De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 50
Van den staat van de vrouwen in Rome in de vroegste tijden, weten we weinig of niets; het patriarchale systeem stond reeds op stevigen grondslag, toen de Romeinsche geschiedenis vaste vormen begon te krijgen en het sloot gewoonlijk buitengewoon strenge ondergeschiktheid van de vrouw aan haar vader eerst en dan aan haar echtgenoot in zich. Maar niets is zekerder, dan dat de positie van de vrouwen in Rome beter werd, met het vooruitgaan van de beschaving, precies op dezelfde wijze als in Babylonië en Egypte. In Rome echter waren het de aangroeiende verfijning van de beschaving en de uitbreiding van het Rijk, verbonden met de prachtige ontwikkeling van het systeem van de Romeinsche wet, die de positie van de vrouwen bepaalden. In de laatste dagen van de Republiek begonnen de vrouwen reeds hetzelfde niveau te bereiken van de mannen, en later aanvaardden de groote rechtsbesluiten van Antonius, geleid door hun theorie van de wet der natuur, de opvatting van de gelijkheid der seksen als een principe van het wetboek der rechtvaardigheid. De ondergeschiktheid van de vrouw aan haar vader kwam geheel in discrediet, en dit ging door totdat, in de dagen van Justinianus, onder den invloed van het Christendom, de positie der vrouwen minder goed begon te worden [281]. In de beste dagen maakten de oudere vormen van het Romeinsche huwelijk plaats voor een vorm (blijkbaar oud, maar tot dusverre niet beschouwd als eervol) die in de wet neerkwam op een tijdelijk toevertrouwen van de vrouw door haar familie aan den man. Zij was onafhankelijk van haar echtgenoot (meer speciaal daar ze tot hem kwam met haar bruidsschat) en alleen in naam afhankelijk van haar familie. Het huwelijk was een persoonlijk contract, desgewenscht vergezeld van een godsdienstige ceremonie, en daar het een contract was, kon het, om iedere reden ontbonden worden, in tegenwoordigheid van bevoegde getuigen en met gepaste wettelijke vormen, nadat het oordeel ingewonnen was van den familieraad. Toestemming was het hoofdpunt van zulk een huwelijk en daarom werd er geen schande gehecht aan de ontbinding ervan. Het had ook geen slechten invloed op het geluk of de zede van de Romeinsche vrouwen [282]. Zulk een systeem is ongetwijfeld meer in harmonie met het moderne beschaafde gevoel dan eenig systeem, dat ooit tijdens het Christendom bestaan heeft.
Ook in Rome was het wel duidelijk, dat dit systeem niet slechts een uitvinding der wet was, maar het natuurlijke gevolg van een verlicht gevoel, dat gunstig was aan de gelijkheid van mannen en vrouwen, dikwijls zelfs op het gebied van de sexueele moraal. Plautus, die den ouden slaaf Syra laat vragen, waarom er in dit opzicht [283] niet dezelfde wet is voor den man en de vrouw, was maar een voorganger van den wetgever Ulpianus, die schreef: "Het schijnt wel zeer onbillijk, dat een man kuischheid van zijn vrouw eischt, terwijl hij er zelf geen voorbeeld van geeft" [284]. Zulke eischen liggen dieper dan maatschappelijke wetgeving, maar het feit, dat deze vragen zich voordeden aan de typische Romeinsche mannen geeft blijk van de algemeene houding jegens de vrouwen. In het laatste stadium van de Romeinsche maatschappij slonk de band van het patriarchale systeem voor zoover de vrouwen aanging tot een enkelen draad, die haar bond aan haar vader en haar volkomen vrij liet tegenover haar echtgenoot. "De Romeinsche matrone van het Keizerrijk", zegt Hobhouse, "was meer volkomen haar eigen meesteres dan de getrouwde vrouw van welke vroegere beschaving ook, mogelijk met uitzondering van een zekere periode in de Egyptische geschiedenis, en, moet er aan toegevoegd worden, dan de vrouw van welke latere beschaving ook, tot op onze eigene generatie toe" [285].
Op grond van de gezegden van twee satyrische schrijvers, Juvenalis en Tacitus, hebben vele menschen verondersteld, dat de Romeinsche vrouwen van den lateren tijd overgegeven waren aan losbandigheid. Het is echter vruchteloos bij satirici te zoeken naar eenig juist beeld van een groote beschaving. Hobhouse (loc. cit., p. 216) komt tot het besluit, dat de Romeinsche vrouwen over het geheel waardig de plaats innamen als gezellinnen van haar mannen, hun raadgeefsters en vriendinnen, de plaats, die ze ook ingenomen hadden toen een streng systeem haar wettelijk in hun macht stelde. De meeste autoriteiten schijnen tegenwoordig van deze opinie te zijn, hoewel Friedländer zich vroeger meer twijfelachtig uitdrukte. Zoo zegt Dill in zijn oordeelkundig Roman Society (p. 163), dat de positie van de Romeinsche vrouw, zoowel wettelijk als feitelijk, onder het Keizerrijk beter werd; zonder dat ze minder deugdzaam of minder geëerbiedigd werd, werd ze ontwikkelder en meer aantrekkelijk; met minder beperkingen had zij grootere bekoringen en grooteren invloed, zelfs in publieke zaken, en was ze meer en meer de gelijke van haar echtgenoot. "In de laatste eeuw van het Westersch Keizerrijk kwam er geen afwijking in de positie en den invloed van de vrouwen". Ook Donaldson schrijft in zijn merkwaardige schets, Woman (p. 113), dat er geen achteruitgang in zeden was in het Romeinsche Keizerrijk; "de losbandigheid van het heidensche Rome is niets vergeleken bij de losbandigheid van Christelijk Afrika, Rome en Gallië, als we eenig geloof kunnen hechten aan de beschrijving van Salvianus". De beschrijving van Salvianus van het Christendom is waarschijnlijk overdreven en eenzijdig, maar precies hetzelfde kan gezegd worden in zelfs nog hoogere mate van de beschrijvingen van het oude Rome, die nagelaten zijn door knappe heidensche satirici en ascetische Christelijke predikers.
Het wordt dus noodig aanmerkelijk meer dan twee duizend jaar over te springen, vóor we komen aan een stadium van beschaving, dat eenigermate de hoogte nadert van het laatste stadium van de Romeinsche maatschappij. In de achttiende en de negentiende eeuw vinden we, het eerst in Frankrijk, dan in Engeland, nog eens een moreele en wettelijke beweging, die streeft naar de gelijkmaking van vrouwen met mannen. Wij vinden ook een lange serie pioniers van die beweging, die aan de ontwikkeling ervan voorafgaan: Mary Astor, "Sophia, a Lady of Quality", Ségur, Mrs. Wheeler, en niet te vergeten Mary Wollstonecraft in A Vindication of the Rights of Woman, en John Stuart Mill in The Subjection of Women [286].
De groote Europeesche stroom van invloeden in deze zaak heeft, sedert historische tijden, daar kunnen we nauwelijks aan twijfelen als we het samenstel der verschijnselen ervan in aanmerking nemen, het onderhouden van een ongelijkheid ten nadeele van de vrouwen met zich gebracht. De mooie nalatenschap van de Romeinsche Wet aan Europa was wel gunstig voor de vrouwen, maar die nalatenschap raakte verspreid en voor het grootste deel verloren in den overheerschenden invloed van de Germaansche gewoonte te zamen met de krachtig georganiseerde Christelijke kerk. Niettegenstaande niet alle feiten in dezelfde richting wijzen, en er dientengevolge eenig verschil van meening is, schijnt het toch wel te zijn, dat over het geheel zoowel de Germaansche gewoonte als de Christelijke godsdienst niet gunstig waren voor de gelijkheid van vrouwen met mannen. De Germaansche gewoonte in deze zaak werd bepaald door twee beslissende factoren: (1) het bestaan van het koophuwelijk, dat, zooals Crawly heeft aangetoond, geenszins noodzakelijk de verlaging van de vrouwen in zich sluit, heeft zeker neiging haar in een inferieure positie te plaatsen, en (2) bezig zijn met oorlog, wat altijd samen is gegaan met een depreciatie van vreedzame en vrouwelijke bezigheden en onverschilligheid voor de liefde. Het Christendom was bij zijn oorsprong gunstig voor de vrouwen, omdat het de meest essentieel vrouwelijke gemoedsbewegingen vrijmaakte en verheerlijkte, maar toen het een vastgestelde en georganiseerde godsdienst werd met bepaald ascetische idealen, werd de geheele stemming voor de vrouwen ongunstig. Het had ze van den beginne uitgesloten van iedere priesterlijke functie. Het beschouwde ze nu als de speciale vertegenwoordigsters van het verachte sekse-element in het leven [287]. De excentrieke Tertullianus had eens verklaard, dat de vrouw was janua Diaboli; bijna zeven honderd jaar later schreef zelfs de zachtzinnige en philosophische Anselm: Femina fax est Satanae [288].
Zoo was bij de Franken, waar de gewoonte van het monogame huwelijk overheerschte, een vrouw nooit vrij; zij kon niet koopen of verkoopen of erven zonder de permissie van hen, aan wie ze toebehoorde. Zij ging door schenking over in het bezit van haar echtgenoot, en als hij den huwelijksdag vaststelde, gaf hij haar ouders kleine geldstukjes als arrha, en op den dag na het huwelijk kreeg zij van hem een geschenk, de morgengabe. Een weduwe behoorde weer aan haar ouders (Bedollière, Histoire de Moeurs des Français, deel I, p. 180). Het is waar, dat de Salische wet een geldelijke boete eischte voor het aanraken van een vrouw, zelfs voor het drukken van haar vinger, maar het is duidelijk, dat de overtreding, die zoo begaan werd een overtreding was jegens den eigendom, en in het geheel niet jegens de heiligheid van de persoonlijkheid eener vrouw. De Duitsche echtgenoot van den ouden tijd kon zijn kinderen verkoopen, en soms zijn vrouw, zelfs als slaven. In de elfde eeuw hoort men nog van gevallen van het verkoopen van kinderen en vrouwen, hoewel het niet langer door de wet erkend wordt.
De tradities van het Christendom waren gunstiger voor de sexueele gelijkheid dan de Germaansche zeden, maar toen ze met deze vermengd raakten, voegden zij er hun eigen speciale bijdrage bij van de onreinheid der vrouw. Deze geestelijke minderwaardigheid van de vrouw bleek duidelijk uit de beperkingen, die soms der vrouwen opgelegd werden in de kerk, en zelfs in het recht om een kerk binnen te treden; op sommige plaatsen werden zij gedwongen in de narthex te blijven, zelfs in kerken die niet bij kloosters behoorden (zie voor deze regels Smith en Cheetham, Dictionary of Christian Antiquities, art. "Sexes, Separation of").
Door de poging om het begrip man van sexualiteit te ontdoen en het begrip vrouw met sexualiteit te overladen, verlaagde het Christendom noodzakelijk de positie van de vrouw en het begrip vrouwelijkheid. Zooals Donaldson terecht opmerkt, waar hij hier den nadruk op legt (op. cit., p. 182): "Ik mag een man wel definieeren als een mannelijk menschelijk wezen en een vrouw als een vrouwelijk menschelijk wezen... Wat de eerste Christenen deden, was het schrappen van het "mannelijk" uit de definitie van man, en het "menschelijke wezen" uit de definitie van vrouw". De godsdienst schijnt in het algemeen een machtig deprimeerende invloed geweest te zijn op de positie van de vrouw, niettegenstaande het beroep dat hij op de vrouw doet. Westermarck meent (Origin and Development of the Moral Ideas, deel I, p. 669), dat de godsdienst "waarschijnlijk de krachtigste oorzaak is geweest van de onderwerping van de vrouw aan de macht van den man".
Er is wel eens gezegd, dat de Christelijke neiging om vrouwen in een inferieure positie te plaatsen zoover ging, dat een kerkbesluit formeel ontkende, dat vrouwen zielen hadden. Dit dwaze verhaal is inderdaad op papegaaienmanier door een groot aantal schrijvers herhaald. De bron van het verhaal wordt waarschijnlijk gevonden in het feit, dat door Gregorius van Tours in zijn geschiedenis vermeld wordt (deel VIII, hoofdst. XX), dat op het concilie van Mâcon, in 585, een bisschop er over in twijfel was of het woord "mensch" ook de vrouw in zich sloot, maar hij werd door de andere leden van het concilie overtuigd, dat het dat wel deed. Dezelfde moeilijkheid heeft zich in later tijd aan rechtsgeleerden voorgedaan, en ze is niet altijd zoo gunstig voor de vrouw opgelost als door het Christelijk concilie van Mâcon.
De geringe waardeering van de vrouwen, die zelfs in de oudste kerk heerschte, wordt door de Christelijke geleerden toegegeven. "Wij moeten", schrijft Merrick (art. "Marriage", Smith and Cheetham, Dictionary of Christian Antiquities), "zelfs bij de grootsten van de Christelijke kerkvaders een beklagenswaardige geringschatting van de vrouwen opmerken, en dientengevolge van de huwelijksverhouding. Zelfs de heilige Augustinus kan geen rechtvaardiging voor het huwelijk vinden, behalve in een ernstig, bepaaldelijk aangenomen verlangen om kinderen te hebben; en in overeenstemming met dit gezichtspunt wordt alle huwelijksgemeenschap, behalve voor dit uitsluitend doel, streng veroordeeld. Als het huwelijk gezocht wordt om de kinderen, dan is het te rechtvaardigen; als het aangegaan wordt als een remedium om erger kwaad te vermijden, dan is het vergefelijk; het denkbeeld van het wederkeerige gezelschap, de hulp en het gemak, dat de een van den ander behoort te hebben, zoowel in voorspoed als in tegenspoed, bestond ternauwernood en kon ook ternauwernood bestaan".
Van het standpunt der vrouw komt Lily Braun, in haar belangrijk werk over de vrouwenkwestie (Die Frauenfrage, 1901, pp. 28 et seq.) tot het besluit, dat, in zooverre het Christendom der vrouwen gunstig gestemd was, wij dien gunstigen invloed moeten zien in het plaatsen van de vrouwen op hetzelfde moreele niveau als de mannen, zooals geïllustreerd wordt door het gezegde van Jezus: "Laat hij, die zonder zonden is den eersten steen werpen", waarmee hij bedoelde, dat iedere sekse verplicht is tot dezelfde trouw. Het heeft, voegt zij er aan toe, niet meer bereikt dan dit. "Het Christendom, dat de vrouwen met zooveel enthusiasme aannamen als een bevrijding en waarvoor ze als martelaren stierven, heeft haar hoop niet vervuld".
Zelfs wat de moreele gelijkheid van de seksen in het huwelijk aangaat, was de positie van de Christelijke autoriteiten soms dubbelzinnig. Een van de grootste Kerkvaders, de heilige Basilius, maakte in de laatste helft van de vierde eeuw onderscheid tusschen echtbreuk en ontucht, als ze begaan werden door een getrouwd man; met een getrouwde vrouw was het echtbreuk; met een ongetrouwde vrouw was het enkel ontucht. In het eerste geval mocht een vrouw haar echtgenoot niet weer ontvangen; in het tweede geval wel (art. "Adultery", Smith en Cheetham, Dictionary of Christian Antiquities). Zulk een beslissing sloot, door de hoogste waarde te hechten aan een onderscheid, dat voor de vrouw geen verschil kon maken, een gebrek aan erkenning van haar moreele persoonlijkheid in zich. Vele van de Vaders echter, zooals Jeronimus, Augustinus en Ambrosius, konden niet inzien, waarom de zedelijke wet niet dezelfde zou zijn voor den man als voor de vrouw, maar daar het gevoelen van de latere Romeinen zoowel van de wettelijke als van de populaire zijde reeds dat gezichtspunt naderde, was de invloed van het Christendom ternauwernood noodig om het te verkrijgen. Het verkreeg eindelijk formeele sanctie in de Romeinsche canonieke wet, die besliste, dat echtbreuk gelijkelijk begaan wordt door beide partijen van het huwelijk in twee graden: (1) simplex, van de getrouwden met de ongetrouwden, en (2) duplex, van de getrouwden met de getrouwden.
Er kan echter nauwelijks gezegd worden, dat het Christendom er in slaagde dit gezichtspunt van de moreele gelijkheid van de seksen in de praktische actueele moraal opgenomen te krijgen. Het werd in theorie aangenomen; het werd niet uitgevoerd in de praktijk. W. G. Summer komt, als hij deze kwestie bespreekt, tot het besluit (Folkways, blz. 359-361): "Waarom bestaan deze gezichtspunten niet in de mores? Ongetwijfeld omdat zij dogmatisch van vorm zijn, uitgedacht of opgelegd door theologische autoriteit of door philosofische beschouwing. Zij groeien niet uit de levenservaring en kunnen er niet aan getoetst worden. De redenen voor die gezichtspunten liggen ten slotte in de physiologische feiten, waardoor de eene een vrouw is en de andere een man". We zullen later echter meer over dit punt zeggen.
Het was waarschijnlijk niet zoozeer de kerk als wel de Germaansche gewoonte en de ontwikkeling van het leenstelsel, met de mannelijke en militaire idealen, die het kweekte, welke voornamelijk beslissend waren bij het vastleggen van de inferieure positie van de vrouwen in de middeleeuwsche wereld. Zelfs de ideeën van ridderlijkheid, waarvan men dikwijls gemeend heeft dat ze speciaal gunstig waren voor de vrouwen, schijnen voor haar van geringe praktische beteekenis geweest te zijn.
In zijn groote werk over de ridderschap toont Gautier o.a. aan, dat de geest van het leenstelsel, evenals de militaire geest altijd en overal, over het geheel een minachting voor vrouwen met zich bracht, zelfs als zij ze nu en dan idealiseerde. "Gaat in uw geschilderde en vergulde kamers", lezen we in Renaus de Montauban, "zit in de schaduw, maakt het u aangenaam, drinkt, eet, doet handwerkjes, verft zijde, maar bedenkt, dat gij u niet met onze zaken bemoeien moet. Onze zaak is het stalen zwaard te zwaaien. Zwijgt!" En als de vrouw aanhoudt, dan wordt ze in haar gezicht geslagen tot bloedens toe. De man had een wettig recht om zijn vrouw te slaan, niet alleen voor echtbreuk, maar ook als ze hem tegensprak. De vrouwen waren echter niet geheel zonder macht, en in een verzameling van Coutumes wordt vermeld, dat een man zijn vrouw alleen maar resnablement, d.i. met verstand, mocht slaan. (Wat het recht van den man betreft om zijn vrouw te slaan, zie men ook Hobhouse, Morals in Evolution, deel I, p. 234. In Engeland werd de man eerst onder de regeering van Karel II, van wien zooveel moderne bewegingen dateeren, beroofd van dit wettige recht).
In de oogen van den edelman uit den tijd van het leenstelsel wedijverde, mogen we er aan toevoegen, de schoonheid van een paard dikwijls met succes met de schoonheid van een vrouw. In Girbers de Metz rijden twee edellieden Garin en zijn neef Girbert langs een raam, waar een mooi meisje zit met het aangezicht van een roos en het blanke vleesch van een lelie. "Zie, neef Girbert, zie! Bij de heilige Maria, wat een mooie vrouw!" "O", antwoordt Girbert, "wat een mooi dier is mijn paard!" "Ik heb nooit zoo iets moois gezien, als dit jonge meisje met haar frissche kleur en haar donkere oogen", zegt Garin. "Ik ken geen paard, dat te vergelijken is met het mijne", antwoordt Girbert. Als de mannen zoo geabsorbeerd zijn in de dingen, die tot den oorlog behooren, dan is het niet te verwonderen, dat het aan jonge meisjes overgelaten is amoureuse avances te maken. "In alle chansons de geste", merkt Gautier op, "zijn het de jonge meisjes, die de avances maken, dikwijls geheel zonder terughouding", hoewel, voegt hij er bij, de vrouwen als deugdzamer voorgesteld worden. (L. Gautier, La Chevalerie, p. 236-50).
In Engeland schijnt, volgens Pollock en Maitland (History of English Law, deel II, p. 437), een levenslange onmondigheid van de vrouwen, zooals bij de Germaansche volken, nooit bestaan te hebben. "Van den tijd van Willem den Veroveraar af", zegt Hobhouse (op. cit., deel I, p. 224), "wordt de ongetrouwde Engelsche vrouw, als ze haar meerderjarigheid bereikt, volkomen toegerust met alle wettelijke en civiele rechten, evenzeer een persoonlijkheid voor de wet als de Babylonische vrouw drie duizend jaar geleden geweest is". Maar de ingewikkelde Engelsche wet gaf aan de ongetrouwde vrouwen voor deze privileges een tegenwicht door de inconsequente wijze, waarop ze de getrouwde vrouw wikkelde in eindelooze omhulsels van onverantwoordelijkheid, behalve als ze de groote overtreding beging van haar heer en meester te beleedigen. De Engelsche vrouw, gaat Hobhouse voort (loc. cit.) was, zoo al niet de slavin van haar echtgenoot, toch ten minste zijn leenplichtig vazal; als zij hem beleedigde, dan was het "hoogverraad", de opstand van een onderdaan tegen den koning in een miniatuur koninkrijk, en een ernstiger misdaad dan moord. Moord kon zij in zijn tegenwoordigheid niet begaan, want haar persoonlijkheid was in de zijne opgenomen; hij was verantwoordelijk voor de meeste van haar misdaden en vergrijpen (het was dit feit, dat hem het recht gaf haar te kastijden), en hij kon zelfs niet in een contract met haar treden, want dat zou zijn in een contract treden met zich zelf. "Het wezen zelf en het wettelijke bestaan van een vrouw is geschorst tijdens het huwelijk", zeide Blackstone, "of is tenminste belichaamd en samengevoegd met dat van haar man, onder wiens bescherming zij alles doet. Zoo'n groote gunsteling", voegde hij er aan toe, "is de vrouwelijke sekse van de wetten van Engeland". "De sterkte van de vrouwen was haar zwakte", zegt Hobhouse, waar hij de beteekenis uitlegt van de Engelsche wet. "Zij overwon door toe te geven. Haar liefelijkheid moest bewaard worden voor het tumult van de wereld, haar geur zacht en frisch gehouden, ver van het stof en den rook van den strijd. Daarom had ze behoefte aan een kampioen en een bewaker".
In Frankrijk nam de vrouw van de middeleeuwen en van de Renaissance vrijwel dezelfde positie in in het huis van haar echtgenoot. Hij was haar heer en meester, het hoofd en de ziel van "het vrouwelijke en zwakke schepsel", die hem "volkomen liefde en gehoorzaamheid" verschuldigd was. Zij was zijn voornaamste dienstbode, de oudste van zijn kinderen, zijn vrouw en onderdaan; zij teekende zich "uw nederige en gehoorzame dochter en vriendin", als zij aan hem schreef. De historicus, De Maulde la Clavière, die op dit punt bewijsmateriaal heeft samengebracht in zijn Femmes de la Renaissance, merkt op, dat, hoewel de man zoo'n verheven en superieure positie in het huwelijk bekleedde, hij het toch gewoonlijk was, en niet de vrouw, die klaagde over de bezwaren van het huwelijk.
Wet en gewoonte namen aan, dat een vrouw min of meer onder de bescherming van den man zou staan, en zelfs de idealen van een mooie vrouwelijkheid, die in deze maatschappij ontstonden, tijdens de feudale en in latere tijden, waren door dezelfde opvatting getint. Zij sloot in zich de ongelijkheid van de vrouwen vergeleken bij de mannen, maar onder de maatschappelijke toestanden van een feudale maatschappij was zulk een ongelijkheid in het voordeel van de vrouw. Mannelijke kracht was de voornaamste factor in het leven en het was noodig, dat iedere vrouw een deel er van aan haar zijde zou hebben. Dit gezonde en verstandige denkbeeld bleef bestaan, zelfs nadat de groei der beschaving kracht tot een veel minder beslissenden factor maakte in het maatschappelijk leven. In het Engeland van den tijd van koningin Elisabeth moest geen vrouw zonder meester zijn, hoewel de vrouwelijke onderdanen van koningin Elisabeth in haar souverein een schitterend voorbeeld hadden van een vrouw, die een mooie en werkdadige rol in het leven kon spelen en toch volkomen zonder meester bleef. Nog later, in de achttiende eeuw, spreekt een zoo fijn moralist als Shaftesbury, in zijn Characteristics van minnaars van getrouwde vrouwen als van schenders van den eigendom. Als zulke opvattingen nog heerschten zelfs in de beste geesten, dan is het niet te verwonderen, dat zij in dezelfde eeuw, en zelfs in de volgende eeuw in de praktijk doorgevoerd werden door minder welopgevoede menschen, die ongestraft vrouwen kochten en verkochten.