De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 55

Chapter 553,467 wordsPublic domain

"May not we now Our contract make and marry before Heaven? Are not the laws of God and Nature more Than formal laws of men? Are outward rites More virtuous than the very substance is Of holy nuptials solemnized within? .... The eternal acts of our pure souls Knit us with God, the soul of all the world, He shall be priest to us; and with such rites As we can here devise we will express And strongly ratify our hearts' true vows, Which no external violence shall dissolve".

En tegenwoordig verklaart Ellen Key, de beroemde profetes van de hervorming van het huwelijk, aan het einde van haar Liefde en huwelijk dat het ware huwelijk maar éen paragraaf bevat: "Zij, die elkander liefhebben, zijn man en vrouw".

Het stellen van het huwelijk op deze gezonde en natuurlijke basis had verder het uitstekende resultaat, dat het den man en de vrouw die zoo een huwelijk konden aangaan door hun toestemming, zonder eenige égards voor de wenschen van hun ouders of hun familie, op hetzelfde moreele niveau plaatste. Hier volgde de kerk evenzeer de latere Romeinen als de eerste Christenen, als Lactantius en Hieronymus, die verklaard hadden, dat wat geoorloofd was aan een man ook geoorloofd was aan een vrouw. Ook de poenitentialiën trachtten voor beide geslachten deze zelfde zedewet vast te stellen. De Canonisten vergunden ten slotte een zekere suprematie aan den echtgenoot, hoewel zij, aan den anderen kant, soms zelfs de hoofdrol in het huwelijk schenen toe te kennen aan de vrouw, en de poging werd gedaan het woord matrimonium af te leiden van matris munium, waarmee ze verklaarden, dat de moeder-functie het hoofdfeit van het huwelijk was [325].

De gezonde elementen in de opvatting van de canonieke huwelijkswet werden echter al zeer vroeg in ruime mate, zoo niet geheel, te niet gedaan door de haarkloverijen, die ze op den achtergrond brachten, en zelfs door hun eigen fundamenteele gebreken. Zelfs in de dertiende eeuw begon men meer waarde te hechten aan een huwelijk, dat mondeling gesloten was per verba de praesenti dan aan een, dat gevormd was door de sexueele vereeniging, terwijl er zooveel bezwaren opgesteld werden tegen het huwelijk, dat het moeilijk werd om te weten welke huwelijken geldig waren, een punt van belang, aangezien een huwelijk aangegaan binnen de verboden graden slechts een waan-huwelijk was, d.i. een huwelijk, dat aangegaan wordt, terwijl een van beide partijen niet weet van een werkelijk bestaand beletsel. De ernstigste en meest onnatuurlijke trek van deze kerkelijke opvatting van het huwelijk was de in het oog springende tegenspraak tusschen de uiterste gemakkelijkheid, waarmee de poort van het huwelijk voor het jonge paar open geworpen werd, zelfs als zij nog weinig meer dan kinderen waren, en de uiterste gestrengheid, waarmee zij gesloten en gegrendeld werd als zij er in waren. Dat is nog heden het gebrek van het huwelijkssysteem, dat wij van de kerk geërfd hebben, maar in de handen van de canonisten werd er heel sterk de nadruk op gelegd, zoowel wat het gemak van er in te komen betreft, als de moeilijkheid van er uit te geraken [326]. Zoowel van het standpunt van rede als van menschelijkheid moet de poort, die men gemakkelijk binnen kan komen ook gemakkelijk opengaan om ons uit te laten; of, als de uitgang noodzakelijk moeilijk is, dan moet er zorg gedragen worden bij het binnenkomen. Maar geen van deze beide voorzorgen was mogelijk voor de canonisten. Het huwelijk was een sacrament en allen moesten bij een sacrament welkom zijn, vooral omdat ze anders in de doodzonde der ontucht vervallen konden. Aan den anderen kant kon het huwelijk, daar het een sacrament was, als het eenmaal waarlijk gesloten was, zonder de ingewikkelde voorwaarden en formaliteiten om het ongeldig te verklaren, nooit meer opgeheven worden. De instelling, die de kerk gemaakt had als bolwerk tegen de losbandigheid, werd zelf een werktuig, dat kunstmatig losbandigheid schiep, zoodat de canonieke wet op den langen duur een stand van zaken voortbracht, die--in de oogen van een groot deel van het Christendom--de gezondheid van de oorspronkelijke opvatting meer dan te niet deed [327].

In Engeland, waar van de negende eeuw af, het huwelijk algemeen door de kerkelijke en wereldlijke machten als onverbreekbaar beschouwd werd, was de canonieke wet in hoofdzaak ingesteld als bij de andere Christelijke landen. Er waren echter bepaalde punten, die door de Engelsche wet niet waren overgenomen. Bij de Engelsche wet was een ceremonie in tegenwoordigheid van een priester noodig om een huwelijk geldig te doen zijn, hoewel in Schotland de wet van het canonieke recht aangenomen was, dat toestemming van de partijen alleen, al was ze ook in het geheim gegeven, voldoende was om een huwelijk te vormen. Verder is het nageslacht van een onwettig huwelijk, dat in onschuld is aangegaan en het nageslacht van personen, die later met elkaar trouwen, wettig volgens de canonieke wet, maar niet volgens de gewone wet van Engeland (Geary, Marriage and Family Relations, p. 3; Pollock and Maitland, loc. cit.). De canonisten beschouwden de bezwaren, verbonden aan het bastaardschap, als een straf, welke opgelegd werd aan de ouders, die schuldig waren, en meenden daarom, dat de last niet op de kinderen moest vallen, als er te goeder trouw een ceremonie had plaats gehad van de zijde van ten minste een van de ouders. In dit opzicht is de Engelsche wet minder verstandig en humaan. Het was op het Concilie van Merton, in 1236, dat de baronnen van Engeland het voorstel verwierpen om de wetten van Engeland in overeenstemming te brengen met de canonieke wet, dat is, met de canonieke wet van het Christendom in het algemeen, die toestaat, dat de kinderen die vóor de bruiloft geboren zijn, zullen gewettigd worden door een huwelijk, dat er op volgt. Grosseteste putte zijn welsprekendheid en zijn argumenten uit ten gunste van de verandering, maar tevergeefs, en de Engelsche wet heeft sinds dien tijd in dit opzicht alleen gestaan (Freeman, "Merton Priory", English Towns and Districts). Het voorstel werd verworpen met deze beroemde woorden: "Nolumus leges Angliae mutare", een formule, die alleen maar uitdrukking gaf aan een onredelijke en onmenschelijke halsstarrigheid.

In de Vereenigde Staten heeft het huwelijk, dat volgt na de geboorte van een of meer kinderen, in vele van de Staten de uitwerking, de kinderen te legitimeeren, soms (zooals in Maine) van zelf, maar gewoonlijk (zooals in Massachusetts) door speciale erkenning van den vader, hoewel de gewone wet in dit geval de kinderen niet wettigt.

Het optreden van Luther en van de Hervorming veroorzaakte het verval van de canonieke wet voor zoover het Europa als een geheel aanging. Het was om vele redenen onmogelijk voor de Protestantsche hervormers om hetzij de Katholieke opvatting van het huwelijk of het wankele uitgebreide gebouw van wetten, dat de kerk op die opvatting had opgetrokken, formeel te bewaren. Echter kan niet gezegd worden, dat de houding der Protestanten jegens het denkbeeld der Katholieken een eenigszins duidelijke, logische of consequente houding was. Het was een opstand, een gemoedsdrang, meer dan een kwestie van beredeneerd principe. In de onvermijdelijke noodzakelijkheid van dien opstand tijdens de opkomst van het Protestantisme, ligt zijn rechtvaardiging en, over het geheel, zijn weldadige gezondheid. Het nam een vorm aan, die wel vreemd mag schijnen in een godsdienstige beweging; het verklaarde namelijk, dat het huwelijk niet een godsdienstige, maar een wereldlijke zaak is. Trouwen, zegt Luther, is "een wereldlijk iets", en Calvijn stelt het op hetzelfde niveau als het bouwen van een huis, de landbouw of het maken van schoenen. Maar, terwijl dit verwereldlijken van het huwelijk een uiting was van den algemeenen en tot het uiterste gedreven drang van het Protestantisme, waren de leiders van het Protestantisme het dikwijls onderling niet geheel eens, en evenmin waren ze helderziend in de zaak. Zelfs Luther was wat verward op dit punt; soms schijnt hij het huwelijk "een sacrament" te noemen, soms "een zaak van tijdelijken aard", die aan den staat overgelaten moet worden [328]. Dit laatste standpunt is werkelijk overheerschend geweest. Maar in het begin ontstond er een tijdperk van verwarring, zoo niet van chaos, in de hoofden van de Hervormers; niet alleen waren ze zelf niet altijd overtuigd; zij waren het samen niet eens, vooral over de zeer praktische kwestie der echtscheiding. Luther behoorde, met Calvijn en Beza, over het geheel tot de strengere partij die alleen echtscheiding wilde toestaan voor echtbreuk en kwaadwillige verlating; sommigen, daaronder vele van de eerste Engelsche Protestanten, waren er vóor, den man vrijheid te geven tot echtscheiding wegens echtbreuk, maar niet de vrouw. Een andere partij, met Zwingli, werden door Erasmus in een meer liberale richting geïnfluenceerd, en--het standpunt naderende van de Romeinsche Keizerlijke wetgeving--lieten ze verschillende oorzaken toe voor echtscheiding. Sommigen, als Bucer, die Milton voorafging, wilden zelfs echtscheiding toestaan, als de man niet van zijn vrouw kon houden. Eerst namen sommigen van de Hervormers het principe van zelf-scheiding aan, zooals het heerschte bij de Joden en aangenomen werd door eenige der eerste Concilies van de Kerk. Op deze wijze meende Luther, dat de oorzaak tot echtscheiding zelf de echtscheiding bewerkte, zonder eenig rechterlijk besluit, hoewel een besluit van den rechter noodig was om weer te huwen. Deze kwestie van het weder huwen en de behandeling van den echtbreker, gaven ook aanleiding tot oneenigheid. Gewoonlijk werd aangenomen, dat de onschuldige partij mocht hertrouwen; in Engeland ontstond deze meening in het midden van de zestiende eeuw, werd door den Aartsbisschop van Canterbury geldig verklaard en door het Parlement bekrachtigd. Vele hervormers echter waren er tegen dat de andere partij weer trouwde. Beust, Beza en Melanchton wilden hem laten ophangen, om zoo de kwestie van het hertrouwen te beslissen; ook Luther en Calvijn wilden hem ter dood brengen, maar daar de burgerlijke wetten die maatregel slechts langzaam aannamen, veroorloofden ze hem om weer te trouwen, zoo mogelijk in een ander gedeelte van het land [329].

Het slot was, dat het Protestantisme een opvatting van het huwelijk opstelde, voornamelijk gebaseerd op den wettelijken en economischen factor,--een factor die wel niet voorbijgezien werd door de Canonisten, maar door hen strikt ondergeschikt geacht werd--en het beschouwde in hoofdzaak als een contract. Zoodoende onstond er aan de negatieve zijde een werkelijke vooruitgang, want zij braken de macht van een verouderd en kunstmatig systeem, maar aan de positieve zijde keerden ze enkel terug tot een opvatting, die overheerschend is in barbaarsche maatschappijen, en die het duidelijkst aan den dag treedt, als het huwelijk het meest op een koop gelijkt. De stappen, door het Protestantisme gedaan, deden een groote verandering ontstaan in den aard van het huwelijk, maar niet noodzakelijk eenige groote verandering in den vorm. Het huwelijk was niet langer een sacrament, maar het was nog altijd een openbare en niet een persoonlijke zaak en werd nog, hoe inconsequent ook, in de kerk ingezegend. En daar het Protestantisme geen eigen wetboek had, sloot het zich zoowel in Duitschland als in Engeland aan bij het algemeene principe van de kanonieke wet, ze veranderend om in overeenstemming te komen met haar eigen houding en behoeften [330]. Het was de latere Puriteinsche beweging, eerst in Nederland (1580), dan in Engeland (1653), en daarna in Nieuw-Engeland, die een ernstige en samenhangende opvatting van het Protestantsche huwelijk invoerde en het op burgerlijke basis begon te stellen.

De Engelsche Hervormers onder Edward VI en zijn verlichte raadgevers, waaronder Aartsbisschop Cranmer, beschouwden het huwelijk liberaal, en waren bereid vele bewonderenswaardige hervormingen door te voeren. De vroege dood van dien koning oefende een grooten invloed uit op de wettelijke geschiedenis van het Engelsche huwelijk. De Katholieke reactie onder Koningin Mary bracht de meer radicale hervormers tot zwijgen, terwijl de daarop volgende troonsbestijging van Koningin Elizabeth, wier houding jegens het huwelijk illiberaal en ouderwetsch was, naderend tot de houding van haar vader, Hendrik VIII (zooals bijvoorbeeld bleek uit haar bepaalden tegenstand tegen het huwelijk van de geestelijkheid), een duurzamen invloed uitgeoefend heeft op de Engelsche wet. Ze werd minder liberaal dan die van de andere Protestantsche landen en kwam dichter bij die van de Katholieke landen.

De hervorming van het huwelijk echter, die door de Puriteinen beproefd werd, begon in Engeland in 1644, toen er een wet aangenomen werd, die inhield "dat het huwelijk geen sacrament was, en niet speciaal behoorde bij de kerk van God, maar gewoon was onder de menschen en van openbaar belang in iedere gemeenschap". De wet voegde er echter bij, dat het gepast was, dat het huwelijk ingezegend werd door "een wettigen bedienaar van het Woord". De meer radicale wet van 1653 verwierp deze voorwaarde, en maakte het huwelijk zuiver wereldlijk. De afkondigingen moesten in de kerk gedaan worden (door beambten, die daarvoor speciaal aangesteld waren), of (als de partijen dat wenschten) op de markt. Het huwelijk moest voltrokken worden door een vrederechter; de leeftijd waarop een huwelijk gesloten mocht worden, werd voor een man gesteld op zestien jaar, voor een vrouw op veertien (Scobell's Acts and Ordinances, blz. 86, 236). De Restauratie schafte deze verstandige wet af en voerde weer tradities in van de canonieke wet, maar de Puriteinsche opvatting van het huwelijk werd overgebracht naar Amerika, waar ze wortel schoot en bloeide.

Het was bovendien uit het Puritanisme, zooals het door Milton vertegenwoordigd werd, dat de eerste echt moderne, zij het ook nog onvolkomen opvatting van de huwelijksverhouding bestemd was te ontstaan. De eerste Hervormers handelden in deze zaak voornamelijk uit een duister instinct van natuurlijken opstand in een omgeving van plebejisch materialisme. De Puriteinen werden bewogen door hun gevoel voor eenvoud en burgerlijke orde als voorwaarden van godsdienstige vrijheid. Milton verklaarde, in zijn Doctrine and Discipline of Divorce, uitgegeven in 1643, toen hij vijf en dertig jaar oud was, dat het feit van het huwelijk meer waarde had dan de vorm van het huwelijk, en dat het individu het geestelijk recht had dien vorm te regelen. Hij had de beteekenis begrepen van die opvatting van persoonlijke verantwoordelijkheid, die de grondslag is van de sexueele verhoudingen, zooals zij tegenwoordig aan de menschen beginnen toe te schijnen. Als Milton niets nagelaten had dan zijn geschriften over het huwelijk en de echtscheiding, dan zouden die voldoende geweest zijn om hem tot een genie te stempelen. Het Christendom moest anderhalve eeuw wachten eer een ander genie van den eersten rang, Wilhelm von Humboldt, zich met even groote autoriteit en even duidelijk uitsprak ten gunste van het vrije huwelijk en de vrije echtscheiding.

Aan Milton komt de eer toe en we moeten hem er nu nog dankbaar voor zijn, de eerste te zijn geweest, die in het Christendom de leer heeft verkondigd, dat het huwelijk een persoonlijke zaak is, en dat het daarom moet kunnen ontbonden worden met wederzijdsch goedvinden, of zelfs op den wensch van een van de beide partijen. Wij hebben aan hem, zegt Howard, "de stoutmoedigste verdediging van de vrijheid tot echtscheiden te danken, die zich ooit vertoond heeft. In het abstracte genomen, en op beide geslachten van toepassing, is het misschien wel de sterkste verdediging, die door een enkele aanroep van autoriteit geschieden kan", hoewel zijn argumenten, daar ze gebaseerd zijn op rede en ondervinding, dikwijls weinig door zijn gezag ondersteund worden; hij spreekt in waarheid de taal van den modernen socialen hervormer, en Milton's geschriften over dit onderwerp worden tegenwoordig geschat onder de belangrijkste van al zijn werken (Masson, Life of Milton, deel III; Howard, op. cit., vol. II, p. 86, deel III, p. 251; C. B. Wheeler, "Milton's Doctrine and Discipline of Divorce", Nineteenth Century, Jan. 1907).

Het huwelijk, zegt Milton, "is niet enkel een vereeniging van het vleesch, maar het is een menschelijk verbond; waar dat verbond niet bestaat, kan geen werkelijk huwelijk zijn" (Doctrine of Divorce, boek I, hoofdstuk XIII); het is "een verbond, waarvan het wezen niet bestaat in gedwongen gemeenschap en in een onoprechte vervulling van plichten, maar in ongeveinsde liefde en vrede" (Ib., hoofdstuk VI). Ieder huwelijk, dat minder is dan dit, is "een afgodsbeeld, van geenerlei waarde in de wereld". Het zwakke punt in Milton's voorstelling van de zaak is, dat hij nooit openlijk dezelfde macht van initiatief in het huwelijk en in de echtscheiding toekent aan de vrouw als aan den man. Er is echter niets in zijn argument, dat verhindert dat het ook op de vrouw zal worden toegepast, een toepassing, die, al handhaaft hij ze nooit, hij toch ook nooit ontkent; en sommigen veronderstellen, dat hij aanneemt, dat de vrouwen de gelijken zijn van de mannen; hij eischt van haar geestelijke kameraadschap; hoe bereid Milton ook mag geweest zijn om volkomen gelijkstelling tot echtscheiding te geven aan de vrouw, het zou voor een Puritein van de zeventiende eeuw niet mogelijk geweest zijn gehoor te krijgen voor zulk een leer; zijn argumenten zouden dan nog meer onverschilligheid ontmoet hebben, als dat mogelijk was geweest, dan waarop zij in werkelijkheid gestuit zijn. (Het sonnet vol verontwaardiging van Milton over de ontvangst van zijn boek is wel bekend).

Milton zegt, dat in het conventioneele Christelijke huwelijk uitsluitend waarde wordt gehecht aan de vereeniging des vleesches. Zoolang die vereeniging mogelijk is, hoeveel antipathie er ook bij het paar bestaat, hoezeer ze zich ook vergist hebben "door dwaling, verborgen gebrek, of ongeluk", hoezeer het hun ook onmogelijk is "te leven in eensgezindheid of tevredenheid al hun dagen", toch blijft het huwelijk nog voortbestaan, de twee moeten samen hun weg gaan, (op. cit., Bk. I). Het is de canonieke wet, zegt hij, die het mis heeft, "ongetwijfeld door toedoen van den duivel", want de canonieke wet voert tot losbandigheid (op. cit.). Het is, zegt hij, de afwezigheid van een redelijke vrijheid, die de oorzaak is van losbandigheid, en het zijn de mannen, die de voorrechten van de losbandigheid wenschen te behouden, die zich verzetten tegen het invoeren van een redelijke vrijheid.

De juiste grond voor echtscheiding is "ongeschiktheid, gebrek aan begaafdheid of tegenzin, ontstaande uit een niet te veranderen oorzaak in den aard van een der partijen, die de voornaamste weldaden van den huwelijksomgang, troost en vrede verhindert en waarschijnlijk altijd zal verhinderen". Zonder de "diepe en ernstige waarheid" van wederzijdsche liefde, is het huwelijk "niets dan de ledige schaal van een uiterlijk samenleven", uitsluitend huichelarij, en moet het ontbonden worden (op. cit.).

Milton gaat verder dan het gewone Puriteinsche standpunt, en verwerpt niet alleen gerechtshoven en overheidspersonen, maar is voor de "zelfscheiding"; want echtscheiding kan niet rechtens behooren tot eenige burgerlijke of aardsche macht, daar "dikwijls de redenen tot het zoeken van echtscheiding zoo diep in de primitieve en onschuldige genegenheden der natuur liggen, dat het niet binnen het rechtsgebied van de wet ligt, er zich mee te bemoeien". Hij voegt er bij, dat er, om onrechtvaardigheid te voorkomen, speciale punten voor den overheidspersoon kunnen gebracht worden, die echter in geen geval het recht zou moeten hebben, om echtscheiding te verbieden (op. cit., Bk. II, hoofdst. XXI)., Sprekende van een standpunt, dat we nu zelfs nog niet bereikt hebben protesteert hij tegen de dwaasheid om "een gerechtshof het recht te geven om te redeneeren over en zich te verdiepen in de onbegrijpelijke en geheime redenen tot antipathie tusschen man en vrouw".

In den modernen tijd was Hinton gewoon de huwelijkswet te vergelijken bij de wet op het houden van den Sabbath, zooals die door Jezus gebroken werd. Wij vinden precies dezelfde vergelijking bij Milton. De Sabbath, meent hij, was gemaakt voor God. "Toch, als het welzijn van den mensch in de weegschaal komt, hooren we die stem van oneindige goedheid en zachtmoedigheid, dat "de Sabbath gemaakt is voor den mensch en niet de mensch voor den Sabbath". Welke zaak is ooit meer gemaakt geweest voor den mensch alleen, en minder voor God, dan het huwelijk?" (op. cit., Bk. I, hoofdst. XI). "Als de mensch de heer is over den Sabbath, kan hij dan minder zijn dan heer van het huwelijk?"

Milton stond in dit opzicht, evenals in andere opzichten, buiten zijn tijd. Zijn opvatting van het huwelijk maakte op het leven van zijn tijdgenooten niet meer indruk dan zijn Paradise Lost. Zelfs zijn eigen Puriteinsche partij, die de wet van 1653 had ingevoerd, had, vreemd genoeg, nagelaten gevallen van echtscheiding en van ongeldigheidsverklaring van huwelijken over te dragen op de wereldlijke gerechtshoven, wat tenminste een stap in de goede richting zou geweest zijn. De Puriteinsche invloed werd overgebracht naar Amerika en vormde het zuurdeesem, dat nog voortwerkt in de liberale, hoewel te nauwkeurig in bijzonderheden gaande wet op de echtscheiding van vele Vereenigde Staten. De Amerikaansche procedure van het wereldlijk huwelijk volgde die, opgesteld door de Engelsche Gemeenschap, en het gezegde van den grooten Kwaker, George Fox, "Wij trouwen niemand, maar we zijn er als getuigen bij tegenwoordig" [331], (wat inderdaad de gezonde kern was in de canonieke wet) wordt beschouwd als de geest van de huwelijkswet van den conservatieven, maar toch vrijzinnigen staat Pennsylvanië, waar, nog in 1885, een wet werd aangenomen, die nadrukkelijk aan mannen en vrouwen het recht gaf hun eigen huwelijk in te zegenen [332].