De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 54

Chapter 543,697 wordsPublic domain

Het zal misschien sommigen toeschijnen, dat een zoo conservatieve appreciatie van de neigingen der beschaving in zaken van sexueele liefde berust op een vreesachtig hangen aan louter tradities. Dat is het geval niet. Wij moeten erkennen, dat het huwelijk stevig in evenwicht gehouden wordt door den druk van twee tegenovergestelde krachten. Er zijn twee stroomingen in den loop van onze beschaving: de eene, die zich voortbeweegt naar een steeds grooter wordende maatschappelijke orde en samenhang, de andere die zich voortbeweegt naar een steeds grootere individueele vrijheid. Er ligt werkelijke harmonie ten grondslag aan de schijnbare tegenstelling in deze twee neigingen, en elk is de onvermijdelijke aanvulling van den ander. Er kan geen werkelijke vrijheid zijn voor het individu in de zaken, die dat individu alleen aangaan, tenzij er een samenhangende orde is in de dingen, die hem aangaan als maatschappelijke eenheid. Het huwelijk raakt in één opzicht alleen de twee individuen, die het samenstellen, in een ander opzicht raakt het hoofdzakelijk de maatschappij. De twee krachten kunnen niet samenwerken om het huwelijk te vernietigen, want de eene werkt de andere tegen. Zij werken samen om de monogamie in alle hoofdpunten op de basis, waarop zij sedert onheugelijke tijden gestaan heeft, staande te houden.

Hier moet aan toegevoegd worden, dat in de niet essentieele omstandigheden van de monogamie er altijd een voortdurende verandering geweest is en dat die er altijd zal blijven. Alle traditioneele instellingen, hoe stevig ze ook wortelen in natuurlijke impulsen, worden altijd op sommige punten dood en star, en groeien op andere punten verder. Het is de poging om hun levenskracht in stand te houden, en hun elastische aanpassing aan de omgeving te bewaren, die dit systeem van wijzigingen in zaken van nevenbelang in zich sluit.

De eenige weg, waarlangs wij met vrucht de kwestie van de waarde der veranderingen, die nu plaats vinden in ons huwelijkssysteem, kunnen naderen, is het beschouwen van de geschiedenis van dat systeem in het verleden. Op die wijze leeren we de werkelijke beteekenis kennen van het huwelijkssysteem, en we begrijpen welke veranderingen al of niet samengaan met een mooie beschaving. Als we bekend zijn met de veranderingen van het verleden, kunnen we met meer vertrouwen de veranderingen van het heden onder de oogen zien.

De geschiedenis van het huwelijkssysteem van de moderne beschaafde volken begint in de latere dagen van het Romeinsche Keizerrijk in den tijd toen de grond gelegd werd voor die Romeinsche wet, die zoo'n grooten invloed uitgeoefend heeft in het Christendom. Wij hebben reeds verwezen [311] naar het belangrijke feit, dat in den laatsten tijd van het Romeinsche rijk de vrouwen een positie van bijna volkomen onafhankelijkheid tegenover haar mannen verkregen hadden, terwijl de autoriteit, die door haar vaders over haar werd uitgeoefend, voor het grootste deel, nog bijna alleen in naam bestond. Deze hooge staat van de vrouwen ging, zooals we dat altijd zien, samen met een hoogen graad van vrijheid in het huwelijkssysteem. De Romeinsche wet had geen macht om bij het vormen van huwelijken tusschenbeide te komen, en er waren geen wettelijke vormen van huwelijk. De Romeinen erkenden, dat het huwelijk een feit was en niet enkel een wettelijke vorm; in het huwelijk door usus was in het geheel geen ceremonie; het werd gevormd door het enkele feit van samen te leven een geheel jaar lang; toch werd zulk een huwelijk beschouwd als even wettig en volkomen alsof het begonnen was met de heilige rite van de confarreatio. Het huwelijk was een zaak van eenvoudige persoonlijke overeenkomst, waarbij de man en de vrouw elkander ontmoetten op den voet van gelijkheid. De vrouw behield de volle heerschappij over haar bezittingen; de barbaarschheid van het instellen van een proces tot teruggave van huwelijksrechten was onmogelijk, echtscheiding was een persoonlijke handeling, waarop de vrouw even volkomen recht had als de man, en er was geen inquisitorische tusschenkomst noodig van den magistraat of van het gerechtshof; wel verklaarde Augustinus, dat een openlijke verklaring noodig was, maar de echtscheiding zelf was een persoonlijke wettige daad van de twee personen, die het aanging [312]. Het is interessant deze verlichte opvatting van het huwelijk op te merken, zooals ze heerschte in het grootste en krachtigste Keizerrijk, dat ooit over de wereld geheerscht heeft, niet ten tijde van zijn grootste macht,--want het maximum van kracht en het maximum van uitbreiding, de knop en de volle bloem, zijn noodzakelijk onvereenigbaar,--maar ten tijde van zijn grootste ontwikkeling. In den chaos, die op de ontbinding van het Keizerrijk volgde, bleef de Romeinsche wet bestaan als een kostbaar legaat aan de nieuwe zich ontwikkelende naties, maar zijn invloed was onafscheidelijk verbonden met dien van het Christendom, dat, hoewel het eerst niet geneigd was geweest zelf huwelijkswetten in te stellen, langzamerhand een aangroeiend ascetisch gevoel ontwikkelde, dat gelijkelijk vijandig werd aan de waardigheid van de getrouwde vrouw en aan de vrijheid van huwelijk en van echtscheiding [313]. Met dien invloed ging samen de invloed, die van den Bijbel uitging, van het barbaarsche Joodsche huwelijkssysteem, dat aan den echtgenoot rechten gaf in huwelijk en echtscheiding, die ten eenenmale aan de vrouw ontzegd werden; dit was een invloed, die nog grooter kracht kreeg met de Reformatie, toen de autoriteit, eens aan de Kerk toegekend, grootendeels op den Bijbel werd overgedragen. Eindelijk was er in een groot deel van Europa, dat de meest energieke en uitgestrekte deelen insloot, de invloed van de Germanen, een invloed, die nog primitiever was dan die van de Joden, die de opvatting deed ontstaan, dat de vrouw als het ware behoorde tot den veestapel van den man, en dat het huwelijk een koop was. Al deze invloeden botsten tegen elkaar en verschenen dikwijls naast elkaar, hoewel ze niet in harmonie gebracht konden worden. Het resultaat was, dat de vijftien honderd jaar, die volgden op de volkomen overwinning van het Christendom, over het geheel de meest lagen toestand laten zien, waartoe het huwelijkssysteem voor zoover we weten, ooit tijdens den geheelen duur van de menschelijke geschiedenis zóó langen tijd vervallen is.

In het eerst duurde de heilzame invloed van Rome nog eeniger mate voort en ontwikkelde zich zelfs opnieuw. In den tijd van de Christelijke Keizers werd de vrijheid tot echtscheiden afwisselend in stand gehouden en afgeschaft [314]. Wij vinden zelfs de wijze en ver-ziende voorzorg van de wet, die zegt, dat een contract van de twee partijen om nooit te scheiden, geen wettige kracht kon hebben. Het verbod van Justinianus om echtscheiding te verkrijgen bij wederzijdsch goedvinden gaf aanleiding tot veel huiselijk verdriet, en zelfs tot misdaad, hetgeen de oorzaak schijnt geweest te zijn, dat het onmiddellijk weer opgeheven werd door zijn opvolger. Theodosius, die nog de oude Romeinsche traditie staande hield van de gelijkheid van de seksen, verleende aan de vrouw de vrijheid om evenzeer als de man echtscheiding te verkrijgen voor echtbreuk; dat is een punt, dat we in het tegenwoordige Engeland nog niet bereikt hebben.

Het schijnt aan alle kanten toegegeven te worden, dat het in ruime mate de fatale invloed van den inval van de barbaarsche Germanen geweest is, die, toen zij ze niet konden doen verdwijnen, de edele opvatting van de gelijkheid van vrouwen met mannen naar beneden haalden, evenals de waardigheid en de vrijheid van het huwelijk, die zich langzamerhand door het organiseerend genie van den Romein gevormd hadden tot een traditie, die nu nog een hooge waarde behoudt. De invloed van het Christendom had eerst geen verlagenden invloed van deze soort; want het ascetische ideaal was nog niet overheerschend, priesters trouwden als of het vanzelf sprak, en er bestond geen moeilijkheid om de huwelijksorde aan te nemen, die ingesteld werd; het was zelfs mogelijk er nieuwe levenskracht en vrijheid aan toe te voegen. Maar de Germanen, met al de primitieve hebzuchtige en strijdlustige instincten van ongetemde wilden, gingen in het onderwerpen van hun vrouwen veel verder dan zelfs de oude Romeinen; wel stonden zij aan hun ongetrouwde meisjes een groote mate van toegevendheid en zelfs sexueele vrijheid toe,--evenals ook de Christenen hun maagden vereerden [315],--maar het Germaansche huwelijkssysteem plaatste de vrouw, vergeleken met de vrouw van het Romeinsche Keizerrijk, in een toestand, die maar weinig beter was dan die van een huisslaaf.

In den een of anderen vorm, onder de eene of andere vermomming overheerschte bij de Germanen het systeem van koop van de vrouw, en altijd, als dit systeem van invloed is, zelfs als de vrouw geëerd wordt, worden haar voorrechten ingekort [316]. Bij de Teutonische volken in het algemeen, evenals bij de eerste Engelsche, was het huwelijk werkelijk een persoonlijke handeling, maar ze nam den vorm aan van een verkoop van de bruid door den vader, of anderen wettigen voogd, aan den bruigom. De beweddung was een werkelijk koopcontract [317]. Het "koophuwelijk" was de meest gewone vorm van huwelijk. De ring was niet, zooals sommigen hebben gemeend, een teeken van ondergeschiktheid, maar eerder een vorm van bruidprijs, of arrha, dat is te zeggen een boetegeld voor het huwelijk en zoo het symbool ervan [318]. Eerst een teeken van den koop van de bruid, verkreeg de ring later de beteekenis van onderwerping aan den bruidegom, en die beteekenis werd in de Middeleeuwen nog nadrukkelijker daaraan gehecht door andere ceremonies. Zoo moest in Engeland, volgens de handboeken van York en Sarum de bruid, na het geven van den ring, den bruidegom te voet vallen, en soms zijn rechter voet kussen. Ook in Rusland kuste de bruid de voeten van haar man. Op een lateren tijd, in Frankrijk, werd deze gewoonte verzacht en werd het de gewoonte, dat de bruid den ring voor het altaar liet vallen, en dan voor de voeten van haar man bukte om hem op te rapen [319]. Het leenstelsel zette deze Teutonische invloeden voort en vergrootte ze door zijn militair karakter. Een leengoed was land, dat gehouden werd op voorwaarde van militairen dienst, en de aard van den invloed daarvan op het huwelijk blijkt wel uit dit feit. De vrouw werd gegeven met het leengoed en haar eigen wil telde in het geheel niet mee [320].

De Christelijke kerk nam eerst de vormen aan van het huwelijk, zooals ze reeds bestonden in de landen, waar het kwam, de Romeinsche vormen in de Latijnsche landen met Latijnsche traditie en de Germaansche vormen in de Teutonische landen. Het eischte alleen maar (zooals het ook geëischt wordt voor andere burgerlijke contracten, zooals een gewone verkoop), dat zij geheiligd zullen worden door een priesterlijke inzegening. Maar het huwelijk werd door de kerk erkend, zelfs bij afwezigheid van zulk een inzegening. Er was geen speciale godsdienstige huwelijksdienst, in het Oosten noch in het Westen, vroeger dan de zesde eeuw. Het was eenvoudig de gewoonte voor het pas getrouwde paar, nadat de huwelijksceremonies waren afgeloopen, den dienst in de kerk bij te wonen, naar den gewonen dienst te luisteren en het sacrament te nemen. Een speciale huwelijksdienst ontwikkelde zich langzamerhand, en die maakte geen deel uit van het werkelijke huwelijk. In de tiende eeuw (in ieder geval in Italië en Frankrijk) begon het de gewoonte te worden het eerste deel van de werkelijke bruiloft, nog een zuiver tijdelijke daad, buiten de kerkdeur te vieren. Dit werd spoedig gevolgd door de echte trouwmis, direct op de gelegenheid toepasselijk, in de kerk. In de twaalfde eeuw leidde de priester de ceremonie, die nu een indrukwekkend ritueel in zich sloot, dat buiten de kerk begon en eindigde met de bruidsmis in de kerk. In de dertiende eeuw leidde de priester, terwijl hij de voogden van het jonge paar verving, zelf de geheele ceremonie. Tot dien tijd toe was het huwelijk een zuiver persoonlijke handeling geweest. Zoo was, na meer dan duizend jaar van het Christendom, niet door de wet, maar door den langzamen groei van de gewoonte, het kerkelijk huwelijk ingesteld [321].

Het was ongetwijfeld een gebeurtenis van zeer groot belang, niet alleen voor de kerk, maar voor de geheele geschiedenis van het Europeesche huwelijk zelfs tot op dezen dag toe. De geheele wijze van bruiloft vieren van tegenwoordig is gegrond op die van de Katholieke kerk, zooals ze in de twaalfde eeuw ingesteld is en geformuleerd werd in de canonieke wet. Zelfs de afkondigingen vinden hier hun oorsprong, en het feit, dat in ons modern burgerlijk huwelijk de openlijke ceremonie plaats vindt op een kantoor en niet in een kerk kan wel het feit verbergen, maar niet veranderen, dat het huwelijk direct en ontwijfelbaar afstamt van de publieke kerkelijke ceremonie, die een belichaming was van den langzamen en slimmen triomf--zoo langzaam en slim, dat de geschiedenis ervan moeilijk is na te sporen--van Christelijke priesters over de persoonlijke aangelegenheden van mannen en vrouwen. Voordat zij deze taak op zich namen was het huwelijk overal de persoonlijke aangelegenheid van de personen, die er bij betrokken waren; toen ze die taak volbracht hadden,--en ze was niet geheel volbracht vóor het concilie van Trente,--was een niet-officieel huwelijk een zonde geworden en bijna een misdaad [322].

Op het eerste gezicht moet het onze verwondering wekken, dat de kerk, die, zooals we weten, een steeds grootere neiging had getoond om de maagdelijkheid te vereeren en om sexueele verhoudingen te minachten, toch, parallel met die beweging en met den aangroeienden invloed van het ascetisme, zoo'n grooten ijver getoond heeft om het huwelijk buit te maken en er een openbaar, waardig en godsdienstig karakter aan te verleenen. Er was echter geen tegenspraak. De factoren, die het Europeesche huwelijk, als een geheel genomen, vormden, waren werkelijk van geheel verschillenden aard en sloten dikwijls onverzoenbare tegenstellingen in zich. Maar wat de van de kerk uitgaande pogingen van de wetgevende geestelijkheid betreft, die kwamen voort uit een bepaald en begrijpelijk standpunt. Juist de geringschatting van het sexueele instinct sloot, daar het instinct niet uitgeroeid kon worden, de noodzakelijkheid in zich, er een wettig kanaal voor te openen, zoo dat het kerkelijk huwelijk, naar men gezegd heeft, "analoog is met de vergunning tot het verkoopen van sterken drank" [323]. Bovendien gaf het huwelijk blijk van de macht der kerk om aan de sexueele verhoudingen, die er door ontstonden, een waardigheid en een distinctie te verleenen, die ze duidelijk zouden onderscheiden van den algemeenen stroom van den lust. Sexueel genot is onrein, de geloovige kan er niet van gebruik maken, eer het gereinigd is door de sacramenten van de kerk. De heiliging van het huwelijk was het noodzakelijk gevolg van de heiliging van de maagdelijkheid. Het werd noodig het huwelijk te heiligen, en daaruit ontwikkelde zich het onverbreekbare sacrament van het huwelijk. De opvatting van het huwelijk als een godsdienstig sacrament, een opvatting van vèrstrekkenden invloed, is de groote bijdrage van de Katholieke kerk tot de geschiedenis van het huwelijk.

Het is van belang in de herinnering te houden, dat, terwijl het Christendom het denkbeeld van het huwelijk als een sacrament in den grooten stroom van de geschiedenis der instellingen van Europa gebracht heeft, dat denkbeeld alleen maar ontwikkeld was door de kerk, niet er door uitgedacht. Het is een oud en zelfs primitief denkbeeld. De Joden hielden het huwelijk voor een magisch-godsdienstigen band, die iets mystieks bevatte, dat op een sacrament geleek, en die opvatting, zegt Durkheim (L'Année Sociologique, achtste jaar, 1905, p. 419), is misschien zeer oud en hangt samen met den over het algemeen magischen aard van de sexueele verhoudingen. "De enkele daad van de vereeniging," merkt Crawley op (The Mystic Rose, p. 318) over natuurvolken, "is mogelijk een huwelijksceremonie van de sacramenteele soort... Men mag zelfs aan de vroegste animistische menschen een vage notie van die soort toekennen, voordat eenige ceremonie zich kristalliseerde". "Het wezen van een huwelijksceremonie", gaat dezelfde schrijver voort, "is het "zich vereenigen" van een man en een vrouw; in de woorden van den dienst in de Engelsche kerk, "daarvoor zal een man zijn vader en moeder verlaten en zal vereenigd worden met zijn vrouw; en zij zullen één vleesch worden". Aan de andere zijde van de wereld, onder de Orang Benuas, worden de volgende woorden door een van de oudsten van den stam uitgesproken als een huwelijk ingezegend wordt: "Luistert gij allen, die tegenwoordig zijt; zij, die verwijderd waren, zijn nu tezamen gebracht; zij, die tot nu toe gescheiden waren, zijn nu vereenigd". Huwelijksceremonieën kunnen in alle stadiën van de cultuur met even veel recht godsdienstig genoemd worden als iedere andere ceremonie, welke ook. Zij, die gescheiden waren, zijn nu verbonden, zij, die wederkeerig tabu waren, breken nu het tabu". Zoo voorkomen de ceremonieën de zonde en wenden het gevaar af.

De Katholieke opvatting van het huwelijk was, dat is duidelijk, in de hoofdpunten precies dezelfde als de primitieve opvatting. Het Christendom ontleende het denkbeeld van sacrament aan de oude tradities in het volksbewustzijn, en zijn eigen kerkelijke bijdrage lag daarin, dat het langzamerhand dat denkbeeld een formeelen en starren vorm gaf, en het voor onverbreekbaar verklaarde. Evenals onder natuurvolken was het in de toestemming, dat het wezen lag van het sacrament; de tusschenkomst van den priester was, in principe, niet noodig om aan het huwelijk zijn godsdienstig bindend karakter te geven. Het wezen van het sacrament was het wederkeerig aannemen van elkaar als man en vrouw, en technisch was de priester, die de ceremonie leidde alleen maar een getuige van het sacrament. Daar het grondfeit dus de geestelijke daad was van de toestemming, had het sacrament van het huwelijk het eigenaardige karakter van te zijn zonder eenig uiterlijk en zichtbaar teeken. Misschien was het dit feit, instinctief gevoeld als een zwak punt, dat leidde tot den enormen nadruk die gelegd werd op de onverbreekbaarheid van het sacrament van het huwelijk, reeds ingesteld door den heiligen Augustinus. De Canonisten hebben verschillende argumenten bijgebracht om die onverbreekbaarheid te verklaren, en een dikwijls herhaald argument is altijd geweest de aanhaling uit de schrift van den term "éen vleesch" voor getrouwde paren; maar het geliefkoosde argument van de Canonisten was, dat het huwelijk de vereeniging voorstelt van Christus met de kerk; die is onverbreekbaar, en daarom moet het beeld ervan ook onverbreekbaar zijn; (Esmein, op cit., dl. I, p. 54). Gedeeltelijk dus, mogen we wel gelooven, deed het denkbeeld van de onverbreekbaarheid van het huwelijk zich aan den kerkelijken geest voor als een natuurlijke associatie van denkbeelden: de gelofte van de maagdelijkheid in het kloosterschap was onverbreekbaar; moest niet de gelofte van sexueele verhouding in het huwelijk even onverbreekbaar zijn? Het schijnt wel, dat het niet voor 1164 was, in de Sentences van Peter Lombard, dat er een duidelijke en formeele erkenning van het huwelijk wordt gevonden als een van de zeven sacramenten (Howard, op cit., dl. I, p. 533).

De kerk echter had het huwelijk niet alleen gemaakt tot een godsdienstige daad; zij had het ook gemaakt tot een openlijke daad. De dienstdoende priester, die nu de autoriteit van het huwelijk was geworden, was gebonden door al de eischen en verbodsbepalingen van de kerk, en hij kon zich niet schikken naar de neigingen en belangen van afzonderlijke paren of hun voogden. Het werd dus onvermijdelijk, dat, evenals in andere zaken van gelijke soort, een wetboek met kerkelijke regels te zijner voorlichting ontstond. Deze behoefte van de kerk, die uit haar aangroeiende heerschappij over de wereldsche zaken voortkwam, was de oorsprong van de canonieke wetten. Met de ontwikkeling van de canonieke wetten, werd het geheele gebied van de regeling der sexueele verhoudingen, en de heerschappij over de afdwalingen ervan, een uitsluitend kerkelijke zaak. De wereldlijke wet kon voortaan evenmin direct kennis nemen van echtbreuk als van ontucht of onanie; bigamie, bloedschande en sodomie waren geen wereldlijke misdaden; de kerk was oppermachtig in de geheele sexueele sfeer.

Het was in de twaalfde eeuw, dat de canonieke wet het eerst ontstond, en Gratianus was de meesterlijke geest, die er het eerst vorm aan heeft gegeven. Hij behoorde tot de rechtsgeleerde school van Bologne, die de gezonde tradities van de Romeinsche wet geërfd had. De "canones", die Gratianus opstelde, waren echter niet méer het enkele resultaat van wettelijke tradities dan het resultaat van in kloosters uitgedachte theologische overwegingen. Zij waren een antwoord op de praktische behoeften van den dag voordat deze behoeften tijd gehad hadden stof te leveren tot fijn uitgesponnen subtiliteiten. Op een eenigszins later tijd, vóor het einde van de eeuw, werd de invloed der Italiaansche theologen overheerscht door dien der Gallische theologen van Parijs, zooals ze vertegenwoordigd werden door Peter Lombard. Het resultaat was het invoeren van verkeerde gecompliceerde toestanden, die de canonieke wet bijna hadden beroofd zoowel van haar beslistheid als van haar geschiktheid zich aan te passen aan de behoeften van de menschen.

Ondanks alle parasitische uitwassen echter, die zich snel begonnen te vormen om de canonieke wet heen, en die de praktische bruikbaarheid ervan sterk begonnen te verminderen, had die wetgeving toch in zich--voornamelijk in het begin en later onduidelijker--een gezonde kern van werkelijke waarde. De eerste canonieke wetten erkenden, dat het essentieele feit van het huwelijk de werkelijke sexueele vereeniging is, uitgevoerd met de bedoeling een permanente verhouding in het leven te roepen. De copula carnalis, het maken van twee tot "een vleesch", volgens de phrase van de schrift, een mystiek symbool van de vereeniging van de kerk met Christus, was het wezen van het huwelijk, en de wederkeerige toestemming van het paar alleen was voldoende om een huwelijk te vormen, zelfs zonder eenige godsdienstige inzegening, of zonder eenige ceremonie. Ook de informeele en niet ingezegende vereeniging was een werkelijk en bindend huwelijk als de twee partijen wilden, dat het dat zijn zou [324].

Welke harde dingen ook mogen gezegd zijn over de canonieke wetten, het moet nooit vergeten worden, dat ze door de middeleeuwen heen tot het midden van de zestiende eeuw de groote waarheid verder hebben gedragen, dat het wezen van het huwelijk niet ligt in riten en vormen, maar in de wederzijdsche toestemming van de twee personen, die samen trouwen. Toen de Katholieke kerk, in haar aangroeiende starheid, dat begrip verloor, werd het opgenomen door de Protestanten en de Puriteinen in hun eerste stadium van vurige geloofsijver, hoewel ze het weer min of meer loslieten, toen ze terugvielen in een staat van vormendienst. Het bleef ook steun ontvangen van moralisten en dichters. Zoo beschrijft George Chapman, de drama-schrijver, die zoowel moralist was als dichter, in The Gentleman Usher (1606), het huwelijk zonder godsdienstige plechtigheid van zijn held en zijn heldin, dat deze laatste ons aldus voorstelt:--