De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 6

Chapter 63,337 wordsPublic domain

Een belangrijke aanvulling van deze organisatie is de School voor Moeders. Van zulke scholen, die overal beginnen op te komen, kan men zeggen dat zij hun oorsprong hebben in de Consultations de Nourrissons (met hun vertakking de Goutte de Lait), opgericht door Professor Budin in 1892, die zich over geheel Frankrijk uitgebreid hebben en in ruimen kring een invloed ten goede hebben gehad. In de Consultations worden kinderen iedere week onderzocht en gewogen en de moeders krijgen er raad en worden aangemoedigd haar kinderen te zoogen. De Gouttes zijn feitelijk poliklinieken voor melkafgifte, waar kinderen voor wie borstvoeding onmogelijk is, onder medisch toezicht met melk gevoed worden. Scholen voor Moeders zijn een uitbreiding van hetzelfde systeem; zij omvatten een menigte onderwerpen, die het voor een moeder noodig is te weten. Sommige van de eerste van deze scholen werden opgericht in Bonn, in de Beiersche stad Weissenberg en in Gent. Op eenige van die Scholen voor Moeders, en zooals bekend is in Gent (beschreven door Mrs. Bertrand Russell, in de Nineteenth Century, 1906), is de belangrijke stap gedaan jonge meisjes van 14 tot 18 jaar te onderrichten; zij worden ingelicht omtrent kinder-anatomie en physiologie, omtrent het bereiden van gesteriliseerde melk, omtrent het wegen van kinderen, omtrent het opnemen van temperaturen en het maken van tabellen, omtrent het besturen van crêches, en na twee jaar zijn zij in staat een salaris te verdienen. In verschillende deelen van Engeland worden nu scholen voor jonge moeders en voor jonge meisjes opgericht in dezen geest, eerst in Londen, onder toezicht van Dr. F. J. Sykes, stadsdokter voor St. Pancreas (zie bv. A School For Mothers, 1908, waarin een inrichting van deze soort te Somers Town beschreven wordt, met een voorrede van Sir Thomas Barlow; een verslag van de nieuwste pogingen, de verzorging van kinderen in Londen te verbeteren, zal men ook vinden in de Lancet, Sept. 26, 1908). We kunnen hier bijvoegen, dat sommige Engelsche gemeentebesturen depôts hebben opgericht om moeders goedkoop van goede melk te voorzien. Zulke depôts zullen echter waarschijnlijk meer kwaad dan goed doen, als zij de vervanging van borstvoeding door kunstmatige voeding bevorderen. Zij moesten nooit opgericht worden, behalve in aansluiting met de Scholen voor Moeders, waar een opvoedende invloed uitgeoefend kan worden, en geen moeder moest van melk voorzien worden als ze niet een medisch attest vertoont, waaruit blijkt dat zij niet in staat is haar kind te voeden (Byers, "Medical Women and Public Health Questions", British Medical Journal, Oct. 6, 1906). Het is een merkwaardig feit, dat binnenkort de plaatselijke autoriteiten door de wet gemachtigd zullen worden Scholen voor Moeders op te richten.

De groote voordeelen, door deze instellingen in Frankrijk veroorzaakt, zoowel wat betreft het verminderen van de kindersterfte als het bevorderen van de opvoeding der moeders en haar trots en belangstelling in haar kinderen, zijn uiteengezet in twee Thèses de Paris door G. Chaignon (Organisation des Consultations de Nourrissons à la Campagne, 1908), en Alcide Alexandre (Consultations de Nourrissons et Goutte de Lait d'Arques, 1908).

De beweging is nu bezig zich uit te breiden over geheel Europa en er is een Internationale Unie gevormd, die al de instellingen omvat, die speciaal berusten op de bescherming van kinderleven en de bevordering van puericultuur. Het permanente comité is in Brussel, en om het andere jaar wordt er een Congres gehouden voor Kinderbescherming (Goutte de Lait).

Men zal zien, dat al de bewegingen, die nu in werking gesteld worden voor de verbetering van het ras door het kind en de moeder van het kind, de intimiteit erkennen van de verhouding tusschen de moeder en haar kind en er op gericht zijn haar te helpen, zelfs als het noodig is door het uitoefenen van eenigen dwang, haar natuurlijke functies met betrekking tot haar kind, te vervullen. Voor den theoretischen philantroop, die begeerig is om de wereld op papier te verbeteren, schijnt niets eenvoudiger te zijn dan de tegenwoordige bezwaren van het opvoeden van kinderen uit den weg te ruimen door het oprichten van Staatskinderbewaarplaatsen, die tegelijk de moeders moeten ontheffen van alles wat met de productie van de menschen der toekomst in verband staat, behalve het genot--als het dat toevallig is--van ze te ontvangen en de moeite van ze te dragen, en ze tevens moeten opvoeden onafhankelijk van het tehuis, op een gezonde, zuinige en wetenschappelijke wijze [18]. Niets schijnt eenvoudiger, maar uit het fundamenteel psychologisch standpunt is niets onjuister. Het denkbeeld van een Staat, die er is buiten de gemeenschap, is een overblijfsel, in een anderen vorm van dat verouderde idee, dat Lodewijk XIV dwong te verklaren "L'État, c'est moi!" Een staat, die toelaat dat de individuen die hem vormen, niet in staat zijn hun heiligste en intiemste functies te vervullen en die op zich neemt, dit in hun plaats te doen, onderneemt een taak, die niet wenschelijk zou zijn, zelfs al kon zij volvoerd worden. Men moet altijd in gedachte houden dat een Staat, die zich voorstelt de leden die hem samenstellen te ontlasten van hun natuurlijke functies en verantwoordelijkheden, iets geheel anders is dan een Staat die zijn leden tracht te helpen hun eigen biologische en sociale functies meer naar behooren te vervullen. Een Staat, die moeders in de gelegenheid stelt te rusten als zij zwanger zijn, werkt aan een verstandige taak; een Staat, die de kinderen van zijn moeders overneemt, drijft de philantropie tot in het belachelijke. Het is gemakkelijk dit te erkennen, als wij den noodzakelijken loop der omstandigheden nagaan onder een systeem van "Staatskinderbewaarplaatsen". Het kind zou op den vroegsten leeftijd van de natuurlijke moeder verwijderd worden, maar iemand moet de moederplichten vervullen; en als die uitgeoefend worden onder gunstige omstandigheden, dan ontwikkelt zich een moederlijke betrekking tusschen het kind en de "moeder", die ongetwijfeld natuurlijke moederlijke instincten bezit, maar die door geen natuurlijken moederlijken band verbonden is met het kind, dat zij verzorgt. Zulk een verhouding heeft neiging om aan beide kanten praktisch en naar het gevoel de werkelijke verhouding te worden. Wij kunnen zeer dikwijls zien, hoe onbevredigd zulk een verhouding wordt. De kunstmatige moeder wordt beroofd van een kind, dat zij begonnen was te voelen als haar eigen; de gevoelens van het kind worden onderste boven gegooid, verdeeld en verdraaid; de echte moeder heeft het bittere gevoel, dat zij voor haar kind niet de echte moeder is. Zou het niet voor allen veel beter geweest zijn als de Staat het groote leger van vrouwen, die hij geoefend had voor de positie om de kinderen van andere vrouwen te verzorgen, had aangemoedigd om in plaats daarvan zelf kinderen te hebben? De moeders, die niet in staat zijn haar eigen kinderen te verzorgen, konden er dan toe opgevoed worden afstand te doen van het hebben van eigen kinderen.

Ellen Key (in haar Eeuw van het Kind, en elders) heeft voor alle jonge vrouwen aangeraden een jaar verplichte "dienst", overeenkomstig de militaire dienstplicht die in de meeste landen voor jonge mannen verplichtend is. Gedurende dien tijd zou het meisje geoefend worden in ordelijk huishouden, in de grondbeginselen der hygiëne, in de verzorging van zieken en vooral in de verzorging van kinderen en alles wat betrekking heeft op de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van kinderen. Het principe, dat aan dit voorstel ten grondslag ligt, is sindsdien in ruimen kring aangenomen. Marie von Schmid (in haar Mutterdienst, 1907) gaat zoo ver een algemeene oefening aan te raden van jonge vrouwen in die plichten, die gehouden moet worden in een soort van uitgebreide en verbeterde kraaminrichting. De dienst zou een jaar duren, en dan zou de jonge vrouw drie jaar lang in reserve blijven, en zou opgeroepen kunnen worden in dienst. Er is zeker veel te zeggen voor zoo'n voorstel, aanmerkelijk meer dan er voor militaire dienstplicht te zeggen is. Want terwijl het zeer twijfelachtig is, of een man ooit geroepen zal worden om te vechten, worden de meeste vrouwen wel opgeroepen om huishoudelijke plichten te vervullen of om op kinderen te passen, hetzij voor haarzelf, hetzij voor andere menschen.

HOOFDSTUK II

SEXUEELE OPVOEDING

Zorg voor het kroost is even noodig als kroost zelf.--Vroege uitingen van de geslachtsdrift.--Moeten die als normaal beschouwd worden?--Het sexueele spel van kinderen.--Het liefdegevoel in de kinderjaren.--Zijn stadskinderen geslachtelijk eerder rijp dan kinderen van het land?--De kinderlijke voorstellingen over de herkomst van kinderen.--De noodzakelijkheid, met de sexueele opvoeding van de kinderen vroeg te beginnen.--Het belang van vroeg oefenen in verantwoordelijkheid.--Het verkeerde van de oude leer der stilzwijgendheid over geslachtszaken.--Het nadeel is grooter waar het meisjes geldt.--De moeder is de natuurlijke en beste leermeesteres.--De ziekelijke invloed van kunstmatige geheimzinnigheid in sexueele zaken.--De literatuur over de sexueele opheldering der jeugd.--Aard van de taak der moeder.--Sexueele opvoeding op de school.--De waarde van botanie.--Zoölogie.--Sexueele opvoeding na de puberteit.--De noodzakelijkheid om tegen de geschriften van kwakzalvers te strijden.--Het gevaar dat voortkomt uit het niet tijdig voorbereiden op de eerste menstruatie.--De juiste houding tegenover het geslachtsleven der vrouw.--De dringende noodzakelijkheid van hygiëne der menstruatie in de eerste jeugd.--Zulk een hygiëne is te vereenigen met de gelijkstelling der geslachten op opvoedkundig en maatschappelijk gebied.--De invaliditeit van vrouwen komt voornamelijk voort uit hygiënische verwaarloozing.--De goede invloed van lichaamsoefening op vrouwen en de slechte invloed der athletiek.--De nadeelen van het onderdrukken van het gemoedsleven.--De noodzakelijkheid om jonge menschen de waardigheid van het geslachtsleven te leeren.--Invloed van deze factoren op het lot der vrouw in het huwelijk.--Lezingen en toespraken over sexueele hygiëne.--De rol van den dokter in de sexueele opvoeding.--De invoering in de wereld der idealen tijdens de puberteit.--De plaats van den religieuzen en ethischen leeraar.--De plechtigheden van natuurvolken bij het inleiden in de geslachtsrijpheid.--De sexueele invloed van literatuur.--De sexueele invloed van kunst.

Het mag sommigen toeschijnen dat, waar wij gewicht hechten aan de voorvaders, de bloedverwanten, de conceptie, de zwangerschap en zelfs aan de eerste jeugd van het kind, wij afdwalen van de sfeer van de psychologie van het geslacht. Dat is in het geheel niet het geval. Wij dalen, integendeel, af tot de wortels van het geslacht. Al onze aangroeiende kennis dient er toe, om aan te toonen, dat, tegelijk met zijn physieke natuur, de psychische natuur van het kind berust op geboorte en verzorging, op de hoedanigheid van den stam, waar het toe behoort, en op de zorg, die er aan besteed is in de eerste oogenblikken, als verzorgen van het grootste belang is om de goede hoedanigheid van dien stam te bewaren.

Wij moeten er natuurlijk aan denken, dat de invloeden zoowel van afkomst als van verzorging gelijkelijk werken op het lot van het individu. De invloed van verzorging is zoo duidelijk zichtbaar, dat weinigen die licht zullen onderschatten. De invloed van afkomst echter is niet zoo duidelijk, en wij kunnen nog wel menschen ontmoeten, die zoo slecht op de hoogte zijn, en misschien zoo bevooroordeeld, dat zij er in het geheel niet van weten willen. Ons aangroeiend inzicht in deze zaak moet wel het verkeerde idee bannen, doordat het doet zien hoe teeren en diepgaanden invloed de erfelijkheid heeft. Geen gezonde beschaving is mogelijk dan in een gemeenschap, die in zijn massa niet alleen goed verzorgd, maar ook goed geboren is. En in geen levensgebied is de invloed van het goed geboren zijn meer beslissend dan in de sexueele verhoudingen. Een leerzaam voorbeeld kan men vinden in de nauwkeurige en omstandige geschiedenis uit zijn jeugd, mij verstrekt door een zeer beschaafd Russisch man. Hij was in zijn kinderjaren opgevoed met zijn eigen broeders en zusters en met een klein meisje van denzelfden leeftijd, dat al in haar eerste jeugd was aangenomen, het dochtertje van een prostituée, die spoedig na de geboorte van het kind gestorven was. Het aangenomen kind werd behandeld als een van de familie, en al de kinderen dachten, dat zij werkelijk een zuster was. Toch ontwikkelde zij al heel vroeg instincten, ongelijk aan die van de kinderen, waarmee ze werd opgevoed; ze jokte, ze was wreed, ze deed graag kattekwaad. en zij ontwikkelde vroeg verkeerde sexueele neigingen; hoewel zorgvuldig opgevoed, nam zij toch het beroep van haar moeder aan en op 22 jarigen leeftijd werd zij naar Siberië verbannen wegens roof en poging tot moord. Het kind van een onbekenden vader en een prostituée is niet door het noodlot gedoemd tot ondergang; maar zulk een kind is van slechte afkomst en dat feit kan in sommige gevallen alle invloeden van goede opvoeding te niet doen.

Als wij den kinderlijken leeftijd bereiken, zijn wij de grondslagen en mogelijkheden van het sexueele leven al voorbij; dan zien wij in sommige gevallen al het werkelijk begin ervan. Het is een vastgesteld feit, dat auto-erotische uitingen soms al bij kinderen van minder dan twaalf maanden kunnen waargenomen worden. Het ligt nu niet op onzen weg dit punt van kwestie te bespreken en hoeverre zulke uitingen op dezen leeftijd normaal genoemd kunnen worden [19]. Een geringe mate van werkzaamheid van de ovariën en van de borstklieren bestaat soms bij de geboorte [20]. Het schijnt duidelijk, dat nerveuse en psychische sexueele werkzaamheid haar eerste bronnen vindt in dezen vroegen tijd en dat, naarmate de jaren voorbijgaan een toenemend aantal individuen zich door den drang aansluiten, totdat met de puberteit feitelijk allen meegesleept worden in den grooten stroom.

Terwijl het dus mogelijk en zelfs waarschijnlijk is, dat de flinkste en gezondste individuen geen bepaalde teekenen van nerveuse en psychische sexualiteit in de jeugd vertoonen, toch zijn zulke uitingen nog voldoende veel voorkomend om te kunnen zeggen, dat sexueele hygiëne geheel en al buitengesloten kan blijven, totdat de puberteit nadert.

Vroegtijdige physieke ontwikkeling komt voor als een eenigszins zeldzame variatie. W. Roger Williamson ("Precocious Sexual Development with Abstracts of over One Hundred Cases", British Gynaecological Journal, May, 1902) heeft een belangrijke bijdrage geleverd lot de kennis van deze afwijking, die veel meer voorkomt bij meisjes dan bij jongens. Bij de gevallen van Roger Williams zijn slechts 20 jongens op de 80 meisjes, en vroegrijpheid komt niet alleen meer voor, maar is ook meer geprononceerd bij meisjes, waarvan men weet, dat zij op haar achtste jaar bevrucht zijn geworden, terwijl 13 jaar genoemd wordt als de vroegste leeftijd waarop jongens zich in staat getoond hebben om kinderen te krijgen. Dit moeten we opmerken, is ook de vroegste leeftijd, waarop spermatozoën gevonden worden in zaadvloeistof van jongens; vóór dien leeftijd bevat de uitgeworpen stof geen spermatozoën, en, zooals Fürbringer en Mol gevonden hebben, kunnen die nog afwezig zijn op zestienjarigen leeftijd of nog later. Bij meisjes gaat vroegtijdige sexueele ontwikkeling minder dikwijls samen met een algemeene toename van lichamelijke ontwikkeling dan bij jongens. (Een afzonderlijk geval van vroege sexueele ontwikkeling bij een meisje van vijf jaar is volledig beschreven en met illustraties voorzien in het Zeitschrift für Ethnologie, 1896, deel 4, pag. 262).

Vroegtijdige sexueele impulsen zijn gewoonlijk vaag, op zich zelf staand en min of meer onschuldig. Een geval van zeldzamen en uitgesproken aard, waarbij een kind, een jongen van twee jaar, sexueel aangetrokken werd door meisjes en vrouwen, en al zijn gedachten en daden richtte op sexueele pogingen op haar, is beschreven door Herbert Rich, van Detroit (Alienist and Neurologist, Nov. 1905). Algemeen bewijsmateriaal uit de literatuur van het onderwerp van sexueele vroegrijpheid, de veelvuldigheid ervan en de beteekenis ervan, is samengebracht door L. M. Terman ("A Study in Precocity", American Journal of Psychology, April, 1905).

De erecties, die bij kleine jongens voorkomen, hebben gewoonlijk geen sexueele beteekenis, hoewel zij, zooals Moll opmerkt, die krijgen kunnen als ze de opmerkzaamheid van het kind trekken; zij zijn alleen maar reflex. Sommige meenen echter, en voornamelijk Freud, dat bepaalde kinderlijke eigenaardigheden, vooral het duimzuigen, een sexueele oorzaak hebben en dat de sexueele impuls zich voortdurend vertoont op zeer jeugdigen leeftijd. Het geloof, dat het sexueele instinct in de jeugd niet bestaat, beschouwt Freud als een ernstige dwaling, zoo gemakkelijk door waarneming te corrigeeren, dat hij zich verwondert, hoe zij kan ontstaan zijn. "In werkelijkheid", merkt Freud op, "brengt het pasgeboren kind sexualiteit mee ter wereld, sexueele gewaarwordingen vergezellen het tijdens de dagen van het zuigen en van de kindsheid en maar zeer weinige kinderen ondervinden geen sexueele aandriften en gevoelens vóór de puberteit" (Freud, "Zur sexuellen Aufklärung der Kinder", Soziale Medizin und Hygiene, Band II, 1907; cf. voor bijzonderheden zie men van denzelfden schrijver Drei Abhandlungen zur Sexualtheorie, 1905). Moll, aan den anderen kant, beschouwt Freud's beschouwingen over sexualiteit in de jeugd als overdreven en vindt ze beslist verwerpelijk, hoewel hij toegeeft, dat het moeilijk is, zoo niet onmogelijk, de gevoelens in de jeugd te onderscheiden (Moll, Das Sexualleben des Kindes, pag. 154.) Moll meent ook, dat psycho-sexueele uitingen, die optreden na den leeftijd van acht jaar, niet pathologisch zijn; kinderen, die zwak zijn en erfelijk belast, zijn niet zelden sexueel vroegrijp, maar aan den anderen kant heeft Moll kinderen gekend van 8 of 9 jaren met sterk ontwikkelde geslachtsdrift, die toch flink ontwikkelde mannen werden.

Rudimentaire sexueele uitingen in de jeugd, vergezeld van sexueele gevoelens, moeten inderdaad--als ze niet te uitgesproken of te vroegtijdig zijn--beschouwd worden als te vallen binnen de normale sfeer, ofschoon zij, als zij voorkomen bij erfelijk belaste kinderen, niet zonder ernstige gevaren zijn. Maar bij gezonde kinderen hebben zij gewoonlijk, na den leeftijd van zeven of acht jaar geen slechte resultaten en moeten ze als spel beschouwd worden. Spel, bij dieren en menschen beide, is zooals Groos met een wonderbare veelheid van voorbeelden heeft aangetoond, een nuttig opvoedingsproces; het jonge schepsel bereidt zich daardoor voor, die functies uit te oefenen, die het in later jaren meer volkomen en ernstiger moet uitoefenen. In zijn Spiele der Menschen past Groos dit denkbeeld toe op het sexueele spel van kinderen, en geeft als bewijs aanhalingen uit de literatuur. Keller heeft, in zijn "Romeo und Julia auf dem Dorfe" een bewonderenswaardig waar beeld gegeven van deze kinderlijke liefdesbetrekkingen. Emil Schultze-Malkowsky (Geschlecht und Gesellschaft, Bd. II. pag. 370) geeft eenige tooneelen uit het leven van een klein meisje van zeven jaar, die een duidelijk beeld geven van den waren aard van de sexueele uitingen op dezen leeftijd.

Een soort van rudimentaire sexueele omgang tusschen kinderen komt voor zooals Bloch (Beiträge etc. Bd. II, pag. 254) heeft opgemerkt, in vele deelen van de wereld, en wordt door hun ouders erkend als spel. Dit is bv. het geval onder de Bawenda van Transvaal (Zeitschrift für Ethnologie, 1896, Heft 4, pag. 364), en onder de Papoea's van Kaiser-Wilhelms-Land, met goedvinden van de ouders, hoewel veel terughouding in acht genomen wordt. (id., 1889, Heft 1, pag. 16) Godard (Egypte et Palestine, 1867, pag. 105) sloeg het sexueele spel gade van jongens en meisjes in Caïro. In Nieuw-Mexico heeft W. A. Hammond (Sexual Impotence, pag. 107) jongens en meisjes gezien die als spel sexueele vereeniging beproefden onder aanmoediging van mannen en vrouwen en in New-York heeft hij jongens en meisjes hetzelfde zien doen in tegenwoordigheid van hun ouders, met alleen maar een lachende terechtwijzing. "Vadertje en Moedertje spelen" is inderdaad zeer gewoon onder kinderen in waarlijke onschuld, en met een algeheele afwezigheid van verdorvenheid; en het beperkt zich in het geheel niet tot kinderen van de lagere maatschappelijke klasse. Moll maakt een opmerking over het veel voorkomen ervan (Libido Sexualis, deel 1, pag. 277), en het comité van evangelische geestelijken heeft, in hun onderzoek naar de moraal van het Duitsche landvolk (Die geschlechtlich-sittlichen Verhältnisse, Bd. 1, pag. 102) bevonden, dat kinderen die nog niet op school zijn, pogingen tot coïtus doen. Het sexueele spel van kinderen is in het geheel niet beperkt tot het vader en moedertje spelen; dikwijls wordt er gespeeld met een climax in het vertoonen van en het slaan op sommige lichaamsdeelen en nu en dan zijn er spelletjes van dokter zijn en onderzocht worden. Zoo zegt een jonge Engelsche vrouw: "Natuurlijk, toen wij op school waren (op den leeftijd van twaalf jaar en vroeger) speelden wij met elkaar, verscheidene van ons meisjes; we gingen dan naar een veld en deden of we dokters waren en elkaar moesten onderzoeken, en dan deden we onze kleeren in de hoogte en bevoelden elkaar".