De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 59

Chapter 593,588 wordsPublic domain

Het kan echter niet gezegd worden, dat huwelijken voor den tijd van een zeker aantal jaren een zeer bevredigende oplossing bieden voor de moeilijkheden, die zich tegenwoordig voordoen. Zij zullen niet aanbevelenswaardig toeschijnen aan jonge menschen, die van elkaar houden, en die meenen, dat hun liefde eeuwig zal duren, en ook is er, zoolang de vereeniging bevredigend blijkt te zijn, geen noodzakelijkheid om het storende denkbeeld van een wettig einde van het contract in te voeren. Aan den anderen kant is het, als de vereeniging ongelukkig blijkt te zijn, niet verstandig, aan te dringen op de voortzetting, tien of zelfs maar vijf jaar lang van een ledigen vorm, die niet overeenkomt met een werkelijke huwelijksvereeniging. Zelfs als het huwelijk op de meest prozaïsche basis wordt geplaatst van contract, is het een vergissing en zelfs een onmogelijkheid, om van tevoren den duur ervan te bepalen. Het systeem van het van te voren vaststellen van den duur van het huwelijk voor een tijd van eenige jaren berust op precies hetzelfde principe als het systeem om het van te voren voor het leven vast te stellen. Hetzelfde bezwaar er tegen is van kracht, nl. dat het niet is overeen te brengen met eenige, het leven rakende verhouding. Naarmate de eisch van levende werkelijkheid in de maatschappelijke verhoudingen aangroeit, wordt dit feit meer en meer gevoeld. Wij zien precies dezelfde verandering bij het systeem van het opleggen van vooraf bepaalde vonnissen voor gevangenisstraf voor misdadigers. Het zenden van een man naar de gevangenis voor vijf jaar of voor het leven, zonder in het minst te denken aan het onbekende probleem van de op het leven inwerkende reactie van de gevangenisstraf op den man--een reactie, die verschillend zal zijn in ieder individueel geval--begint langzamerhand beschouwd te worden als een absurditeit.

Als het huwelijk werkelijk op de basis van een contract geplaatst werd, dan zou dat contract niet alleen geëindigd kunnen worden, zoodra de twee personen, die het gesloten hebben, het wenschten, zonder dat er eenige kwestie van misdadigheid ter sprake kwam, maar die partijen zouden bij het begin zelf de voorwaarden bepalen, die het contract zouden regelen. Maar niets kan meer ongelijk zijn aan ons werkelijke huwelijk. Der twee partijen wordt verzocht elkaar aan te nemen als man en vrouw; er wordt hun niet gevraagd om een contract te maken; er wordt hun niet eens gezegd dat, hoe weinig ze het ook mogen weten, zij in werkelijkheid een zeer gecompliceerd en uitgewerkt contract hebben gesloten, een contract, dat opgesteld is naar regels, die, voor het grootste gedeelte gemaakt werden twee duizend jaar voordat zij geboren waren. Als zij de wet niet bestudeerd hebben, weten zij ook in het geheel niet, dat dit contract paragrafen bevat, die onder sommige omstandigheden fataal kunnen zijn voor een van beide partijen. Alles wat er gebeurt is, dat een jong paar, misschien maar weinig meer dan kinderen, voor het oogenblik verblind door hun gevoel, voor den geestelijke of den ambtenaar van den burgerlijken stand verschijnt, om zich voor het leven te binden, terwijl ze niets van de wereld weten en bijna niet meer van elkaar, terwijl ze niets weten van de huwelijkswetten, soms zelfs niet eens dat er huwelijkswetten zijn, en terwijl ze zich nooit klaar voor oogen gesteld hebben, dat--zooals naar waarheid gezegd is--van de plaats, die zij onder een guirlande van bloemen betreden, er aan deze zijde van het graf geen andere uitgang is dan door het valluik van een riool [354].

Als een vrouw trouwt, geeft zij het recht op haar eigen persoonlijkheid op. Zoo kan, volgens de Engelsche wet, een man "niet schuldig zijn aan verkrachting van zijn wettige vrouw". Stephen, die in de eerste uitgave van zijn Digest of Criminal Law, meende, dat een man onder sommige omstandigheden veroordeeld kon worden wegens verkrachting van zijn vrouw, heeft die opinie teruggenomen. Een man kan een prostituée verkrachten, maar hij kan zijn vrouw niet verkrachten. Als zij eens haar toestemming gegeven heeft tot sexueelen omgang door de daad van het huwen met een man, dan heeft ze die voorgoed gegeven, welke nieuwe omstandigheden zich ook mogen voordoen, en hij behoeft haar toestemming niet te vragen voor sexueelen omgang, zelfs niet als hij weet, dat hij lijdende is aan venerische ziekte (zie b.v., een artikel over "Sex Bias", Westminster Review, Maart 1886).

De plicht van een vrouw om aan haar man "huwelijksrechten" toe te staan is een andere kant van haar wettelijke onderwerping aan hem. Zelfs in de negentiende eeuw werd een dame van goede familie uit Suffolk in de Ipswich gevangenis vele jaren lang gevangen gehouden tot haar dood en gevoed met water en brood, hoewel ze aan verschillende ziekten leed, alleen omdat ze niet wilde gevolg geven aan een vonnis, dat eischte, dat zij haar man huwelijksplichten zou bewijzen. Ongetwijfeld is de moderne neiging, hoewel ze maar langzaam voortschrijdt, tégen het toepassen van dwang op den man of de vrouw, om "huwelijksrechten" te verleenen; en sedert het geval Jackson is het in Engeland voor een man niet mogelijk zijn vrouw met geweld te dwingen om met hem te leven. Deze neiging is nog meer uitgesproken in de Vereenigde Staten; zoo besliste het hoogste gerechtshof in Iowa, eenige jaren geleden, dat buitensporig eischen van coïtus wreedheid vormde in een mate, die echtscheiding rechtvaardigde (J. G. Kiernan, Alienist and Neurologist, Nov. 1906, p. 466).

Het geringe eigendomsrecht van de vrouw over haar persoon is niet beperkt tot de sexueele sfeer, maar strekt zich zelfs uit over haar recht op het leven. In Engeland beging een vrouw vroeger, als ze haar man doodde, de zeer ernstige misdaad van "petit treason" en nog heden noemt men die misdaad moord. Maar, als een man zijn vrouw doodt en in staat is haar echtbreuk te bewijzen en zijn jaloezie, dan pleegt hij alleen maar manslag. (In Frankrijk, waar jaloezie met buitengewone toegevendheid beschouwd wordt, wordt zelfs een vrouw, die haar man gedood heeft, dikwijls vrijgesproken).

Men moet echter niet meenen, dat al de wettelijke ongelijkheden, die het huwelijk met zich brengt, ten gunste van den man zijn. Een groot aantal onbillijkheden worden ook den man aangedaan. De man, bijvoorbeeld, is wettig verantwoordelijk voor de lasteringen, die zijn vrouw zegt, en hij is wettelijk ook verantwoordelijk voor het bedrog, dat zij pleegt, zelfs als zij afgezonderd van hem leeft. (Dit werd, bijvoorbeeld, gemeend door een Engelschen rechter in 1909; "hij kon alleen zeggen, dat het hem speet, want het scheen een moeilijk geval. Maar zoo was de wet"). Belfort Bax heeft vooral in den laatsten tijd den nadruk gelegd op de moeilijkheden, door de Engelsche wet op zulke wijzen als deze, opgelegd. Er kan geen twijfel aan zijn, dat het huwelijk, zooals het tegenwoordig is ingericht, ernstige nadeelen meebrengt voor den man zoowel als voor de vrouw.

Het huwelijk is dus, niet alleen geen contract in den waren zin [355], maar in den eenigen zin, waarin het een contract is, is het een contract van een buitengewoon slechte soort. Toen de Canonisten de oude opvatting van het huwelijk als een koopcontract vervingen door hun sacramenteele huwelijk, bewerkten zij in vele opzichten een werkelijke vooruitgang, en de terugkeer tot het denkbeeld van een contract blijkt, zoodra de tijdelijke waarde ervan als een protest opgehouden heeft, geheel buiten harmonie te zijn met ons tegenwoordig stadium van beschaving. Het werd weer in het leven geroepen in de dagen, vóór de opstand tegen de slavernij begonnen was. Persoonlijke contracten zijn niet in harmonie met onze moderne beschaving en onze denkbeelden over individueele vrijheid. Een man kan zich niet meer door een contract als slaaf binden, of zijn vrouw verkoopen. Toch behoort het huwelijk, als contract beschouwd, tot precies dezelfde klasse als deze handelingen [356]. In ieder hoog stadium van beschaving wordt dit feit duidelijk erkend, en jonge paren mogen zich niet eens onvoorwaardelijk door contracten aan het huwelijk binden. Wij zien dit, bijvoorbeeld, in de wijze wetgeving van de Romeinen. Zelfs onder de Christelijke keizers werd dit gezonde principe gehandhaafd en de wetgever Paulus schreef [357]: "Het huwelijk was zoo vrij, volgens de oude opvatting, dat zelfs overeenkomsten tusschen de partijen om niet van elkaar te scheiden geen geldigheid konden hebben". Voor zoover het wezen van de huwelijksverhoudingen en niet eenige bijkomstige omstandigheid tot een contract gemaakt wordt, is het een contract van een soort waartoe de twee partijen, die het aangaat, niet bevoegd zijn om het aan te gaan. Biologisch en psychologisch kan het niet geldig zijn en met den groei van de beschaving heeft men het uitdrukkelijk voor ongeldig verklaard.

Want, er kan geen twijfel aan zijn, het intieme en essentieele feit van het huwelijk--de verhouding van sexueele gemeenschap--is geen contract en kan dat ook niet zijn. Het is niet een contract, maar een feit; het kan niet bewerkt worden alleen door een daad van den wil aan de zijde van de partijen, die het aangaan; het kan niet in stand gehouden worden alleen door een daad van den wil. Zulk een contract te willen, is het opvoeren van een erger dan zedelooze klucht. Zeker zijn vele van de omstandigheden van het huwelijk met recht het onderwerp van een contract, dat vrijwillig en met opzet aangegaan moet worden door de partijen. Maar het wezenlijke feit van het huwelijk--een liefde, sterk genoeg om de meest intieme van alle verhoudingen mogelijk en wenschelijk te maken een onbepaald aantal jaren door--dat kan niet gemaakt worden tot het onderwerp van een contract. Zoowel uit physiek oogpunt, als uit psychisch oogpunt kan met geen mogelijkheid een bindend contract gemaakt worden--en als een contract niet bindend is, dan is het waardeloos. En het maken van zulke pseudo-contracten over de toekomst van een huwelijk, vóór er zelfs is vastgesteld of het huwelijk wel ooit een feit kan worden, is niet alleen onmogelijk, het is belachelijk.

Het is natuurlijk waar, dat deze onmogelijkheid, deze belachelijkheid nooit zichtbaar zijn voor de partijen, die het contract maken. Zij hebben op de zaak toegepast àl de zeer beperkte proeven, die hun door de conventie zijn toegestaan, en de bevredigende resultaten van deze proeven, te zamen met het bewustzijn, dat zij een enorme en schijnbaar onuitputtelijke bron van liefde bezitten, schijnt hun toe voldoende te zijn tot het nakomen van het contract het geheele leven door, zoo niet in eeuwigheid.

Als kind van zeven jaar bevond ik mij op een half-tropisch eiland van de Stille Zuidzee, dat uit het binnenland van vruchten voorzien werd, vooral van druiven; een donkerkleurige vrouw van de markt bood dagelijks aan den kleinen Engelschman een groote tros druiven aan. Maar er kwam een dag, waarop de aangeboden tros beslist geweigerd werd; de overdaad van druiven had een reactie teweeg gebracht van walging. Een tijdsverloop van bijna veertig jaren was noodig om den tegenzin tegen druiven, aldus opgedaan, weer kwijt te raken. Toch kan er geen twijfel aan bestaan, dat, als men, aan dien jongen op den leeftijd van zes jaar had gevraagd om een contract te teekenen, dat hem er toe zou binden om iederen dag druiven aan te nemen, om ze altijd bij zich te houden, en er iederen dag van te genieten, dat hij dan dat contract even vroolijk geteekend zou hebben als een stralende bruidegom of zedige bruid het register in de kerkekamer teekent. Maar is het gemakkelijker aan een man of vrouw, met onbekende hoedanigheden, die veranderen of ontaarden kunnen, en met een onnoemelijk aantal geschiktheden om kwellingen op te leggen of walging op te wekken, gebonden te zijn, dan aan een heerlijke vrucht? Nog geen der landen van de wereld, waarin de subtiele invloed van de canonieke wet van het Christendom zich nog doet voelen, heeft de algemeene waarheid begrepen, die binnen de praktische ondervinding ligt van een kind van zeven jaar [358].

Het denkbeeld, dat zulk een verhouding als die van het huwelijk op een zoo zwakke basis kan berusten als een van tevoren opgesteld contract, is natuurlijk nooit in ruimen kring in zijn uitersten vorm van kracht geweest en was in vele deelen van de wereld volkomen onbekend. De Romeinen verwierpen het, zooals we weten, in duidelijke woorden, en erkenden zelfs op een tamelijk vroeg tijdstip de wettigheid van het huwelijk door usus, waarmee ze inderdaad verklaarden, dat het huwelijk een feit moet zijn en niet alleen maar een vorm zonder inhoud. Er is een vèrverspreide wettelijke neiging geweest, vooral waar de tradities van de Romeinsche wet eenigen invloed hebben behouden, om de cohabitatie van het huwelijk te beschouwen als het wezenlijke feit van de verhouding. Het was een oude regel zelfs in de Katholieke kerk, dat het huwelijk aangenomen kon worden van de cohabitatie af (zie b.v. Zacchia, Questionum Medico-legalium Opus, uitgave van 1688, deel III, p. 234). Zelfs in Engeland behoort de cohabitatie reeds tot de dingen, die aangenomen worden ten gunste van het bestaan van een huwelijk (hoewel ze niet noodzakelijk op zich zelf beschouwd wordt als voldoende), mits de vrouw van onbevlekt karakter is, en niet een gewone prostituée blijkt te zijn. (Nevill Geary, The Law of Marriage, hoofdst. III). Als echter, volgens de gerechtelijke uitspraak van Lord Watson in het geval Dysart Peerage, een man zijn maitres mee naar een hotel neemt of met haar naar een winkel van kindergoederen gaat en van haar spreekt als zijn vrouw, dan wordt er aangenomen, dat hij zoo handelt terwille van de zedelijkheid, en dit levert geen bewijs van een huwelijk. In Schotland wordt het huwelijk op veel losser gronden aangenomen dan in Engeland. Dit kan in verband gebracht worden met de diep-gewortelde gewoonte in Schotland van huwelijk door wederzijdsche toestemming. (Geary, op. cit., hoofdst. XVIII; vergelijk Howard, Matrimonial Institutions, deel I, p. 316).

In het geval Bredalbane (Campbell v. Campbell, 1867), hetgeen van groot belang was, omdat het ging om de opvolging van de uitgestrekte bezittingen van den Markies van Bredalbane, besliste het Huis der Lords, dat zelfs een connectie berustend op echtbreuk, een huwelijksverhouding kan worden als ze ophoudt echtbreuk te zijn, enkel door het feit van de toestemming der partijen, zooals die blijkt uit gewoonte en gerucht, zonder dat de noodzakelijkheid bestaat, dat het huwelijkskarakter van de connectie aangeduid wordt door een publieke daad, of dat het noodig is om den specialen tijd aan te wijzen, waarop deze toestemming gewisseld werd. Deze beslissing is bevestigd in het geval Dysart (Geary, loc. cit.; vergelijk C. G. Garrison, "Limits of Divorce", Contemporary Review, Feb., 1894). Evenzoo, naar beslist is door Rechter Kekewich in het geval Wagstaff 1907, moeten, als een man geld nalaat aan zijn "weduwe", op voorwaarde, dat zij nooit weer trouwen zal, hoewel hij nooit met haar getrouwd geweest is, en hoewel ze wettelijk met een anderen man getrouwd is, de bedoelingen van den testamenteur nagekomen worden. Garrison zegt, in zijn bespreking van dit gezichtspunt van het wettig huwelijk (loc. cit.), met kracht, dat bij de Engelsche wet het huwelijk een feit is en niet een contract, en dat, waar "een gedrag gekarakteriseerd door doel en duurzaamheid van samenleven" bestaat, er wettelijk een huwelijk bestaat, en dat het huwelijk alleen maar "een naam is voor een bestaand feit".

In de Vereenigde Staten bestaat ook het huwelijk "door gewoonte en gerucht" en het is in sommige staten zelfs bevestigd en uitgebreid door de wet (J. P. Bishop, Commentaries, deel I, hoofdst. XV). "Hoe de vorm van de ceremonie ook zij, en zelfs als van iedere ceremonie afgezien werd", zeide rechter Cooley uit Michigan, in 1875 (in een uitspraak, die als gezaghebbend door de fæderale gerechtshoven aangenomen werd), "als de partijen op dit oogenblik overeenkwamen om elkaar tot man en vrouw te nemen, en van dien tijd af onloochenbaar in die verhouding leefden, dan zou het bewijs van deze feiten voldoende zijn.... Dit is de gevestigde leer geweest van de Amerikaansche gerechtshoven". (Howard, op. cit., deel III, pp. 177 et seq. Drie en twintig staten sanctionneeren het huwelijk volgens het gewoonterecht, terwijl achttien iedere niet vormelijke overeenkomst verwerpen).

Deze wettelijke erkenning door de hoogste rechterlijke autoriteiten, zoowel in Engeland als in de Vereenigde Staten, dat het huwelijk in zijn wezen een feit is, en dat geen bewijs van eenigen vorm van ceremonie vereischt wordt voor de meest volledige wettelijke erkenning van het huwelijk, brengt ontwijfelbaar zeer belangrijke verwikkelingen met zich mee. Het werd duidelijk, dat de hervorming van het huwelijk mogelijk is zelfs zonder verandering in de wet en dat fatsoenlijke sexueele verhoudingen, zelfs als ze aangegaan zijn zonder eenigen wettelijken vorm, reeds volle recht hebben op wettige erkenning en bescherming. Er zijn echter, we behoeven dit hier nauwelijks bij te voegen, andere overwegingen, die een hervorming langs dezen weg onvolkomen maken.

Zoo bestaat de neiging, dat met den groei van de beschaving het opvatten van het huwelijk als een contract meer en meer in discrediet geraakt. Aan den anderen kant wordt erkend, dat persoonlijke contracten niet in harmonie zijn met onze algemeene en maatschappelijke houding, want, als wij het denkbeeld verwerpen, dat een menschelijk wezen zich bij contract mag verkoopen als slaaf, hoeveel te meer moeten we dan het denkbeeld verwerpen, dat menschen een contract zouden aangaan voor de nog intiemere verhouding van een getrouwd man of getrouwde vrouw; aan den anderen kant voelt men, dat het denkbeeld van van tevoren opgemaakte contracten in een zaak, waarover het individu zelf geen contrôle heeft, volkomen onwerkelijk is en als er strenge regels van billijkheid heerschen, noodzakelijk van geen waarde. Het is waar, dat er nog voortdurend schrijvers gevonden worden, die hun denkbeelden verkondigen over de plichten of de voorrechten, die vervat zijn in het "contract" van het huwelijk, en die de beteekenis van het woord "contract" in dezen zin niet meer analyseeren dan de Hervormers deden; maar men kan ternauwernood zeggen, dat deze schrijvers verder gekomen zijn dan het alphabet van het onderwerp, waarover ze leerstellingen verkondigen.

Het overbrengen van het huwelijk van de Kerk naar den Staat, hetgeen wij in de landen, waar het 't eerst voorkwam danken aan het Protestantisme, en in de Engelsch sprekende landen voornamelijk aan het Puritanisme, had, terwijl het een noodzakelijk stadium was, ongelukkig het gevolg, dat het de sexueele verhoudingen verwereldlijkte. Dat is te zeggen, dat het 't verheven element in de liefde, dat in werkelijkheid het essentieele deel van zulke verhoudingen is, negeerde, en dat het alle aandacht concentreerde op die vormelijke en toevallige deelen van het huwelijk, die alleen op een strenge en nauwkeurige wijze behandeld kunnen worden, en die eigenlijk alleen het onderwerp kunnen vormen van contracten. De canonieke wet, hoe fantastisch en onmogelijk zij ook in vele van haar ontwikkelingen werd, drong tenminste aan op het natuurlijke en werkelijke feit van het huwelijk als bovenal een lichamelijke vereeniging, terwijl ze, terzelfder tijd dat huwelijk niet beschouwde als enkel een wereldlijk zakelijk contract, maar als een geheiligde en verheven functie, een goddelijk feit, en het symbool van het goddelijkste feit van de wereld. Tegenwoordig komen we terug tot de opvatting van de Canonisten over het huwelijk op een hooger en vrijer plan, wij komen terug tot de verheven beschouwing van de canonieke wet, terwijl we toch het individualisme behouden, hetwelk de Puriteinen ten onrechte meenden dat zij konden verkrijgen op de basis van verwereldlijking, terwijl wij verder erkennen, dat de geheele zaak behoort tot de persoonlijke sfeer van moreele verantwoordelijkheid. Zooals Hobhouse, toen hij de geschiedenis van de ontwikkeling der moderne huwelijks-opvatting naging, terecht gezegd heeft, het sacramenteele denkbeeld van het huwelijk is weer voor den dag gekomen, maar op een hooger niveau; "van een sacrament in den magischen zin is het een sacrament in den ethischen zin geworden". Zoo zullen wij komen, hoewel wij het wettelijk nog niet bereikt hebben, tot het huwelijk, gevormd en in stand gehouden door wederzijdsche toestemming, "een vereeniging tusschen twee vrije en verantwoordelijke personen, waarbij de wettelijke rechten van beide verzekerd worden" [359].

Sommigen meenen, dat men, als men het huwelijk beschouwt als een sacrament, dan ook noodzakelijk het oude Katholieke gezichtspunt moet aannemen, dat belichaamd is in de canonieke wet, dat het huwelijk onontbindbaar is. Dat is echter een vergissing. Zelfs de Canonisten hebben nooit een samenhangende en steekhoudende reden kunnen opgeven voor de onontbindbaarheid van het huwelijk; die zich met eenigen grond kon aanbevelen, terwijl Luther en Milton en Wilhelm von Humboldt, die den godsdienstigen en heiligen aard van de sexueele vereeniging staande hielden--hoewel ze voorzichtig waren met het gebruiken van het woord "sacrament" met het oog op wat er in de kerk onder begrepen wordt--wel verre van te meenen, dat de heiligheid ervan onontbindbaarheid in zich sloot, in den tegenovergestelden zin spraken. Dit gezichtspunt kan zelfs van zuiver Protestantsch standpunt verdedigd worden. "Ik meen", zegt Mr. G. C. Maberly, "dat de definitie van het Prayer Book van een sacrament "als een uiterlijk en zichtbaar teeken van een innerlijke en geestelijke genade", algemeen aangenomen wordt. In het huwelijk zijn de wettige en physieke vereenigingen de uiterlijke en zichtbare teekenen, terwijl de innerlijke en geestelijke genade is de door God gegeven liefde, die maakt, dat de vereeniging van hart en ziel is: en juist omdat ik dit gezichtspunt over het huwelijk inneem, meen ik, dat de wettige en physieke vereeniging moest verbroken worden, telkens als de geestelijke vereeniging van onzelfzuchtige, goddelijke liefde en toegenegenheid opgehouden heeft te bestaan. Het schijnt mij toe, dat de sacramenteele beschouwing van het huwelijk ons dwingt te zeggen, dat zij, die de wettelijke en lichamelijke vereeniging voortzetten als de geestelijke vereeniging opgehouden heeft te bestaan, bezig zijn--om nog eens uit het Prayer Book woorden aan te halen, die van toepassing zijn op hen, die het uiterlijke teeken nemen van een ander sacrament, als de innerlijke en geestelijke genade niet aanwezig is--"hun eigen verdoemenis te eten"."