De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 60

Chapter 603,558 wordsPublic domain

Als we van het standpunt, dat we nu bereikt hebben, terugzien op de echtscheidingskwestie, dan zien we, naarmate de moderne wijzen van beschouwing van de moderne huwelijksverhoudingen duidelijker door de gemeenschap beginnen erkend te worden, dat die kwestie enorm vereenvoudigd zal worden. Als het huwelijk niet enkel een contract is, maar een wijze van zich gedragen, en zelfs een heilige daad, is het vrije deelnemen van beide partijen noodig om het in stand te houden. Het denkbeeld in te voeren van misdaad en straf bij de echtscheiding, het aanmoedigen van wederzijdsche beschuldigingen, het aan de wereld openbaren van de geheimen van het hart of van de zinnen, is niet alleen immoreel, het is ten eenenmale misplaatst. In de kwestie: wanneer een huwelijk opgehouden heeft een huwelijk te zijn, kunnen de twee betrokken partijen alleen de opperste rechters zijn; de Staat, als de Staat er bij geroepen wordt, kan alleen de uitspraak opteekenen, die zij doen, en kan er alleen op letten, dat er geen onrechtvaardigheid geschiedt bij het ten uitvoer brengen van de uitspraak [360].

Toen we in het vorige hoofdstuk de richting bespraken, waarin de sexueele moraal neiging heeft zich te ontwikkelen met de ontwikkeling van de beschaving, kwamen we tot de conclusie, dat ze in haar hoofdlijnen vooral persoonlijke verantwoordelijkheid in zich sloot. Een verhouding, die onder natuurvolken vastgelegd is door een maatschappelijke gewoonte, die niemand durft te breken, en op een hooger trap van beschaving door vormelijke wetten, die naar de letter moeten opgevolgd worden, zelfs als ze gebroken worden naar den geest, wordt langzamerhand overgebracht in de sfeer van individueele moreele verantwoordelijkheid. Zulk een overdracht heeft natuurlijk geen beteekenis, en is zelfs onmogelijk, tenzij de toenemende kracht van den moreelen band vergezeld gaat van een toenemende kracht van den vormelijken band. Alleen door het losser maken van de kunstmatige beperkingen kunnen de natuurlijke beperkingen hun volle heerschappij uitoefenen. Dat proces heeft plaats op twee wijzen, voor een deel op een basis van onverschilligheid voor het vormelijke huwelijk, die de massa overal gekenmerkt heeft en ongetwijfeld teruggaat tot de tiende eeuw voordat de overheersching van het kerkelijke huwelijk begon, en voor een deel door de vooruitgaande wijziging van de huwelijkswetten, die noodzakelijk gemaakt werden door de behoeften van de bezittende klassen, die er op uit waren de staatserkenning van hun vereenigingen te verzekeren. Het geheele proces is noodzakelijk een geleidelijk en zelfs onmerkbaar proces. Het is niet mogelijk de bepaalde data vast te stellen van de stadiën, waarlangs de Kerk de enorme revolutie bewerkte, waardoor zij verkreeg en eindelijk aan den Staat overdroeg de volkomen contrôle op het huwelijk, want die revolutie werd bewerkt zonder inmenging van eenige wet. Het zal even moeilijk zijn het overgaan te bemerken van de contrôle op het huwelijk van den Staat op de betrokken individuen, en nog des te moeilijker omdat, hoewel het essentieele en intieme persoonlijke feit van het huwelijk niet een eigenlijke zaak is voor contrôle van den Staat, er toch bepaalde kanten zijn aan het huwelijk, die zoo nauw de belangen van de gemeenschap raken, dat de Staat verplicht is er op aan te dringen, dat ze opgeschreven worden en om aandeel te nemen in de regeling ervan.

Er wordt soms gezegd, dat het resultaat van het losser maken van de vormelijke gebondenheid van de huwelijksverhouding zou zijn een neiging tot moreele laksheid. Zij, die dit zeggen, zien het feit over het hoofd, dat laksheid neiging heeft haar maximum te bereiken als resultaat van gebondenheid, en dat daar, waar de strenge enkel uiterlijke autoriteit van een star huwelijk overheerschend is, de uitersten van ongebondenheid het meest bloeien. Het is, om dezelfde reden, ook ontwijfelbaar waar, dat ieder plotseling wegnemen van beperkingen noodzakelijk een reactie met zich brengt naar het tegenovergesteld uiterste van losbandigheid; een slaaf wordt niet ineens veranderd in een zelfstandigen vrije. Toch moeten we ons herinneren, dat de huwelijksorde bestond duizende jaren voordat er eenige poging gedaan werd om ze door menschelijke wetgeving in willekeurige vormen te kneden. Zulk een wetgeving was, naar we gezien hebben, de poging van den menschelijken geest om de eischen van zijn eigen instincten met meer nadruk te bevestigen. Maar het eindresultaat ervan is, dat ze de instincten, die ze geïnspireerd hebben, eerder verstikt en tegenhoudt dan dat zij ze bevordert. Het geleidelijk verdwijnen ervan geeft aan de natuurlijke orde vrij baan [361].

De groote waarheid, dat dwang niet werkelijk een kracht is aan den kant van de deugd, maar aan den kant van de ondeugd, is duidelijk erkend geworden door het genie van Rabelais, toen hij van zijn idealen maatschappelijken staat, de Abdij van Thelema, zeide, dat er maar één paragraaf was in het geheele reglement: Fay ce que vouldras. "Omdat" zeide Rabelais (Boek I, hoofdst. VII), "vrije menschen, die van goede geboorte en wel opgevoed zijn, en die zich in goede gezelschappen bewegen, van nature een instinct hebben en een drang, die hen tot deugdzame daden dwingt en hen van de ondeugd terughoudt. Indien deze zelfde menschen door lage onderwerping en dwang ten onder gebracht zijn en ten onder gehouden worden, dan keeren zij zich af van die edele gezindheid, waarin ze vrijwillig geneigd waren tot de deugd, om dien band der dienstbaarheid af te schudden en te verbreken". Zoo dat, als een man en vrouw, die onder den regel van Thelema geleefd hadden, elkander huwden, hun wederzijdsche liefde, naar Rabelais ons vertelt, onverminderd voort zou duren tot den dag van hun dood.

Als het verlies van autonome vrijheid niet leidt tot losbandigen opstand, loopt ze het tegenovergestelde gevaar en heeft neiging om te worden een zwak zich verlaten op een uiterlijken steun. De kunstmatige steun van de regeling van het huwelijk van Staatswege gelijkt dan op den kunstmatigen steun van het lichaam, die geleverd wordt door het dragen van het corset. De redenen voor en tegen het aannemen van een kunstmatigen steun zijn in beide gevallen dezelfde. Een corset geeft werkelijk een gevoel van steun; het geeft zonder moeite een tamelijk bevredigend uiterlijk van fatsoen; het is een werkelijke bescherming tegen ongevallen. Maar de prijs, ten koste waarvan het dit voordeel geeft, is groot, en de voordeelen zelf bestaan alleen maar onder onnatuurlijke omstandigheden. Het corset belemmert den vorm en de gezonde ontwikkeling van de organen; het verzwakt het stelsel der vrije spieren; het is onbestaanbaar met volmaakte gratie en schoonheid; het vermindert de som van de actieve energie, Het oefent, om kort te gaan, dezelfde soort van invloed uit op de physieke verantwoordelijkheid als het vormelijk huwelijk op de moreele verantwoordelijkheid.

Het is maar al te dikwijls vergeten, en moet daarom herhaald worden, dat getrouwde menschen niet te zamen blijven terwille van den een of anderen godsdienstigen of wettelijken band; die band is alleen maar het historisch gevolg van hun natuurlijke neiging om tezamen te blijven, een neiging, die zelf veel ouder is dan de geschiedenis. "De liefde zou nu nog in de wereld bestaan, even rein en even duurzaam", zegt Shufeldt (Medico-Legal Journal, Dec. 1897), "als de mensch nooit het "huwelijk" had uitgevonden. Waarlijk verwante paren zouden elkander trouw gebleven zijn zoo lang het leven duurde. Eerst als de menschen trachten de natuur te verbeteren, treden misdaad, ziekte en ongeluk op". "Het afschaffen van het huwelijk in den vorm, zooals die nu in praktijk gebracht wordt", schreef Godwin meer dan een eeuw geleden (Political Justice, tweede uitgave, 1796, deel I p. 248), "zal met geen nadeelen gepaard gaan. Wij zijn geneigd het ons voor te stellen als de voorbode van brutalen lust en verdorvenheid. Maar het gebeurt in dit geval werkelijk, evenals in andere gevallen, dat de positieve wetten, die gemaakt zijn om onze ondeugden in bedwang te houden, die juist aanwakkeren en vermeerderen". En waar Professor Law aandringt op de kracht van het monogamisch gevoelen in de moderne maatschappij, merkt hij naar waarheid op (International Journal of Ethics, Oct. 1896), dat de opstand tegen strakke huwelijksbanden "in werkelijkheid berust juist op het strakker maken van de ware banden van huwelijksgenegenheid, te zamen met een redelijke en volkomen gepaste vastberadenheid van den kant van het individu om, in een zoo belangrijke zaak, niets minder dan het echte artikel aan te nemen". "Als op eenmaal", zegt Professor Woods Hutchinson (Contemporary Review, Sept. 1905), "alle huwelijksbanden, die nu bestaan, verbroken of voor onwettig verklaard werden, dan zouden acht tiende van alle paren binnen de acht-en-veertig uur hertrouwd zijn, en zeven tiende zouden met bajonetten niet uit elkaar gehouden kunnen worden". Een proef van deze soort op kleine schaal was in 1909 te zien in een Engelsch dorp in Buckinghamshire. Er werd ontdekt dat de kerk van het kerspel nooit vergunning gekregen had voor het sluiten van huwelijken, en dat dus alle menschen, die in die kerk in de laatste halve eeuw getrouwd waren, door geen wettig huwelijk gebonden waren. Toch maakte, voor zoover als men te weten kon komen, geen enkel van de paren, die zoo bevrijd waren van den wettelijken dwang van het huwelijk, gebruik van de verkregen vrijheid. Gezien zulk een feit is het werkelijk onmogelijk eenige moreele waarde te hechten aan den vorm van het huwelijk.

Het is zeker onvermijdelijk, dat in een periode van overgang, de natuurlijke orde tot zekere hoogte verstoord wordt door het blijven bestaan, zij het dan in een verminderden vorm, van uiterlijke banden, waarvan men bewust begint te erkennen, dat ze vijandig zijn aan de gebiedende heerschappij van individueele moreele verantwoordelijkheid. Dit kunnen we tegenwoordig duidelijk opmerken. Een overgevoelige angst om te ontsnappen aan uiterlijken dwang brengt met zich een onderschatten van de beteekenis van persoonlijke beperking in de huwelijksverhouding. Iedereen kent waarschijnlijk wel gevallen, waarin een paar jarenlang te zamen zal leven zonder den wettigen huwelijksband aan te gaan, niettegenstaande moeilijkheden in hun wederzijdsche verhouding, die al lang aanleiding zouden hebben gegeven tot een scheiding van tafel en bed of tot een echtscheiding, als zij wettig getrouwd waren geweest. Als de moeilijkheden, die onafscheidelijk verbonden zijn aan de huwelijksverhouding, gecompliceerd worden door de moeilijkheden, die komen door uiterlijken dwang, dan slaat de ontwikkeling van de moreele verantwoordelijkheid twee wegen in, en voert tot gevolgen, die niet geheel bevredigend zijn. Dit heeft men gezien in de Vereenigde Staten van Amerika en er is door Amerikaansche denkers reeds dikwijls de aandacht op gevestigd. Het is natuurlijk voornamelijk in vrouwen opgemerkt, omdat de nieuwe groei van persoonlijke vrijheid en moreele verantwoordelijkheid zich onder de vrouwen voornamelijk heeft doen gevoelen. Het eerste ontstaan van deze nieuwe impulsen, vooral als ze samengaan, wat zoo dikwijls gebeurt, met onervarenheid en onwetendheid, voert tot ontevredenheid met de natuurlijke orde, tot een eisch van onmogelijke bestaansvoorwaarden, en tot een ongeschiktheid niet alleen voor de willekeurige banden van de wet, maar zelfs voor de gezonde en noodzakelijke banden van het menschelijk maatschappelijk leven. Het is altijd een harde les voor jonge en idealistische menschen, dat wij, om de natuur te beheerschen, haar moeten gehoorzamen; dit kan alleen geleerd worden door aanraking met het leven en door het bereiken van den vollen menschelijken wasdom.

Dr. Felix Adler vestigde (in een toespraak in de Society of Ethical Culture in New-York, Nov. 17, 1889) de aandacht op wat hij beschouwde als de diepst gewortelde oorzaak van een overmatig voorkomen van echtscheiding in Amerika. "Het valsche denkbeeld van individueele vrijheid wordt in Amerika algemeen aangenomen", en als het wordt toegepast op het familieleven, voert het dikwijls tot ongeduld met de plichten, die het individu òf door zijn geboorte heeft gekregen òf vrijwillig op zich heeft genomen. "Ik ben geneigd te gelooven, dat de veelvuldigheid van de echtscheiding in geen geringe mate moet worden toegeschreven aan den invloed van democratische denkbeelden--dat is van valsche democratische denkbeelden--en onze hoop is gevestigd op een hoogere en meer ware democratie". Een latere Amerikaansche auteur, ditmaal een vrouw, Anna A. Rogers ("Why American Marriages Fail", Atlantic Monthly, Sept., 1907) spreekt in denzelfden geest, misschien op minder geschikte wijze. Zij zegt, dat echtscheidingen in Amerika zooveel voorkomen om drie redenen: 1. het niet begrijpen van de vrouw, dat het huwelijk haar werk is in de wereld; 2. haar aangroeiend individualisme; 3. het verlies van de kunst om te geven, die vervangen is door een zeer ontwikkelde neiging om te ontvangen. De Amerikaansche vrouw, zegt deze schrijfster, heeft bij het ontdekken van haar eigen individualiteit nog niet geleerd hoe ze die beheerschen moet; die individualiteit is nog "in hooge mate een nuttelooze, onrustige factor die haarzelf even weinig vrede brengt als de in haar onmiddellijke nabijheid levende personen". Haar omstandigheden hebben neiging van haar te maken "een merkwaardig afwijkende bastaardvorm; een tusschending tusschen een prachtigen, tamelijk ongemanierden jongen en een bedorven veeleischende demi-mondaine, die in deze wereld van niemand oprecht houdt dan van zichzelf alleen". Zij heeft nog niet geleerd, dat het hoogste vrouwenwerk in de wereld alleen bereikt kan worden door het vrijwillig aannemen van de beperkingen van het huwelijk. Dezelfde schrijver voegt er bij, dat de fout niet alleen berust bij de Amerikaansche vrouwen, maar ook bij de Amerikaansche mannen. Hun vergoding van hun vrouwen is grootendeels de oorzaak van die onverdraagzaamheid en zelfzucht, die de oorzaak zijn van zooveel echtscheidingen; "Amerikaansche vrouwen worden, als regel, buitensporig vertroeteld en vereerd". Maar de mannen, die zich hiertoe leenen, voelen niet, dat zij hun vrouwen kunnen behandelen met dezelfde kameraadschappelijkheid, waarmee de Franschen hun vrouwen behandelen, of met hetzelfde vertrouwen haar raad zoeken; de Amerikaansche vrouw is op een onwerkelijk voetstuk geplaatst. Toch wijst een ander Amerikaansch schrijver er op (Rafford Pyke, "Husbands and Wives", Cosmopolitan, 1902), dat maar een klein deel der Amerikaansche huwelijken werkelijk ongelukkig is, en dat dat voornamelijk in de meer beschaafde standen voorkomt, waar de vrouwenbeweging ingang vindt; het komt meer voor, dat de vrouw teleurgesteld is in het huwelijk dan de man, en dit komt voornamelijk doordat zij niet in staat is haar individualiteit, niet noodzakelijk ondergeschikt te maken aan, maar te doen opgaan in een evenboortige met de zijne. "Het huwelijk wordt tegenwoordig in zijn succes meer en meer afhankelijk van de aanpassing aan omstandigheden, die psychisch zijn. Terwijl het in vroegere generaties voldoende was, dat een vereeniging physiek wederkeerig zou zijn, moet ze in onze eeuw ook psychisch wederkeerig zijn. En terwijl vroeger de gemeenschap van de belangen gemakkelijk bereikt werd, wordt dat nu veel moeilijker doordat de vrouwen van tegenwoordig niet geneigd zijn haar afzonderlijke persoonlijkheid te doen opgaan in die van haar man. En toch, als zij dit niet doet, hoe kan ze dan een volkomen en volmaakte belangstelling hebben in het te zamen leven, en hoe kan hij dat hebben?"

Professor Münsterburg, de beroemde psycholoog, die zich op een breeder standpunt plaatst in zijn vrijmoedige, maar waardeerende studie van Amerikaansche instellingen, The Americans, wijst er op, dat de invloed van de vrouwen op de moraal in Amerika niet in alle opzichten bevredigend geweest is, in zooverre ze neiging heeft gehad ondiepheid en oppervlakkigheid aan te moedigen. "De Amerikaansche vrouw, die nauwelijks een greintje opvoeding heeft", merkt hij op (p. 587), "is dadelijk klaar met een oordeel over ieder mogelijk onderwerp... De aanmatiging van dit vrouwelijk gebrek aan kennis is het symptoom van een diepen trek in het vrouwelijk karakter en in de vrouwelijke ziel, en wijst op gevaren, die voortkomen uit het overheerschen van de vrouw in het intellectueele leven... En in geen ander beschaafd land worden ethische opvattingen zoo verteerd door bijgeloof".

Zooals we gezien hebben wordt het huwelijk, volgens de moderne opvattingen, als een vrijwillige vereeniging erkend, die door twee vrije, gelijke, en moreel verantwoordelijke persoonlijkheden aangegaan wordt; men beschouwt die vereeniging eer als een ethisch sacrament dan als een contract, zoodat het in zijn wezen, als physieke en geestelijke band buiten de sfeer van de handelingen van den staat ligt. Het is noodig geweest dit punt uit te werken, voordat wij komen aan wat aan velen een totaal er aan tegenovergesteld gezichtspunt van het huwelijk zal toeschijnen. Als de huwelijksvereeniging zelf geen zaak kan zijn voor een contract, zoo leidt ze toch natuurlijk tot een feit, dat noodzakelijkerwijze een zaak is van een implicite of explicite overeenkomst, een zaak bovendien, waarbij de gemeenschap in haar geheel een werkelijk en gepast belang heeft: dat is het feit van de voortplanting [362].

De oude Egyptenaren--bij wie de huwelijksinstellingen zoo elastisch waren en de positie der vrouwen zoo hoog--erkenden een voorloopige en lichte huwelijksband, met het doel de vruchtbaarheid te onderzoeken [363]. Bij ons treft de wet zulke vaderlijke maatregelen niet, zij laat aan de jonge paren zelf de verantwoordelijkheid over voor alle eventueele proeven, een permissie, waarvan deze paren, zooals we gezien hebben, in ruime mate gebruik maken, terwijl ze gewoonlijk het wettelijk huwelijk sluiten vóor de geboorte van hun kind. Die wettelijke band is de erkenning, dat het inleiden van een nieuw individu in de gemeenschap niet, als de sexueele vereeniging, uitsluitend een persoonlijk feit is, maar dat het een maatschappelijk feit is, een feit, dat den staat wel moet aangaan. En hoe meer wij onderzoek doen naar de neiging van de moderne huwelijksbeweging, des te meer zullen we erkennen, dat de houding van vrijheid, van individueele moreele verantwoordelijkheid bij het vormen van sexueele verhoudingen gecompenseerd moet worden door een houding van gestrengheid, van nauwgezet maatschappelijk toezicht in de kwestie van de voortplanting. Twee personen, die een erotische verhouding aangaan, zijn, als zij tot de overtuiging komen dat hun verhouding een werkelijk huwelijk is, dat zijn natuurlijk doel heeft in de voortplanting, verplicht een contract te onderteekenen, dat, hoewel het henzelf persoonlijk vrij laat, toch hen allebei moet binden aan hun plichten jegens hun kinderen [364].

Er is een dubbele noodzakelijkheid voor zulk een handelwijze, zelfs afgezien van het feit, dat het in de hoogste mate in het belang van de ouders zelf is. Het is noodig in het belang van het kind. Het is noodig in het belang van den staat. Een kind kan opgevoed worden, en goed opgevoed, door een van de ouders, die daartoe in staat is. Maar om een kind voldoende toe te rusten voor zijn intrede in het leven, zijn de beide ouders even noodig. De Staat van zijn kant--dat is te zeggen, de gemeenschap, waarvan de ouders en het kind gelijkelijk deel uitmaken--is verplicht te weten wie de personen zijn, die borgen zijn geworden voor een nieuw individu, dat nu in hun midden is ingeleid. De meest individualistische en de meest socialistische Staat zijn gelijkelijk verplicht, als ze trouw zijn aan hun belangen, zoowel hun biologische als hun economische belangen, aan te dringen op het volle wettige en erkende ouderschap van den vader en de moeder van ieder kind. Dat wordt duidelijk geëischt door het belang van het kind; het wordt ook duidelijk geëischt door het belang van den Staat.

De slagboom, die zich in het Christendom tegenover de natuurlijke erkenning van dit feit gesteld heeft, dat zoo schadelijk is zoowel voor het kind als voor den staat, is klaarblijkelijk de starheid van het huwelijkssysteem geweest, meer speciaal zooals het door de canonieke wet gevormd is. De Canonisten hechtten een waarlijk buitengewoon groote waarde aan de copula carnalis zooals zij het technisch noemden. Voor hen lag het centrum van het huwelijk in de vagina; voor hen had de aanwezigheid of de afwezigheid van een kind weinig belang. De vagina is, zooals wij weten, niet altijd een even stevig centrum gebleken tot steun van het huwelijk, en dat centrum wordt nu langzamerhand overgebracht op het kind. Als wij ons van de Canonisten afwenden naar de geschriften van de modernen, zooals Ellen Key, die zoo juist weergeeft wat in den laatsten tijd het meest karakteristiek en essentieel is in de neigingen der huwelijksontwikkeling, dan schijnen we een nieuwe wereld te zijn binnengetreden, zelfs een door nieuw licht bestraalde wereld. Want "in de nieuwe sexueele moraal gaat het licht, evenals in Corregio's Notte, uit van het kind" [365].

Ongetwijfeld is deze verandering in ruime mate een zaak van gevoel, van, zooals we soms minachtend zeggen, uitsluitend gevoel, hoewel er in de menschelijke zaken niets zoo machtig is als dat gevoel, en de revolutie, bewerkt door Jezus, de latere revolutie, bewerkt door Rousseau, waren voornamelijk revoluties in gevoel. Maar de verandering is ook een zaak van de aangroeiende erkenning van belangen en rechten, en als zoodanig openbaart ze zich in de wet. We kunnen er nauwelijks aan twijfelen, dat wij bezig zijn een tijd te naderen, waarop algemeen begrepen zal worden, dat de intrede van ieder kind in de wereld, zonder uitzondering, voorafgegaan behoorde te worden door het vormen van een huwelijkscontract, dat, terwijl het op geenerlei wijze den vader en de moeder aan plichten bindt, of aan eenige voorrechten jegens elkander, hen beiden bindt aan hun kind en terzelfder tijd hun verantwoordelijkheid jegens den Staat verzekert. Het is voor den Staat onmogelijk meer te krijgen, maar het moest hem onmogelijk zijn minder te eischen. Zulk een contract "huwt" den vader en de moeder, voor zoover het ouderschap van het individueele kind betreft, en in geen ander opzicht; het is een contract, dat hun verleden, tegenwoordige, of toekomstige verhoudingen jegens andere personen volkomen onaangeroerd laat, anders zou het niet mogelijk zijn het af te dwingen. In alle deelen van de wereld begint deze elementaire eisch van maatschappelijke moraal langzamerhand erkend te worden, en daar hij invloed heeft op honderd duizenden kinderen [366], die jaarlijks gebrandmerkt worden als "onwettig" door geen daad van henzelf, kan niemand zeggen, dat de erkenning te vroeg is gekomen. Tot nog toe schijnt ze nergens volkomen te zijn.