieuwe meeningen over de veelvuldigheid van den coïtus.--Verschillen in sexueele potentie.--De sexueele begeerte.--De kunst van liefhebben berust op de biologische feiten van het hof-maken.--De kunst aan vrouwen te behagen.--De minnaar vergeleken bij den musicus.--Het aanzoek als een deel van het hof-maken.--Divinatie in de kunst van liefhebben.--Het belang van de preliminariën bij het aanzoek.--De onbeholpenheid van den echtgenoot is dikwijls oorzaak van de koelheid der vrouw.--De moeilijkheid van het hof-maken.--Gelijktijdig orgasme.--De nadeelen van onvolkomen bevrediging bij de vrouw.--Coïtus interruptus.--Coïtus reservatus.--De menschelijke wijze van coïtus.--Variaties in coïtus.--Houding bij coïtus.--De beste tijd voor den coïtus.--De invloed van coïtus in het huwelijk.--De voordeelen van afwezigheid in het huwelijk.--De gevaren van afwezigheid.--Jaloezie.--De oorspronkelijke functie der jaloezie.--Het veel vóorkomen ervan bij dieren, natuurvolken en in pathologische toestanden.--Een tegen-maatschappelijk gevoel.--Jaloezie laat zich niet vereenigen met den vooruitgang der beschaving.--De mogelijkheid méér dan een persoon tegelijk lief te hebben.--De platonische vriendschap.--De voorwaarden, die ze mogelijk maken.--Het moederlijk element in de liefde der vrouw.--De eind-ontwikkeling van de huwelijksliefde.--Het vraagstuk der liefde is een van de grootste maatschappelijke kwesties.

Het zal uit de voorafgaande bespreking wel duidelijk zijn geworden, dat er in ieder huwelijk twee elementen zijn, beide even noodig om dat huwelijk volkomen te doen wezen. Aan den eenen kant is het huwelijk een vereeniging door wederzijdsche liefde ontstaan, die alleen door het koesteren van zulk een liefde in stand gehouden kan worden als een werkelijkheid, afgezien van de uitsluitend vormelijke zijde ervan. Aan den anderen kant is het huwelijk een methode om het ras voort te planten en heeft het zijn doel in de nakomelingschap. Aan den eenen kant is het doel ervan de erotische liefde, aan den anderen kant het ouderschap. Beide deze doeleinden zijn al sinds lang algemeen erkend geweest. Wij vinden ze bij voorbeeld openlijk genoemd in de huwelijksdienst van de kerk van Engeland, waar gezegd wordt, dat het huwelijk bestaat "zoowel tot wederzijdsch gezelschap, hulp en steun, die de een van den ander noodig heeft, als ook tot het voortbrengen van kinderen". Zonder den factor van wederzijdsche liefde kunnen de juiste voorwaarden voor de voortplanting niet bestaan; zonder den factor der voortplanting blijft de sexueele vereeniging, hoe mooi en heilig deze verhouding op zichzelf ook zijn mag, in haar wezen, een persoonlijke verhouding, onvolkomen als huwelijk en zonder openbare beteekenis. Daarom wordt het noodig de voorafgaande bespreking van het huwelijk in zijn algemeene trekken aan te vullen met een laatste en meer intieme beschouwing van het huwelijk in zijn wezen, voor zoover het de kunst van liefhebben en de wetenschap der voortplanting omvat.

Wij hebben reeds gelegenheid gehad van tijd tot tijd te verwijzen naar hen, die, van verschillend standpunt uitgaande, getracht hebben het doel van het huwelijk te beperken en het eene of het andere van zijn elementen te onderdrukken. (Zie b.v., boven, p. 135).

De moderne neiging is geweest den factor der voortplanting uit te sluiten en de huwelijksbetrekkingen alleen te beperken tot de verhouding van de twee partijen tot elkaar. Afgezien van het feit, waarvan het onnoodig is er weer de aandacht op te vestigen, dat, uit publiek en maatschappelijk standpunt, een huwelijk zonder kinderen, hoe belangrijk het ook zijn kan voor de twee personen, die het aangaat, een verhouding is zonder eenige openbare beteekenis, moeten we verder zeggen, dat ook het erotische leven zelf onder afwezigheid van kinderen kan lijden, want in het normale erotische leven, vooral bij vrouwen, heeft de sexueele liefde neiging uit te groeien tot ouderliefde. Bovendien wordt de volle ontwikkeling van die wederzijdsche liefde en afhankelijkheid bij de afwezigheid van kinderen met moeite verkregen, en er ontbreekt die allernauwste der banden, de wederkeerige samenwerking van twee personen bij het voortbrengen van een nieuw wezen. Het volmaakte en volkomen huwelijk in zijn volle ontwikkeling is een drieëenheid.

Zij, die den erotischen factor uit het huwelijk hebben trachten te verwijderen als niet tot het wezen ervan behoorende, of in ieder geval als alleen toe te laten als strikt ondergeschikt aan het doel van de voortplanting, hebben zich van tijd tot tijd in verschillende tijdperken doen hooren. Zelfs de ouden, Grieken en Romeinen gelijkelijk, raadden in hun meer ernstige oogenblikken de verwijdering aan van het erotisch element uit het huwelijk, en wilden het beperken tot buitenechtelijke verhoudingen, dat is te zeggen voor zoover het mannen aanging; voor de erotische behoeften van getrouwde vrouwen hadden ze geen bepalingen te maken. Montaigne, die vervuld was van den geest der klassieke tradities, heeft uitmuntend de redenen uiteengezet, die pleiten voor het verwijderen der erotische belangen uit het huwelijk: "Men trouwt niet voor zichzelf, wat er ook gezegd wordt; een man trouwt evenzeer, of meer nog, voor zijn nageslacht, voor zijn familie, de gewoonte en het belang van het huwelijk raken meer het ras dan ons zelf.... Zoo is het een soort van bloedschande om in deze waardige en geheiligde verhouding, de krachtsinspanningen en de buitensporigheden van de losbandigheid der liefde te verbruiken" (Essais, Boek I, hoofdstuk XXIX; Boek III, hoofdst. V). Dit gezichtspunt was zeer aannemelijk voor de eerste Christenen, die echter met opzet den tegenovergestelden kant ervan voorbijzagen, het hebben van erotische belangen buiten het huwelijk. "Omgang te hebben behalve voor de voortplanting", zeide Clemens van Alexandrië (Paedagogus, Boek II, hoofdst. X) "is de natuur onrecht aandoen". Terwijl deze bewering echter waar is voor de lagere dieren, is ze niet waar voor den mensch, en vooral niet voor den beschaafden man, wiens erotische behoeften veel meer ontwikkeld zijn, en veel nauwer verbonden met het beste en edelste deel van zijn organisme, dan het geval is bij de dieren in het algemeen. Voor het dier bestaat er geen sexueele begeerte behalve als ze in het leven geroepen wordt door de voorwaarden, die behooren tot de voortplantings-noodzakelijkheden. Het is geheel anders bij den mensch, voor wien, zelfs als de kwestie van de voortplanting geheel uitgesloten is, sexueele liefde toch een voortdurende behoefte is, en zelfs een voorwaarde voor de mooiste geestelijke ontwikkeling. Daarom heeft de Katholieke kerk, terwijl ze met bewondering een zelfbeheersching in het huwelijk beschouwde, die sexueele verhoudingen uitsloot behalve voor het doel van de voortplanting, den heiligen Augustinus gevolgd in zoover ze omgang, afgezien van de voortplanting met groote toegevendheid behandelde, en dan als een vergeeflijke zonde. Hier was de kerk echter geneigd de grens te stellen, en het schijnt wel, dat in 1679 Innocentius XI het voorstel verwierp, waarbij de "huwelijksdaad, gedaan alleen voor pleizier, uitgesloten wordt zelfs van de vergeeflijke zonde".

Protestantsche theologen zijn geneigd geweest verder te gaan, en daarbij vonden zij eenige autoriteit zelfs bij de Katholieke schrijvers. Johannes à Lasco, de Katholieke bisschop, die protestant werd en zich tijdens de regeering van Edward VI in Engeland vestigde, volgde menigen middeleeuwschen theoloog, toen hij het sacramentum solationis erkende, naast de proles, als een element van het huwelijk. Cranmer zeide, in zijn huwelijksdienst van 1549, dat "wederkeerige hulp en steun", zoowel als de voortplanting het doel van het huwelijk vormen. (Wickham Legg, Ecclesiological Essays, p. 204; Howard, Matrimonial Institutions, deel I, p. 398). Moderne theologen spreken nog duidelijker. "De sexueele daad", zegt Northcote (Christianity and Sex-Problems, p. 59), "is een daad van liefde. Behoorlijk geregeld, leidt zij tot de zedelijke welvaart van het individu en bevordert zijn capaciteit als lid van de maatschappij. De daad zelf, en de daarmee verbonden gemoedsbewegingen brengen het psychische leven machtig in beweging". In een vroeger tijd heeft ook Schleiermacher, in zijn Brieven over Lucinde, gewezen op de groote beteekenis van de liefde voor de ontwikkeling van het individu.

Edward Carpenter merkt naar waarheid op, in Love's Coming of Age, dat de sexueele liefde niet alleen physiek tot scheppen noodig is, maar ook psychisch. Ook Bloch komt (The Sexual Life of Our Time, hoofdst. VI) tot het besluit, dat "liefde en de sexueele omhelzing niet alleen hun doel hebben in de voortplanting, maar dat zij noodzakelijk een doel op zichzelf vormen en noodig zijn voor het leven, de ontwikkeling, en den innerlijken groei van het individu zelf".

Er wordt door sommigen, die toegeven, dat wederzijdsche liefde een grondvoorwaarde is voor het huwelijk, beweerd, dat zulke liefde, als ze eens bij het begin erkend is, voor uitgemaakt kan gehouden worden, en dat er geen verdere bespreking over noodig is; er is, naar zij meenen, geen kunst van liefhebben, die geleerd of onderwezen kan worden; ze komt van nature. Niets kan verder van de waarheid af zijn, vooral wat den beschaafden mensch aangaat. Zelfs de elementaire daad van den coïtus moet aangeleerd worden. Niemand zou een strenger puriteinsch gezichtspunt over sexueele zaken hebben kunnen aannemen dan Sir James Paget, en toch verklaarde Paget (in zijn lezing over "Sexual Hypochondriasis"), dat "Onwetendheid over sexueele zaken een groote eigenaardigheid schijnt te zijn van het meer beschaafde deel van het menschelijk ras. Onder ons gezegd, het is zeker, dat de methode van het paren geleerd moet worden, en dat zij, aan wie het nooit geleerd wordt, er onwetend in blijven". Gaillard merkt dan eveneens op (in zijn Clinique des Maladies des Femmes), dat jonge menschen, evenals Daphnis in de idylle van Longus, een mooi Lycenion noodig hebben om ze praktisch zoowel als theoretisch in deze zaken een goede opvoeding te geven, en hij meent, dat moeders haar dochters bij het huwelijk moesten inlichten en vaders hun zoons. Philosophen hebben van tijd tot tijd den ernst van deze kwesties erkend en hebben er over gediscussieerd; zoo besprak Epicurus, zooals Plutarchus ons vertelt [371], met zijn leerlingen verschillende sexueele zaken, zoo als de juiste tijd voor den coïtus; maar toen waren er evenals nu obscuranten, die zelfs de centrale feiten van het leven wilden overlaten aan het toeval en aan de onwetendheid, en deze waren ontevreden op de philosophen.

Er is echter in deze zaken veel meer te leeren dan de enkele elementaire feiten van het sexueele verkeer. De kunst van liefhebben sluit zulke grondfeiten van de sexueele hygiëne zeer zeker in zich, maar ze omvat ook de geheele erotische discipline van het huwelijk, en dat is de reden, waarom de beteekenis ervan zoo groot is, voor het welzijn en het geluk van het individu, voor de bestendigheid van sexueele vereenigingen, en indirect voor het ras, daar de liefdekunst ten slotte de kunst is van het verkrijgen van de juiste voorwaarden voor de voortplanting.

"Het schijnt zeer waarschijnlijk", schreef Prof. E. D. Cope [372], "dat, als het belang van dit onderwerp goed begrepen werd, en het, wat zijn praktischen kant betreft, deel kon worden van een geschreven maatschappelijke wetenschap, dan het monogamische huwelijk een veel grooter succes zou hebben dan dikwijls in het werkelijke leven gevonden wordt". Er kan niet de minste twijfel aan bestaan, dat dit het geval is. In de groote meerderheid van huwelijken hangt het succes uitsluitend af van de bekendheid met de kunst van liefhebben van de twee personen, die het aangaan. Een levenslange monogamische vereeniging kan wel blijven bestaan bij afwezigheid van de geringste aangeboren of verkregen kunst van liefhebben, uit godsdienstige onderwerping of zuivere domheid. Maar die houding begint nu minder gewoon te worden. Naar we in het vorige hoofdstuk gezien hebben, beginnen echtscheidingen meer voor te komen en gemakkelijker te verkrijgen te zijn in alle beschaafde landen. Dit is een neiging van de beschaving; het is een resultaat van den eisch, dat het huwelijk een werkelijke verhouding moet zijn, en dat, als het ophoudt werkelijk te zijn als verhouding, het dan ook moet ophouden als vorm te bestaan. Dat is een onvermijdelijke neiging, die besloten ligt in onze aangroeiende democratie, want de democratie schijnt meer te geven om werkelijkheden dan om vormen, hoe eerbiedwaardig ze ook mogen zijn. We kunnen er niet tegen strijden; en we moeten er ook niet tegen strijden, al konden we het.

Maar toch, terwijl we verplicht zijn de neiging tot echtscheiding te ondersteunen, en er op aan te dringen, dat voor een geldig huwelijk de wil noodig is van twee personen om het in stand te houden, is het toch voor ieder moeilijk om te beweren, dat echtscheiding op zich zelf wenschelijk is. Het is altijd de erkenning van een mislukking. Twee personen, die, als zij ook maar in de geringste mate bewogen zijn geweest door den normalen en regelmatigen impuls van de sexueele keuze, elkander als beminnelijk beschouwden, zijn, aan den eenen kant, of aan den anderen kant, of aan beide kanten, gebleken niet beminnelijk te zijn. Er is een mislukking geweest in de fundamenteele liefdekunst. Als we een tegenwicht moeten vormen tegen het gemak van de echtscheiding, dan is onze eenige gezonde wijze van handelen de standvastigheid van het huwelijk en dat is alleen mogelijk door het aankweeken van de kunst van liefhebben, de voornaamste grondslag van het huwelijk.