De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 49

Chapter 493,411 wordsPublic domain

Er wordt soms gezegd, of ten minste te verstaan gegeven, dat in deze beweging de vrouwen alleen maar een lijdelijke rol spelen, en dat het initiatief ligt bij de mannen, die waarschijnlijk gedreven worden door de begeerte zich aan de verantwoordelijkheid van het huwelijk te onttrekken. Dit is in het geheel niet het geval.

Op de actieve rol, die Duitsche meisjes in sexueele zaken spelen is herhaaldelijk gewezen door de Luthersche dominées in hun breedvoerige en in bijzonderheden gaande verslagen. Van het district Dantzig wordt gezegd "de jonge meisjes geven zich aan de jonge mannen, of verleiden hen zelfs". De militaire manoeuvres zijn dikwijls een bron van onkuischheid in landelijke districten. "De fout ligt niet alleen bij de soldaten, maar vooral bij de meisjes, die half dol worden, als ze een soldaat zien", wordt vermeld van het district Dresden. En bij het samenvatten van de toestanden in Oostelijk Duitschland zegt het rapport: "In sexueele losbandigheid staan de meisjes niet achter bij de jonge mannen; zij laten zich maar al te gemakkelijk verleiden; zelfs volwassen meisjes gaan dikwijls met halfwas jongens, en meisjes geven zich dikwijls aan verscheiden mannen achtereen. Het is in het geheel niet altijd de jonge man, die de oorzaak is van de verleiding, het zijn zeer dikwijls de meisjes, die de jonge mannen verleiden tot sexueelen omgang; zij wachten niet altijd tot de mannen naar haar kamer komen, maar gaan naar de kamers van de mannen en wachten ze op in hun bed. Met deze neiging tot sexueelen omgang is het niet te verwonderen, dat vele menschen meenen, dat na haar zestiende jaar geen meisje meer maagd is. Onkuischheid is onder de arbeidende bevolking op het land zeer algemeen, en ze komt evenveel voor bij beide geslachten" (op. cit., deel I, p. 218).

Onder vrouwen van de ontwikkelde klassen zijn de toestanden eenigszins anders. De remmen zijn hier innerlijk zoowel als uiterlijk veel sterker. De jonkvrouwelijkheid wordt, ten minste wat het physieke aangaat, meestal bewaard tot lang na den meisjesleeftijd, en als ze verloren is gegaan, wordt dat verlies verborgen met een nauwgezette zorg en voorzichtigheid, die niet bekend zijn onder de werkmansbevolking. Toch blijven de grondneigingen dezelfde. Wat Engeland betreft, schrijft Geoffrey Mortimer geheel naar waarheid (Chapters on Human Love, 1898, p. 117), dat de twee groepen van vrouwen, die in voortdurende geheime verstandhouding leven met een enkelen minnaar, en van vrouwen, die zich onbevreesd aan mannen geven uit de kracht van haar hartstochten, "veel grooter zijn, dan algemeen geloofd wordt. In alle klassen van de maatschappij zijn er vrouwen, die alleen in naam jonkvrouwelijk zijn. Velen hebben kinderen gehad zonder dat iemand ze zelfs van gemeenschap met een man zou durven verdenken; maar de meesten nemen middelen in acht om de conceptie te voorkomen. Een dokter in een kleine provinciestad vertelde mij, dat zulke onregelmatige verbintenissen in zijn district regel waren en geenszins uitzondering". Wat Duitschland betreft zegt Frau Adams-Lehmann, een vrouwelijke dokter, in een werk over de handelingen van de Duitsche maatschappij tot het bestrijden van venerische ziekten (Sexualpädagogik, p. 271): "Ik kan zeggen, dat ik op mijn spreekuur zeer weinig jonkvrouwen van boven de dertig zie. Deze vrouwen", voegt zij er aan toe, "zijn verstandig, moedig en natuurlijk, dikwijls de besten van haar sekse; en wij moesten haar onzen moreelen steun geven. Zij bereiden den weg voor een nieuwe eeuw".

Er wordt dikwijls gezegd, dat de uitgesproken neiging, die men tegenwoordig waarneemt om zoolang mogelijk zich te behelpen zonder de formeele ceremonie van het bindende huwelijk ongelukkig is, omdat ze de vrouwen in een onvoordeelige positie plaatst. In zooverre de maatschappelijke omgeving, waarin zij leeft, sexueele verhoudingen zonder vormelijk huwelijk met afkeuring beschouwt, is het gezegde klaarblijkelijk waar, hoewel men aan den anderen kant moet opmerken, dat als de maatschappelijke omgeving het wettige huwelijk ernstig begunstigt, ze werkt als een drijfkracht in de richting van het wettigen van vrije verbintenissen. Maar als de afwezigheid van den formeelen huwelijksband in sexueele verhoudingen een werkelijk en echt nadeel was voor vrouwen dan zouden ze zich niet steeds meer gereed toonen er afstand van te doen. En zij, die nauwkeurig bekend zijn met de feiten, verklaren dat de afwezigheid van een formeel huwelijk dikwijls meerdere égards voor de vrouwen geeft en dat ze zelfs gunstig is aan de trouw en den duur van de vereeniging. Dit schijnt waar te zijn voor menschen van de meest verschillende maatschappelijke klassen en zelfs voor verschillende rassen. Het is waarschijnlijk gebaseerd op fundamenteele psychologische feiten, want het gevoel van dwang pleegt altijd een toestand van verbittering en opstand te voorschijn te roepen. Wij hebben op deze plaats niet te onderzoeken in hoeverre het formeele huwelijk gebaseerd is op natuurlijke feiten; dat is een kwestie, die wij in een later stadium zullen bespreken.

Dat vrije verbintenissen voor vrouwen de voorkeur verdienen boven dwanghuwelijken, blijkt wel uit het geval van de arbeidende klassen van Londen, onder wie sexueele verhoudingen vóór het huwelijk niet ongewoon zijn, en met toegevendheid beschouwd worden. Dat wordt, bij voorbeeld, duidelijk te kennen gegeven in het groote werk van C. Booth, Life and Labour of the People. "Het wordt zelfs gezegd van ruwe arbeiders", lezen wij bij voorbeeld in het laatste deel van dit werk (p. 41), "dat zij zich het best gedragen, als ze niet getrouwd zijn met de vrouw, met wie ze leven". Het bewijs op dit punt maakt dikwijls te meer indruk, omdat het geleverd wordt door menschen, die er werkelijk zeer ver vandaan zijn, er algemeene conclusies op te willen baseeren. Zoo wordt in hetzelfde boek een geestelijke aangehaald, die zegt: "Deze menschen spelen het klaar tamelijk vreedzaam samen te leven zoo lang zij niet getrouwd zijn, maar als ze trouwen, schijnt dit altijd aanleiding te geven tot oneenigheid".

We kunnen zeggen, dat wij in zulk een geval niet zoozeer de werking zien van een natuurlijke wet als de invloeden van een groot beschavingscentrum, dat zijn invloed zelfs uitoefent op hen, die buiten de wettig erkende instelling van het huwelijk staan. Maar wij vinden geheel dezelfde neiging in Jamaica, waar de bevolking veelal uit kleurlingen bestaat, en waar men nauwelijks kan zeggen, dat de druk van een hooge beschaving heerscht. Het wettig huwelijk wordt hier in nog grootere mate vermeden dan in Londen; er wordt b.v. weinig zorg besteed aan het wettigen van de kinderen door het huwelijk. Er werd bevonden door een commissie, aangesteld om onderzoek te doen naar de huwelijkswetten in Jamaica, dat drie van iedere vijf geboorten onwettig zijn, dat is te zeggen, dat formeele onwettigheid opgehouden heeft immoreel te zijn, omdat het de erkende gewoonte geworden is van de meerderheid van de bewoners. Er is geen maatschappelijk gevoel tegen onwettigheid. De mannen keuren het verval van het wettig huwelijk goed, omdat zij zeggen, dat de vrouwen beter in huis werken, als zij niet getrouwd zijn; de vrouwen keuren het goed, omdat zij zeggen, dat mannen trouwer zijn, als ze niet gebonden zijn door een wettig huwelijk. W. P. Livingstone heeft dat in zijn belangwekkend boek, Black Jamaica (1899) voortreffelijk blootgelegd. De menschen erkennen, vertelt hij ons (p. 210), dat "trouw samenleven huwelijk beteekent", zij zeggen, dat zij "getrouwd zijn, maar niet door den dominee". Een reden tegen het wettige huwelijk is, dat zij niet geneigd zijn de kosten te dragen van de officieele sanctie. (In Venezuela, mogen we er aan toevoegen, waar ook de meerderheid der geboorten plaats vindt buiten het officieele huwelijk, zegt men, dat de voornaamste reden niet is moreele laksheid, maar dezelfde tegenzin om de kosten van de officieele sanctie te dragen). Dikwijls laten de paren zich later, soms als zij volwassen zoons en dochters hebben, wettig trouwen. (Ook in Abyssinië, zooals Hugues Le Roux zegt, waar de menschen Christenen zijn en het huwelijk onverbreekbaar en de ceremonie kostbaar is, is het gewoonte, dat getrouwde menschen hun vereeniging niet wettigen, voordat zij oud beginnen te worden, Sexual-Probleme, April, 1908, p. 217). Het is van beteekenis, dat deze stand van zaken in Jamaica, evenals elders, samengaat met de superioriteit van de vrouwen. "De vrouwen van de boerenklasse", merkt Livingstone op (p. 212), "zijn nog feitelijk onafhankelijk van de mannen en zijn meermalen hun meerderen, zoowel lichamelijk als geestelijk." Zij weigeren zich te verbinden aan een man, die mogelijk nergens voor zal deugen, die een last kan worden in plaats van een hulp en een beschermer. Zoo lang de vereenigingen vrij zijn, is er kans op, dat ze duurzaam zijn. Als ze wettig gemaakt worden, bestaat er gevaar dat ze ondragelijk worden en eindigen zullen, doordat een van de partijen de andere verlaat. "De noodzakelijkheid van wederzijdsche vriendelijkheid en verdraagzaamheid biedt den besten waarborg voor duurzaamheid" (p. 214). Er wordt echter gezegd, dat onder den invloed van godsdienstigen en maatschappelijken druk de menschen meer geneigd worden om "fatsoenlijke denkbeelden" aan te nemen over sexueele verhoudingen, hoewel het schijnt, dat naar het gezegde van Livingstone, zulke fatsoenlijkheid veelal een afname van werkelijke moraliteit in zich sluit. Livingstone wijst echter op een ernstig gebrek in de tegenwoordige toestanden, waardoor het immoreele mannen gemakkelijk gemaakt wordt aan de verantwoordelijkheid als vader te ontsnappen, en dat is de afwezigheid van een wettelijken dwang tot het inschrijven van den naam van den vader op de geboortebewijzen (p. 256). In ieder land, waar de meerderheid der geboorten onwettig is, is het een maatschappelijke behoefte, dat de namen van beide ouders behoorlijk op alle geboortebewijzen ingevuld worden. Het is een onvergeeflijke fout geweest van het gouvernement van Jamaica, dat het de eenvoudige maatregel verwaarloosde van aan "ieder kind, dat in het land geboren werd, een wettigen vader" te geven (blz. 258).

Wij zien dus, dat we tegenwoordig een positie bereikt hebben, waarin--gedeeltelijk ten gevolge van economische oorzaken en gedeeltelijk ten gevolge van oorzaken, die dieper wortelen in de neigingen, die de beschaving met zich brengt--vrouwen meer dan vroeger los worden van wettige sexueele betrekkingen tot mannen en dat beide seksen minder geneigd zijn dan in vroegere stadiën van de beschaving om hun onafhankelijkheid te offeren, als zij zulke betrekkingen aangaan. "Ik heb nog nooit van een vrouw boven de zestien jaar gehoord, die, voordat de oorspronkelijke gewoonten in verval waren gekomen na de komst van de blanken, niet een man gehad had", schreef Curr van de Australische zwarten [268]. Zelfs wat sommige deelen van Europa betreft, kan men nu nog bijna hetzelfde zeggen. Maar in al de rijkere, meer energieke en vooruitstrevende landen heerschen geheel verschillende toestanden. Het huwelijk vindt laat plaats en een zeker aantal mannen, en een nog grooter aantal vrouwen (die de mannen in de algemeene bevolking overtreffen), trouwen nooit [269].

Eer wij ingaan op de noodlottige beteekenis van dit feit van het aangroeiend aantal volwassen ongetrouwde vrouwen, wier sexueele betrekkingen niet erkend worden door den Staat en die in ruimen kring in het geheel niet erkend worden, kan het goed zijn een kort overzicht te geven van de twee groote historische stroomingen, die beide nog onder ons werken, die invloed hebben op de plaats van de vrouwen, de eene, die de maatschappelijke gelijkheid van de vrouwen begunstigt en de andere, die de maatschappelijke onderwerping van de vrouwen begunstigt. Het is niet moeilijk deze beide stroomingen na te gaan zoowel in toestanden als in beschouwingen, in de praktische en in de theoretische moraal.

Op zekeren tijd werd de theorie wijd verspreid, dat in de eerste stadiën van de maatschappij vóór het bestaan van het patriarchale tijdperk, dat de vrouwen plaatste onder de bescherming van den man, er een matriarchaal tijdperk geweest is, waarin de vrouwen de hoogste macht bezaten [270]. Bachofen was, een halve eeuw geleden, de groote kampioen voor dit gezichtspunt. Hij vond een typisch voorbeeld van een matriarchalen staat onder de oude Lyciërs in Klein-Azië, bij wie, volgens Herodotus, het kind den naam krijgt van de moeder, en haar stand volgt, niet dien van den vader [271]. Die volken waren, naar Bachofen meent, gynaecocratisch; de macht was in handen van de vrouwen. Het kan niet gezegd worden, dat deze opinie, in den vorm waarin Bachofen die had, nog eenigen belangrijken aanhang heeft. Wat de wijd-verspreide overheersching aangaat van de moederafstamming, er is niet den minsten twijfel aan, dat die in zeer ruimen kring overheerscht heeft. Maar zoo'n afstamming door de moeder, heeft men erkend, sluit in het geheel niet noodzakelijk in zich de macht van de moeder, en moeder-afstamming kan zelfs samengaan met een patriarchaal systeem [272]. Er is zelfs een neiging geweest naar het tegenovergestelde uiterste van Bachofen over te slaan en te ontkennen, dat de moederafstamming eenigen specialen eisch van égards voor vrouwen met zich bracht. Dat schijnt echter ternauwernood in overeenstemming met het bewijsmateriaal, en kon zelfs bij afwezigheid van bewijsmateriaal nauwelijks als waarschijnlijk beschouwd worden. Het schijnt wel, dat we als type van de matriarchale familie die kunnen nemen, welke gebaseerd is op het ambil anak huwelijk van Sumatra, waarin de man leeft in de familie van de vrouw, niets betaalt en een ondergeschikte positie inneemt. Het voorbeeld van de Lyciërs is hier van belang, want, zooals Herodotus vermeldt, hoewel er niets is dat aantoont, dat er iets van den aard van een gynaecocratie in Lycië was, weten wij, dat de vrouwen in al deze streken van Klein-Azië zeer geacht waren en veel invloed hadden, waarvan de sporen ontdekt kunnen worden in de oudste literatuur en geschiedenis van het Christendom. Een beslissend en beter bekend voorbeeld van den gunstigen invloed van de moederafstamming op de positie van de vrouw wordt geleverd door het beena huwelijk van het oude Arabië. Onder zulk een systeem is de vrouw niet ontheven van de onderwerping, die in den koop besloten is, en die altijd een schaduw op haar werpt van de inferieuriteit behoorende bij den eigendom, maar zij zelf is eigenares van de tent en van de bezittingen van het huishouden, en zij geniet de waardigheid, die altijd samengaat met het bezit van eigendom en de macht zich van haar echtgenoot te bevrijden [273].

Ook is het onmogelijk te vermijden, dat men de primitieve neiging tot moeder-afstamming en den nadruk, die er gelegd wordt op het feit dat de moeder meer aandeel aan de voortplanting heeft dan de vader, in verband brengt met de neiging om in de primitieve godenwereld de godin eerder dan den god op den voorgrond te plaatsen, een neiging, die onmogelijk nalaten kan eer te geven aan de sekse, waartoe de voornaamste godheid behoort, en die de groote rol verklaart, welke vrouwen vroeger dikwijls speelden in de godsdienstige handelingen. Zoo namen de vrouwen vroeger, volgens tradities die onder de stammen van Midden-Australië nog voortleven, een zeer groot aandeel in de uitvoering van de heilige ceremoniën, die nu beschouwd worden als uitsluitend te vallen binnen het terrein der mannen, en bij een der stammen, die de oude gewoonten schijnt in stand te houden, nemen de vrouwen nog heden feitelijk deel aan deze ceremoniën [274]. In Europa schijnt de toestand vrijwel dezelfde geweest te zijn. Wij merken ook, zoowel in de Keltische godenwereld als onder de volken aan de Middellandsche zee op, dat, terwijl de oude goden op den achtergrond geraakt zijn, de godinnen nog uit de duisternis te voorschijn komen, grooter dan de goden [275]. In Ierland, waar aan oude gewoonten en tradities altijd zeer taai vastgehouden is, hebben de vrouwen een zeer hooge positie behouden en veel vrijheid, zoowel vòor als nà het huwelijk. "Iedere vrouw", zeide men, "is vrij te gaan waar zij wil", en na het huwelijk had ze een betere positie en grootere vrijheid tot echtscheiden dan verleend werd hetzij door de Christelijke Kerk of door de Engelsche gewone wet [276]. Het is minder moeilijk te erkennen, dat speciaal de moederafstamming gunstig was aan den hoogen staat van vrouwen, als wij ons voor oogen stellen, dat zelfs onder ongunstige omstandigheden vrouwen in staat zijn geweest een grooten druk uit te oefenen op de mannen en met succes de pogingen weerstonden, die ten doel hadden haar te tyranniseeren [277].

Als we de positie van de vrouw in de groote rijken van de oudheid beschouwen, dan vinden we over het geheel, dat, in hun eerste stadium, het stadium van groei, zoowel als in hun laatste stadium, het stadium van vruchtdragen, de vrouwen over 't algemeen een gunstige positie innemen, terwijl in hun middelste stadium, gewoonlijk het stadium van overheerschende militaire organisatie op een patriarchale basis, de vrouwen er minder gunstig aan toe zijn. Deze kringloop schijnt bijna een natuurlijke wet te zijn van de ontwikkeling van maatschappelijke groepen. Ze was al zeer duidelijk in den standvastigen en ordelijken groei van Babylonië. In de vroegste tijden had een Babylonische vrouw volkomen onafhankelijkheid en gelijke rechten met haar broeders en haar echtgenoot; later (zooals blijkt uit de wet van Hamurabi) waren de rechten van de vrouw meer omschreven, niet haar plichten; in een nog later stadium in de nieuw Babylonische tijden verkreeg ze weer gelijke rechten met haar echtgenoot [278].

In Egypte was de positie der vrouwen het hoogst, maar ze schijnt wel de geheele Egyptische geschiedenis door hoog te zijn geweest, en voortdurend verbeterd te zijn, terwijl het feit, dat er weinig waarde werd gehecht aan kuischheid vóor het huwelijk en dat huwelijkscontracten geen nadruk legden op de jonkvrouwelijkheid schijnt te wijzen op de afwezigheid van de opvatting van vrouwen als bezit. Meer dan drie duizend jaar geleden erkende men mannen en vrouwen als gelijken in Egypte. De hooge positie van de vrouw in Egypte blijkt duidelijk uit het feit, dat haar kind nooit onwettig was; onwettigheid werd niet erkend, zelfs niet in het geval van het kind van een slavin [279]. "Het is de glorie van de Egyptische moraal", zegt Amélineau, "dat ze het eerst de waardigheid der vrouw tot uitdrukking gebracht heeft" [280]. Het denkbeeld huwelijksautoriteit was ten eenen male onbekend in Egypte. Er kan geen twijfel aan zijn, of de hooge positie der vrouw onder twee beschavingen, zoo stabiel, zoo levenskrachtig, zoo lang levend, en zoo van invloed op de menschelijke beschaving als die van Babylonië en Egypte, is een feit van groote beteekenis.

Onder de Joden schijnt er geen tusschenstadium geweest te zijn van onderwerping van de vrouwen, maar in plaats daarvan doorloopend een geleidelijke vooruitgang van volkomen onderwerping van de vrouw als echtgenoote tot steeds grootere vrijheid. In het eerst kon de man zijn vrouw zonder oorzaak verstooten naar zijn wil. (Dit was niet een uitbreiding van het patriarchale gezag, maar een zuivere huwelijksautoriteit). De beperkingen van deze autoriteit namen geleidelijk toe en beginnen merkbaar te worden reeds in het Boek van Deuteronomium. De Mishnah ging verder en verbood echtscheiding altijd wanneer de toestand van de vrouw medelijden inboezemde (zooals bij krankzinnigheid, gevangenschap, enz.). Omstreeks 1025 v. C. was echtscheiding niet langer mogelijk, behalve om wettige redenen of met goedvinden van de vrouw. Terzelfder tijd begon de vrouw het recht van echtscheiding te verkrijgen in dezen vorm, dat zij den man kon dwingen haar te verstooten op straffe van boete in geval van weigering. Nà de echtscheiding werd de vrouw een onafhankelijke vrouw met haar eigen rechten, en mocht zij de huwelijksgift, die de man haar bij het huwelijk gegeven had, meenemen. Zoo gaf de buigzame rechtspraak van de Rabbi's niettegenstaande het Joodsche respect voor de letter van de wet, in harmonie met den groei van de beschaving een steeds aangroeiende mate van sexueele rechtvaardigheid en gelijkheid aan de vrouwen.

Onder de Arabieren is de neiging tot vooruitgang ook in vele opzichten gunstig geweest aan de vrouwen, vooral wat erfenissen aangaat. De wetgeving van den Koran wijzigde dezen regel, zonder hem geheel af te schaffen, en plaatste de vrouwen in een veel betere positie. Dit wordt grootendeels toegeschreven aan het feit, dat Mohammed behoorde niet tot Medina, maar tot Mecca, waar nog sporen van matriarchale gewoonten bestonden (W. Marçais, Des Parents et des Alliés Successibles en Droit Musulman).

Er mag wel op gewezen worden--want het is niet altijd erkend--dat zelfs dat stadium van beschaving, dat de ondergeschiktheid en de onderwerping van de vrouw en haar rechten in zich sluit, in werkelijkheid zijn oorsprong heeft in de behoefte aan bescherming van de vrouwen, en dat het zelfs soms een teeken is van het verkrijgen van nieuwe voorrechten door vrouwen. Zij worden als het ware, opgesloten, niet om haar van haar rechten te berooven, maar om die rechten te beschermen. In het latere, meer stabiele stadium van de beschaving, als de vrouwen niet meer blootgesteld zijn aan dezelfde gevaren, wordt dit motief vergeten en de bewaking van de vrouwen en haar rechten schijnt, en is ook inderdaad geworden, een druk, eerder dan een voordeel.