De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 52

Chapter 523,319 wordsPublic domain

De eerste en meest merkbare wijze, waarop deze zin voor moreele verantwoordelijkheid werkt, is een aandringen op werkelijkheid in de verhoudingen tusschen de seksen. De moreele onverantwoordelijkheid van de vrouw heeft, met haar economische afhankelijkheid te zamen, er toe geleid, dat zij de sexueele gebeurtenis, die biologisch van het grootste gewicht is, alleen maar als een vroolijke en alledaagsche gebeurtenis beschouwt, op zijn hoogst als een gebeurtenis, die haar een triomf gegeven heeft over haar mededingsters en over den superieuren man, die, van zijn kant, gewillig zich er toe leent om voor het oogenblik de rol van overwonneling te spelen. "Gallanterie voor de dames", wordt ons verteld van den held van de grootste en meest typische Engelsche roman, "behoorde tot zijn grondbeginselen van eer, en hij vond, dat hij evenzeer verplicht was een oproep tot liefde aan te nemen alsof het een oproep was geweest om te vechten"; hij gaat heldhaftig mee naar huis met een dame van hoogen stand, die hij ontmoet op een maskerade, hoewel hij toen zeer verliefd was op een meisje, waar hij later mee trouwt [299]. De vrouw, wier macht alleen in haar bekoorlijkheden ligt, en die vrijheid heeft den last van de verantwoordelijkheid op de schouders van den man te laden [300], kan gemakkelijk de rol van verleidster spelen en daardoor onafhankelijkheid en gezag uitoefenen in de eenige vormen, die voor haar openstaan. De man van zijn kant, die het denkbeeld van "eer" invoert in een gebied, waaruit het natuurlijke denkbeeld van verantwoordelijkheid verbannen is, is bereid, als een dame het hem vraagt, in de arena af te dalen volgens de oude legende, en haar handschoen terug te halen, zelfs als hij haar die later verachtelijk in het gezicht gooit. De oude opvatting van gallanterie, die Tom Jones zoo goed belichaamt, is het directe gevolg van een systeem, dat de moreele onverantwoordelijkheid en economische afhankelijkheid van de vrouwen in zich sluit, en is tegenovergesteld aan de opvattingen van sexueele gelijkheid, die in vroegere en latere beschaafde stadiën geheerscht hebben, evenzeer als aan de biologische tradities van een natuurlijken vorm van het hofmaken in de wereld in het algemeen.

Terwijl ze haar eigen sexueele leven controleeren, en zich duidelijk voor oogen stellen, dat haar verantwoordelijkheid voor zulk controleeren niet langer op de schouders geschoven kan worden van de andere sekse, zullen de vrouwen indirect invloed hebben op het sexueele leven van de mannen, zooals deze reeds invloed uitoefenen op dat van de vrouwen. Op welke wijze die invloed in hoofdzaak zal uitgeoefend worden, is nog niet te voorspellen. Volgens sommigen zijn, evenals vroeger de mannen hun vrouwen kochten en maagdelijkheid voor het huwelijk eischten in het zoo gekochte artikel, op dezelfde wijze tegenwoordig onder de betere klassen de vrouwen in staat haar mannen te koopen en op haar beurt zijn ze geneigd kuischheid te eischen [301]. Dat is echter een te simpele wijze van de zaak te beschouwen. Het is genoeg er op te wijzen, dat de vrouwen niet aangetrokken worden door maagdelijke onschuld in een man en dat zij dikwijls goede reden hebben om zulk een onschuld met wantrouwen aan te zien [302]. Toch mogen we wel gelooven, dat de vrouwen er meer en meer de voorkeur aan zullen geven een zekere critiek uit te oefenen op het verleden van haar man. Hoezeer een vrouw ook instinctief moge wenschen, dat haar man ingewijd zal zijn in de kunst van het hofmaken, mag zij er toch dikwijls wel aan twijfelen of de beste inwijding verkregen kan worden bij de gewone prostituée. Prostitutie is, zooals we gezien hebben, ten slotte evenmin overeen te brengen met complete sexueele verantwoordelijkheid als het patriarchale huwelijks-systeem, waarmee ze nauw verbonden is geweest. Ze is een schikking, die in hoofdzaak bepaald wordt door de behoeften van de mannen, hoezeer ze ook toevallig aan verschillende behoeften van de vrouwen tegemoet gekomen is. De mannen hebben het zoo ingesteld, dat een groep van vrouwen afgezonderd zou worden om uitsluitend hun sexueele behoeften te dienen, terwijl een andere groep opgevoed zou worden in ascetisme als candidaten voor het privilege van te voorzien in de behoeften van hun huishouden en familie. Dat dit in veel opzichten een uitmuntend systeem geweest is, blijkt wel voldoende uit het feit, dat het zoo'n langen tijd gebloeid heeft, ondanks de invloeden, die het tegenwerkten. Maar het is klaarblijkelijk alleen maar mogelijk gedurende een zeker stadium van de beschaving en in verband met een bepaalde maatschappelijke organisatie. Het komt niet volkomen overeen met een democratisch stadium van de beschaving, dat in zich sluit de economische onafhankelijkheid en de sexueele verantwoordelijkheid van beide seksen gelijkelijk in alle klassen van de maatschappij. Het is mogelijk, dat de vrouwen dit feit eerder beginnen te erkennen dan de mannen.

Het wordt ook door velen geloofd, dat de vrouwen zullen erkennen, dat een hooge trap van moreele verantwoordelijkheid niet gemakkelijk overeen te brengen is met de praktijk van het veinzen, en dat economische afhankelijkheid het bedrog--dat altijd de toevlucht is van de zwakken--zal berooven van iedere moreele rechtvaardiging, die het zou kunnen bezitten. Hier is het echter noodig met voorzichtigheid te spreken, of we zouden onrechtvaardig worden jegens de vrouwen. We moeten opmerken, dat in de sexueele sfeer de mannen ook dikwijls de zwakken zijn, en neiging hebben hun toevlucht te nemen tot het hulpmiddel van de zwakken. Met de erkenning van dat feit moeten we ook erkennen, dat vele van de dwaze meeningen, die eeuwenlang geheerscht hebben in den mannelijken geest bij het beschouwen van de vrouwelijke wijzen van doen, voor een groot deel veroorzaakt zijn door teleurstellingen in vrouwen. De mannen hebben voortdurend de dubbele fout begaan, de veinzerij van de vrouwen òf voorbij te zien òf er te veel waarde aan te hechten. Dit feit heeft er altijd toe bijgedragen om het onvermijdelijk moeilijk pad van de vrouwen door den kronkelweg van het sexueele gedrag nog moeilijker te maken. Pepys, die zoo levendig en zoo open een beeld geeft van de deugden en gebreken van den gewonen mannelijken geest, vertelt hoe eens, toen hij Mevr. Martin bezocht, haar zuster Doll heenging om een flesch wijn te halen en verontwaardigd terugkwam, omdat een Hollander haar in een stal getrokken en met haar had willen stoeien. Daar Pepys zichzelf dikwijls vrijheden met haar veroorloofd had, scheen het hem toe, dat haar verontwaardiging op den Hollander "het beste bewijs was van de onoprechtheid van de vrouw, dat er ter wereld maar wezen kon" [303]. Hij neemt zonder meer aan, dat een vrouw, die het voorrecht van familiariteit heeft toegekend aan een man, dien zij kent en naar we hopen, respecteert, ook bereid zou moeten zijn om met genoegen de brutale attenties aan te nemen van den eersten den besten dronken vreemdeling, dien zij op straat tegenkomt.

Het was het aannemen van de onoprechtheid in de vrouwen, dat den ultra-mannelijken Pepys bracht tot een tamelijk dwaze vergissing. Op dit punt ontmoeten wij iets, wat aan sommigen een ernstig bezwaar voor de volle moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen toegeschenen heeft. Veinzen, zeggen Lombroso en Ferrero, is bij de vrouw "bijna physiologisch", en zij geven verschillende gronden aan voor deze uitspraak [304]. De theologen, van hun kant, zijn tot hetzelfde besluit gekomen. "Een biechtvader moet niet dadelijk de woorden van een vrouw gelooven", zegt Vader Gury, "want vrouwen hebben gewoonlijk neiging om te liegen" [305]. Deze neiging, waarvan men gelooft, dat de vrouwen als sekse haar hebben, hoezeer een groot aantal individueele vrouwen er vrij van zijn, kunnen we naar waarheid zeggen, dat in groote mate het resultaat is van de onderworpenheid van de vrouwen en daardoor waarschijnlijk verdwijnen zal, zoodra de onderworpenheid verdwijnt. In zoover ze echter "bijna physiologisch" is, en op onvernietigbare vrouwelijke eigenschappen gebaseerd is, zooals schaamtegevoel, gevoeligheid en sympathie, die een organische basis hebben in de vrouwelijke constitutie en daarom nooit geheel kunnen veranderen, schijnt het wel nauwelijks waarschijnlijk dat de vrouwelijke veinzerij zal verdwijnen. Het beste, dat men kan verwachten is, dat ze in toom zal gehouden worden door den ontwikkelden zin van moreele verantwoordelijkheid, en, na teruggebracht te zijn tot zijn eenvoudige natuurlijke verhoudingen, als begrijpelijk erkend zal worden.

Het is onnoodig op te merken, dat er geen sprake kan zijn van eenige aangeboren moreele meerderheid van het eene geslacht boven het andere. Deze kwestie werd vele jaren geleden uitvoerig behandeld door een van de meest fijngevoelige moralisten van het liefdeleven. "Alles te zamen genomen", besloot Senancour (De l'Amour, deel II, p. 85), "hebben we geen reden om de meerderheid van de eene sekse boven de andere vast te stellen. Beide seksen, met hun dwalingen en goede bedoelingen, vervullen gelijkelijk de doeleinden der natuur. We mogen wel gelooven, dat bij ieder van de twee afdeelingen van de menschelijke soort de som van goed en kwaad ten naastenbij gelijk is. Als we bijvoorbeeld, wat de liefde aangaat, het zichtbaar losbandig gedrag van de mannen met de schijnbare ingetogenheid van de vrouwen vergelijken, dan zou het een onjuiste waardeering zijn, want het aantal fouten begaan door vrouwen met mannen is noodzakelijk hetzelfde als dat van mannen met vrouwen. Er bestaan onder ons minder nauwgezette mannen dan volkomen eerlijke vrouwen, maar het is gemakkelijk te zien hoe de weegschaal in evenwicht komt. Als deze kwestie van de moreele meerderheid van het eene geslacht boven het andere niet onoplosbaar was, dan zou ze nog zeer gecompliceerd blijven met betrekking tot de geheele soort, of zelfs de geheele natie, en iedere strijd schijnt hier nutteloos".

Deze conclusie is in overeenstemming met de algemeen compenseerende en aanvullende verhouding van vrouwen met mannen.

Kort geleden, bij een rondvraag over de kwestie of vrouwen moreel inferieur zijn aan mannen, met een speciale verwijzing naar geschiktheid voor loyaliteit (La Revue, Jan. 1, 1909), waarbij verscheidene beroemde Fransche mannen en vrouwen hun meening te kennen gaven, verklaarden sommigen, dat vrouwen gewoonlijk de meerderen zijn; anderen beschouwden het eerder als een kwestie van verschil dan van meerderheid of minderheid; allen waren het er over eens, dat, als zij dezelfde onafhankelijkheid genieten als mannen, vrouwen even loyaal zijn als mannen.

Het is ongetwijfeld waar, dat--gedeeltelijk als een resultaat van oude tradities en opvoeding, gedeeltelijk van echt vrouwelijke karakter-eigenschappen--vele vrouwen beschroomd zijn wat haar recht op moreele verantwoordelijkheid aangaat en niet geneigd ze te aanvaarden. En er is een poging gedaan om haar houding te rechtvaardigen door te beweren, dat de rol van de vrouw in het leven van nature die is van zelfopoffering, of, om het gezegde in een meer technischen vorm te stellen, dat de vrouwen van nature masochistisch zijn; en dat er, zooals Krafft-Ebing zegt, een natuurlijke "sexueele onderwerping" is van de vrouw. Het is in het geheel niet duidelijk, dat het gezegde absoluut waar is, en als het waar was, zou het niet dienen om de moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen te niet te doen.

Bloch (Beiträge zur Aetiologie der Psychopathia Sexualis, deel II p. 178), ontkent, in overeenstemming met Eulenburg met klem, dat er zulk een natuurlijke "sexueele onderwerping" van de vrouwen bestaat, en beschouwt die als kunstmatig in het leven geroepen, het resultaat van de maatschappelijk inferieure positie van de vrouwen, en beweert, dat zulke onderwerping in veel hoogere mate een physiologische eigenaardigheid is van mannen dan van vrouwen. Het schijnt duidelijk, dat de opvatting, dat vrouwen vooral geneigd zijn tot zelfopoffering, weinig biologische waarde heeft. Zelfopoffering, die afgedwongen wordt, hetzij door physieken of moreelen dwang, is den naam zelfopoffering niet waard; als ze met bedoeling geschiedt, is ze eenvoudig het opofferen van een minder goed om een grooter goed te verkrijgen. Zoo zou men van een man, die een goed diner verorbert, kunnen zeggen, dat hij zijn honger "opoffert". Zelfs binnen de sfeer van de traditioneele moraal heeft de vrouw, die haar "eer" opoffert ter wille van haar liefde voor een man, door haar opoffering iets verkregen, dat zij meer op prijs stelt. "Wat een triomf is het voor een vrouw", heeft een vrouw gezegd, "vreugde te geven aan den man, dien zij lief heeft!" En in een moraal, gegrond op een gezonde basis, wordt hier geen "opoffering" geëischt. Eerder kan er gezegd worden, dat de biologische wetten van het aanzoek in hun grond meer zelfopoffering eischen van den man dan van de vrouw. Zoo geeft, volgens Gérard den leeuwenjager, de leeuwin zich aan den sterksten van haar leeuw-minnaars; zij moedigt ze aan om onder elkaar te strijden om den voorrang, terwijl zij op haar buik ligt om naar het gevecht te kijken en van plezier met haar staart kwispelt, ieder vrouwelijk wezen wordt door vele mannelijke wezens het hof gemaakt, maar zij neemt er maar éen aan; het is niet van het vrouwtje, dat erotische zelfopoffering geëischt wordt, maar van het mannetje. Dat is werkelijk een deel van de goddelijke compensatie van de natuur, want daar het grootste deel van den last der sekse op de vrouw rust, is het gepast, dat zij minder geroepen wordt tot afstand doen.

Zoo schijnt het wel waarschijnlijk, dat de toename van de moreele verantwoordelijkheid er toe leiden zal het gedrag van een vrouw begrijpelijker te maken voor anderen [306]; het zal er in ieder geval toe leiden, dat anderen er zich minder mee bemoeien. Dit geldt zeer bijzonder voor de verhoudingen van de seksen. Vroeger waren het de mannen, die zich in vele vormen van deugd moesten oefenen; terwijl maar éen deugd voor de vrouwen openstond. Dat is niet langer mogelijk. Als we de vrouw belasten met de voornaamste verantwoordelijkheid voor haar eigen sexueel gedrag, dan berooven we daarmee dat gedrag van zijn duidelijk openlijk karakter als een deugd of als een ondeugd. Sexueele vereeniging is zoowel voor de vrouw als voor den man een physiologisch feit; het kan ook een geestelijk feit zijn; maar het is geen maatschappelijk feit. Het is integendeel een daad, die, meer dan alle andere daden, terugtrekking en heimelijkheid voor hare voltrekking noodig heeft. Dat is inderdaad een algemeen menschelijk, bijna zoölogisch feit. Bovendien wordt deze eisch van heimelijkheid meer speciaal gedaan door de vrouw, ten gevolge van haar grootere ingetogenheid, die, zooals we reden hebben om te gelooven, een biologische basis heeft. Niet voordat een kind geboren is of ontvangen, heeft de gemeenschap eenig recht zich te interesseeren voor de sexueele daden van haar leden. De sexueele daad gaat de gemeenschap niet meer aan, dan eenige andere persoonlijke physiologische daad. Het is onbeschaamd, zoo niet ergerlijk, hier navraag te doen. Maar de geboorte van een kind is een maatschappelijke gebeurtenis. Niet wat den schoot ingaat, maar wat die schoot baart, is van belang voor de maatschappij. De maatschappij wordt uitgenoodigd een nieuwen burger te ontvangen. Ze heeft recht te eischen, dat die burger een plaats in haar midden waardig zal zijn, en dat hij behoorlijk zal worden geïntroduceerd door een verantwoordelijken vader en een verantwoordelijke moeder. De sexueele moraal draait, zooals Ellen Key gezegd heeft, heelemaal om het kind.

Bij dit laatste punt van onze bespreking over de sexueele moraal zullen we misschien de enorme verandering kunnen opmerken, die de ontwikkeling bij de vrouwen van de moreele verantwoordelijkheid in zich sluit. Zoolang alle verantwoordelijkheid aan de vrouwen ontzegd werd, zoolang een vader of een man, gesteund door de gemeenschap, zich verantwoordelijk stelde voor het sexueele gedrag van de vrouw, voor haar "deugd", was het noodig, dat de geheele sexueele moraal zou draaien om den ingang van de vagina. Het werd absoluut het hoofdpunt voor het behoud van de moraal, dat alle oogen van de gemeenschap steeds zouden gericht zijn op dat punt, en ook de geheele huwelijkswet moest er op gericht zijn. Dat is niet langer mogelijk. Als een vrouw haar eigen moreele verantwoordelijkheid op zich neemt, in sexueele evenals in andere zaken, dan wordt het niet alleen ondragelijk, maar ook zonder beteekenis voor de gemeenschap, in haar meest intieme physiologische of geestelijke daden te speuren. Zij is zelf direct verantwoordelijk aan de maatschappij, zoodra zij een maatschappelijke daad doet, en niet vóor dien tijd.

Vooral met betrekking tot het moederschap is de verwerkelijking van alles, wat in de nieuwe moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen besloten is, van beteekenis. Onder een systeem van moraal, waarbij een man vrijgelaten wordt de verantwoordelijkheid op zich te nemen voor zijn sexueele daden, terwijl een vrouw niet even vrij is om dat ook te doen, wordt een premie gesteld op sexueele daden, die niet uitloopen op voortplanting, en wordt er een straf gesteld op de daden, die tot de voortplanting leiden. De reden is, dat bij de eerste klasse van daden de mannen voornamelijk bevrediging vinden; en dat in de andere klassen de vrouwen voornamelijk bevrediging vinden. Want het tragische in de oude sexueele moraal was, dat, terwijl ze alleen de mannen verantwoordelijk stelde voor sexueele daden, waarin de man en de vrouw beiden deel namen, de vrouwen zoowel maatschappelijk als wettelijk in de onmogelijkheid gesteld werden zich het feit van de mannelijke verantwoordelijkheid ten nutte te maken, tenzij ze de voorwaarden vervuld hadden, die de mannen voor haar gemaakt hadden, en die ze zichzelf toch niet oplegden. De daad van sexueelen omgang, die de daad was, waarin de mannen het meeste genoegen vonden, was onder alle omstandigheden een daad van gering maatschappelijk belang; de daad van het ter wereld brengen van een kind, die voor de vrouwen de meest werkelijk bevredigende van alle sexueele daden is, werd als een misdaad beschouwd, tenzij de vrouw van tevoren de voorwaarden vervuld had, die door den man geëischt werden. Dat was misschien het ongelukkigste en zeker het onnatuurlijkste van de resultaten van de patriarchale regeling van de maatschappij. Ze heeft nooit bestaan in een of anderen grooten Staat, waar de vrouwen wetgevende macht bezeten hebben.

Natuurlijk is er door abstracte theoretici gezegd, dat de vrouwen de zaken zelf in de hand hebben. Zij moeten nooit van een man houden, eer zij hem veilig in de wettige banden van het huwelijk vast hebben. Zulk een argument dient nergens toe, want het neemt geen nota van het feit, dat, terwijl liefde en zelfs monogamie natuurlijk zijn, het wettige huwelijk alleen maar een uiterlijke vorm is, met een zeer zwakke macht om de natuurlijke impulsen ten onder te brengen, behalve wanneer deze impulsen zwak zijn, en in het geheel geen macht om ze duurzaam ten onder te brengen. Beschaving sluit in zich den groei van het vooruitzien, en van zelfbeheersching in beide seksen; maar het is dwaas deze fijnste en laatste uitloopers van de beschaving bloot te stellen aan een druk, waartegen ze nooit bestand zouden kunnen zijn. Hoe dwaas het is, is kort en bondig, aangetoond door Lea in zijn bewonderenswaardige History of Sacerdotal Celibacy.

Vergelijken wij verder de geschiktheid van de beide geslachten op dit bijzondere gebied met elkaar, dan moeten wij er aan denken, dat mannen meer kracht van vooruitzien en zelfbeheersching bezitten, niettegenstaande de bescheidenheid en terughouding van de vrouwen. De sexueele sfeer is oneindig veel uitgebreider bij de vrouwen, zoodat, als de werkzaamheid eenmaal opgewekt is, het veel moeilijker is ze meester te worden of te beheerschen. Het is derhalve oneerlijk jegens de vrouwen, en het begunstigt in ongepaste mate de mannen, als een te hooge prijs wordt gesteld op vooruitzien en zelfbeheersching in sexueele zaken. Daar de vrouwen de overheerschende rol spelen in deze zaak der sexueele sfeer, moeten haar natuurlijke behoeften, eer dan die van de mannen, den standaard aangeven.

Met het erkennen van de moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen vinden de natuurlijke levensverhoudingen weer hun juiste oriënteering. Het moederschap wordt in zijn oude heiligheid hersteld. Het wordt de zaak van de vrouw zelf, en niet van de maatschappij of van eenig individu, om de voorwaarden te bepalen, waaronder het kind zal ontvangen worden. De maatschappij heeft het recht te eischen, dat de vader in ieder geval het feit van het vaderschap zal erkennen, maar ze moet de voornaamste verantwoordelijkheid voor al de omstandigheden van de kindervoortbrenging overlaten aan de moeder. Dat is het gezichtspunt, dat nu grond wint in alle beschaafde landen, zoowel in theorie als in de praktijk [307].

HOOFDSTUK X

HET HUWELIJK