De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 58
Een lange reeks van beroemde denkers--moralisten, sociologen, politieke hervormers--hebben herhaaldelijk gewezen op de maatschappelijke voordeelen van echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden, of, onder beperkte omstandigheden op verzoek van een van de partijen. Wederzijdsch goedvinden was de hoeksteen van Milton's opvatting over het huwelijk. Montesquieu zeide, dat ware echtscheiding het resultaat moest zijn van wederzijdsch goedvinden, en dat ze gebaseerd moest zijn op de onmogelijkheid om te zamen te leven. Senancour schijnt het met Montesquieu eens te zijn. Lord Morley (Diderot, deel II, hoofdst. I), voegt er, in navolging en onder goedkeuring van de conclusies van de Supplément au Voyage de Bougainville (1772), aan toe, dat het van elkaar gaan van man en vrouw "een handeling is, die volkomen natuurlijk is, maar onder sommige omstandigheden een plicht". Bloch legt (Sexual Life of Our Time, p. 240) met veel andere schrijvers den nadruk op de waarheid van het gezegde van Shelley, dat de vrijheid van het huwelijk de waarborg is voor de duurzaamheid ervan. (Dat de feiten van het leven in dezelfde richting wijzen is in het vorige hoofdstuk aangetoond). De geleerde Caspari (Die Soziale Frage über die Freiheit der Ehe), verklaart, terwijl hij weigert den vorm van het toekomstig huwelijk te voorspellen, dat, als de sexueele verhoudingen moreel moeten blijven of worden, er meer faciliteiten moeten zijn voor het ontbinden van het huwelijk. Howard (die zelf meent, dat het huwelijk behoefte heeft aan wettelijke regeling) voelt zich aan het einde van zijn uitgebreide geschiedenis van de huwelijksinstellingen (deel III, p. 220) toch gedrongen toe te geven, dat het volkomen duidelijk is voor den geschiedvorscher, dat de moderne echtscheidingsbeweging "maar een deel is van de machtige beweging tot maatschappelijke bevrijding, die steeds sinds de Hervorming in uitbreiding en kracht toegenomen is". En de voorzichtige en critische Westermarck eindigt het hoofdstuk over het huwelijk van zijn Origin and Development of the Moral Ideas (deel II, p. 398) met het gezegde, dat "als man en vrouw beiden wenschen van elkaar te gaan, het dan aan veel verlichte geesten toeschijnt, dat de Staat geen recht heeft tusschenbeide te komen om hen te verhinderen het huwelijkscontract te ontbinden, mits er behoorlijk voor de kinderen gezorgd wordt; en dat het voor de kinderen ook beter is, dat ze onder de leiding komen van een van de ouders alleen, dan van twee, die het niet eens zijn".
In Frankrijk schijnen de leiders van de maatschappelijke hervorming het er bijna geheel over eens te zijn, dat de eerstvolgende stap, wat de echtscheiding betreft, moet zijn, het instellen van de echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden. Dit was bijvoorbeeld het resultaat van een rondvraag, waaraan een-en-dertig beroemde mannen en vrouwen hun bijdrage leverden. Allen waren voor echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden; de eenige uitzondering was Madame Adam, die zeide, dat zij een stadium bereikt had van scepticisme over politieke en maatschappelijke hervormingen; maar die toegaf, dat ze bijna een halve eeuw lang een ijverig voorstandster van echtscheiding was geweest. Een groot aantal medewerkers waren voor echtscheiding op den wensch van de eene partij alleen (La Revue, Maart 1, 1901). Ook in andere landen is er een aangroeiende erkenning, dat deze oplossing van de zaak, met gepaste voorzorgen om misbruiken te voorkomen, die er anders licht bij zouden ontstaan, de juiste en onvermijdelijke oplossing is.
Wat de juiste methode aangaat, waarop echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden moet ten uitvoer gebracht worden, zijn de opinies verdeeld, en de zaak zal waarschijnlijk in verschillende landen verschillend geregeld worden. Het Japansche plan schijnt eenvoudig en oordeelkundig (zie boven, p. 421). Paul en Victor Margueritte, die (Quelques Idées blz. 3 et seq.) zich duidelijk voor oogen stellen, dat het gevoelsconflict in zake de persoonlijke verbintenissen beslissingen met zich brengt, die ten eenemale buiten de competentie van gerechtshoven liggen, erkennen evenwel, dat zulke gerechtshoven toch noodig zijn om orde te stellen op de bezittingen van gescheiden personen en ook in laatste instantie op de zorg voor de kinderen. Zij moeten de zaken niet in het openbaar behandelen. Deze schrijvers stellen voor, dat iedere partij een vertegenwoordiger zal kiezen, en dat deze twee te zamen een derde zullen kiezen; dat dan dit scheidsgerecht niet officieel onderzoek moet doen, en dat zij, als ze het eens zijn, de scheiding moeten doen registreeren, hetgeen zes of twaalf maanden later moet plaats vinden, of drie jaar later, als het alleen maar door een van de partijen gewenscht wordt. Dr. Schufeld ("Psychopathia Sexualis and Divorce") stelt voor, dat een rechter van het echtscheidingsgerecht geheel alleen het verhoor zal leiden van ieder geval van een huwelijksoneenigheid, terwijl de man en de vrouw direct voor hem verschijnen, zonder advocaat; wèl, zoo noodig, met hun getuigen; als medische deskundigen vereischt werden, dan moest de rechter alleen de macht hebben om ze op te roepen.
Als wij bedenken, dat het lange uitstellen van het aannemen van een zoo rechtvaardige en natuurlijke basis van echtscheiding berust op de kunstmatige spanning, die geschapen wordt door den druk van de doode hand van de canonieke wet--een spanning, die uitsluitend beperkt is tot het Christendom--dan mogen we ook erkennen, dat met het verdwijnen van die spanning de juiste en natuurlijke orde in deze verhouding des te sneller zal terugkomen, omdat het zoo lang geduurd heeft, eer die verlossing kwam. "De Natuur verafschuwt een ledig nergens zoozeer als in het huwelijk", merkt Ellen Key op in de taal van verouderde physieke beeldspraak; het ledig zal zich op de eene of andere wijze vullen, en als het zich niet kan vullen op een natuurlijke en ordelijke wijze, dan zal het zich vullen op onnatuurlijke en onordelijke wijze. Het is de zaak van de maatschappij er op te letten, dat geen wetten aan het instellen van een natuurlijke orde in den weg staan.
Hervorming op een verstandige basis is moeilijk gemaakt doordat ongelukkigerwijze het denkbeeld van misdaad behouden is gebleven. Met de tradities van de canonisten nog in ons hoofd, hebben wij onszelf op de eene of andere wijze ervan overtuigd, dat er geen echtscheiding kan wezen, tenzij er een misdadiger is, een werkelijk ernstige misdadiger, die, als hij kreeg wat hij verdiende, opgesloten en tot schande gebracht moest worden. Maar in de huwelijksverhouding is er, evenals in alle andere verhoudingen, maar een zeer klein aantal gevallen, waarin de eene partij tegenover de andere staat als misdadiger of zelfs als aanklager. Dit blijkt dikwijls duidelijk in de eerste stadiën van huwelijksverwijdering. Maar het blijft waar tot het eind toe. De vrouw begaat echtbreuk en de man neemt als een zaak, die van zelf spreekt, de positie in van aanklager. Maar wij vragen niet, hoe het komt, dat hij niet zóo haar liefde gewonnen heeft, dat echtbreuk van haar kant buiten kwestie is; zulk een navraag zou dikwijls tot de conclusie voeren, dat de werkelijke beklaagde de man is. En ook, als de man beschuldigd wordt van brutale wreedheid, dan draagt de wet geen zorg te onderzoeken of door het aanbrengen van minder brutale, maar niet minder scherpe wonden, de vrouw ook niet tot beklaagde behoorde gemaakt te worden. Er zijn enkele weinige gevallen, waarin de verhouding van aanklager en gedaagde niet een volkomen valsche en kunstmatige verhouding is, een immoreele, wettelijke fictie. In de meeste gevallen moesten, als de waarheid geheel bekend was, man en vrouw samen voor het echtscheidingsgerecht verschijnen en verklaren: "Wij hebben beiden ongelijk: wij zijn niet in staat geweest onze verplichtingen jegens elkander na te komen; wij hebben ons vergist, toen wij elkander kozen". De lange verslagen over de zaak in openbare behandeling, de wederzijdsche verwijten, de detectives, de dienstmeisjes en andere getuigen, het verfoeilijk navraag doen naar intieme geheimen--al deze dingen, die geen noodzakelijkheid ooit zou kunnen rechtvaardigen, zijn volkomen onnoodig.
Er wordt door sommigen gezegd, dat een man, als er geen beletsels bestonden tegen de echtscheiding, achtereenvolgens zou kunnen trouwen met een half dozijn vrouwen. Deze naïeve of onwetende personen schijnen niet te beseffen, dat zelfs als het huwelijk absoluut onverbreekbaar is, een man sexueele betrekkingen kan onderhouden met een half dozijn vrouwen, niet alleen na elkaar, maar als hij dat wil, tegelijkertijd; en dat hij dat ook dikwijls doet. Er is echter dit belangrijke verschil, dat in het eene geval, de man door de wet wordt aangemoedigd om te meenen, dat hij maar een van die zes vrouwen behoeft te behandelen met iets dat lijkt op rechtvaardigheid en menschelijkheid; in het andere geval dringt de wet er op aan, dat hij zijn verplichtingen zal nakomen jegens al de zes vrouwen. Het is een zeer belangrijk onderscheid, en er behoorde geen kwestie over te zijn, welke staat van zaken moreel is en welke immoreel. Het is geen zaak, die den staat aangaat, te onderzoeken met hoeveel personen een man of een vrouw sexueele betrekkingen wenscht te onderhouden; het is een persoonlijke zaak, die wel invloed kan hebben op hun eigen fijnere geestelijke ontwikkeling, maar waarvan het voor den staat onbeschaamd is er binnen te gluren. Het is echter de zaak van den staat, in het gemeenschappelijk belang en in dat van zijn leden, er op te letten, dat er geen onrechtvaardige dingen gedaan worden.
Maar hoe met de kinderen? Dat is noodzakelijk een zeer belangrijke kwestie. De kwestie van de bepalingen, die voor de kinderen gemaakt worden in gevallen van echtscheiding is er altijd een, waaraan de staat zijn volle aandacht moet wijden, want alleen als er kinderen zijn heeft de staat eenig werkelijk belang bij de zaak.
Er was een tijd, toen er zelfs door sommigen verondersteld werd dat het bestaan van kinderen een ernstig argument was tègen het bevorderen van de echtscheiding. Nu wordt algemeen een redelijker standpunt ingenomen. Er wordt in de eerste plaats erkend, dat een zeer groot aantal paren, die echtscheiding zoeken, geen kinderen hebben. In Engeland is de verhouding ongeveer veertig percent; in sommige andere landen is ze ongetwijfeld nog grooter. Maar zelfs als er kinderen zijn, dan kan niemand, die zich duidelijk voor oogen stelt hoe de toestanden zijn in families, waar de ouders gescheiden moesten wezen, maar het niet zijn, eenigen twijfel hebben of die toestanden zijn buitengewoon slecht voor de kinderen. De spanning tusschen de ouders neemt energie in beslag, die gewijd moest zijn aan de kinderen. Het zien van het verdriet of de twisten van hun ouders werkt demoraliseerend op de kinderen en is gewoonlijk fnuikend voor hun respect voor hen. Op zijn best is het hinderlijk bedroevend voor de kinderen. Een van de ouders, maar dan tot werkzaamheid instaat, is veel beter voor een kind, dan twee ouders, die niet tot werkzaamheid in staat zijn. Twee menschen, die samen in oneenigheid leven--de eene van hen, zooals niet zelden het geval is, abnormaal of zenuwziek--zijn niet geschikt om ouders te worden, en ook niet in den besten toestand voor de voortplanting. Het is daarom niet alleen een daad van rechtvaardigheid jegens het individu, maar een maatregel, door de belangen van den staat geëischt, dat geen nieuwe burgers in de gemeenschap gebracht zullen worden door zulke gebrekkige kanalen [349]. Uit dit gezichtspunt zijn al de belangen van den staat aan de zijde van vergemakkelijking van de echtscheiding.
Er is ten slotte nog een argument, dat dikwijls opgeworpen wordt tegen het vergemakkelijken van de echtscheiding. Het huwelijk, zegt men, is er ter bescherming van de vrouwen; maak de echtscheiding gemakkelijker en de vrouwen zullen van die bescherming beroofd worden. Klaarblijkelijk houdt dit argument geen steek bij echtscheiding met wederzijdsch goedvinden. Zeker is het noodzakelijk, dat echtscheiding alleen zal worden tot stand gebracht onder omstandigheden, die in ieder individueel geval de goedkeuring van de wet hebben verkregen, als rechtvaardig. Maar men moet zich altijd herinneren, dat het essentieele feit van het huwelijk niet van nature is, en nooit kunstmatig moet gemaakt worden, tot een economische kwestie. Het is mogelijk--dat is een kwestie, die de maatschappij zal hebben te overwegen--dat een vrouw betaald zal worden omdat ze moeder is, op grond dat zij nieuwe burgers opvoedt voor den staat. Maar noch de staat, noch haar man, noch iemand anders behoorde haar te betalen voor het uitoefenen van haar huwelijksrechten. Het feit, dat zulk een argument te berde kan gebracht worden toont aan, hoe ver we nog verwijderd zijn van de gezonde biologische houding jegens de sexueele verhoudingen. Even ongezond is de meening, dat de maagdelijke bruid aan haar man met het huwelijk een belangrijk kapitaal meebrengt, dat verbruikt wordt bij de eerste daad van verkeer, en dat nooit weer terug gekregen kan worden. Dat is een denkbeeld, dat is blijven voortbestaan in de beschaving, maar dat tot de barbaarschheid en niet tot de beschaving behoort. Voor zoover het eenige waarde heeft, ligt het binnen de sfeer van erotische perversiteit, die niet in overweging kan gebracht worden bij het schatten van moreele waarden. Voor de meeste mannen heeft echter in ieder geval, of zij het weten of niet, de vrouw, die ingewijd is in de geheimen van de liefde, een hoogere erotische waarde dan de maagd, en men behoeft zich op dezen grond geen zorg te maken voor de vrouw, die haar maagdelijkheid verloren heeft. Het is waarschijnlijk een feit van beteekenis, dat deze ongerustheid over de bescherming van de vrouwen door de beperking op de echtscheiding voornamelijk te berde gebracht wordt door mannen en niet door vrouwen zelf. Een vrouw wordt bij het huwelijk door de maatschappij en de wet beroofd van haar eigen naam. Zij is tot zeer kort geleden verstoken geweest van haar recht op haar eigen verdienste. Zij mist de meest intieme rechten op haar eigen persoon. Zij wordt, onder bepaalde omstandigheden, van haar eigen kind beroofd, zelfs als zij er niets verkeerds tegen gedaan heeft. Het behoeft misschien nauwelijks verwondering te wekken, dat zij niet bijzonder geneigd is de bescherming te waardeeren, die haar gegeven wordt door haar het recht te onthouden zich van haar man te laten scheiden. "O, neen, geen bescherming!" heeft een schitterende Fransche schrijfster geschreven. "We zijn lang genoeg beschermd geworden. De eenige bescherming, die men aan vrouwen kan geven is dat men ophoudt haar te beschermen" [350]. Het schijnt wel een feit te zijn, dat de echtscheidingsbeweging zich over het geheel ontwikkelt, mèt die ontwikkeling van de moreele verantwoordelijkheid van de vrouw, die in het vorige hoofdstuk is nagegaan; en waar de echtscheiding het vrijste is, daar nemen de vrouwen de hoogste positie in.
Als we den aard en de richting van de moderne echtscheidingsbeweging in het oog vatten, merken we duidelijk op, dat de eindneiging van die beweging is, zichzelf uit te wisschen.
Hoe noodzakelijk het echtscheidingsgerechtshof geweest is als onvermijdelijk gevolg van een onmogelijke kerkelijke opvatting van het huwelijk, nú is er geen instelling, die leelijker, en meer vreemd aan de instinctieve gevoelens, door een mooie beschaving voortgebracht, en meer tegenovergesteld aan de waardigheid van de vrouwelijkheid is [351]. Het verdwijnen van deze instelling en het ontstaan in plaats daarvan van persoonlijke bepalingen, een soort contracten, vooral als er kinderen zijn om onder wettig en zoo noodig rechterlijk toezicht voor te zorgen, is, en is altijd geweest, het natuurlijk resultaat van het bereiken van een eenigszins hoog stadium van beschaving. Het echtscheidingsgerecht is niets dan een phase geweest in de geschiedenis van het moderne huwelijk, en een phase, die werkelijk stuitend is geweest voor allen, die het aanging. Men behoeft haar eindelijk verdwijnen met niets anders dan tevredenheid te beschouwen. Ze was alleen maar het gevolg van een kunstmatige opvatting van het huwelijk. We moeten nu tot de beschouwing van die opvatting terugkeeren.
We hebben gezien, dat, toen de Katholieke ontwikkeling van de oeroude opvatting van het huwelijk als een sacrament, langzaam gevormd en weer versteend door de vernuftigheid van de Canonisten, ten slotte in naam onttroond, maar niet vernietigd werd door de beweging, die met de Hervorming samenging, ze vervangen werd door de opvatting van het huwelijk als een contract. Deze opvatting als contract vindt nog heden een grooten aanhang onder ons.
Er moeten altijd implicite of explicite contractselementen zijn in een huwelijk; dat werd zelfs duidelijk erkend door de Canonisten. Maar als we het huwelijk als een contract behandelen, en als niets dan een contract, dan moeten we inzien, dat we een zeer eigenaardigen vorm van contract ingesteld hebben, een, dat niet zooals andere contracten, verbroken kan worden op verzoek van de partijen, die het gesloten hebben, maar dat alleen ontbonden kan worden als een soort van straf voor misdrijf eer dan als de zelf gewilde vernietiging van een verbond [352]. Toen de Protestantsche Hervormers beslag legden op het denkbeeld van het huwelijk als contract, werden ze niet geïnfluenceerd door eenige met redenen omkleede ontleding van de eigenaardigheden van een contract; zij wenschten alleen maar een aannemelijken grond te vinden, zooals die reeds zelfs door de Canonisten was aangenomen, om bepaalde zijden van de huwelijksvereeniging te bemantelen, waarop zij zouden kunnen verklaren, dat het huwelijk een wereldlijke en niet een kerkelijke zaak is, een burgerlijke band en niet een sacramenteel proces [353].
Zooals zooveel in den Protestantschen opstand, lag de kracht van deze houding in het feit, dat ze een protest was, dat aan zijn negatieve zijde gebaseerd was op verstandige en natuurlijke gronden. Maar terwijl het Protestantisme gelijk had in zijn poging--want het was alleen maar een poging--om het gezag van de canonieke wet niet te erkennen, was die poging aan den positieven kant volkomen onbevredigd. Feitelijk is het huwelijk nooit een werkelijk contract geweest en evenmin is er ooit een poging gedaan om het in een werkelijk contract te veranderen.
Verschillende schrijvers hebben het huwelijk behandeld als een werkelijk contract of beweerd, dat het veranderd moest worden in een werkelijk contract. Mevr. Caird bijvoorbeeld ("The Morality of Marriage", Fortnightly Review, 1890) meent, dat, als het huwelijk werkelijk een contract wordt, "een paar hun overeenkomst moeten opstellen, of die taak opdragen aan hun vrienden, zooals nu gewoonlijk gedaan wordt met huwelijksvoorwaarden. Zij komen overeen om zoo of zoo te leven, en maken zekere bepalingen binnen de grenzen van het wetboek". De staat, zegt zij, moest echter een tusschentijd eischen tusschen de aankondiging van de echtscheiding en de echtscheiding zelf, als die nog gewenscht wordt, nadat deze tusschentijd verstreken is. Evenzoo dringt in de Vereenigde Staten Dr. Shufeldt ("Needed Revision of the Laws of Marriage and Divorce", Medico-Legal Journal, Dec. 1897) er op aan, dat het huwelijk geheel in handen moet gesteld worden van de rechtsgeleerden en "gemaakt tot een burgerlijk contract, uitvoerig in bijzonderheden, en termen bepalende voor echtscheiding, in geval een ontbinding van het contract later vereischt wordt". Hij voegt er bij, dat medische attesten van vrij zijn van geërfde of verkregen ziekte moesten geëischt worden, en dat ook behoorlijk geregelde proefhuwelijken behoorden ingesteld te worden.
In Frankrijk was een afgevaardigde van de Kamer er in 1891 zoo van overtuigd, dat het huwelijk een contract is, evenals ieder ander contract, dat hij verklaarde dat "muziek te maken bij het voltrekken van een huwelijk even belachelijk is als het zijn zou om een tenor te laten komen bij een notaris om den verkoop te vieren van brandhout". Hij dacht er heel anders over dan Pepys, die, een paar eeuwen vroeger even verontwaardigd geweest was over de afwezigheid van muziek bij een bruiloft, hetgeen, naar hij zeide, deze deed gelijken op het paren van een paar honden.
Een veel voorkomende eisch van hen, die er op aandringen, dat het huwelijk moet beschouwd worden als een contract, is het huwelijk aangegaan voor den tijd van eenige jaren. Er konden in het oude Japan huwelijken aangegaan worden voor den tijd van vijf jaar of minder, en men zegt, dat zij aan het einde van dien tijd bijna nooit ontbonden werden. Goethe laschte in zijn Wahlverwandtschaften (deel I, hoofdstuk X) als bijomstandigheid een voorstel in om huwelijken aan te gaan voor den tijd van vijf jaar, en hechtte veel waarde aan het verlengen van het huwelijk na dien tijd zonder uiterlijken dwang. (Bloch meent, dat Goethe waarschijnlijk gehoord had van de Japansche gewoonte, Sexual Life of Our Time, p. 241). Ook Professor E. D. Cope ("The Marriage Problem", Open Court, Nov. 15 en 22, 1888), raadde, om het huwelijk uit de sfeer van de caprice te verwijderen en een volledigen en behoorlijken proeftijd toe te staan, aan "een systeem van burgerlijke huwelijkscontracten, die over een bepaalden tijd zullen loopen. Deze contracten moesten van dezelfde waarde zijn en dezelfde uitwerking hebben als het bestaande huwelijkscontract. De tijdgrenzen behoorden snel toe te nemen, om te voorkomen dat vrouwen van rijper jaren zonder steun zouden zijn. Het eerste contract zou niet korter moeten duren dan vijf jaar, om ruimschoots gelegenheid te geven tot kennismaking en tot het oplossen van tijdelijke oneenigheden". Dit eerste contract, meende Cope, moest geëindigd kunnen worden op wensch van een der twee partijen; het tweede contract, voor tien of vijftien jaar, moest alleen geëindigd kunnen worden op den wensch van beide partijen, en het derde zou duurzaam moeten zijn en onontbindbaar. Ook George Meredith, de bekende romanschrijver, heeft in veel later tijd den wensch uitgesproken, dat huwelijken zouden worden aangegaan voor den tijd van een zeker aantal jaren.