De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 57
Het is natuurlijk, dat de Engelschman zeer gevoelig is voor deze vlek in de wetten van Engeland, en dat hij wenscht dat een systeem, dat zoo blootstaat aan bijtend sarcasme, spoedig zal verdwijnen. Het is natuurlijk, dat ieder menschelijk wezen ongeduldig wordt bij het zien van zooveel vernielde levens, van zooveel ellende aan onschuldige menschen aangedaan--en aan personen, die, zelfs als ze technisch schuldig zijn, dikwijls het slachtoffer zijn van onnatuurlijke omstandigheden--door het blijven voortbestaan van een middeleeuwsch systeem van kerkelijke tyrannie en van inquisitorische onbeschaamdheid in een tijd, waarop we sexueele verhoudingen beginnen te beschouwen als het onschendbare geheim van de personen, die er van nabij in betrokken zijn, en nu we meer en meer ons verlaten op de verantwoordelijkheid van het individu bij het aangaan en het in stand houden van zulke verhoudingen.
Als wij onze gedachten echter niet concentreeren op speciale landen en als we de algemeene beweging van de beschaving in zake de echtscheiding in den laatsten tijd in het oog vatten, dan kan er niet de minste twijfel bestaan aan de richting van die beweging. Engeland was een halve eeuw geleden een pionier in die beweging, en tegenwoordig beweegt iedere beschaafde natie zich in dezelfde richting voort. Frankrijk brak in 1885 met de oude kerkelijke traditie van de onontbindbaarheid van het huwelijk door een wet op de echtscheiding, die in sommige opzichten zeer verstandig is. De vrouw kan echtscheiding verkrijgen op gelijke gronden als haar man (hoewel zij kans heeft op gevangenschap voor echtbreuk), de medeplichtige neemt een zeer ondergeschikte plaats in in aanklachten voor echtscheiding, en faciliteiten voor echtscheiding worden gegeven op grond van eenvoudige injures graves (daarvan zooveel mogelijk uitgesloten alleen incompatibilité d'humeur), terwijl de rechter de macht heeft, die hij dikwijls met succes aanwendt, om onder vier oogen een verzoening tot stand te brengen, of om zonder openlijk verhoor een echtscheidingsvonnis uit te spreken. De invloed van Frankrijk is ongetwijfeld bij het vormen van de echtscheidingswetten van de andere Latijnsche landen groot geweest.
In Pruisen bestond vroeger een verlichte wet op de echtscheiding, waarbij het mogelijk was om zonder schandaal te scheiden, als het duidelijk was gebleken, dat man en vrouw niet samen in overeenstemming konden leven. Maar de Duitsche wet van 1900 voerde, wat de echtscheiding betreft, bepalingen in, die--terwijl ze in sommige opzichten liberaler zijn dan de Engelsche wetten, vooral doordat ze echtscheiding toelaten bij verlating en krankzinnigheid--over het geheel een schrede achteruit zijn vergeleken bij de vroegere Pruisische wet en de zaak op een ruwer en grover basis plaatsen. Twee jaar nadat de wet in werking trad nam het aantal echtscheidingen af; daarna pasten het publiek en de rechtbanken zich aan aan de nieuwe bepalingen (meer speciaal aan een, die echtscheiding toestond voor ernstige verwaarloozing van huwelijksplichten) en het aantal echtscheidingen begon met groote snelheid toe te nemen. "Maar", merkt Hirschfeld op, "hoe pijnlijk is het nu geworden om over echtscheidingszaken te lezen! De eene partij scheldt de andere partij uit, komt met beschuldigingen van de platste soort, gebruikt detectives om de noodige bewijzen te krijgen van "oneerbaar en immoreel gedrag", terwijl vroeger alleen noodig was, dat de beide partijen wisten, dat ze zich in elkander vergist hadden, dat ze niet bij elkander pasten en dat ze niet langer samen konden leven. Zoo zien we, dat het beperken van de individueele verantwoordelijkheid in sexueele zaken niet alleen geen praktisch resultaat gehad heeft, maar dat het voert tot schadelijke gevolgen van een ernstige soort" [339]. In Engeland heeft een dergelijke stand van zaken geheerscht sinds den tijd, dat de echtscheiding ingesteld werd, maar deze toestand schijnt te gewoon geworden te zijn, dan dat iemand er last of displeizier door zou ondervinden. Toch heeft ze, zooals Adner zegt [340], zich voortbewogen in een richting, die tegenovergesteld is aan de algemeene neiging van de beschaving, niet alleen doordat ze de inquisitorische macht der publieke gerechtshoven vermeerderd heeft, maar ook doordat ze den nadruk gelegd heeft op zuiver uiterlijke redenen tot echtscheiding en de fijne innerlijke oorzaken, die met de verfijning van de beschaving voortdurend in belangrijkheid toenemen, buiten beschouwing laat.
In Oostenrijk heerschte tot kort geleden de canonieke wet absoluut, en het huwelijk was onontbindbaar, zooals het nu nog is voor de Katholieke bevolking. De resultaten voor het huwelijksgeluk waren in de hoogste mate bedroevend. Een halve eeuw geleden deed Gross-Hoffinger onderzoek naar het huwelijksgeluk van 100 paren in Venetië uit alle maatschappelijke klassen, voor de vuist genomen, en hij geeft een uitvoerige beschrijving van de resultaten. Hij vond, dat 48 paren beslist ongelukkig waren, slechts 16 waren ontwijfelbaar gelukkig, en zelfs onder deze was er maar éen geval, waarin het geluk het gevolg was van wederzijdsche trouw, en werd het geluk in de andere gevallen alleen bereikt, doordat de kwestie der trouw ter zijde gesteld was [341]. Dit beeld is, naar we hopen, niet meer waar. Er is een invloedrijke vereeniging tot hervorming van het huwelijk in Oostenrijk, die een blad uitgeeft, genaamd Die Fessel of "de keten". "De een was geketend aan den ander", vertelt het ons. "In zekere omstandigheden moet dit de ergste en kwellendste straf geweest zijn, die men zich denken kan. De meest dwaze en stuitende paringen vonden plaats. Wel waren er vele vriendschappelijke keten-gemeenschappen. Maar er waren er een heeleboel meer, die een eindelooze hoeveelheid leed berokkende aan een van de twee". Deze aanhaling, moeten we er aan toevoegen, heeft niets te maken met wat de Canonisten, den technischen term ontleenende aan de ketens van een gevangene, suggestief noemden de vinculum matrimonii; ze werd vele jaren geleden geschreven over de galeistraf van het oude Fransche systeem voor veroordeelden. Ze wordt echter weer in de herinnering gebracht door den titel, die de vereeniging tot hervorming van het huwelijk in Oostenrijk aan haar officieele orgaan gegeven heeft.
Rusland, waar de huwelijkswetten geregeld zijn door de Heilige Synode, geholpen door de juristen, staat bijna alleen onder de groote landen in den verstandigen eenvoud van zijn regeling van de echtscheiding. Vóor 1907 was echtscheiding in Rusland zeer moeilijk te verkrijgen, maar in dat jaar werd het voor een getrouwd paar mogelijk om van elkaar te gaan met wederzijdsch goedvinden, om, nadat ze een jaar lang gescheiden geleefd hadden, daardoor het recht te verkrijgen op echtscheiding, die hen in staat stelt om te hertrouwen. Deze regeling is in overeenstemming met de humane opvatting van de sexueele verhouding, die in Rusland altijd overheerscht heeft, waar, naar wij ons moeten herinneren, de strenge en onnatuurlijke idealen van gedwongen celibaat, door de Westersche kerk gekoesterd, nooit geheel zijn doorgedrongen; de geestelijken van de Oostersche kerk mogen trouwen, hoewel het huwelijk plaats moet vinden voordat ze priester worden, en zij zouden geen sympathie kunnen hebben voor den anti-sexueelen toon van de regeling van het huwelijk, die gemaakt is door de geestelijkheid van het Westen.
Ook Zwitserland, dat beschouwd wordt als het politieke laboratorium van Europa, staat apart in de liberaliteit van de echtscheidingswetgeving. Een echtscheiding voor twee jaar, die vernieuwd kan worden, kan in Zwitserland verkregen worden, als er zijn "omstandigheden, die een ernstig beletsel zijn voor het in stand houden van den huwelijksband". Aan het Groothertogdom Luxemburg komt ten slotte de eer toe van steeds het groote principe van echtscheiding met wederzijdsch goedvinden met kracht te hebben gehandhaafd onder wettelijke voorwaarden, zooals door Napoleon in 1803 was ingesteld. De kleinere landen zijn de grootere meestal vooruit in zaken van de echtscheidingswet. De Noorsche wet is liberaal. De nieuwe Rumeensche wet staat echtscheiding toe met wederzijdsch goedvinden, mits beide ouders evenveel van hun bezittingen aan hun kinderen geven. Het kleine vorstendom Monaco heeft onlangs een verstandige regeling ingevoerd, en staat echtscheiding toe, onder andere voor alcoholisme, syphilis en epilepsie, en beschermt op deze wijze het toekomstige ras.
Buiten Europa wordt het leerrijkste voorbeeld van de neiging tot echtscheiden ongetwijfeld geleverd door de Vereenigde Staten van Amerika. De echtscheidingswetten van de Vereenigde Staten zijn voornamelijk op een Puriteinsche basis gegrond, en daarin treedt niet alleen de Puriteinsche liefde voor persoonlijke vrijheid, maar ook de Puriteinsche vormelijkheid op den voorgrond [342]. In sommige staten, voornamelijk in Jowa, zijn de wetgevers voortdurend bezig geweest met het aannemen, veranderen, afschaffen en weer invoeren van bepalingen van hun echtscheidingswetten, en Howard heeft aangetoond hoeveel verwarring en ongemak er voortkomt door het steeds beuzelen van de wetgeving over kleinigheden.
Deze rustelooze vormelijkheid heeft wel eenigszins de over het algemeen breede en liberale neiging van de huwelijkswet in Amerika verborgen, en heeft de critiek van buitenlanders op Amerikaansche instellingen aangemoedigd. Het is een feit, dat het algemeen voorkomen van de echtscheiding in Amerika ten zeerste overdreven is. De verhouding van gescheiden personen in de bevolking schijnt minder te zijn dan eén percent, en, tegenovergesteld aan wat zoo dikwijls beweerd wordt, is het geenszins regel, dat gescheiden personen dadelijk weer trouwen. De speciale toestanden van het leven in de Vereenigde Staten in aanmerking genomen, zijn er niet veel scheidingen en de aard ervan geeft in het geheel geen blijk van een lagen graad van moraal. Een onpartijdig en bekwaam beoordeelaar van het Amerikaansche volk, Professor Münsterberg, merkt op, dat de werkelijke oorzaak, die voornamelijk aanleiding geeft tot echtscheiding in de Vereenigde Staten--niet de zuiver wettelijke voorwendsels, die noodig gemaakt zijn door de vormelijkheid van de wet--het ethische bezwaar is van uiterlijk te blijven voortleven in een huwelijk, dat opgehouden heeft geestelijk eensgezind te zijn. "Het zijn voornamelijk de vrouwen" zegt hij, "en gewoonlijk de allerbeste vrouwen, die er de voorkeur aan geven den stap te wagen, met al de moeilijkheden die er aan verbonden zijn, boven het voortzetten van een huwelijk, dat geestelijk huichelachtig en immoreel is" [343].
De bevolking van de Vereenigde Staten koestert meer dan eenige andere bevolking idealen van individualisme; onder hen vindt men ook de menschen onder wie, meer dan onder anderen, de grootste mate bestaat van wat Reibmayr noemt "bloed-chaos". Onder zulke omstandigheden zijn de moeilijkheden van het huwelijksleven natuurlijk buitengewoon groot, en heeft de huwelijksvereeniging kans te stooten op subtiele bezwaren, die de wet niet formuleeren kan [344]. Er kan niet veel twijfel aan bestaan, of de praktische slimheid van het Amerikaansche volk zal hen vroeger of later in staat stellen dit feit te erkennen, en het zal ten slotte den Puriteinschen drang van zijn echtscheidingswetgeving volgende--zooals die in zijn resultaat voorspeld is door Milton--overeenkomen om aan zijn burgers zelven de verantwoordelijkheid toe te vertrouwen in een zoo persoonlijke zaak als hun huwelijksverhoudingen, met, natuurlijk, het recht bij de gerechtshoven om er op toe te zien, dat er geen onrechtvaardigheden begaan worden. Het wekt inderdaad verwondering, dat het Amerikaansche volk, dat gewoonlijk zoo weinig inmenging van den Staat kan verdragen, in deze zaak zoo lang zulke inmenging in een zoo persoonlijke zaak verdragen heeft.
De echtscheidingsbeweging beperkt zich niet tot het Christendom; ze is een kenteeken van de moderne beschaving. In Japan is het aantal echtscheidingen grooter dan in eenig ander land, de Vereenigde Staten niet uitgesloten [345]. De krachtigste en meest vooruitstrevende landen zijn die, waar het sterkst aangedrongen wordt op reinheid in de sexueele vereenigingen. In de Vereenigde Staten werd er vele jaren geleden op gewezen, dat echtscheiding het meest voorkomt daar, waar de standaard van opvoeding en moraal het hoogst is. Het waren de Nieuw-Engelsche Staten, met strenge tradities van moreele vrijheid, die de leiding hebben gegeven bij het toestaan van faciliteiten tot echtscheiden. De echtscheidingsbeweging is niet, zooals sommigen dwazelijk gemeend hebben, een beweging, die leidt tot immoraliteit [346]. Immoraliteit gaat onvermijdelijk samen met het onverbreekbare huwelijk; de nadruk, die er gelegd wordt op de heiligheid van een zuiver vormelijke vereeniging, is niet bevorderlijk voor de ontwikkeling van de moreele verantwoordelijkheid wat de verbintenissen aangaat, die in haar schaduw groeien en voorwaardelijk heilig zijn. Als we er aan den anderen kant, door het instellen van faciliteiten tot echtscheiding, op aandringen, dat sexueele verhoudingen werkelijk zullen zijn, is dat de zaak van de moraal in de hand werken. De landen, waar echtscheiding met wederzijdsch goedvinden het langst heeft bestaan, behooren waarschijnlijk tot de moreelste en niet tot de minst moreele landen.
Men heeft er zijn verwondering over geuit, dat, hoewel echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden zich al twee duizend jaar geleden aan de met rechtszin begaafde Romeinen aanbevolen heeft als een klaarblijkelijk rechtvaardige en verstandige maatregel, die oplossing zelfs tegenwoordig nog zoo weinig door de moderne staten bereikt is [347]. Overal, waar de maatschappij op een stevig georganiseerde basis berust, en waar de eischen van de rede en der menschelijkheid voldoende overwogen worden--zelfs als het algemeene niveau van de beschaving niet in elk opzicht hoog is--daar vinden we een neiging tot echtscheiding met wederzijdsch goedvinden.
In Japan wordt het huwelijk, overeenkomstig het burgerlijk wetboek, ongeveer zooals het in het oude Rome was, gesloten door het mededeelen van het feit aan den ambtenaar van den burgerlijken stand in tegenwoordigheid van twee getuigen, onder toestemming (in het geval van jonge paren) van het hoofd van hun familie. Er kan ook een ceremonie zijn, maar die wordt door de wet niet geëischt. Echtscheiding wordt op precies dezelfde wijze verkregen, enkel door de inschrijving te laten schrappen, mits de man en de vrouw beiden boven de vijf en twintig jaar oud zijn. Voor jongere paren, die ongelukkig getrouwd zijn, en voor gevallen, waarin wederzijdsch goedvinden niet verkregen kan worden, bestaat er gerechtelijke echtscheiding. Deze wordt toegestaan voor verschillende speciale redenen, waarvan de voornaamste is "zware beleediging, zoodat het samenleven ondragelijk wordt" (Ernest W. Clement, "The New Woman in Japan", American Journal of Sociology, Maart 1903). Zulk een systeem schijnt, evenals zooveel anders, dat door Japansche organisatie bereikt is, verstandig, voorzichtig en krachtig te zijn.
In het heel andere en veel oudere huwelijkssysteem van China is de echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden even goed ingericht. Zulk een echtscheiding met wederzijdsch goedvinden vindt plaats voor "incompatibilité d'humeur", of als man en vrouw het beiden wenschen. Er zijn echter verschillende verouderde en eigenaardige regelingen in de Chineesche huwelijkswetten, en echtscheiding is verplichtend voor echtbreuk van de vrouw of voor ernstige physieke nadeelen, toegebracht door de eene partij aan de andere. (De huwelijkswetten van China zijn volledig uiteengezet door Paul d'Enjoy, La Revue, Sept. 1908).
Bij de oude bewoners van Wales, hadden de vrouwen zoowel voor als na het huwelijk, groote vrijheid, veel meer dan toegestaan werd door het Christendom of door de gewone Engelsche wet. "In de praktijk konden man en vrouw van elkaar gaan, als een van tweeën of beiden het wenschten" (Rhys en Brynmor-Jones, The Welsh People, p. 214). Zoo was het ook in het oude Ierland. Vrouwen hadden een zeer hooge positie, en de huwelijksband was zeer los, zoodat hij in de praktijk, naar het scheen, ontbindbaar was bij wederzijdsch goedvinden. Voor zoover de wetten van de Brehonen aantoonen, zegt Ginnell (The Brehon Laws, p. 212), "was de huwelijksverhouding buitengemeen los, en de echtscheiding even makkelijk, en kon op even geringen grond verkregen worden als nu het geval is in sommige Staten van Noord-Amerika. Het schijnt wel, dat ze gemakkelijker te verkrijgen was voor de vrouw dan voor den man. Als ze op haar verzoek verkregen werd, dan nam ze alle bezittingen mee, die zij haar man had aangebracht, of die haar man op haar had vastgezet bij hun huwelijk, en bovendien zooveel van de bezittingen van haar man als waarop het scheen, dat haar vlijt haar aanspraak gaf".
Zelfs in de oudste Fransche geschiedenis vinden we, dat echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden zeer gewoon was. Het was voldoende om in duplicaat een formeel document op te stellen van dezen inhoud: "Daar er tusschen N. en zijn vrouw oneenigheid is in plaats van liefde, zooals God bevolen heeft, en omdat het daarom voor hen onmogelijk is samen te leven, heeft het hen behaagd uit elkander te gaan en zij hebben dat gedaan". Ieder van de partijen was zoodoende vrij om in een klooster te gaan of om een andere vereeniging aan te gaan (E. de la Bedollière, Histoire des Moeurs des Français, deel I, p. 317). Zulk een gewoonte, hoe ze ook mocht overeenkomen met het gronddenkbeeld van toestemming, belichaamd in de canonieke wet, was te zeer strijdig met de kerkelijke leer van de sacramenteele onontbindbaarheid van het huwelijk om in stand te blijven, en ze werd geheel afgeschaft.
Het feit, dat we echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden maar zelden in het Christendom vinden voor het begin van de negentiende eeuw, dat het toen een man vereischte van het geweldige en revolutionaire genie als Napoleon, om ze weer in te voeren, en dat zelfs hij niet in staat was dit met effect te doen, is klaarblijkelijk een gevolg van de groote overwinning, die de ascetische geest van het Christendom, zooals die vastgelegd is in de canonieke wetten, verkregen had over de zielen en de lichamen van de menschen. Zoo gebukt gingen de Europeesche tradities en instellingen onder dezen geest, dat zelfs de vulcanische opstand van de Reformatie, zooals we gezien hebben, ze niet kon afschudden. Toen de Protestantsche Staten, zooals ook natuurlijk was, de heerschappij op zich namen over wereldsche zaken, die in handen van de kerk waren geweest, en toen ze aan den invloed der geestelijken die dingen ontworsteld had, die tot de sfeer van het individueele geweten behoorden, toen zou men zoo denken, dat het huwelijk en de echtscheiding onder de eerste zouden behoord hebben, die op die wijze werden overgedragen. Toch was, zooals we weten, Engeland bijna evenzeer onderworpen aan den geest en zelfs aan de letter van de canonieke wet in de negentiende als in de veertiende eeuw, en zelfs tegenwoordig blijft de Engelsche wet, hoewel ze niet langer door de publieke opinie gesteund wordt, aan dezelfde tradities getrouw.
Er schijnt echter weinig twijfel aan te bestaan, of de moderne echtscheidingsbeweging moet onvermijdelijk neigen naar het doel, een huwelijk ontbindbaar te maken, indien beide partijen dat wenschen onder juiste omstandigheden en beperkingen, indien een der partijen dat wenscht. Er wordt tegenwoordig de wil van twee personen vereischt om een huwelijk te vormen; de wet eischt dit onvoorwaardelijk [348]. Het is logisch, zoowel als rechtvaardig, dat de wet ook de volgende stap zal doen, die de historische ontwikkeling van het huwelijk met zich brengt, en er ook op aan zal dringen, dat de wil van twee personen noodig zal zijn om het huwelijk in stand te houden. Deze oplossing is ongetwijfeld de eenige weg om te ontkomen aan de ruwheden, de indecenties, de niet te ontwarren ingewikkeldheden, die in de wet ingevoerd zijn door de vergeefsche pogingen om in bijzonderheden te voorzien in al de mogelijkheden van huwelijksoneenigheden, die onder de voorwaarden van de moderne beschaving kunnen ontstaan. Het is bovendien, daar mogen we gerust op zijn, de eenige oplossing, die de aangroeiende moderne zin voor persoonlijke verantwoordelijkheid in sexueele zaken, die we in het vorige hoofdstuk hebben nagespoord--de verantwoordelijkheid van vrouwen zoowel als van mannen--geneigd zal zijn aan te nemen.
De fijne en samengestelde aard van de sexueele verhoudingen in een hooge beschaving en de ongelukkige gevolgen van de regeling ervan door den Staat al in 1792 zijn bijzonder goed uiteengezet door Wilhelm von Humboldt in zijn Ideeen zu einem Versuch die Grenzen der Wirksamkeit des Staates zu bestimmen. "Een vereeniging, die zoo nauw verbonden is met den aard zelf der respectieve individuen moet wel vergezeld gaan van de meest nadeelige gevolgen, als de Staat tracht ze bij de wet te regelen, of, door de kracht van zijn instellingen, haar op iets anders doet berusten dan uitsluitend op genegenheid. Als wij ons bovendien in herinnering brengen, dat de Staat alleen de nadeelige eindresultaten voor het ras kan nagaan, dan zullen we nog meer bereid zijn om de rechtvaardigheid van deze conclusie toe te geven. We mogen met rede betoogen, dat de bezorgdheid voor het ras slechts leidt tot dezelfde resultaten als de grootste bezorgdheid voor de mooiste ontwikkeling van den innerlijken mensch. Want, na zorgvuldig opmerken, heeft men gevonden, dat de ononderbroken vereeniging van een man met een vrouw het weldadigst is voor het ras, en het is evenmin te ontkennen, dat geen andere vereeniging voortkomt uit ware, natuurlijke en harmonieuze liefde. En verder mogen we opmerken, dat zulk een liefde leidt tot hetzelfde resultaat, als juist die verhoudingen, die wet en gewoonte neiging hebben om in het leven te roepen. De grondfout schijnt te zijn, dat de wet beveelt; terwijl zulk een verhouding zich niet voegen kan naar uiterlijke schikkingen, maar geheel afhankelijk is van neiging; en overal waar dwang of leiding in botsing komen met neiging, daar wenden ze die nog verder van het juiste pad af. En daarom schijnt het mij toe, dat de Staat niet alleen de banden in dit geval losser moet maken en aan den burger grooter vrijheid moet laten, maar dat hij geheel zijn werkzame bezorgdheid moet afwenden van het huwelijk, en het, zoowel in het algemeen als in bijzondere wijzigingen, moet overlaten aan de vrije keuze van de individuen en de verschillende contracten, die ze hierover willen aangaan. Ik zou mij zelfs niet laten afbrengen van het aannemen van dit principe door de vrees, dat alle familieverhoudingen zouden worden verstoord, want hoewel zoo'n vrees gerechtvaardigd zou kunnen zijn door overwegingen van bijzondere omstandigheden en plaatsen, zou ze niet best kunnen stand houden bij een onderzoek naar den aard van de menschen en van de staten in het algemeen. Want de ondervinding leert ons dikwijls, dat juist waar de wet geen boeien heeft aangelegd, de moraal het zekerste bindt; het denkbeeld van uiterlijke dwang is er een, dat geheel vreemd is aan een instelling, die, zooals het huwelijk, alleen berust op neiging en een innerlijk gevoel van plicht; en de resultaten van zulke gedwongen instellingen beantwoorden in het geheel niet aan de bedoelingen, die er aan ten grondslag liggen".