De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 53

Chapter 533,413 wordsPublic domain

De definitie van het huwelijk.--Het huwelijk in de dierenwereld.--Het overheerschen van de monogamie.--Het vraagstuk van het groepen-huwelijk.--De monogamie is een natuurlijk feit, niet gebaseerd op een wet der menschen.--Neiging om den vorm van het huwelijk te stellen boven het feit van het huwelijk.--De geschiedenis van het huwelijk.--Het huwelijk in het oude Rome.--Germaansche invloed op het huwelijk.--De groote uitbreiding van dezen invloed.--Het sacrament van het huwelijk.--Oorsprong en ontwikkeling van de opvatting als sacrament.--De kerk maakte het huwelijk tot een openbare daad.--Het canonieke huwelijksrecht.--De gezonde kern hiervan.--Zijn ontwikkeling.--Zijn onduidelijkheden en dwaasheden.--Eigenaardigheden van het Engelsche huwelijksrecht.--Invloed van de hervorming op het huwelijk.--De Protestantsche opvatting van het huwelijk als een wereldlijk verdrag.--De Puriteinsche huwelijks hervorming.--Milton als pionier voor de huwelijks hervorming.--Zijn beschouwingen over echtscheiding.--De achterlijke positie van Engeland op het gebied van de huwelijkshervorming.--Critiek op de Engelsche wet op de echtscheiding.--De tradities van het canoniek recht werken nog voort.--De kwestie van schadevergoeding bij echtbreuk.--Onderlinge verstandhouding is een beletsel voor echtscheiding.--Echtscheiding in Frankrijk, Duitschland, Oostenrijk, Rusland enz.--De Vereenigde Staten.--Onmogelijkheid de echtscheidingsgronden wettig vast te stellen.--Echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden.--De oorsprong en de ontwikkeling hiervan--Belemmering door de tradities van het canoniek recht.--Wilhelm von Humboldt.--Nieuwe voorstanders van echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden.--De argumenten tegen het gemakkelijker maken van de echtscheiding.--De belangen der kinderen.--De bescherming der vrouwen.--De tegenwoordige neiging in de behandeling van de echtscheidingsbeweging.--Het huwelijk is geen verdrag.--Het voorstel van een huwelijk voor een aantal jaren.--Wettelijke beperkingen en nadeelen in de positie van man en vrouw.--Het huwelijk is geen contract, maar een feit.--Alleen de bijkomende zaken van het huwelijk, niet de essentieele leenen zich tot een regeling bij contract.--De wettelijke erkenning van het huwelijk als feit zonder eenige ceremonie.--Contracteeren van de persoon is niet te vereenigen met de moderne neigingen.--De factor van de moreele verantwoordelijkheid.--Het huwelijk als een ethisch sacrament.--Persoonlijke verantwoordelijkheid sluit vrijheid in zich.--Vrijheid is de beste waarborg voor bestendigheid.--Onjuiste denkbeelden over indivudualisme.--De moderne neiging van het huwelijk.--Met de geboorte van een kind houdt het huwelijk op een persoonlijke aangelegenheid te zijn.--Ieder kind moet een wettigen vader en een wettige moeder hebben.--Hoe dit bereikt kan worden.--De vaste grondslag der monogamie.--De kwestie van huwelijksvariatie.--Zulke variaties staan niet vijandig tegenover de monogamie.--De meest gewone variaties.--De buigzaamheid van het huwelijk houdt variaties in toom.--Huwelijks variaties tegenover prostitutie.--Het huwelijk op humanen grondslag.--Samenvatting en besluit.

De bespreking in het vorige hoofdstuk van den aard van de sexueele moraal, met de korte schets, die zij bevatte van de richting, waarin die moraal zich beweegt, heeft noodzakelijk vele punten onaangeroerd gelaten. De vraag blijft nog open, welke bepaalde vormen de sexueele vereenigingen onder ons beginnen aan te nemen, en welke betrekking deze vereenigingen hebben op de godsdienstige, maatschappelijke, en wettelijke tradities, die wij geërfd hebben. Dit zijn zaken, waarover een vrij groote mate van onzekerheid schijnt te bestaan, te oordeelen naar de ongewoon revolutionaire of eccentrieke meeningen, die men er over te hooren krijgt.

Sexueele vereeniging, die tijdelijk of duurzaam cohabitatie van twee of meer personen in zich sluit, en die tot voornaamste doeleinden heeft het voortbrengen en de verzorging van een nageslacht, wordt gewoonlijk huwelijk genoemd. De groep, die zoo gevormd wordt, heet een familie. Dit is de beteekenis, waarin de woorden "huwelijk" en "familie" meest eigenlijk gebruikt worden, hetzij we spreken van de dieren of van den mensch. We zien dus, dat er gelegenheid is voor variaties, zoowel wat den duur van de vereeniging aangaat, als wat het aantal van de haar vormende individuen betreft, terwijl de hoofdfactor voor de bepaling van deze punten het belang van de nakomelingschap is. In de praktijk echter hebben sexueele vereenigingen, niet alleen bij den mensch, maar ook bij de hoogere dieren, de neiging langer te duren dan het belang van de nakomelingschap van een seizoen het eischt, terwijl het feit, dat bij de meeste soorten het aantal der mannetjes en der vrouwtjes ongeveer gelijk is, het onvermijdelijk maakt, dat de familie gevormd wordt door een enkel paar individuen van verschillend geslacht, zoodat monogamie, hoewel steeds met vele uitzonderingen, hoofdregel is.

We zien dus, dat het huwelijk zijn middelpunt vindt in het kind en dat het in den oorsprong geen reden van bestaan heeft buiten de welvaart van de nakomelingschap. Onder de lager georganiseerde dieren, die van het begin van hun leven af in staat zijn voor zich zelf te zorgen bestaat geen familie en geen behoefte aan het huwelijk. Als bij menschen op de geslachtsvereeniging geen nakomelingschap volgt, dan kunnen er wel gronden bestaan voor het voortduren van die vereeniging, maar dit zijn geen gronden, waarbij hetzij de natuur of de maatschappij eenig direct belang heeft. Het huwelijk, dat zich onder de dieren door erfelijkheid gevormd heeft op de basis der natuurlijke keuze, en dat door de lagere menschenrassen voortgezet is door gewoonte en traditie, door de meer beschaafde rassen door den daarbij komenden regelenden invloed van wettige instellingen, is geweest huwelijk terwille van het nageslacht [308]. Zelfs bij beschaafde rassen, bij wie het aantal kinderlooze huwelijken groot is, is het huwelijk meestal zoo ingericht, dat het steeds het verwekken van kinderen aanneemt, en de duurzaamheid in zich sluit, die daarvoor geëischt wordt.

Bij vogels, die, wat hun erotische ontwikkeling betreft, in de dierenwereld bovenaan staan, is de monogamie dikwijls overheerschend (volgens sommige schattingen ongeveer 90 percent), en de vereenigingen zijn meestal duurzaam; denzelfden toestand vindt men, al is 't niet zoo volkomen, bij sommige van de hoogere zoogdieren, vooral bij de anthropoide apen; zoo bestaan onder de gorilla's en oerang-oetans permanente monogamische huwelijken, waarbij de jongen soms bij de ouders blijven tot hun zesde jaar, terwijl alles, wat lijkt op loszinnig gedrag van den kant van het wijfje, door het mannetje streng gestraft wordt. De variaties, die voorkomen, zijn dikwijls een kwestie van aanpassing aan de omstandigheden; zoo zegt J. G. Millais (Natural History of British Ducks, pp. I, 63), dat de lepeleend, hoewel zij normaal monogamisch is, polyandrisch wordt als er te veel mannetjes zijn, en dat dan twee mannetjes voortdurend en vriendschappelijk zorg dragen voor eén wijfje, zonder teekenen van jaloezie; ook bij de monogamische wilde eenden komen nu en dan polygynie en polyandrie voor. Zie ook R. W. Schufeldt, "Mating Among Birds", American Naturalist, Maart, 1907; voor huwelijken onder de zoogdieren zie men een belangrijk geschrift van Robert Müller, "Säugethierchen", Sexual-Probleme, Jan., 1909, en wat het overheerschen van de monogamie aangaat, zie men Woods Hutchinson, "Animal Marriage", Contemporary Review, Oct., 1904, en Sept. 1905.

Men is het onder de historici van het huwelijk lang oneens geweest over den oorspronkelijken vorm van het menschelijk huwelijk. Sommigen meenen, dat een oorspronkelijk bestaande gemengde staat zich langzamerhand in de richting van de monogamie gewijzigd heeft; anderen beweren, dat de mensch begon waar de anthropoide aap ophield, en dat de monogamie over het geheel doorloopend overheerschend geweest is. Deze beide tegenovergestelde gezichtspunten, in hun uitersten vorm, schijnen onhoudbaar, en de waarheid zal wel in het midden liggen. Het is door verschillende schrijvers, en voornamelijk door Westermarck (History of Human Marriage, hoofdst. IV-VI) aangetoond, dat er geen gezonde bewijsgronden zijn voor een oorspronkelijken gemengden staat, en dat er tegenwoordig weinig natuurvolken zijn, zoo ze er al zijn, die in echte onbeperkte gemengde staat leven. Deze theorie van een oorspronkelijke promiscuïteit schijnt ontstaan te zijn, naar J. A. Godfrey aangetoond heeft (Science of Sex, p. 112), door de gemengde prostitutie, die in beschaafde maatschappijen bestond, hoewel deze gemengde staat in werkelijkheid eerder het gevolg was dan de oorzaak van het huwelijk. Aan den anderen kant kunnen we nauwelijks zeggen, dat er eenig overtuigend bewijsmateriaal is van oorspronkelijke strikte monogamie, behalve de onderstelling, dat de eerste mensch de sexueele gewoonten van den anthropoiden aap voortzette. Het schijnt echter waarschijnlijk, dat de groote schrede voorwaarts, die het overgaan van aap tot mensch met zich bracht, samenging met een verandering in de sexueele gewoonten, die leidde tot het aannemen van een meer samengesteld systeem dan de monogamie. Het is moeilijk te zien op welk ander maatschappelijk gebied dan dat der sekse, de oorspronkelijke mensch werkzaamheid kon vinden voor de zich ontwikkelende intellectueele en moreele bekwaamheden, de fijne onderscheidingen en de moreele beperkingen, waarvoor de strikte monogamie, door de dieren in praktijk gebracht, geen ruimte liet. Het is even moeilijk te zien, op welke andere basis, dan die van de sekse, een nauwer verbonden sexueel systeem, de vereenigde en harmonieuze pogingen, noodig voor maatschappelijken vooruitgang, zich konden hebben ontwikkeld. Het is waarschijnlijk, dat tenminste een van de beweegredenen tot de exogamie, of het huwelijk buiten den groep, is (zooals waarschijnlijk het eerst door den heiligen Augustinus is aangetoond in zijn De Civitate Dei) de behoefte, een grooter maatschappelijken kring te stichten en zoo de maatschappelijke werkzaamheden en den maatschappelijken vooruitgang te vergemakkelijken. Precies hetzelfde doel wordt bereikt door een samengesteld huwelijkssysteem, dat een groot aantal personen samenbindt door gemeenschappelijke belangen. De strikt kleine en beperkte monogamische familie, hoe uitstekend ze ook zorgde voor de belangen van het nageslacht, hield geen belofte in voor een ruimeren maatschappelijken vooruitgang. Wij zien dit zoowel bij de mieren als bij de bijen, die van alle dieren de hoogste maatschappelijke organisatie bereikt hebben; hun vooruitgang was slechts mogelijk door een grondige wijziging van het systeem van sexueele betrekkingen. Zooals Espinas vele jaren geleden gezegd heeft (in zijn tot nadenken stemmend boek Des Sociétés Animales): "Het samenhangen van de familie en de mogelijkheid van het geboren worden van nieuwe maatschappijen staan in omgekeerde verhouding". Of, zooals Schurtz onlangs aangetoond heeft, hoewel het monogame huwelijk in den beginne min of meer overheerscht heeft, hebben de eerste maatschappelijke instellingen, de eerste denkbeelden en de eerste godsdienst sexueele gewoonten met zich gebracht, die een strikte monogamie wijzigden.

De meest primitieve vorm van een samengesteld menschelijk huwelijk die tot nu toe is uitgebeeld, en die nog schijnt te bestaan, is wat het groepenhuwelijk genoemd wordt, waarbij al de vrouwen van de eene klasse beschouwd worden als werkelijke of in ieder geval als mogelijke echtgenooten van al de mannen in een andere klasse. Dit is opgemerkt bij sommige stammen uit Midden-Australië, stammen, die zoo primitief zijn en afgezonderd van uiterlijke invloeden als men ze maar vinden kan, en het schijnt vroeger onder hen nog meer te zijn voorgekomen. "In den stam der Urabunna bijvoorbeeld", zeggen Spencer en Gillen, "hebben een groep van mannen werkelijk voortdurend en als normale toestand, huwelijksverhoudingen met een groep vrouwen. Deze staat van zaken heeft niets ter wereld te maken met polygamie, of ook met polyandrie. Het is eenvoudig een kwestie van een groep mannen en een groep vrouwen, die wettig mogen hebben wat wij huwelijksverhoudingen noemen. Er is niets hoegenaamd abnormaals hierin, en naar alle waarschijnlijkheid is dit systeem van wat men een proefhuwelijk zou kunnen noemen, omdat het er toe dient groepen van individuen, die wederkeerig belang hebben bij elkander's welvaart, min of meer nauw aan elkaar te binden, een van de machtigste werktuigen geweest in de eerste stadiën van de voortschrijdende ontwikkeling van het menschelijk ras" (Spencer en Gillen, Northern Tribes of Central Australia, p. 74; vergelijk A. W. Howitt, The Native Tribes of South-East Australia). Het groepenhuwelijk, met de afstamming in de vrouwelijke lijn, zooals ze in Australië gevonden wordt, schijnt zich langs verschillende stadiën van vooruitgang te wijzigen in het individueele huwelijk met de afstamming in de mannelijke lijn, terwijl een overblijfsel van het groepenhuwelijk misschien is blijven bestaan in het veel besproken jus primae noctis. (We moeten hieraan toevoegen, dat Mr. N. W. Thomas, in zijn boek over Kinship and Marriage in Australia, 1908, tot de conclusie komt, dat het groepenhuwelijk in Australië niet gedemonstreerd is, en dat Professor Westermarck in zijn Origin and Development of the Moral Ideas, evenals in zijn vroegere History of Human Marriage, een sceptische meening staande houdt jegens het groepenhuwelijk in het algemeen; hij meent, dat de gewoonte der Urabunna zich misschien zal ontwikkeld hebben uit het gewone individueele huwelijk, en hij beschouwt de theorie van het groepenhuwelijk als "het legaat van de oude theorie der promiscuïteit". Ook Durkheim meent, dat het Australische huwelijkssysteem niet tot het primitieve behoort, "Organisation Matrimoniale Australienne", L'Année Sociologique, achtste jaar, 1905). Het is gemakkelijk te zien dat met het bereiken van een bepaald niveau van maatschappelijken vooruitgang een ruim en gecompliceerd systeem van sexueele verhoudingen ophoudt zijn waarde te hebben, en dat een min of meer gequalificeerde monogamie neiging heeft te overheerschen als meer in harmonie met de eischen van maatschappelijke stabiliteit en zich uitende mannelijke energie.

De beste historische bespreking van het huwelijk is waarschijnlijk nog de History of Human Marriage door Westermarck, hoewel ze nu op sommige punten behoefte heeft aan verbetering en aanvulling; onder andere nieuwere boeken, die handelen over primitieve sexueele opvattingen mogen we speciaal noemen de Mystic Rose van Crawley, terwijl de feiten over de verandering van het huwelijk onder de hoogere menschelijke rassen uiteengezet zijn in de History of Matrimonial Institutions (3 deelen), dat vele verwijzingen bevat naar andere boeken. Er is een uitmuntende beknopte, maar duidelijke en begrijpelijke schets van de ontwikkeling van het moderne huwelijk in Pollock en Maitland, History of English Law, deel II.

We moeten vrijheid laten voor variaties, en daarbij moeten we de uiterste theoretici vermijden, maar we mogen toch tot de conclusie komen, dat--zooals het vrijwel gelijke aantal mannen en vrouwen aanduidt--in de menschelijke soort, evenals onder vele van de hoogere dieren, een min of meer duurzame monogamie over het geheel neiging heeft gehad te overheerschen. Dat is een feit van groote beteekenis in zijn verwikkelingen. Want wij moeten ons voor oogen stellen, dat wij hier staan tegenover een natuurlijk feit. Sexueele verhoudingen volgen, zoowel in menschelijke als in dierlijke maatschappijen, een natuurlijke wet, terwijl ze aan beide zijden van den norm varieeren en er is geen plaats voor de theorie, dat die wet willekeurig opgelegd was. Als alle kunstmatige "wetten" afgeschaft konden worden, dan zou de natuurlijke orde van de sexueele verhoudingen toch in hoofdzaak blijven bestaan, zooals ze op het oogenblik is. Deugd, zeide Cicero, is alleen maar Natuur tot het uiterste doorgevoerd. Of, zooals Holbach het uitdrukt, waar hij beweert, dat onze instellingen neigen in de richting, die de natuur aanwijst, "kunst is alleen maar natuur, werkend met behulp van de instrumenten, die zij zelf gemaakt heeft". Shakespeare had reeds zoowat dezelfde waarheid gezien, toen hij zeide, dat de kunst, die aan de natuur toevoegt, "een kunst is, die de natuur maakt". De wet en de godsdienst hebben de monogamie gesteund; ze berust niet op deze, maar op de behoeften van de menschheid, en deze heiligen de monogamie in voldoende mate [309]. Of, zooals Cope zegt, het huwelijk is niet de schepping van de wet, maar de wet is de schepping van het huwelijk [310]. En Crawley legt, in zijn studie over primitieve sexueele verhoudingen, den nadruk op het feit, dat ons formeele huwelijkssysteem niet is, zooals zoovele godsdienstige en moreele schrijvers gemeend hebben, een met geweld onderdrukken van natuurlijke impulsen, die in meer vloeibaren vorm van het begin af aan in de menschelijke natuur aanwezig zijn geweest. We moeten wel gelooven, dat onze conventioneele vormen geen nieuwe elementen van waarde hebben ingevoerd; integendeel zijn ze in sommige opzichten nadeelig geweest.

Het is noodig in de herinnering te houden, dat de conclusie, dat het monogame huwelijk natuurlijk is, en een orde te zien geeft, die in harmonie is met de instincten van de meerderheid van het volk, in het geheel niet een meegaan met de onderdeelen van eenig bijzonder systeem van monogamie in zich sluit. Het monogame huwelijk is een natuurlijk biologisch feit. Als een hoog geacht psychiater, Dr. Clouston, schrijft (The Hygiene of Mind, p. 245) "er is maar één natuurlijke wijze om de sexueele nisus en het instinct van reproductie te bevredigen, namelijk het huwelijk", dan vereischt de bewering de noodige toelichting eer ze kan worden aangenomen, of zelfs een begrijpelijke beteekenis kan krijgen, en als we onder "huwelijk" moeten verstaan den specialen vorm en de speciale verwikkelingen van de Engelsche huwelijkswet, of zelfs van de iets meer verlichte Schotsche wet, is de bewering absoluut valsch. Er is een wereld van verschil, zooals J. A. Godfrey opmerkt (The Science of Sex, 1901, p. 278), tusschen het natuurlijke monogame huwelijk en ons wettelijk systeem; "het eerste is de uiterlijke uitdrukking van het beste, dat er in de sexualiteit van den mensch is; het tweede is een schepping, waarbij godsdienstige en moreele bijgeloovigheden een hoogst belangrijke rol gespeeld hebben, niet altijd ten voordeele van de gezondheid van het individu en van de maatschappij".

Wij moeten ons derhalve wachten voor de meening, dat er iets stars of formeels is in de natuurlijke orde der monogamie. Sommige sociologen zouden zelfs de natuurlijkheid van de monogamie nog verder willen beperken. Zoo accepteert Tarde de neiging tot monogamie als natuurlijk onder de tegenwoordige toestanden, verzacht door meer of minder heimelijk concubinaat, om te overheerschen over alle andere huwelijksvormen, en hij meent, dat het niet berust op een of ander onweerstaanbaren invloed, maar alleen op het feit, dat dit soort van huwelijk door de meerderheid van de menschen in praktijk wordt gebracht, de meest beschaafden niet uitgesloten.

Met de erkenning van de neiging tot monogamie zijn we niet aan het einde van de sexueele moraal, maar eerst aan het begin. Het is niet de monogamie, die het hoofdpunt is, maar het soort van leven, dat de menschen in de monogamie leiden. Het aannemen van een monogamischen regel brengt ons maar een klein eindje verder. Dat is een feit, dat niet nalaten kan zich op te dringen aan hen, die de sexueele kwesties van psychologische zijde naderen.

Als de monogamie zoo'n stevige basis heeft, is het onredelijk te vreezen voor, of te hopen op eenige radicale wijziging in de instelling van het huwelijk; dit huwelijk, dat men niet alleen uit godsdienstig of wettelijk oogpunt moet beschouwen, maar als een orde, die op aarde verscheen zelfs nog eerder dan de mensch. De monogamie is de meest natuurlijke uiting van een impuls, die als regel niet goed tot vollen wasdom kan komen onder omstandigheden, die een minder langen tijd van wederzijdsche gemeenschap en intimiteit met zich brengen. Variaties, beschouwd als onvermijdelijke slingeringen om den norm, zijn ook natuurlijk, maar vereeniging in paren moet altijd de regel zijn, omdat het aantal individuen van de seksen altijd ten naastenbij gelijk is, terwijl de behoeften van het gemoedsleven, zelfs afgezonderd van de behoeften van de nakomelingschap, eischen, dat zulke vereenigingen, gebaseerd op wederzijdsche aantrekking, zooveel mogelijk duurzaam zullen zijn.

Het moet hier weer herhaald worden, dat het de werkelijkheid is, en niet de vorm of de duurzaamheid van de huwelijksvereeniging, die er het essentieele en belangrijke deel van is. Het is niet de wettelijke of godsdienstige formaliteit, die het huwelijk heiligt, het is de werkelijkheid van het huwelijk, die den vorm ervan heiligt. Fielding heeft in Nightingale, den vriend van Tom Jones, het kleingeestige gezichtspunt van de maatschappij over het huwelijk bespot, daar deze de werkelijkheid van het huwelijk verlaagt om den vorm te verheffen. Het kost Nightingale de grootste moeite een meisje te trouwen, waarmee hij reeds sexueele gemeenschap gehad heeft, hoewel hij de eenige man is, die betrekkingen met haar heeft gehad. Op de argumenten van Jones antwoordt hij: "Het gezond verstand bekrachtigt alles wat je zegt, maar toch zul je wel weten, dat de opinie van de wereld er zóo tegen is, dat, als ik met een hoer zou trouwen, al was ze dan ook de mijne, ik mij zou schamen om ooit weer mijn aangezicht te vertoonen". Het kan niet gezegd worden, dat Fielding's satyre zelfs nu nog verouderd is. Zoo schijnt het in Pruisen, volgens Adèle Schreiber ("Heiratsbeschränkungen", Die Neue Generation, Febr. 1909), nu nog feitelijk voor een militair officier onmogelijk te zijn om te trouwen met de moeder van zijn eigen onwettig kind.

De verheerlijking van den vorm ten koste van de werkelijkheid van het huwelijk is zelfs in poëzie beproefd door Tennyson in het minst geïnspireerde van zijn werken, The Idylls of the King. In "Lancelot and Elaine" en "Guinevere" (zooals Julia Magruder aanduidt, North American Review, April 1905) is Guinevere getrouwd met koning Arthur, dien zij nooit gezien heeft, toen ze al verliefd was op Lancelot, zoodat het "huwelijk" slechts een ceremonie was, en niet een werkelijk huwelijk (vergelijk May Child, "The Weird of Sir Lancelot", North American Review, Dec. 1908).