De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 5
In Zwitserland is het sinds 1877 onwettig eene vrouw te ontvangen in een fabriek na de bevalling, tenzij zij in het geheel acht weken rust genomen heeft, tenminste zes weken van dezen tijd nà de bevalling. Sinds 1898 zijn Zwitsersche werkende vrouwen bij de wet beschermd geweest tegen het doen van zwaar werk tijdens de zwangerschap en tegen verschillende andere invloeden, die waarschijnlijk nadeelig zijn. Maar deze wet is in de praktijk ontdoken, omdat ze niet als schadevergoeding een uitkeering verstrekt. Een poging, in 1899 gedaan, om de wet te verbeteren door zulk een uitkeering te verstrekken, werd door het volk verworpen.
In België en Holland zijn er wetten tegen het werken van vrouwen onmiddellijk na de bevalling, maar er wordt geen uitkeering verstrekt, zoodat werkgevers en werkende vrouwen gezamenlijk de wet ontduiken. In Frankrijk bestaat zulk een wet niet, hoewel dikwijls met nadruk verklaard is, dat ze noodig is (zie bv. Salvat, La Dépopulation de la France, Thèse de Lion, 1903).
In Engeland is het onwettig een vrouw "willens en wetens" in een fabriek aan het werk te hebben vier weken nà de geboorte van haar kind, maar de wet voorziet niet in een schadevergoeding voor de vrouw, van wie men op deze wijze eischt, dat ze zich opoffert voor de belangen van den Staat. De vrouw ontduikt de wet, in stilzwijgende overeenkomst met haar werkgevers, die altijd wel kunnen vermijden te "weten" dat er een geboorte heeft plaats gevonden en zoo kunnen ontkomen aan alle verantwoordelijkheid voor het aan het werk hebben van de moeder. Zoo kunnen de fabrieksinspecteurs niet ingrijpen en de wet wordt een doode letter; in 1906 kon maar één aanklacht ingebracht worden wegens deze overtreding. Door invoeging van dit "willens en wetens" wordt er een premie gesteld op onwetendheid. Het onverstandige van zoo van te voren een premie te stellen op de onwetendheid is altijd min of meer ontkend door hen, die de wetsartikelen maakten, al in de dagen van de Tien geboden en de wetten van Hamurabi. Het is de taak van de rechtbank, van hen die de wetten toepassen, verzachtende omstandigheden aan te nemen, waar die verzachtende omstandigheden aanwezig zijn; het is niet de taak van den wetgever het pad van den wetbreker te effenen. Er zijn klaarblijkelijk tegenwoordig wetgevers zoo nauwgezet of naïef, dat zij bereid zouden zijn te eischen dat geen zakkenroller vervolgd mocht worden, als hij in staat was onder eede te verklaren dat hij niet "wist", dat de beurs, die hij gestolen had, toebehoorde aan de persoon, van wie hij hem wegnam.
De jaarverslagen van de Engelsche fabrieksinspecteurs dienen slechts om deze wet belachelijk te maken, die er zoo wijs humaan uitziet en die toch niets beteekent, maar zij hebben tot nog toe geen enkele verandering kunnen bewerken. Deze verslagen bewijzen, bovendien, dat het bezwaar in omvang toeneemt. Zoo zegt Miss Martindale, een fabrieksinspectrice, dat in al de steden die zij bezoekt, van een rustige kathedraalstad af, tot een groote fabrieksstad toe, het aan het werk hebben van getrouwde vrouwen snel toeneemt; zij hebben haar geheele leven gewerkt in molens en fabrieken en zij zijn niet gewend aan koken, huiswerk doen en kinderen groot brengen, zoodat zij, na het huwelijk, zelfs als ze niet door armoede gedwongen zijn, liever voortgaan met werken zooals vroeger. Miss Vines, een andere fabrieksinspectrice, haalt de opmerking aan van een vrouw, die in de fabriek werkte. "Ik behoef niet te werken, maar ik blijf niet graag thuis", terwijl een andere vrouw zeide: "Ik ben honderd maal liever aan het werk dan thuis. Ik voel me ongelukkig thuis". (Annual Report Chief Inspector of Factories and Workshops for 1906, pp. 325 etc.)
Hier kan aan toegevoegd worden, dat alleen de Engelsche wet, die vier weken rust eischt voor de moeder na de geboorte van een kind, in de praktijk onuitvoerbaar is, maar de tijd zelf is belachelijk onvoldoende. Als een rusttijd voor de moeder is hij onvoldoende, maar de Staat stelt nog meer belang in het kind dan in zijn moeder, en het kind heeft veel langer dan voor vier weken behoefte aan de verzorging der moeder. Helme raadt aan verbod van staatswege voor vrouwen om te werken minstens zes maanden na de bevalling. Waar kinderbewaarplaatsen verbonden zijn aan de fabrieken, die de moeder in staat stellen haar kind te zoogen in de tusschentijden tusschen het werk, kan de tijd zonder twijfel verkort worden.
Het is van belang de aandacht te vestigen op het feit, dat het geenszins de vrouwen in fabrieken zijn, die er toe gebracht worden als gewoonlijk door te werken gedurende den geheelen tijd der zwangerschap, en tot haar werk terug te keeren onmiddellijk na den korten rusttijd der bevalling. Het Comitee van Onderzoek van de Christian Social Union (London Branch) ondernam, in 1905, een onderzoek naar het werk van vrouwen na de geboorte. Vrouwen in fabrieken en werkplaatsen waren van het onderzoek uitgesloten, dat alleen maar betrekking had op vrouwen met huiswerk, huisindustrie en met ongeregeld werk. Er werd bevonden, dat de meerderheid haar werk voortzetten tot op den tijd van de bevalling en dat zij het van tien tot veertien dagen daarna weer opvatten. De kindersterfte voor kinderen van vrouwen met enkel huiswerk was veel lager, dan die voor de kinderen van de andere vrouwen, terwijl, zooals altijd, de flesschenkinderen een veel grootere sterfte hadden dan de borstkinderen (British Medical Journal, Oct. 24, 1908, p. 1297).
In de groote Fransche gietstaalwerken in Creusot (Saône et Loire) worden de salarissen van haar, die moeder zullen worden onder de arbeidsters verhoogd; maatregelen worden getroffen, haar passende raad en medische hulp te verschaffen; zij mogen niet werken na het midden van de zwangerschap of naar haar werk terugkeeren nà de bevalling zonder een medisch attest, dat zij er voor geschikt zijn. Men zegt, dat de resultaten uitmuntend zijn, niet alleen voor de gezondheid van de moeders, maar voor de vermindering van ontijdige geboorten, de afname van de kindersterfte en het algemeen voorkomen van de borstvoeding. Het zou waarschijnlijk een hopelooze zaak zijn te verwachten, dat veel werkgevers in Angelsaksische landen deze politiek zullen aannemen. Zij zijn te "praktisch", zij weten hoe gering de geldswaarde van menschenlevens is. Bij ons moet de Staat tusschenbeide komen.
Er kan geen twijfel aan bestaan dat, over het geheel, moderne beschaafde gemeenschappen beginnen te erkennen, dat onder de sociale en economische toestanden, die nu neiging hebben meer en meer te gaan heerschen, zij in hun eigen belang moeten zorgen, dat de beste energie en levenskracht van de moeder aan het kind worden gewijd, zoowel vóor als nà de geboorte. Zij erkennen ook, dat zij hun plicht in dit opzicht niet kunnen volbrengen, als ze niet voldoende zorgen voor de moeders, die zoo gedwongen worden haar werk op te geven, om zich aan haar kinderen te wijden. Wij komen hier op een punt, waar Individualisme overeenstemt met Socialisme. De individualiteit móet zien, dat het tot iederen prijs noodig is de maatschappelijke toestanden te veranderen, die alle individualiteit vernietigen; de socialist móet zien, dat een maatschappij, die verzuimt orde te brengen op dit centrale en hoofdpunt, de voortbrenging van het individu, spoedig moet te gronde gaan.
Het behoort tot het juiste vervullen van den plicht van een moeder jegens haar jonge kind dat, als zij gezond is, zij het zoogen zal. In de laatste jaren is deze kwestie een zaak van ernstig belang geworden. In het midden van de 18de eeuw, toen de vrouwen van de hoogere klassen ongeneigd waren geworden, om haar eigen kinderen te zoogen, deed Rousseau een zoo luid en welsprekend protest hooren, dat het weêr eens mode werd voor een vrouw, haar natuurlijke plichten te vervullen. Tegenwoordig, nu hetzelfde kwaad weer gevonden wordt en in een veel ernstiger vorm, want nu betreft het niet de kleine hoogere stand, maar de grootere lagere klasse, zou de welsprekendheid van Rousseau machteloos zijn, want het betreft niet zoozeer de mode als het gemak en vooral een onhandelbare economische factor. Niet de minst dringende reden om vrouwen, en vooral moeders, op een gezonden economischen basis te plaatsen, is de noodzakelijkheid haar in staat te stellen, haar kinderen te zoogen.
Geen vrouw is normaal, gezond en geheel ontwikkeld als zij geen borsten heeft, die goed genoeg zijn om de belofte te geven van voldoende te werken, als de tijd voor haar werkzaamheid komt, en tepels die geschikt zijn tot zoogen. De ernst van de kwestie tegenwoordig blijkt uit de veelvuldigheid waarmee jonge vrouwen te kort schieten in dit essentieele element van vrouwelijkheid en de jonge man van tegenwoordig, zegt men, als hij een vrouw neemt "trouwt inderdaad slechts met een deel van een vrouw, waarvan het andere deel uitgestald staat in den apothekers winkel, in den vorm van een zuigflesch". Blacker bevond onder duizend patiënten van de moederschapsafdeeling van University College Hospital, dat 39 nooit gezoogd hadden, 747 hadden al haar kinderen gezoogd, en 214 hadden alleen maar enkele gezoogd. De voornaamste reden, die zij opgaven voor het niet zoogen was afwezigheid of onvoldoende toevoer van melk; andere redenen waren ongeschiktheid voor of tegenzin in het zoogen, en het weigeren van het kind om de borst te nemen (Blacker, Medical Chronicle, Feb. 1900). Deze resultaten onder de Londensche armen zijn zeker veel beter, dan die men zou kunnen vinden in veel industrie-steden, waar vrouwen na het huwelijk werken. In de andere groote landen van Europa vindt men even onbevredigende resultaten. In Parijs heeft Madame Dluska aangetoond, dat van de 209 vrouwen, die voor haar bevalling naar de Clinique Baudelocque kwamen, er maar 74 haar kinderen zoogden; van de 135, die niet zoogden, waren er 35 verhinderd door pathologische redenen of afwezigheid van melk, 100 door de noodzakelijkheden van haar werk. Zelfs zij, die zoogden, konden er zelden meer dan zeven maanden mee voortgaan tengevolge van de lichamelijke inspanning van haar werk (Dluska, Contribution à l'Etude de l'Allaitement Maternel, Thèse de Paris, 1894). Veel statistieke gegevens zijn in de Duitsche landen verzameld. Zoo vond Wiedow (Centralblatt für Gynäkologie, No. 29, 1895), dat van de 525 vrouwen in de kraaminrichting te Freiburg maar de helft goed kon zoogen tijdens de eerste twee weken; onvoldoende tepels werden opgemerkt in 49 gevallen en men bevond, dat de ontwikkeling van den tepel een directe betrekking had op de waarde van de borst als een afscheidingsorgaan. In München bevonden Escherich en Büller, dat bijna 60 percent vrouwen van de lagere klasse niet in staat waren haar kinderen te zoogen, en in Stuttgart waren driekwart van de jonge moeders in dezen toestand.
De redenen, waarom kinderen gezoogd behooren te worden aan de moederborst, zijn meer omvattend dan sommigen geneigd mogen zijn te gelooven. In de eerste plaats is de psychologische reden er een van geen gering belang. De borst met haar uiterst gevoeligen tepel, die trilt in harmonie met de sexueele organen, levert het normale mechanisme, waardoor moederliefde ontwikkeld wordt. Zonder twijfel kan de vrouw, die nooit haar kind zoogt, er van houden, maar zulk een liefde heeft neiging gebrekkig te blijven aan de fundamenteele en instinctieve zijde. Bij sommige vrouwen, die wij toch moeten aarzelen om abnormaal te noemen, ontwaakt de moederliefde in het geheel niet, voordat zij in werking gebracht wordt door dit mechanisme, door de daad van het zoogen.
Een meer algemeen erkende en zeker fundamenteele reden om het kind te zoogen is, dat de melk van de moeder, zelfs als zij maar tamelijk gezond is, het eenige voedsel is, dat ideaal geschikt is voor het kind. Er zijn sommige menschen, wier vertrouwen in de wetenschap hen er toe brengt te gelooven, dat het mogelijk is, soorten van voedsel te fabriceeren, die even goed zijn, of beter dan moedermelk; zij meenen, dat de melk die het best is voor het kalf, evenzeer het best is voor een zoo verschillend dier als het kind. Dat is een dwaling. Het beste voedsel voor het kind is hetgeen voortgebracht wordt in het lichaam van zijn eigen moeder. Alle andere voedsels zijn min of meer bruikbare surrogaten, die het moeite kost te vervaardigen zooals het behoort, en bovendien zijn ze blootgesteld aan verschillende gevaren, waarvan de moedermelk vrij is.
Een andere reden, voornamelijk onder de armen, tegen het gebruiken van ieder kunstmatig voedsel is deze, dat zij de omgeving van het kind er aan gewennen, proeven te nemen met zijn voedsel en zich te verbeelden, dat iedere soort van voedsel, die zij zelf eten, ook goed kan zijn voor het kind. Zoo komt het voor, dat brood en aardappelen, brandewijn en jenever, in den mond der kinderen gegoten worden. Bij het kind, dat de borst krijgt, is het gemakkelijker uit te leggen dat, behalve op raad van den dokter, niets anders moet worden gegeven.
Nog een andere reden waarom de moeder haar kind moet zoogen, is de nauwe en veelvuldige omgang met het kind, die er uit voortvloeit. Niet alleen wordt het kind in alle opzichten beter verzorgd, maar de moeder wordt niet beroofd van de tucht, die de verzorging meebrengt, en wordt ook in staat gesteld van het begin af aan den aard van het kind te leeren kennen en te begrijpen.
Het onvermogen om te zoogen verkrijgt groote beteekenis, als we erkennen, dat het waarschijnlijk in hooge mate als een directe reden verbonden is met kindersterfte. De sterfte van kunstmatig gevoede kinderen gedurende het eerste levensjaar is zelden minder dan tweemaal die van de borstkinderen, soms is ze driemaal zooveel als die van de borstkinderen, of zelfs nog meer; zoo sterven te Derby 51.7 percent kunstmatig gevoede kinderen beneden den leeftijd van twaalf maanden, maar slechts 8.6 percent borstkinderen. Zij, die blijven leven, zijn in het geheel niet vrij van ellende. Aan het einde van het eerste jaar heeft men bevonden, dat zij ongeveer 25 percent minder wegen dan de borstkinderen en dat ze veel kleiner zijn; zij zijn meer onderhevig aan tuberculose en Engelsche ziekte, met al de slechte gevolgen, die uit deze ziekten voortkomen; en er is reden om te gelooven, dat de ontwikkeling van hun tanden nadeel ondervindt. De slechte gesteldheid van de kunstmatig gevoede kinderen wordt juist aangeduid door het feit, dat van de 40.000 kinderen, die naar het kinderziekenhuis in München gebracht waren voor behandeling 86 percent met de flesch waren groot gebracht en dat de weinige, die gezoogd waren, de borst gewoonlijk maar voor een korten tijd gehad hadden. De nadeelige invloed wordt zelfs nog gevoeld op den jongelingsleeftijd. In sommige deelen van Frankrijk, waar bijna alle kinderen kunstmatig gevoed worden, heeft men bevonden, dat het percentage van afgekeurde lotelingen bijna tweemaal zoo groot is, als dat van Frankrijk in het algemeen. Overeenkomstige resultaten heeft Friedjung gevonden bij een groot Duitsch gymnastiekgezelschap. Van de 155 leden bevond men bij navraag dat 65 percent borstkinderen geweest waren (gemiddeld gedurende zeven maanden); maar onder de beste athleten steeg het percentage van borstkinderen tot 72 percent (voor een gemiddelden termijn van negen of tien maanden), terwijl voor de groep van 56, die het laagste stonden in athletische kracht, het percentage van borstkinderen daalde tot 57 (voor een gemiddelden tijd van slechts drie maanden).
De voordeelen voor een kind om door zijn moeder gezoogd te worden, zijn grooter dan dat ze verklaard kunnen worden door het enkele feit dat ze gezoogd zijn, in plaats van kunstmatig gevoed. Dit is aangetoond door Vitrey (De la Mortalité Infantile, Thèse de Lyon, 1907), die uit de statistieken van het Hôtel-Dieu in Lyon afleidde, dat kinderen, die door hun moeders gezoogd worden, een sterfte hebben van slechts 12 percent, maar dat, als zij door anderen gezoogd worden, de sterfte stijgt tot 33 percent. Wij kunnen hieraan toevoegen, dat, terwijl het zoogen een hoofdpunt is voor het volledig welzijn van het kind, het tevens hoogst wenschelijk is voor de gezondheid der moeder. (Eenige belangrijke statistieken zijn opgesomd in een artikel over "Infantile Mortality" in het British Medical Journal, 2 Nov. 1907, terwijl verschillende beschouwingen over het zoogen grondig besproken zijn door Bollinger, "Ueber Säuglings-Sterblichkeit und die Erbliche functionelle Atrophie der menschlichen Milchdrüse" Correspondenz-blatt Deutschen Gesellschaft Anthropologie, Oct., 1899).
Het schijnt dat het in Zweden, in het midden van de 18de eeuw een strafbare overtreding was, als een vrouw haar kind de flesch gaf, als zij het kon zoogen. In de laatste jaren heeft Prof. Anton von Menger, in Weenen, betoogd (in zijn Das Bürgerliche Recht und die besitzlosen Klassen) dat het toekomstige geslacht het recht heeft dezen eisch te stellen, en hij stelt voor, dat iedere moeder bij de wet verplicht zal zijn haar kind te zoogen, tenzij zij een getuigschrift heeft van een dokter, dat zij het niet kan. E. A. Schroeder (Das Recht in der Geschlechtlichen Ordnung, 1893, p. 346) betoogde ook, dat een moeder wettig verplicht moest zijn haar kind te zoogen minstens negen maanden lang, tenzij er voldoende redenen bijgebracht konden worden voor het tegendeel, en deze eisch, die redelijk schijnt te zijn en natuurlijk, daar het het voorrecht van een moeder is, zoowel als haar plicht, om haar kind te zoogen, als ze er toe in staat is, is met klem ook door anderen gedaan. Van het juridisch standpunt is hij ondersteund door Weinberg (Mutterschutz, Sept. 1907). In Frankrijk verbiedt de Loi Roussel een vrouw minnediensten te doen, vóor dat haar kind zeven maanden oud is, en dit heeft een uitmuntend effect gehad daarin, dat het de kindersterfte deed dalen (A. Allée, Puériculture et la Loi Roussel, Thèse de Paris, 1908). In sommige streken van Duitschland worden fabriekseigenaars gedwongen een kamer in de fabriek beschikbaar te stellen, waar moeders het kind de borst kunnen geven in de rusttijden tusschen het werk. De contrôle op en het onderhoud van deze kamers en het aanstellen van dokters en verpleegsters, geschiedt van gemeentewege. (Sexual-Probleme, Sept. 1908, p. 573).
Zooals de zaken tegenwoordig staan in moderne industrielanden, kan men het verbeteren van deze misstanden niet overlaten aan de natuur, dat is, aan de onwetende en onoordeelkundige aandriften van personen, die leven in een maalstroom van kunstmatig leven, waar de stem van het instinct verstikt wordt. De moeder, zijn wij geneigd te denken, mag men toevertrouwen, dat zij zal toezien op het welzijn van haar kind, en het is onnoodig, of zelfs "immoreel" haar te hulp te komen. Toch zijn er, naar ik meen, weinig dingen meer tragisch om te zien dan een jonge moeder uit Lancashire, die op de fabriek werkt, terwijl ze thuis moest blijven om op haar zieke kind te passen. Zij is gewend voor zonsopgang op te staan om naar de fabriek te gaan; zij heeft haar kind ternauwernood bij het licht der zon gezien, zij weet niets van wat het noodig heeft, de handen, die zoo goed het weefgetouw kunnen grijpen, kunnen het kind niet sussen. De moeder ziet er op neer in vage, onhandige, sprakelooze ellende. Het is een gezicht om nooit te vergeten.
Het is Frankrijk, dat de leiding neemt om te beginnen met de wetenschappelijke en praktische bewegingen voor de verzorging van het jonge kind voor en na de geboorte, en het is in Frankrijk, dat wij de kiem vinden van bijna alle methoden, die nu langzamerhand aangenomen worden om kindersterfte tegen te houden. Het systeem van het dorp Villiers-le-Duc, nabij Dijon in de Côte d'Or, is een kiem gebleken van deze vruchtbare soort. Hier mag iedere zwangere vrouw, die niet in staat is te zorgen voor de juiste voorwaarden voor haar eigen leven en dat van het kind dat zij krijgt, de hulp inroepen van de dorpsautoriteiten; zij heeft, zonder betaling, recht op behandeling van een dokter en een vroedvrouw en op éen franc daags gedurende het kraambed. De maatregelen, in dit dorp genomen, hebben feitelijk een einde gemaakt aan moeder- en kindersterfte beide. Een paar jaar geleden hoorde Dr. Samson Moore, de stadsdokter voor Huddersfield, van dit dorp en de heer Benjamin Broadbent, de burgemeester van Huddersfield bezocht Villiers-le-Duc. Er werd besloten in Huddersfield een beweging op touw te zetten om de kindersterfte te bestrijden. Toen ontstond, wat bekend staat als het Hudderfieldsche systeem, een systeem, dat schitterende resultaten heeft gehad. De punten van het Hudderfieldsche systeem zijn: (1) verplichte aangifte van geboorten binnen de 48 uur; (2) het aanstellen van dames tot behulp van de stadsdoktoren, om het huis te bezoeken, te onderzoeken, raad te geven en te helpen; (3) de georganiseerde hulp van dames-volontairs, onder toezicht van de gemeente; (4) recht van beroep op den stadsdokter, als het kind, dat niet onder medische verzorging is, niet groeit. De kindersterfte in Huddersfield is zeer gedaald door dit systeem [17].
Wij kunnen wel zeggen, dat het Hudderfieldsche systeem de oorsprong geweest is van de Engelsche wet op de Geboorte-Aangifte, die in 1908 in werking trad. Deze wet vertegenwoordigt in Engeland het nationale begin van een systeem voor de rassenverbetering, waarvan het niet mogelijk is de eindresultaten te voorzien. Als deze wet algemeen in werking komt, zal ieder kind in het land recht hebben--wettig en niet door individueele willekeur of philantropische minzaamheid--op medische verzorging van den dag van zijn geboorte af, en voor iedere moeder zal te bereiken zijn de raad van een beschaafde vrouw, die voeling houdt met de gemeenteautoriteiten. Er kon geen grootere triomf zijn voor de medische wetenschap, voor de nationale kracht en voor de zaak der menschlievendheid in het algemeen. Zelfs op het lagere plan van financieele belangen is het gemakkelijk te zien, dat een enorme besparing van openbare en persoonlijke middelen op die wijze zal bereikt worden. De wet is facultatief en niet verplichtend. Dit was een wijze voorzorg, want een wet van deze soort kan geen uitwerking hebben, tenzij zij grondig wordt doorgevoerd door de gemeenschap die haar aanneemt, en ze zal niet aangenomen worden eer een gemeenschap duidelijk de voordeelen ervan heeft erkend, en de methoden, om die te bereiken.