De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 51
Schrader wijst er op, in zijn Reallexicon (art. "Brautkauf"), dat oorspronkelijk de aankoop van een vrouw was de aankoop van haar persoon, en niet alleen van het recht om haar te beschermen. De oorspronkelijke opvatting bleef waarschijnlijk in Groot-Brittannië lang bestaan, omdat dit zoo ver afgelegen was van de centra der beschaving. In de elfde eeuw wilde Gregorius VII, dat Lafranc het verkoopen van vrouwen in Schotland en op andere plaatsen in Engeland zou doen ophouden. (Pike, History of Crime in England, deel I, p. 99). De gewoonte stierf echter in ver verwijderde landelijke districten nooit geheel uit.
Zulke zaken zijn er zelfs in Londen gedaan. Zoo lezen wij in het Annual Register voor 1767 (p. 99): "Ongeveer drie weken geleden verkocht een metselaarsknecht in Marylebone een vrouw, waarmee hij verscheidene jaren had samengewoond, aan een mede-arbeider voor een kwart guinje en een pint bier. De werkman ging heen met zijn aankoop, en sindsdien heeft zij het fortuintje gehad een legaat te krijgen van 200 pondsterling, en wat zilver, dat haar nagelaten werd door een oom, die in Devonshire overleed. Het paar trouwde verleden Vrijdag."
De geestelijke J. Edward Vaux (Church Folk-lore, tweede uitgave, p. 146) vertelt twee authentieke gevallen, waarin vrouwen door haar mannen openlijk op de markt gekocht waren, en dat in de negentiende eeuw. In het eene geval werd de vrouw, met haar eigen volkomen toestemming naar de markt gebracht met een touw om den hals, verkocht voor een halven kroon en naar haar nieuwe huis gebracht, twaalf mijlen ver door haar nieuwen man, die haar gekocht had; in het andere geval kocht een herbergier de vrouw van een anderen man voor twee pinten jenever.
Het is dezelfde opvatting van de vrouw als bezitting, die, zelfs tegenwoordig nog, oorzaak is geweest, dat in veel wetboeken paragrafen behouden zijn gebleven, die een man veroordeelen tot het betalen van een schadevergoeding in geld aan de vrouw, tevoren een maagd, met wie hij omgang heeft gehad en die hij daarna heeft verlaten (Natalie Fuchs, "Die Jungferschaft im Recht und Sitte", Sexual-Probleme Feb., 1908). De vrouw is "onteerd" door sexueelen omgang; verlaagd in haar marktwaarde, precies evenals een nieuw kleedingstuk "tweede-hands" wordt, zelfs als het maar ééns is gedragen. Een man zou het denkbeeld ver van zich werpen, dat zijn persoonlijke waarde zou kunnen verminderen door een aantal daden van sexueelen omgang.
Dit feit heeft zelfs sommigen er toe geleid "de afschaffing van de physieke maagdelijkheid" aan te raden. Zoo raadt de Duitsche schrijfster van Una Poeninentium (1907), in overweging nemende, dat de bescherming van de vrouw zeker niet zoo goed verzekerd is door een stukje slijmvlies als door de aanwezigheid van een trouwe en zorgvuldige ziel van binnen, aan om meisjes reeds als kind door een operatie het hymen weg te nemen. Het is ongetwijfeld waar, dat het onevenredige belang, dat er gehecht wordt aan het hymen, geleid heeft tot een verkeerde en ongezonde opvatting omtrent de vrouwelijke "eer", en de vrouwelijke reinheid.
Gewoonte en wet passen zich langzamerhand aan aan de veranderde maatschappelijke toestanden, die niet langer de onderwerping van de vrouw eischen, hetzij in haar eigen belang of in het belang van de gemeenschap. Tegelijk met deze veranderingen is een verschillend ideaal van vrouwelijke persoonlijkheid bezig zich te ontwikkelen. Evenwel wordt het oude ideaal van de heerschappij van den man over de vrouw nog steeds min of meer bewust bekrachtigd onder ons. De man zegt dikwijls aan de vrouw welke werkzaamheden zij niet doen moet, welke plaatsen zij niet moet bezoeken, met welke menschen ze niet moet omgaan, welke boeken ze niet lezen moet. Hij matigt zich het recht aan haar te controleeren, zelfs in persoonlijke zaken, die geen betrekking op hem hebben, krachtens het oude mannelijke voorrecht van den sterkste, dat de vrouw, zooals de oude aartsvaderlijke juristen zeiden, ondergeschikt maakte aan den man. Het begint echter meer en meer erkend te worden, dat zulk een rol niet past voor den modernen man. De moderne man is er niet langer voor toegerust, zooals Rosa Mayer aangetoond heeft in een verhandeling, die tot nadenken stemt, om de overheerschende rol te spelen in de verhouding tot zijn vrouw. De "edele wilde", die een woest leven leidt op berg en in bosch, die gevaarlijke dieren najaagt en zoo noodig vijanden scalpeert, kan nu en dan zijn spade zacht en met effect doen neerkomen op het hoofd van zijn vrouw, misschien tot haar dankbare bevrediging [289]. Maar de moderne man, die meestal zijn dagen tam aan een lessenaar doorbrengt, die er op gedrild is stilzwijgend de beleedigingen en vernederingen te verdragen, die superieuren of patroniseerende klanten hem kunnen aandoen, deze typisch moderne man kan niet langer met succes de rol van den "edelen wilde" aannemen, als hij thuiskomt. Hij is werkelijk zoo ten eenenmale ongeschikt voor die rol, dat zijn vrouw het hem kwalijk neemt, als hij tracht haar te spelen. Hij begint dit langzamerhand te erkennen, zelfs afgezien van eenige bewustheid van de algemeene richting van de beschaving. De moderne verstandige man erkent, dat, als een kwestie van principe, zijn vrouw recht heeft op gelijkheid met hemzelf; de moderne man van de wereld voelt, dat het zoowel belachelijk als lastig zou zijn, als hij zijn vrouw niet ongeveer dezelfde soort van vrijheid toestond, die hij zelf heeft. En bovendien, terwijl de moderne man tot zekere hoogte vrouwelijke eigenschappen gekregen heeft, heeft de vrouw in overeenkomstige mate mannelijke eigenschappen gekregen.
Hoe kort en alleen op de hoofdpunten ingaande deze discussie noodzakelijkerwijze geweest is, zal ze toch gediend hebben om ons van aangezicht tot aangezicht te brengen met het grondfeit in de sexueele moraal, dat de groei van de beschaving in den tegenwoordigen tijd onvermijdelijk gemaakt heeft: persoonlijke verantwoordelijkheid. "Het verantwoordelijke menschelijke wezen, man of vrouw, is het centrum van de moderne zedenleer evenals van de moderne wet"; dat is de conclusie van Hobhouse in zijn bespreking over de evolutie van de menschelijke moraal [290]. De beweging, die er is onder ons om sexueele verhoudingen te bevrijden van een buitensporige gebondenheid aan vastgestelde en willekeurige regels, zou onmogelijk geweest zijn en nadeelig, als er niet mee samen was gegaan een groei van den zin voor persoonlijke verantwoordelijkheid onder de leden van de gemeenschap. Ze zou geen jaar hebben kunnen bestaan zonder te degenereeren in losbandigheid en wanorde. Vrijheid in sexueele verhoudingen sluit in zich wederzijdsch vertrouwen en dat kan alleen maar berusten op een basis van persoonlijke verantwoordelijkheid. Waar geen vertrouwen kan zijn op persoonlijke verantwoordelijkheid, daar kan geen vrijheid zijn. Op de meeste gebieden van moreele werkzaamheid wordt deze zin voor persoonlijke verantwoordelijkheid verkregen in een tamelijk vroeg stadium van maatschappelijken vooruitgang. De sexueele moraal is het laatste gebied van de moraal, dat in de sfeer van de persoonlijke verantwoordelijkheid kan gebracht worden. De gemeenschap legt de verschillende samengestelde en kunstmatige wetten van sexueele moraal op aan haar leden, vooral aan haar vrouwelijke leden, en natuurlijk is ze altijd zeer wantrouwend aangaande haar vermogen om deze wetten na te komen, en is zeer zorgvuldig om haar, voor zoover dat mogelijk is, geen persoonlijke verantwoordelijkheid in de zaak te laten. Maar een oefening in zelfbedwang, als die doorgevoerd is een lange reeks van generaties door, is de beste voorbereiding voor de vrijheid. De wet, die aan de vroegere generaties opgelegd is geweest, is, zooals de oude theologie de zaak uitlegde, de leerschool geweest om de latere generaties tot Christus te brengen; of, zooals de nieuwe wetenschap precies hetzelfde denkbeeld uitdrukt, de latere generaties zijn immuun geworden en hebben ten slotte een soort van vrijstelling gekregen tegen de ziektestof, die de vroegere generaties zou hebben vernietigd.
Het proces, waardoor een volk verstand krijgt van persoonlijke verantwoordelijkheid gaat langzaam, en misschien kan ze niet geheel voldoende verkregen worden door rassen, die een hoogen graad van zenuworganisatie missen. Dat geldt vooral van de sexueele moraal, zooals bij de aanraking van een hoogere met een lagere beschaving dikwijls gebleken is. Het is telkens weer vooorgekomen, dat zendelingen--zeer tegen hun eigen wensch--dat behoeven we niet te zeggen--door het straffe moreele systeem, dat zij vonden, omver te werpen, en door ervoor in de plaats te stellen de vrijheid van de Europeesche gewoonten onder volken die geheel onvoorbereid waren voor zulk een vrijheid, hoogst nadeelig op de zedelijkheid gewerkt hebben. Dit is het geval geweest onder de vroeger goed georganiseerde en zeer moreele Baganda van Centraal-Afrika, zooals vermeld is in een officieel rapport door Kolonel Lambkin (British Medical Journal, Oct. 3, 1908).
Ook wat Polynesia aangaat, wees R. L. Stevenson er in zijn belangwekkend boek In the South Seas (hoofdst. V) op, dat, terwijl vóór het komen van de blanken de Polynesiërs over het geheel kuisch waren, en de jonge menschen zorgvuldig bewaakt werden, het nu geheel anders is.
Zelfs in Fiji, waar, volgens Lord Stanmore--die Generaal-gevolmachtigde van de Zuidzee, en een onafhankelijk beoordeelaar was--het streven van de zendelingen "wonderbaarlijk wel geslaagd" geweest is, waar allen ten minste in naam zich Christenen noemen, waardoor het leven en de volksaard zeer veranderd zijn, heeft de kuischheid zeer geleden. Dit heeft een commissie over den toestand van de inboorling-rassen in Fiji aangetoond. Mr. Titchett, die verslag geeft over deze commissie (Australasian Review of Reviews, Oct., 1897) merkt op: "Niet weinige, door de commissie gehoorde getuigen verklaren, dat de moreele vooruitgang op Fiji als merkwaardig knoeiwerk voor den dag komt. De afschaffing van de veelwijverij is bij voorbeeld niet in ieder opzicht gunstig uitgevallen voor de vrouwen. De vrouw heeft het zware werk te doen op Fiji; en toen het onderhoud van den man verdeeld was over vier vrouwen was de last op iedere vrouw minder dan nu, nu hij door één gedragen moet worden. In den heidenschen tijd werd de kuischheid van de vrouw bewaakt door de knots; een trouwelooze vrouw, een ongehuwde moeder werden kortweg ter dood gebracht. Het Christendom heeft het knotsrecht afgeschaft, en alleen moreele beperking of de vrees voor de straffen van de wereld hiernamaals nemen voor de begrensde verbeelding van de bewoners van Fiji niet geheel de plaats ervan in. Zoo is de standaard van de kuischheid in Fiji bedroevend laag".
We moeten ons altijd herinneren, dat, als het hoog georganiseerde systeem van gemengde geestelijke en physieke beperkingen weggenomen is, kuischheid teerder begint te worden en onstabiel van evenwicht. De controleerende invloed van persoonlijke verantwoordelijkheid, hoe waardevol en essentieel die ook is, kan niet voortdurend en onafgebroken de vulcanische krachten in bedwang houden van den liefdeshartstocht, zelfs in hooge beschavingen. "Geen volmaaktheid van moreelen aanleg bij een vrouw," heeft Hinton terecht gezegd, "geen kracht van wil, geen wensch en besluit om "goed" te zijn, geen macht van den godsdienst of contrôle van de gewoonten, kan verzekeren wat genoemd wordt de deugd van de vrouw. Het gevoel van volkomen toewijding, waarmede de een of andere man haar kan vervullen, zal ze allemaal wegvagen. Waar de maatschappij zich op die basis wil oprichten, kiest ze onvermijdelijk wanorde, en zoo lang ze voortgaat die te kiezen, zal ze steeds hetzelfde resultaat hebben".
Wij moeten nog verder ingaan op deze persoonlijke verantwoordelijkheid in zaken van sexueele moraal, in den vorm waarin ze zich onder ons doet gevoelen, en onderzoek doen naar alles wat er onder begrepen is. Het belangrijkste punt is ongetwijfeld economische onafhankelijkheid. Die is werkelijk van zooveel belang, dat men nauwelijks kan zeggen, dat er moreele verantwoordelijkheid bestaat in den besten zin van het woord, waar de economische onafhankelijkheid ontbreekt. Moreele verantwoordelijkheid en economische onafhankelijkheid zijn werkelijk identiek; zij zijn maar twee kanten van hetzelfde maatschappelijke feit. De verantwoordelijke persoon is de persoon, die voor zijn daden kan instaan en, als het noodig is, ervoor kan betalen. De economisch afhankelijke mensch kan een crimineele verantwoordelijkheid op zich nemen; hij kan met een leege portemonnaie in de gevangenis gaan of in den dood. Maar in de gewone sfeer van alledaagsche moraal wordt die groote straf niet van hem gevergd; als hij ingaat tegen de wenschen van zijn familie of zijn vrienden of van zijn gemeente, dan kunnen ze hem den rug toekeeren, maar ze kunnen gewoonlijk niet de uiterste straffen van de wet tegen hem eischen. Hij kan zijn eigen persoonlijke verantwoordelijkheid uitoefenen, hij kan vrij zijn eigen weg kiezen en zich daar op handhaven voor de oogen van zijn medemenschen, op voorwaarde, dat hij in staat is er voor te betalen. Zijn persoonlijke verantwoordelijkheid heeft weinig of geen beteekenis, indien ze niet tevens economische onafhankelijkheid is.
Naarmate de beschaafde maatschappijen tot rijpheid komen, beginnen de vrouwen een steeds grootere mate zoowel van moreele verantwoordelijkheid als van economische onafhankelijkheid te krijgen. Iedere nieuwe vrijheid der vrouwen en iedere schijnbare gelijkheid van mannen en vrouwen, zelfs als ze inderdaad den schijn aanneemt van meerderheid is onwerkelijk, indien ze niet op economische onafhankelijkheid gebaseerd is. Ze wordt dan alleen maar geduld; het is de vrijheid, die aan een kind gegeven wordt, omdat het er zoo lief om vraagt of omdat het misschien schreeuwen zal, als men ze hem weigert. Dit is slechts parasitisme [291]. De basis van economische afhankelijkheid verzekert een meer werkelijke vrijheid. Zelfs in maatschappijen, die door wet en gewoonte de vrouwen in strikte onderworpenheid houden, geniet de vrouw, die toevallig in het bezit is van eigendom een hooge mate van onafhankelijkheid zoowel als van verantwoordelijkheid [292]. De groei van een hooge beschaving schijnt inderdaad zoo nauw verbonden te zijn met economische vrijheid en onafhankelijkheid van de vrouwen, dat het moeilijk te zeggen is wat oorzaak is en wat gevolg. Herodotus merkte in zijn mooi verslag over Egypte, een land dat hij beschouwde als meer bewonderenswaardig dan alle andere landen, met verbazing op, dat de vrouwen de mannen thuis lieten om het weefgetouw te behandelen en dat ze zelf naar de markt gingen om zaken te doen of om handel te drijven [293]. Het is de economische factor in het maatschappelijk leven, die de moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen verzekert en die voornamelijk de positie bepaalt van de vrouw tegenover haar man [294].
In dit opzicht keert de beschaving in haar laatste stadium terug tot hetzelfde punt, dat ze innam bij het begin, toen, zooals reeds opgemerkt is, wij grootere gelijkheid met de mannen vonden en tevens grootere economische onafhankelijkheid [295].
In al de toonaangevende moderne beschaafde landen, hebben, in de laatste eeuw, gewoonte en wet samengewerkt om een steeds grootere economische onafhankelijkheid aan de vrouwen te verzekeren. In sommige opzichten heeft Engeland de leiding gehad daardoor, dat het het eerst het kapitalistisch systeem gevormd heeft en de vrouwen langzamerhand heeft ingelijfd in de scharen der arbeiders [296], waardoor de verandering in de wet onvermijdelijk werd, die, in 1882, aan een getrouwde vrouw het bezit verzekerde van haar eigen verdienste. Dezelfde beweging met dezelfde gevolgen zien we elders. In de Vereenigde Staten, evenals in Engeland, bestaat er een groot leger van vijf millioen vrouwen, dat zich snel uitbreidt, die haar eigen brood verdienen, en haar positie is in verhouding tot de mannelijke arbeiders zelfs beter dan in Engeland. In Frankrijk zijn van de vijf en twintig tot de zeven en twintig percent van de werklieden in de meeste van de voornaamste industrieën--de vrije beroepen, handel, landbouw, fabrieksindustrieën--vrouwen, en in sommige van de grootste, zoo als de huis-industrieën en textiel-industrieën, zijn meer vrouwen aan het werk dan mannen. In Japan, zegt men, dat drie vijfden van de fabrieksarbeiders vrouwen zijn, en al de textiel-industrieën zijn in handen van de vrouwen [297]. Deze beweging is een zichtbare uitdrukking van de moderne opvatting van persoonlijke rechten, persoonlijke waarde en persoonlijke verantwoordelijkheid, die, zooals Hobhouse opmerkt, de vrouwen gedwongen heeft zelf haar leven aan te pakken, en die tegelijkertijd de oude huwelijkswetten tot een anachronisme gemaakt heeft en het verouderde idee van vrouwelijke onschuld van de wereld weggevaagd heeft als niets dan een stuk valsch sentiment [298].
Er kan geen twijfel aan zijn, dat het binnentreden van de vrouwen in het gebied van den industriearbeid, in wedijver met de mannen en onder ongeveer dezelfde omstandigheden als zij, ernstige vragen van een andere soort doet rijzen. Dat de beschaving in het algemeen neigt naar de economische onafhankelijkheid en de moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen, ligt voor de hand. Maar het is in het geheel niet absoluut zeker, dat het beste is voor de vrouwen, en daarom voor de gemeenschap, dat zij al de gewone beroepen en bezigheden zullen uitoefenen, en dat onder dezelfde omstandigheden. Niet alleen hebben de omstandigheden van de beroepen en betrekkingen zich ontwikkeld in overeenstemming met de speciale geschiktheden van de mannen, maar het feit, dat het sexueele proces, waardoor het ras zich voortplant, een onvergelijkelijk grootere hoeveelheid tijd en energie eischt van de vrouwen dan van de mannen, verhindert de vrouwen in den regel zich zoo uitsluitend als mannen te wijden aan industrieel werk. Voor sommige biologen schijnt het inderdaad duidelijk te zijn, dat de vrouw buiten het huis en de school in het geheel niet werken moet. "Iedere natie, die zijn vrouwen laat werken is veroordeeld," zegt Woods Hutchinson (The Gospel According to Darwin, p. 199). Dit is een uiterste opvatting. Toch beschouwt ook Hobhouse Hobson, die deze kwestie van den economischen kant bekijkt, den invloed van de industrie, die de vrouwen uit haar huis verjaagt, als "een invloed, die strijdig is met de beschaving". De verwaarloozing van het tehuis, zegt hij, is, "over het geheel, het ergste nadeel, dat de moderne industrie toegebracht heeft aan ons leven, en het is moeilijk in te zien hoe dit goedgemaakt kan worden door een toename van materieele producten. Het fabrieksleven voor de vrouwen ondermijnt behalve in uiterst zeldzame gevallen, de moreele en physieke gezondheid van de familie. De eischen van het fabrieksleven zijn niet overeen te brengen met de positie van een goede moeder, een goede vrouw, of een goede huisvrouw. Behalve in geheel uiterste gevallen kan geen vermeerdering van het loon van de familie opwegen tegen deze verliezen, waarvan de waarde op een qualitatief hooger niveau staat". (J. A. Hobson, Evolution of Modern Capitalism, hoofdst. XII; vergelijk wat in hoofdstuk I van dit werk gezegd is). Men begint nu te erkennen, dat de eerste pioniers van de vrouwenbeweging, die werkten om "de onderwerping van de vrouw" te doen verdwijnen, toch nog beheerscht werden door de oude idealen van die onderwerping, volgens welke de mannelijke sekse in alle opzichten de superieure is. Wat goed was voor een man, dachten ze, moest ook goed zijn voor een vrouw. Dat is de bron geweest van alles wat de eerste uitingen der "vrouwenbeweging" zoo onvast maakte, soms ook zoo roerend en dwaas. Men merkte niet, dat, voor alles, de vrouwen haar rechten moeten laten gelden op haar eigen vrouwelijkheid als moeders van het ras, en daardoor de eerste wetgevers op het gebied der sekse, en het groote levensgebied, dat van haar sekse afhankelijk is. Deze speciale positie van de vrouw zal waarschijnlijk een aanpassing van de economische verhoudingen aan haar behoeften noodig maken, hoewel het niet waarschijnlijk is, dat zulk een aanpassing inbreuk zou maken op haar onafhankelijkheid en haar verantwoordelijkheid. Wij hebben, zooals Juliette Adams zegt, de rechten van de mannen gehad, die de rechten van de vrouw opofferden, gevolgd door de rechten van de vrouw die het kind opofferden; dat moet gevolgd worden door de rechten van het kind, die de familie weer in eere herstellen. Het is reeds noodig geweest dit punt in het eerste hoofdstuk van dit boek aan te raken en het zal in het laatste hoofdstuk weer noodig zijn.
De vraag naar de middelen, waardoor de economische zelfstandigheid van de vrouwen geheel verzekerd zal worden, en naar de rol, die de gemeenschap tot haar beveiliging zal moeten spelen, met inachtneming van de bijzondere barings-functiën van de vrouw, is, van het standpunt dat ons op het oogenblik bezig houdt, bijzaak. Er kan echter geen twijfel zijn aan de werkelijkheid van de beweging in die richting, welke twijfel er ook mag zijn aan het aanpassen ten slotte van de onderdeelen. Op deze plaats behoeven wij alleen maar op sommige van de algemeene en meer duidelijk zichtbare veranderingen te wijzen, waarin de groei van de verantwoordelijkheid van de vrouw de sexueele moraal raakt.