De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 61

Chapter 613,506 wordsPublic domain

De meeste pogingen of voorstellen tot regeling der rechten van onwettige kinderen hebben betrekking op het wettigen van vereenigingen van een minder bindenden graad dan het tegenwoordige wettige huwelijk. Zulke vereenigingen zouden dan moeten dienen om andere verkeerdheden tegen te gaan. Zoo zegt een Engelsch schrijver, die veel studie gemaakt heeft van sexueele kwesties, in een particulieren brief: "Het beste geneesmiddel voor de losbandigheid van ongetrouwde mannen en de geestelijke en lichamelijke ellenden van onthouding bij vrouwen zou te vinden zijn in een erkend fatsoenlijk systeem van vrije vereenigingen en proefhuwelijken, waarbij omgang met preventieve middelen in praktijk gebracht wordt, totdat het paar oud genoeg is om ouders te worden, en totdat zij voldoende middelen bezitten om een familie te onderhouden. Het vooruitzicht van een bestaan zonder liefde is voor jonge mannen en vrouwen van een vurigen aard ondragelijk en even verschrikkelijk als het vooruitzicht van pijnlijke ziekte en dood. Maar ik denk, dat de oude orde van zaken binnen kort zal moeten veranderen".

In de Teutonische landen bestaat er een duidelijk te onderscheiden gevoelsstrooming in de richting van het instellen van wettige vereenigingen van een lagere soort dan het huwelijk. Zij bestaan in Zweden, evenals in Noorwegen, waar bij een onlangs uitgevaardigde wet het onwettige kind aanspraak heeft op dezelfde rechten met betrekking tot beide ouders als het wettige kind, den naam van den vader draagt, en zijn bezittingen erft (Die Neue Generation, Juli, 1901, p. 303). In Frankrijk heeft de bekende rechter Magnard, die zoo eervol bekend is door zijn houding in gevallen van kindermoord door jonge moeders, gezegd: "Ik wilde van ganscher harte, dat naast de instelling van het huwelijk zooals het nu bestaat, een vrije vereeniging bestond, gevormd door een enkele verklaring voor een overheidspersoon en die bijna dezelfde familierechten gaf als het gewone huwelijk". Deze wensch heeft in ruimen kring weerklank gevonden.

In China worden, hoewel polygamie in de strikte beteekenis niet kan gezegd worden te bestaan, de belangen van het kind, de vrouw en de staat gelijkelijk beschermd door den man in staat te stellen een soort bij-huwelijk aan te gaan met de moeder van zijn kind. "Dank zij dit systeem", zegt Paul d'Enjoy (La Revue, Sept. 1905), "dat den man toestaat te trouwen met de vrouw, die hij wenscht, zonder daarin verhinderd te worden door vorige en niet verbroken vereenigingen, is het te begrijpen, dat we opmerken, dat er geen verleide en verlaten meisjes zijn, behalve zulke, die geen wet zou kunnen redden van wat werkelijk aangeboren verdorvenheid is; en dat er geen onwettige kinderen zijn, behalve zulke, wier moeders ongelukkigerwijze dichter bij de dieren staan door haar zinnen, dan bij menschelijke wezens, door haar verstand en waardigheid".

Het nieuwe wetboek van Japan, dat in vele opzichten zoo vooruitstrevend is, staat toe, dat een onwettig kind "erkend" zal worden door het aangeven bij den ambtenaar van den burgerlijken stand; als een getrouwd man zoo'n kind erkent, dan schijnt het, dat het kind door zijn vrouw als haar eigen kan aangenomen worden, hoewel het niet werkelijk gewettigd is. Deze stand van zaken vertegenwoordigt een overgangsstadium; het kan nauwelijks gezegd worden, dat het de rechten erkent van de moeder van het "erkende" kind. Japan, mogen we hier aan toevoegen, heeft het principe aangenomen van de automatische wettiging door het huwelijk, van de kinderen die aan het paar geboren zijn vóór het huwelijk.

In Australië, waar vrouwen een grooter aandeel hebben in het maken en uitvoeren van de wetten dan elders, begint men eenige belangstelling te wijden aan de rechten van onwettige kinderen. Zoo kan in Zuid-Wales het vaderschap bewezen worden vòòr de geboorte, en de vader zorgt (op bevel van de overheid) voor huisvesting een maand vòor en een maand nà de geboorte, zoowel als voor de baker, den dokter, en voor kleeding, en stelt een borg, dat hij zijn verplichtingen zal nakomen; na de geboorte betaalt hij, na uitspraak van de overheidspersoon een wekelijksche som voor het onderhoud van het kind. Een "ongehuwde" moeder kan ook zes maanden lang in een openbare instelling op staatskosten onderhouden worden, om haar in staat te stellen zich aan haar kind te hechten.

Zulke bepalingen hebben zich ontwikkeld uit het in ruimen kring erkende recht van de ongetrouwde vrouw om ondersteuning voor haar kind te eischen van zijn vader. In Frankrijk echter, en in de wetboeken, die het Fransche voorbeeld volgen, is het wettelijk niet geoorloofd navraag te doen naar het vaderschap van een onwettig kind. Het is onnoodig te zeggen, dat zulk een wet even onbillijk is tegenover de moeder, als tegenover het kind, als tegenover den staat. In Australië gaat de wet naar het tegenovergestelde, zeker redelijker uiterste en staat zelfs aan de moeder, die meerdere minnaars gehad heeft, toe, zelf uit te kiezen, wien ze verantwoordelijk wil stellen voor haar kind. Het Duitsche wetboek kiest den middenweg, en komt alleen aan die ongetrouwde moeder te hulp, die één minnaar heeft gehad. In al zulke gevallen echter is de hulp, die gegeven wordt, alleen geldelijk; ze verzekert de moeder geen erkenning of respect, en (naar Wahrmund naar waarheid gezegd heeft in zijn Ehe und Eherecht) is het nòg noodig aan te dringen op de "onvoorwaardelijke heiligheid van het moederschap, dat, onder welke omstandigheden het ook voorkomt, aanspraak heeft op respect en bescherming van de maatschappij".

We moeten hieraan toevoegen, dat, uit maatschappelijk gezichtspunt, het niet de sexueele vereeniging is, die wettelijke erkenning behoeft, maar het kind, dat het product is van die vereeniging. Het zou bovendien een hopelooze zaak zijn te trachten alle sexueele verhoudingen te wettigen, maar het is betrekkelijk gemakkelijk alle kinderen te erkennen.

Er is in vroeger tijd veel geredetwist over den specialen vorm, dien het huwelijk behoorde aan te nemen. Vele theoretici hebben hun vernuft ingespannen voor het uitvinden en prediken van nieuwe en ongewone huwelijksschikkingen, als panacee voor maatschappelijke nooden; terwijl anderen nog grootere energie hebben ten toon gespreid bij het bestrijden van zulke voorstellen als revolutionair. We mogen al zulke besprekingen, van beide zijden, als nutteloos beschouwen.

In de eerste plaats zijn de huwelijksgewoonten veel te fundamenteel, veel te intiem ingeweven met het wezen van het menschelijk, ja van het dierlijk samenleven, om ook maar in de geringste mate geschokt te worden door de theorieën of de praktijken van enkele individuen of groepen van individuen. De monogamie--de min of meer langdurende cohabitatie van twee individuen van verschillend geslacht--is het overheerschend type geweest van de sexueele verhouding onder de hoogere werveldieren en wel het grootste gedeelte van de geschiedenis der menschheid door. Dit wordt zelfs toegegeven door hen, die meenen (zonder eenig redelijk bewijs), dat de mensch door een stadium gegaan is van sexueele promiscuïteit. Er zijn neigingen geweest tot varieeren in beide richtingen, maar in het hoogste zoowel als in het laagste stadium is, voor zoover we zien kunnen, de monogamie de heerschende regel.

Het moet ook in de tweede plaats gezegd worden, dat het natuurlijk overheerschen van de monogamie als normaal type van sexueele verhouding, geenszins variaties uitsluit. Veeleer laat ze die toe. "Er is niets precies in de Natuur", zooals Diderot zegt. De lijn van de Natuur is een kromme, die slingert naar beide zijden van den norm. Zulke slingeringen komen onvermijdelijk voor in harmonie met veranderingen van de omgeving, en, ongetwijfeld, met eigenaardigheden van persoonlijke dispositie. Zoolang geen willekeurige en enkel uiterlijke poging wordt gedaan om de Natuur te dwingen, wordt de harmonie des levens in stand gehouden. Bij zekere soort van eenden worden, als er mannetjes te veel zijn, polyandrische families gevormd, en dan zorgen de twee mannetjes zonder jaloezie voor hun vrouwtje, maar als de geslachten weer gelijk in aantal worden, wordt de monogame orde weer ingesteld. De natuurlijke menschelijke afwijkingen van de monogamische orde schijnen over het algemeen van dezen aard te zijn en ze schijnen in hooge mate beïnvloed te worden door de maatschappelijke en economische omgeving. De meest gewone variatie en degene, die het duidelijkst een biologischen grondslag heeft, is de neiging tot polygynie, die in alle stadiën van de beschaving gevonden wordt, zelfs in een niet erkenden en min of meer gemengden vorm in de hoogste beschaving [367]. We moeten echter niet vergeten, dat erkende polygynie geen regel is, zelfs niet, waar ze overheerschend is; ze wordt alleen maar toegestaan; er is nooit zoo'n overvloed van vrouwen, dat meer dan enkele van de rijkere en meer invloedrijke personen meer dan één vrouw kunnen hebben [368].

Verder moet men in gedachte houden, dat een zekere elasticiteit van de formeele zijde van het huwelijk, terwijl ze aan den eenen kant variaties toelaat van de algemeene monogamische orde, waar die gezond zijn of noodig om het evenwicht in natuurlijke toestanden te herstellen, aan den anderen kant zulke variaties in zooverre binnen de perken houdt, als zij berusten op den storenden invloed van kunstmatige beperking. Veel van de polygynie, en van de polyandrie ook, die tegenwoordig onder ons heerscht, is een geheel kunstmatige en onnatuurlijke vorm van polygamie. Huwelijken, die op een meer natuurlijke basis zouden ontbonden worden, kunnen wettelijk niet ontbonden worden, en daarom nemen de betrokken partijen, in plaats van van deelgenoot te veranderen en zoo de natuurlijke monogamische orde te bewaren, er andere deelgenooten bij en voeren zoo een onnatuurlijke polygamie in. Er zullen altijd variaties zijn van de monogame orde en de beschaving staat tegenover sexueele variaties geenszins vijandig. Of we deze verhoudingen beschouwen als wettig of als onwettig, ze zullen er altijd zijn; daar kunnen we zeker van zijn. De maatschappelijke wijsheid schijnt aan den eenen kant de huwelijksverhouding buigzaam genoeg te zullen maken om deze afwijkingen tot een minimum terug te brengen--niet omdat zulke afwijkingen uit hun aard slecht zijn, maar omdat ze niet met geweld in het leven moesten geroepen worden--en aan den anderen kant aan deze afwijkingen, als zij voorkomen in zoodanige mate erkenning te zullen verschaffen, dat ze hun nadeeligen invloed verliezen en te zorgen, dat er rechtvaardigheid beoefend wordt jegens alle betrokken partijen. Wij vergeten maar al te dikwijls, dat het feit dat wij zulke variaties niet willen erkennen, alleen maar beteekent, dat wij in zulke gevallen een onwettige permissie geven om onrechtvaardigheid te bedrijven. In die deelen van de wereld, waar polygynie erkend wordt als een gepermitteerde variatie, is een man wettelijk gehouden aan zijn natuurlijke verplichtingen jegens al zijn sexueele deelgenooten en jegens de kinderen, die hij bij die deelgenooten heeft. In geen deel van de wereld is de polygynie zoo overheerschend als in de Christelijke landen; in geen deel van de wereld is het zoo gemakkelijk voor een man om te ontsnappen aan de verplichtingen, die hij zich door de polygynie op den hals gehaald heeft. En doordat we een man in staat stellen, zoo gemakkelijk te ontsnappen aan de verplichtingen van zijn polygame verhoudingen, moedigen wij hem, als hij gewetenloos is, aan, om ze aan te gaan; wij stellen een premie op de immoraliteit, die we uit de hoogte veroordeelen [369]. Onze polygynie bestaat niet wettelijk, en daarom kunnen de verplichtingen ervan ook geen wettig bestaan hebben. Men zegt, dat de struisvogel zijn hoofd in het zand steekt om moeilijkheden te ontloopen door te weigeren er naar te kijken; maar er is nog een bekend dier, dat zoo doet, en het heet Mensch.

Monogamie, in de fundamenteele biologische beteekenis, is de natuurlijke orde, waartoe de meerderheid van de sexueele feiten altijd van nature zal vervallen, omdat ze de verhouding is, die het meest gepast overeenkomt met alle physieke en geestelijke feiten, die er bij behooren. Maar als we ons voor oogen stellen, dat sexueele verhoudingen in de eerste plaats de menschen aangaan, die er bij betrokken zijn, en als we verder weten, dat het belang van de maatschappij in zulke verhoudingen beperkt is tot de kinderen, die zij voortbrengen, dan zullen we ook weten, dat het vaststellen bij de wet van het aantal vrouwen, met wie een man sexueele gemeenschap zal hebben, en het aantal mannen, waarmee een vrouw zich zal vereenigen onredelijker is dan het zou zijn om bij de wet vast te stellen hoeveel kinderen zij zullen voortbrengen. De Staat heeft het recht om te zeggen, of hij weinig burgers noodig heeft of veel; maar als hij tracht het aantal sexueele verhoudingen van zijn leden te regelen, dan beproeft de Staat een onmogelijke taak en maakt zich tevens schuldig aan een onbeschaamdheid.

Er is altijd in zekere stadiën van de beschaving een neiging om aan te dringen op een zuiver formeele en uiterlijke eenvormigheid, en een daarmee overeenkomend onvermogen om te zien, niet alleen dat zulk een eenvormigheid onwerkelijk is, maar dat ze ook een nadeelige uitwerking heeft, in zooverre ze weldadige variaties uitsluit. De neiging is geenszins beperkt tot de sexueele sfeer. In Engeland is er bij voorbeeld een neiging om bouwwetten te maken, die wat de huizen betreft, allerlei bepalingen opleggen, die in theorie weldadig zijn, maar die in de praktijk verkeerde uitwerking hebben, omdat zij vele eenvoudige en uitstekende menschelijke woonplaatsen absoluut onwettig maken, alleen omdat zulke woonplaatsen niet beantwoorden aan bepalingen, die, onder sommige omstandigheden niet alleen onnoodig zijn, maar kwaad stichten.

Variatie is een feit, dat zal bestaan of wij het willen of niet; ze kan alleen gezond worden als we ze erkennen en toestaan. Misschien moeten we zelfs wel erkennen, dat het een duidelijker sprekende neiging is in de beschaving dan in meer primitieve maatschappelijke stadiën. Zoo zegt Gerson (Sexual-Probleme, Sept., 1908, p. 538), dat, evenals de beschaafde mensch niet tevreden kan zijn met het ruwe en eentonige voedsel, waar de boer tevreden mee is, het in sexueele zaken evenzoo gaat; de boerenjongen en het boerenmeisje zijn in hun sexueele verhoudingen bijna altijd monogaam, maar beschaafde menschen, met hun meer veelzijdige gevoelige smaak, hebben neiging om naar verandering te snakken. Senancour (De l'Amour, deel II, "Du Partage", p. 127) schijnt de mogelijkheid aan te nemen van huwelijks-variaties, zooals van het samen deelen van een vrouw, mits er niets gedaan wordt om naijver op te wekken, of om nadeel toe te brengen aan de reinheid der ziel. Lecky verklaarde aan het eind van zijn History of European Morals, dat hij geloofde, dat, terwijl de duurzame vereeniging van twee personen het normale en overheerschende type is van het huwelijk, er geenszins uit volgt, dat dit, in het belang der maatschappij, de eenige vorm zou zijn. Evenzoo zegt Remy de Goncourt (Physique de l'Amour, p. 186), die toch constateert, dat het paar de natuurlijke huwelijksvorm is en de duurzame verlenging ervan een voorwaarde van menschelijke superioriteit, dat de duurzaamheid van de vereeniging slechts met moeite kan worden tot stand gebracht. Zoo zegt ook Prof. W. Thomas (Sex and Society, 1907, p. 193), die de monogamie beschouwt als dienstbaar aan maatschappelijke doeleinden: "Van het biologisch standpunt gesproken beantwoordt de monogamie in den regel niet aan de voorwaarden van de hoogste prikkeling, omdat hier de problematische en bedriegelijke elementen tot zekere hoogte verdwijnen, en het voorwerp van de belangstelling zoo gewoon is geworden voor het bewustzijn, dat gevoelsreacties gewijzigd worden. Dit is de oorspronkelijke verklaring van het feit, dat getrouwde mannen en vrouwen zoo dikwijls belangstelling gaan voelen voor anderen dan hun deelgenooten in het huwelijk".

Pepys, wiens onbewuste zelf-analyse zoo vele psychologische neigingen uitmuntend illustreert, toont duidelijk aan hoe--door een gevoelslogica, dieper dan eenige intellectueele logica--de toewijding aan de monogamie bestaat naast een onweerstaanbaren hartstocht voor sexueele verandering. Met een voortdurend terugkomende grillige aantrekking tot een lange reeks van vrouwen, behoudt hij doorloopend een diepe en onveranderlijke genegenheid voor zijn beminnelijke jonge vrouw. In de intimiteit van zijn Diary verwijst hij dikwijls naar haar in woorden, die niet geveinsd kunnen zijn; hij geniet van haar gezelschap; hij is zeer precies op haar kleeding; hij verheugt zich zeer in haar vorderingen in de muziek, en besteedt veel geld aan haar opvoeding; hij is bepaald jaloersch als hij haar in gezelschap vindt van een man. Zijn bijkomende verhoudingen met andere vrouwen komen onweerstaanbaar weer voor, maar hij wenscht ze in het geheel niet van langen duur te maken of toe te staan, dat ze hem te zeer in beslag nemen. Pepys vertegenwoordigt een gewoon type van den beschaafden "monogamist", die volkomen oprecht is en ten zeerste overtuigd in zijn pleidooi voor de monogamie, zooals hij ze begrijpt, maar die toch tevens gelooft en ook handelt naar het geloof, dat de monogamie geenszins de behoefte aan sexueele variatie uitsluit. Het gezegde van Lord Morley (Diderot, deel II, p. 20), dat "de man van instinct polygaam is", kan in zijn geheel niet aangenomen worden, maar als wij het zoo uitleggen, dat het beteekent, dat de man een instinctief monogaam dier is met een bijkomenden wensch naar sexueele variatie, dan is er veel ten gunste daarvan te zeggen.

Vrouwen moeten even vrij zijn als mannen om haar eigen liefdeleven te vormen. Velen meenen echter, dat zulk een vrijheid van de zijde der vrouwen uitgeoefend zal of moest worden binnen nauwer grenzen (zie b.v., Bloch, Sexual Life of Our Time, hoofdst. X). Voor een deel meent men, dat deze beperking berust op een grooter geabsorbeerd zijn van de vrouw in de taak van de geboorte en de opvoeding van de kinderen, en voor een deel aan een geringeren omvang van psychische activiteit. "Een man", zegt G. Hirth, (Wege zur Liebe, p. 342), "heeft niet alleen in zijn intellectueele horizon plaats voor zeer verschillende belangen, maar zijn macht van erotische uitzetting is veel grooter en meer onderscheiden dan die van vrouwen, hoewel hij misschien niet de intimiteit en de diepte van de toewijding van een vrouw heeft". We mogen wel zeggen, dat, daar variaties in de sexueele orde onvermijdelijk zullen plaats vinden hetzij we ze erkennen en er gezag aan toekennen of niet, er waarschijnlijk geen schade gedaan wordt als we het gewicht van maatschappelijk en wettig gezag gebruiken aan den kant, die gewoonlijk beschouwd wordt als de beste, en, voor zoover als mogelijk is den anderen kant met schande bedekken. Er zijn vele duidelijk in het oog springende fouten in zulk een houding, afgezien van het in de hoogste mate belangrijke feit, dat het hechten van schande aan sexueele verhoudingen een verachtelijke wreedheid is tegenover de vrouwen, die onvermijdelijk degenen zijn, die er het meest onder lijden. Niet het minst van belang is de onrechtvaardigheid en het belemmeren van levensenergie, die het aan de betere en meer nauwgezette menschen bezorgt ten gunste van de minder goede en minder nauwgezette. Dit gebeurt altijd als het gezag zijn macht uitoefent ten voordeele van een vorm. Toen in de dertiende eeuw Alexander III--een van de grootste en machtigste heerschers, ten tijde van het Christendom geconsulteerd werd door den bisschop van Exeter over ondergeschikte geestelijken, die trouwden ondanks 't verbod van de kerk, raadde de paus hem, onderzoek te doen naar het leven en het karakter van de overtreders; als zij geregelde gewoonten hadden en een ernstigen moraal, dan moesten ze met geweld gescheiden worden en hun vrouwen moesten weggejaagd worden; als zij mannen waren van bekend onordelijken aard, dan moest hun toegestaan worden hun vrouwen bij zich te houden, als ze dat wenschten (Lea, History of Sacerdotal Celibacy, derde uitgave, deel I, p. 396). Het was een slimme politiek, en ze werd ook elders door denzelfden paus gevolgd, maar het is gemakkelijk te zien, dat ze indruischt tegen de moraal in iedere beteekenis van het woord. Ze verwoestte het geluk en de werkkracht van de beste mannen; ze liet de slechtste mannen volkomen vrij. Nu zijn we volkomen bereid om de verkeerde resultaten van deze politiek te erkennen; ze werd aanbevolen door een paus en zeven honderd jaar geleden ten uitvoer gebracht. Toch brengen we in Engeland tegenwoordig precies dezelfde politiek in praktijk door middel van onze echtscheidingsbepalingen, die in ruimen kring worden rondgestrooid. Geen van de paren, die gescheiden zijn--en die nooit op het coelibaat getraind zijn als de Katholieke geestelijkheid van tegenwoordig--mag weer trouwen; in werkelijkheid bevelen we de meer nauwgezette onder hen om celibatairs te worden, en aan de minder nauwgezette geven wij de permissie om te doen wat ze willen. Dit proces wordt uitgevoerd ten gevolge van de traagheid van de gemeenschap in het algemeen, en als het ooit gebeurt, dat er argumenten voor aangehaald worden, dan zijn die van een zoo verouderden aard, dat ze alleen maar een medelijdenden glimlach kunnen te voorschijn roepen.

We mogen hier aan toevoegen, dat er nog een reden is, waarom het brandmerken van sexueele variaties van den norm als "immoreel" niet zoo onschuldig is als sommigen het doen voorkomen: zulke variaties schijnen niet ongewoon te zijn onder mannen en vrouwen van uitmuntende bekwaamheid, wier krachten onbelemmerd noodig zijn in den dienst van de menschheid. Te pogen zulke menschen te doen passen in de nauwe vormen, die goed zijn voor de meerderheid, is niet alleen een onrechtvaardigheid jegens hen als individuen, maar het is een vergrijp jegens de maatschappij, die redelijkerwijze mag eischen dat haar beste leden niet zullen belemmerd worden in haar dienst. Het denkbeeld, dat de mensch, wiens sexueele behoeften verschillend zijn van die van het gemiddelde, noodzakelijkerwijze een maatschappelijk slecht persoon moet zijn, is een denkbeeld, dat niet op feiten berust. Ieder geval moet op zichzelf beschouwd worden.