De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 56

Chapter 563,561 wordsPublic domain

In Engeland zelf kwamen de hervormingen in de huwelijkswet, die de Puriteinen bewerkt hadden, met de restauratie weer zeer in het gedrang. Nog twee en een halve eeuw spraken de Engelsche geestelijke rechtbanken recht volgens wat in zijn kern was de oude kanonieke wet. Echtscheiding was moeilijker te bereiken geworden dan vóór de hervorming, en het lot van de getrouwde vrouw was ten gevolge daarvan zwaarder. Van de zestiende eeuw tot de tweede helft van de negentiende was de Engelsche wet bijzonder hard en streng, veel minder liberaal dan die van eenig ander Protestantsch land. Echtscheiding was in de gewone Engelsche wet niet bekend, en een speciale acte van het Parlement, met enorm groote kosten, was noodig om ze in speciale gevallen te verkrijgen [333]. Men nam zelfs een houding van zelfgenoegzaamheid aan over het in stand houden van dit systeem. Het werd als moreel beschouwd. Er was een algeheele afwezigheid van de erkenning, dat er niets meer immoreel is dan het bestaan van een onwerkelijke sexueele vereeniging, niet alleen uit het standpunt van theoretische moraal, maar ook van de praktische moraal, want geen gemeenschap zou een meerderheid van zulke vereenigingen kunnen dulden [334]. In 1857 werd er eindelijk met veel moeite een wet doorgehaald, die het systeem hervormde. Het was een eenigszins onsamenhangende en tijdelijke maatregel, en hij werd, naar erkend werd, alleen ingevoerd als een stap in de richting van verdere hervorming; maar zij beheerscht nog in haar wezen de Engelsche wetgeving van tegenwoordig, en heeft in de oogen van velen een duurzamen standaard van moraal ingesteld. De geest van blind conservatisme,--Nolumus leges Angliae mutare,--die zich weder vastgenesteld had na de groote beweging van de hervorming en het puritanisme, blijft nog bestaan. In huwelijkskwesties en in kwesties van echtscheiding zijn de Engelsche wetgeving en het Engelsche gevoel gelijkelijk ten achter bij het Latijnsche land Frankrijk en het puriteinsch aangelegde land de Vereenigde Staten.

De schrijver van een kundige en gematigde verhandeling over The Question of the English Divorce komt, waar hij de eigenaardigheden van de Engelsche wet op de echtscheiding opsomt, tot de conclusie, dat ze is: 1. onbillijk; 2. immoreel; 3. met zich zelf in tegenspraak; 4. onlogisch; 5. onzeker; en 6. niet in overeenstemming met de tegenwoordige behoeften. Ze werd slechts ongaarne opgenomen in een wetsontwerp, dat in 1857 aan het Parlement werd voorgelegd, waartegen hardnekkig tegenstand geboden werd een geheel seizoen lang, niet alleen op godsdienstige gronden door de tegenstanders van de echtscheiding, maar ook door de vrienden van de echtscheiding, die een meer liberalen maatregel eischten. Ze behandelde de seksen ongelijk, daar ze aan den man maar niet aan de vrouw echtscheiding toestond alleen voor echtbreuk. Toen hij met de wet voor den dag kwam, excuseerde de Procureur-Generaal zich over dit gebrek, zeggende, dat er niet bedoeld was, dat het een definitieve maatregel zou zijn, maar alleen een schrede naar een volgende wetgeving. Dat is meer dan een halve eeuw geleden, maar de schrede verder is nog niet gedaan. Hoe onvolledig en onvolkomen de maatregel ook was, hij schijnt toch door velen beschouwd te zijn als in de hoogste mate revolutionair en gevaarlijk. De schrijver van een artikel over "Modern Divorce" in de Universal Review voor Juli 1859 toch verklaarde, terwijl hij in principe het oprichten van een speciaal echtscheidingshof goedkeurde, dat "het nieuwe hof neiging had het huwelijk als een maatschappelijke instelling te vernietigen en de vrouwelijke kuischheid te niet te doen", en dat "iedereen nu naar zijn eigen wil man en vrouw is". "Niemand", voegt hij er bij, "zal er nu met recht over twisten, dat er niet talrijke huwelijks-onverkwikkelijkheden zijn".

Toch is volgens deze wet, het voor een vrouw zelfs niet mogelijk echtscheiding te verkrijgen voor de echtbreuk van haar man, tenzij hij ook wreed jegens haar is en haar verlaat. Eerst beteekende "wreedheid" physieke wreedheid en dan van ernstigen aard. Maar na verloop van tijd strekte de beteekenis van het woord zich uit tot de pijn den geest aangedaan, en tegenwoordig kunnen koelheid en verwaarloozing op zich zelf reeds bijna de wreedheid vormen, hoewel de Engelsche gerechtshoven dikwijls ten zeerste geaarzeld hebben, om de ernstigste vormen van verfijnde wreedheid aan te nemen, omdat er geen "physiek" element bij betrokken was. We kunnen echter met zeer veel waarschijnlijkheid verwachten dat de tijd zal komen, waarop, volgens een rechtsgeleerd schrijver (Montmorency, "The Changing Status of a Married Woman", Law Quarterly Review, April 1897), "men van bijna iedere daad van wangedrag op zich zelf zal meenen, dat ze zooveel ellende veroorzaakt aan het onschuldige slachtoffer, dat het de wreedheid vormt die vereischt wordt door de wet van 1857". (De kwestie van de wreedheid wordt in bijzonderheden besproken in de Commentaries on Marriage, Divorce and Separation, 1891, deel I, hoofdst. XLIX; vergelijk Howard, op. cit., deel II, p. 111).

Er kan niet veel twijfel aan bestaan of de wreedheid alleen is een reden tot echtscheiding. In vele Staten van Amerika, waar de echtscheiding veel gemakkelijker te verkrijgen is dan in Engeland, wordt wreedheid erkend als op zich zelf een voldoende reden, hetzij de vrouw de eischeres is of de man de eischer. De daden van wreedheid, die aangegeven werden, zijn soms van heel weinig beteekenis. Zoo zijn er echtscheidingen uitgesproken in Amerika op grond van het "wreede en onmenschelijke gedrag" van een vrouw, die de knoopen van haar man niet wilde aannaaien, of omdat een vrouw "den beklaagde een geweldigen slag gegeven had met haar tournure", of omdat de man de nagels van zijn teenen niet knipt, of omdat "ons geheele huwelijk door mijn man mij nooit mee uit rijden heeft genomen. Dit is een bron geweest van zieleleed en krenking". In veel andere gevallen, moeten we er aan toevoegen, is de wreedheid begaan door den man, zelfs ook door de vrouw--want hoewel meestal wèl is het toch niet altijd de man, die de bruut is--van een gruwelijken en hartverscheurenden aard (Report on Marriage and Divorce in the United States, uitgegeven door Hon. Carroll D. Wright, arbeidscommissaris, 1889). Maar zelfs in de vele schijnbaar nietige gevallen--zooals van een man, die zich niet wascht, en een vrouw, die voortdurend blijk geeft van een driftig karakter, moet toegegeven worden, dat omstandigheden, die in de gewone verhoudingen van het leven dragelijk kunnen zijn, ondragelijk worden in de intieme verhouding van de sexueele vereeniging. Als een feit heeft men, na zorgvuldig onderzoek bevonden, dat de Amerikaansche gerechtshoven nauwkeurig de gevallen nagaan, die voor hen gebracht worden, en dat ze niet zorgeloos zijn in het geven van echtscheidingsvonnissen.

In 1859 werd een overdreven waarde gehecht aan de grove redenen tot echtscheiding, aan de verwaarloozing van fijne, maar even noodlottige bezwaren tegen het voortzetten van het huwelijk. Dit werd aangetoond door Gladstone, die er tegen was echtbreuk te maken tot een reden tot echtscheiding. "Wij hebben vele redenen", zegt hij, "die noodlottiger zijn voor de groote verplichting, die het huwelijk oplegt, zooals ziekte, idiotisme, misdaad, die straf voor het leven met zich brengt". Tegenwoordig beginnen we niet alleen zulke redenen als deze te erkennen, maar ook andere van een veel intiemer aard die, zooals Milton lang geleden erkend heeft, niet vastgesteld kunnen worden in wetten, of bepleit in gerechtshoven. De huwelijksband is niet alleen een physieke vereeniging, en wij moeten leeren, zooals de schrijver van The Question of English Divorce (p. 49) opmerkt, "dat andere dan physieke afwijkingen feitelijk van veel meer belang zijn voor het veroorzaken van ongeluk in het huwelijk".

In Engeland en Wales zijn er meer mannen dan vrouwen, die om echtscheiding verzoeken, en het aantal vrouwen, dat er om vraagt, bedraagt ongeveer 40 percent van het geheel. Het aantal echtscheidingen neemt toe, hoewel het aantal niet groot is, in 1907 ongeveer 1300, waarvan minder dan de helft weer trouwden. Hoe onvoldoende de wet op de echtscheiding is blijkt wel uit het feit, dat in hetzelfde jaar door de overheidspersonen ongeveer 7000 bevelen tot rechterlijke scheiding werden uitgevaardigd. Deze scheidingsbesluiten geven niet alleen geen recht om weer te trouwen, maar zij maken het onmogelijk om echtscheiding te verkrijgen. Zij zijn in werkelijkheid een officieele permissie om verhoudingen aan te gaan buiten het Staatshuwelijk om.

In de Vereenigde Staten werden in de jaren 1887-1906 bijna 40 percent van de echtscheidingen uitgesproken wegens "verlating", hetgeen in de verschillende Staten verschillend uitgelegd wordt, en dikwijls moet beteekenen een scheiding met wederzijdsch goedvinden. Van de overigen waren er 19 pCt. wegens ontrouw, en evenveel wegens wreedheid; maar terwijl de echtscheidingen toegestaan aan de mannen wegens de ontrouw van hun vrouwen bijna driemaal zoo groot in aantal zijn als het aantal toegestaan aan vrouwen wegens de echtbreuk van den man, is het ten opzichte van de wreedheid juist andersom, de vrouwen verkrijgen 27 percent van haar echtscheidingen op dezen grond en de mannen maar 10 percent.

In Pruisen neemt het aantal echtscheidingen toe. In 1907 waren er achtduizend echtscheidingen, en de oorzaak was in de helft van de gevallen echtbreuk, en in ongeveer duizend gevallen kwaadwillige verlating. In de gevallen van verlating waren de mannen bijna tweemaal zoo dikwijls de schuldige partij als de vrouwen, in gevallen van echtbreuk maar een vijfde tot een achtste deel.

Er kan niet de geringste twijfel aan zijn, dat de moeilijkheid, de verwarring, de inconsequentie en de scandaleuze indecentie, die de echtscheiding en de methoden om ze te verkrijgen karakteriseeren, geheel en alleen het gevolg zijn van het verborgen voortbestaan van tradities, die aan den eenen kant gebaseerd zijn op de leerstellingen van de canonieke wet van de onverbreekbaarheid van het huwelijk en de zonde van sexueel verkeer buiten het huwelijk, en aan den anderen kant op het primitieve denkbeeld van het huwelijk als een contract, dat economisch de vrouw ondergeschikt maakt aan den man en haar persoon, of in ieder geval het recht haar te beschermen, maakt tot zijn bezitting. Alleen als we ons duidelijk voor oogen stellen, hoe diep deze tradities geworteld zijn in het godsdienstige, wettelijke, maatschappelijke en gevoelsleven van Europa, kunnen we begrijpen hoe het mogelijk is, dat barbaarsche ideeën over huwelijk en echtscheiding nu nog kunnen bestaan in een stadium van de beschaving, dat, in vele opzichten, zulke ideeën lang te boven is.

De opvatting van de canonieke wet over de abstracte godsdienstige heiligheid van het huwelijk, overgebracht op de moreele sfeer, maakt dat een breuk van de huwelijksverhouding een openlijk kwaad lijkt; de opvatting van de ondergeschiktheid bij contract van de vrouw maakt zulk een breuk van haar kant, en zelfs, door overdraging van denkbeelden, van zijn kant, tot een persoonlijke beleediging. Deze twee ideeën van kwaad bloeien zelfs nu nog, ieder afzonderlijk naast elkaar in den volksgeest.

De economische ondergeschiktheid van de vrouw als een soort van bezitting valt duidelijk in het oog als we bedenken, dat een man groote sommen gelds kan eischen, en die dikwijls ook krijgt, van den man, die zijn bezit sexueel nadert en door zulk een overtreding het beschadigt in de oogen van zijn meester [335]. Aan een psycholoog zou het duidelijk zijn, dat een echtgenoot, die niet in staat geweest is om zoo de liefde en het respect van zijn vrouw te winnen en vast te houden, dat het voor haar volkomen gemakkelijk en natuurlijk is de toenaderingen van iederen anderen man te verwerpen, haar minstens evenveel schadevergoeding schuldig is als zij of haar deelgenoot aan hem; terwijl, als de fout werkelijk aan haar kant is, als zij zoo weinig in staat is om liefde en vertrouwen te beantwoorden, en zoo gemakkelijk een prooi wordt voor een buitenstaander, dan moest de man wel verre van eenige vergoeding in geld te eischen, zich meer dan volkomen gecompenseerd rekenen, dat hij bevrijd is van de noodzakelijkheid om zulk een vrouw te onderhouden. Als er geen valsche tradities waren, zou dat duidelijk zijn. Het zou werkelijk niet onredelijk zijn, dat een man veel zou moeten betalen om zich te bevrijden van een vrouw, als hij blijkbaar een ernstige fout heeft begaan toen hij haar koos. Maar te bevelen, dat een man feitelijk schadevergoeding zou krijgen, omdat hij zich niet in staat heeft getoond om de liefde van een vrouw te winnen, is een denkbeeld, dat niet zou kunnen voorkomen in een beschaafde maatschappij, die niet verdraaid was door overgeërfde vooroordeelen [336]. Toch staan de zaken nu in de beschaafde landen zoo, dat het wettelijk voor een echtgenoot mogelijk is een verzoek in te dienen tot schadevergoeding tegen den minnaar van zijn vrouw te zamen met een verzoek om echtscheiding of tot een scheiding van tafel en bed. Op deze wijze is echtbreuk geen misdaad, maar een persoonlijke beleediging [337].

Terzelfder tijd echter komt de invloed van de canonieke wet inconsequent aan den dag en beweert, dat een huwelijksbreuk een openlijke overtreding is, een zonde die door den Staat veranderd wordt in iets, dat bijna of geheel een misdaad is. Dit wordt duidelijk aangetoond door het feit, dat in sommige landen de echtbreker kans loopt op gevangenisstraf, een kans, die tegenwoordig wel nauwelijks tot daden komt. Maar precies hetzelfde denkbeeld wordt duidelijk gemaakt door de leer van de "geheime verstandhouding", die, in theorie, in vele landen nog strikt wordt in acht genomen. Volgens de leer van de geheime verstandhouding moeten de voorwaarden, die noodig zijn om de echtscheiding mogelijk te maken, in geen geval geleverd worden door wederzijdsch goedvinden. In de praktijk is het onmogelijk min of meer geheime verstandhouding te voorkomen, maar als ze voor het gerecht bewezen wordt, is het een absoluut beletsel voor het toestaan van de echtscheiding, hoe gerechtvaardigd en gebiedend de eisch tot echtscheiding ook wezen mag.

De Engelsche wet op de echtscheiding van 1857 weigerde echtscheiding als er geheime verstandhouding was, zoowel als wanneer er een tegen-aanklacht was tegen den eischer, en de wet op de oorzaken tot echtscheiding van 1860 leverde de machinerie om de bolwerken tegen de echtscheiding te verzekeren. De kwestie der geheime verstandhouding wordt besproken door G. P. Bishop (op cit., dl. II, hoofdst. IX). "Hoe rechtvaardig een zaak ook moge zijn", merkt Bishop op, "als de partijen in geheime verstandhouding staan bij de behandeling ervan, zoodat in werkelijkheid beide partijen klagers zijn, terwijl medegedeeld is dat de eene klager en de andere beklaagde is, dan kan het proces geen voortgang hebben. Alle gedrag van deze soort verstoort den loop der gerechtigheid en valt binnen het algemeene denkbeeld van bedrog jegens het gerechtshof. Dat is in principe overal de leer".

Het is volkomen duidelijk, dat het uit maatschappelijk of moreel standpunt het beste is, dat, als een man en een vrouw niet langer te zamen kunnen leven, ze dan vriendschappelijk uit elkaar zullen gaan, en in harmonische overeenstemming alle maatregelen nemen, die door hun scheiding noodig gemaakt zijn. De wet verbiedt hen belachelijkerwijze om dat te doen, en verklaart, dat zij in het geheel niet van elkaar kunnen gaan, tenzij ze van elkaar willen gaan als vijanden. Om tot nog grooter punt van dwaasheid en immoraliteit te komen gaat de wet voort met te zeggen, dat, als zij er feitelijk in geslaagd zijn vijanden van elkaar te worden in die mate, dat ieder bezwaren heeft in te brengen tegen den ander, dat ze dan in het geheel niet gescheiden kunnen worden! [338] Dat is te zeggen, dat als een getrouwd paar een graad van scheiding bereikt heeft, die het dringend noodzakelijk maakt, dat ze gescheiden zullen worden, niet alleen in hun eigen belang, maar terwille van de moreele belangen van de maatschappij, opdat ook hun verhoudingen tot andere betrokken partijen geregeld zullen worden, dan kunnen ze in het geheel niet scheiden.

Het is duidelijk, dat deze voorzorgen van de wet geheel tegenovergesteld zijn aan de eischen van rede en moraliteit. Toch is het tevens even duidelijk, dat geen pogingen van juristen, hoe vernuftig en humaan die pogingen ook mogen zijn, de tegenwoordige wet in harmonie kunnen brengen met de eischen van de moderne beschaving. Het zijn niet de juristen, die falen; zij hebben hun best gedaan, en in Engeland komt het door de vernuftige en zorgvuldige wijze, waarop de rechters tot dusverre de wet gedrongen hebben tot harmonie met de moderne behoeften, dat onze verouderde echtscheidingswetten nog zijn blijven bestaan. Het is het systeem, dat verkeerd is. Dat systeem is het ongelukkige gevolg van de canonieke wet, die ontstond naar aanleiding van opvattingen, die al lang dood zijn. Het plaatst de persoon, die de theoretische onverbreekbaarheid van den huwelijksbond in gevaar brengt, in de positie van een misdadiger. Zulk een misdadiger te helpen of bij te staan is op zichzelf een vergrijp, en daar men den misdadiger niet wil straffen, moet, volgens een merkwaardig inconsequente methode, de helper van den misdadiger gestraft worden. Wij zeggen niet openlijk, dat de verdediger in een geval van echtscheiding een misdadiger is, dat zou al te duidelijk de belachelijkheid ervan aantoonen, en bovendien zou het nauwelijks overeen te brengen zijn met de permissie voor het eischen van schadevergoeding, die op een verschillend denkbeeld gebaseerd is. Wij zijn aangewezen op twee opvattingen van echtscheiding, beide slecht, geen van beide overeen te brengen met de andere, en geen van beide zoo, dat ze zich laat doorvoeren tot haar logische gevolgen.

Het resultaat is, dat, als een volkomen deugdzaam echtpaar komt en echtscheiding verlangt, hun wordt gezegd, dat daar geen sprake van kan zijn, want in zulk een geval moet er een "beklaagde" zijn. Zij worden dus gestraft voor hun deugd. Als zij beide echtbreuk begaan, dan wordt hun gezegd, dat van echtscheiden geen sprake kan zijn, want in zulk een geval moet er een "klager" zijn. Eerst werden zij gestraft voor hun deugd; nu werden zij op precies dezelfde wijze gestraft voor hun gebrek aan deugd. Het paar moet zijn toevlucht nemen tot een wijze van handelen, die beiden zeer tegenstaat. Als maar de vrouw alleen echtbreuk wil begaan, of de man alleen en als hij dan tevens een daad van wreedheid aan zijn vrouw wil plegen, als dan vervolgens de onschuldige partij er toe wil afdalen om detectives te gebruiken en getuigen op te zoeken, dan hebben beiden de wet op hun hand en deze verleent hun spoedig de permissie om te hertrouwen. Mits, natuurlijk, de partijen dit geregeld hebben zonder "onderlinge verstandhouding". Dat is te zeggen, dat onze wet, met haar kerkelijke tradities achter zich tot de vrouw zegt: Wees een zondares, of tot den man: Wees een zondaar en een misdadiger--dan zullen we alles doen wat je wilt. De wet stelt een premie op zonde en misdaad. Om dwaasheid op dwaasheid te stapelen zegt ze, dat dit gedaan wordt ter wille van de "publieke moraal". Aan hen, die dit standpunt innemen, schijnt het toe, dat het afschaffen van de wetten op de echtscheiding de grondslagen van de maatschappij zou ondermijnen. Toch kan er maar weinig twijfel aan bestaan, dat, hoe eerder zulke "moraal" ondermijnd, en volkomen vernietigd is, des te beter het voor de ware moraal zal zijn.

Er is in Engeland een invloedrijke beweging ter hervorming van de echtscheiding, op grond, dat de tegenwoordige wet onrechtvaardig, onlogisch en immoreel is, vertegenwoordigd door de Divorce Law Reform Union. Zelfs de vroegere president van het echtscheidingsgerechtshof, Lord Gorell, verklaarde in 1906 van den katheder, dat de Engelsche wet ellendige gevolgen heeft, en "vol is van inconsequenties, afwijkingen en onbillijkheden, die bijna aan absurditeit grenzen". De punten in de wet, die het meeste protest uitgelokt hebben, als zijnde het meest ten achteren bij de wet van andere naties, zijn de groote kosten van de echtscheiding, de ongelijke beoordeeling van de seksen, de onmogelijkheid om echtscheiding te verkrijgen voor verlating en in gevallen van ongeneeslijke krankzinnigheid, en het feit, dat vonnissen tot scheiding van tafel en bed de gescheiden partijen niet in staat stellen weer te trouwen. Vonnissen tot scheiding van tafel en bed worden door den overheidspersoon uitgesproken wegens wreedheid, echtbreuk en verlating. Deze scheiding van tafel en bed is inderdaad de directe afstammeling van de canonieke echtscheidingswet a mensa et thoro, en ook de onmogelijkheid om weer te trouwen, die ze in zich sluit, is niets dan een overblijfsel van de traditie van de canonieke wet. Tegenwoordig vaardigen de overheidspersonen--en dan oefenen ze hun bevoegdheid, naar toegegeven wordt, op zorgvuldige en voorzichtige wijze uit--jaarlijks ongeveer 7,000 vonnissen uit tot scheiding van tafel en bed, zoodat de bevolking elk jaar toeneemt met 14,000 individuen, meestal op den leeftijd van sexueele kracht, en weinig meer dan kinderen, wien door de wet verboden is een wettig huwelijk te sluiten. Zij leveren een aanzienlijke bijdrage tot de groote voorwaartsche beweging, die, zooals in het vorige hoofdstuk aangetoond is, de moraal van onze eeuw kenmerkt. Maar het is ten zeerste ongewenscht, dat vrije huwelijken op hulpelooze wijze zullen gevormd worden door paren, die geen keuze hebben in deze zaak, want het is niet waarschijnlijk, dat onder zulke omstandigheden een hoog niveau van persoonlijke verantwoordelijkheid kan bereikt worden. De zaak zou gemakkelijk verholpen kunnen worden door geheel en al afstand te doen van een traditie van de canonieke wet, die niet langer eenige levenskracht of beteekenis heeft, en door aan het vonnis van den overheidspersoon tot scheiding van tafel en bed de kracht van een echtscheidingsvonnis te verleenen.

Nieuw-Zeeland en de Australische koloniën, met Victoria aan het hoofd, hebben in 1889 echtscheidingswetten aangenomen, die, hoewel ze min of meer naar het Engelsche model gevormd zijn, een bepaalde vooruitgang zijn. Zoo zijn in Nieuw-Zeeland de gronden tot echtscheiding echtbreuk van beide zijden, kwaadwillige verlating, gewoonte-dronkenschap, en veroordeeling tot gevangenisstraf voor den tijd van eenige jaren.