De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 48

Chapter 483,564 wordsPublic domain

De meer of minder duurzame vrije vereenigingen, die onder ons in Europa gevormd worden, moeten gewoonlijk niet anders beschouwd worden dan als proefhuwelijken. Dat is te zeggen, dat zij een voorzorg zijn, die wenschelijk gemaakt wordt door de onzekerheid, zoowel aangaande de harmonie als de vruchtbaarheid van een vereeniging, voordat de werkelijke proef is genomen, en door de onmogelijkheid in de praktijk om op andere wijze een vergissing goed te maken, ten gevolge van de verouderde starheid van de meeste Europeesche echtscheidingwetten. Zulke proefhuwelijken worden dus geëischt door de voorzichtigheid en de wijsheid en naarmate het vooruit zien in de toekomst met de ontwikkeling van de beschaving toeneemt, en voortdurend onder ons toeneemt, mogen we verwachten, dat er een evenredige ontwikkeling zal zijn in de veelvuldigheid van het proefhuwelijk en in de houding van de maatschappij jegens zulke vereenigingen. De eenige uitweg--die een radicale hervorming in de Europeesche huwelijkswetten even goedkoop en even gemakkelijk zal maken als de echtscheiding in een vrij huwelijk--kan nog niet verwacht worden, want de wet komt altijd achteraan bij de publieke opinie en het praktische levensgedrag.

Als wij de zaak echter uit een ruimer historisch standpunt beschouwen, dan zien we, dat we ons in tegenwoordigheid van een verschijnsel bevinden, dat, hoewel het door moderne omstandigheden begunstigd wordt, toch zeer oud is en ver verspreid en dat, wat Europa betreft, dateert uit den tijd, toen de kerk voor het eerst het kerkelijk huwelijk trachtte op te dringen, zoodat het feitelijk een voortzetting is van de oude Europeesche gewoonte van het privaathuwelijk.

Proefhuwelijken gaan door onmerkbare nuances over in de groep van gewoonten bij het hof maken, die, terwijl ze de jonge menschen toestaan den nacht te zamen door te brengen, in een positie van meerdere of mindere intimiteit, toch als regel, feitelijken sexueelen omgang uitsluiten. Nachtelijke vrijage bloeit onder de soliede, krachtig gebouwde bevolking van streken in Europa, die niet door aanraking met vreemden gedesorganiseerd zijn. Zij schijnt vooral veel voor te komen in Teutonische en Keltische landen, en is bekend onder verschillende namen, als Probenächte, fensterln, Kiltgang, hand-fasting, bundling, sitting-up, courting on the bed, etc. Zij is in Wales welbekend; zij wordt ook gevonden in verschillende Engelsche graafschappen b.v. in Cheshire; zij bestond in het Ierland van de achttiende eeuw (volgens de Travels van Richard Twiss) in Nieuw-Engeland was zij bekend als tarrying; in Holland bestaat zij ook. In Noorwegen, waar het nacht-loopen genoemd wordt, wegens den verren afstand tusschen de verschillende erven, moet zij nog algemeen bestaan, hoewel de geestelijken er tegen preeken; het meisje trekt verscheidene extra rokken aan en gaat daarmee naar bed, en de jonge man komt door het raam naar binnen en gaat bij haar in bed; zij praten den geheelen nacht door en zij behoeven niet te trouwen, tenzij het meisje zwanger wordt.

Rhys en Brynmor-Jones (Welsh People, blz. 582-4) geven een interessante mededeeling over deze nachtelijke vrijage met talrijke verwijzingen naar de literatuur. Wat Duitschland betreft, zie men b.v. Rudeck, Geschichte der öffentlichen Sittlichkeit, blz. 146-154. Wat het proefhuwelijk over het algemeen aangaat, worden veel feiten en verwijzingen gegeven door M. A. Potter (Sohrab und Rustem, blz. 129-137).

De gewoonte van vrije huwelijksverbintenissen, die gewoonlijk gewettigd worden vòor of nà de geboorte van kinderen, schijnt tamelijk veel voor te komen in vele, misschien wel in alle landelijke districten van Engeland. De vereeniging wordt gewettigd, als ze bevredigend blijkt te zijn, zelfs als er geen uitzicht is op kinderen. In sommige graafschappen moet het een bijna algemeene gewoonte zijn, dat vrouwen sexueele verhoudingen hebben vóor het wettig huwelijk; soms trouwt een vrouw met den eersten man, dien ze probeert; soms probeert ze verschillende mannen, eer ze den man vindt, die haar past. Zulke huwelijken vallen natuurlijk, over het geheel, beter uit dan huwelijken, waarin de vrouw, die niets weet van hetgeen haar te wachten staat en geen andere ondervinding ter vergelijking heeft, geneigd is zich teleurgesteld te voelen of te meenen, dat ze "het beter had kunnen treffen". Zelfs als wettige erkenning niet gezocht wordt voor nà de geboorte van kinderen, volgt daar nog in het geheel niet uit, dat er moreele corruptie aan verbonden is. Zoo in sommige deelen van Staffordshire, waar het algemeen voorkomt, dat de vrouwen een kind hebben vóor het huwelijk, zijn zij, niettegenstaande deze "corruptie", naar wij vernemen (Burton, City of the Saints, Appendix IV), "zeer goede buurvrouwen, uitstekende, hardwerkende en liefhebbende echtgenooten en moeders".

"De lagere maatschappelijke klassen, vooral de boeren", merkt Dr. Ehrhard op ("Auch ein Wort zur Ehereform", Geschlecht und Gesellschaft, jaargang I. afl. 10), "weten beter dan wij, dat het huwelijksbed de grondslag is van het huwelijk. Daarom hebben zij de primitieve gewoonte van het proefhuwelijk behouden, dat in de Middeleeuwen zelfs nog in de beste kringen in praktijk werd gebracht. Het heeft het verdere voordeel, dat het huwelijk niet gesloten wordt, voor het gebleken is vruchtbaar te zijn. Het proefhuwelijk toont natuurlijk aan, dat de maagdelijkheid niet geschat wordt op meer dan haar juiste waarde". Wat dit punt aangaat, mogen we vermelden, dat in vele deelen van de wereld, een vrouw hooger geschat wordt, als ze vóor haar huwelijk sexueelen omgang gehad heeft (zie b.v., Potter, op. cit., blz. 164 et seq.). Ofschoon maagdelijkheid een van de sexueele attracties is, die een vrouw kan bezitten, een attractie die gebaseerd is op een natuurlijk instinct, zoo kan toch een overdreven aandacht voor deze maagdelijkheid, niet anders beschouwd worden dan als een sexueele perversie, die verwant is aan paedophilia, de sexueele aantrekking tot kinderen.

In zeer kleine dicht bijeen liggende gemeenten vertoont de primitieve gewoonte van het proefhuwelijk neiging tot verval, als er een groote invasie plaats heeft van vreemdelingen, die niet opgevoed zijn in die gewoonte (welke voor hen geen verschil schijnt te vertoonen met de losbandigheid van de prostitutie), en die niet de verplichtingen op zich willen nemen, welke het proefhuwelijk oplegt. Dit gebeurde bij de zoogenaamde "eiland-gewoonte" van Portland, die tot in de negentiende eeuw bleef bestaan; volgens deze zede leefde een vrouw voor het huwelijk met haar minnaar, totdat ze zwanger was en trouwde dan met hem; zij was hem altijd strikt trouw, terwijl ze met hem leefde, maar als ze niet zwanger werd kon het paar overeenkomen, dat zij niet voor elkander bedoeld waren, en de betrekking afbreken. Het gevolg was, dat er jaren achtereen geen onwettige kinderen geboren werden, en weinig huwelijken kinderloos waren. Toen zich echter de Portland-cementhandel ontwikkelde, profiteerden de uit Londen geïmporteerde werklieden van de gewoonte van het eiland, maar ze weigerden hun verplichtingen na te komen als er zwangerschap volgde. Dientengevolge geraakte de gewoonte in onbruik (zie b.v. de noot van den vertaler bij Sexual Life of Our Time van Bloch p. 237, en de aanhalingen daar gegeven van Hutchins, History and Antiquities of Dorset, deel II, p. 820).

Maar niet alleen op het land, ook in de groote steden zijn huwelijken in den beginne vrije vereenigingen. Zoo constateerde in Parijs Després meer dan dertig jaar geleden, (La Prostitution à Paris, p. 137), dat in de meeste arrondissementen der stad negen van de tien wettige huwelijken de bevestiging zijn van een vrije verbintenis; hoewel, ofschoon dit het gemiddelde was, het er in een paar arrondissementen maar drie van de tien waren. Het is in Parijs tegenwoordig tamelijk wel hetzelfde; tenminste de helft van de huwelijken zijn, naar men zegt, van deze soort.

In Germaansche landen zijn vrije verbintenissen een zeer oude en vastgewortelde gewoonte. Zoo zegt Ellen Key, dat in Zweden de meerderheid van de bevolking op deze wijze hun getrouwde leven begint (Liebe und Ehe, p. 123). De regeling wordt weldadig bevonden, en "huwelijkstrouw is even groot als vrijheid voor het huwelijk ongebonden is". In Denemarken heeft de conceptie van veel kinderen ook plaats voordat de vereeniging van de ouders gewettigd is (Rubin en Westergaard, aangehaald door Gaedeken, Archives d'Anthropologie Criminelle, Feb. 15, 1909).

In Duitschland zijn onwettige huwelijken niet alleen zeer talrijk, in Berlijn is het aantal 17 percent, en in sommige steden nog veel grooter, maar conceptie voor het huwelijk heeft plaats in bijna de helft van de huwelijken, en soms in de meerderheid. Zoo heeft in Berlijn bij meer dan 40 percent van alle wettige eerstgeboren kinderen de conceptie plaats gehad vóor het huwelijk, terwijl in sommige landelijke provincies (waar het aantal onwettige geboorten lager is) het aantal huwelijken, dat volgt op conceptie voor het huwelijk, veel grooter is dan in Berlijn. De toestanden van het landelijk Duitschland zijn speciaal onderzocht door een commissie van Luthersche geestelijken en ze zijn eenige jaren geleden uiteengezet in twee deelen, Die geschlechtlich-sittlichen Verhältnisse im Deutschen Reiche, die vol zijn van inlichtingen omtrent de sexueele moraliteit in Duitschland. In Hannover, wordt in dit werk gezegd, zeggen de meeste autoriteiten, dat omgang vóor het huwelijk regel is. Op zijn minst wordt een probe, of proef, beschouwd als een vanzelfsprekend iets, dat het huwelijk voorafgaat, omdat niemand "een kat in den zak" wenscht te koopen. Ook in Saksen, zegt men, heeft een meisje bijna altijd omgang vóor het huwelijk, òf haar eerste kind wordt geboren of in ieder geval ontvangen buiten het huwelijk. Dit wordt beschouwd als een gewettigd probeeren van de bruid, voordat men haar voor goed neemt. "Men koopt nog geen pijp van een stuiver zonder ze te probeeren", vertelde men aan een Duitsch geestelijke. Rondom Stettin wordt in twaalf districten (bijna de helft van alle), sexueele omgang voor het huwelijk beschouwd als gewoonte, en in de andere, zoo het al niet bepaald de gewoonte is, komt het toch zeer veel voor, en wordt door de publieke opinie niet gestreng of zelfs in het geheel niet veroordeeld. In sommige districten volgt het huwelijk onmiddellijk op de zwangerschap. In de buurt van Dantzig komt, volgens het Luthersche comité, omgang vóor het huwelijk voor in meer dan de helft van de gevallen, maar er volgt niet altijd een huwelijk op de zwangerschap. Bijna al de meisjes, die gaan dienen, hebben minnaars, en menschen op het land zeggen soms aan hun dienstmeisjes, als zij ze huren, dat ze 's avonds en 's nachts mogen doen wat ze willen. Deze toestand schijnt gunstig te zijn voor de echtelijke trouw. Het Duitsche boerenmeisje, merkt een andere autoriteit op (E. H. Meyer, Deutsche Volkskunde, 1898, pp. 154, 164) heeft haar eigen kamer; zij mag haar minnaar ontvangen; het is geen schande als zij zich aan hem geeft. Het aantal vrouwen, dat het huwelijk als maagd ingaat is niet groot (dit heeft meer speciaal betrekking op Baden), maar de publieke opinie beschermt ze, en die opinie is niet gunstig aan het niet nakomen van de verantwoordelijkheden, die sexueele verhoudingen met zich brengen. De Duitsche vrouw is minder kuisch vóor het huwelijk dan haar Fransche of Italiaansche zuster. Maar, voegt Meyer er aan toe, zij is waarschijnlijk trouwer na het huwelijk dan deze.

Het wordt door velen aangenomen, dat deze staat van Duitsche moraliteit zooals hij tegenwoordig is, een nieuw verschijnsel is, en het teeken van een snelle nationale ontaarding. Dat is in het geheel niet het geval. In dit verband mogen we de bewijsgronden aannemen van Katholieke priesters, die door de ondervinding van den biechtstoel in staat zijn met gezag te spreken. Een oud priester uit Beieren schrijft het volgende (Geschlecht und Gesellschaft, 1907, Bd. II, Heft 1): "Op ethische congressen hooren we den lof verkondigen van "den goeden ouden tijd", toen trouw en zedelijkheid onder de bevolking heerschten. Of dat juist is, is een andere kwestie. Toen ik een jong priester was hoorde ik van even zoovele en even zoo ernstige zonden als nu ik een oud man ben. De zedelijkheid van de menschen is niet grooter en ook niet minder. De dwaling is het geloof, dat de immoraliteit uit de steden komt en het land vergiftigt. De menschen praten alsof het land zuiver een paradijs van onschuld was. Ik wil onze menschen van het land geenszins immoreel noemen, maar uit een ervaring van vele jaren kan ik zeggen, dat er in sexueele opzichten geen verschil is tusschen stad en land. Ik heb meer dan honderd verschillende gemeenten leeren kennen, en op de meest verschillende plaatsen, in de bergen en op de vlakte, op arm land en op rijk land. Maar overal vind ik dezelfde moraal en gebrek aan moraal. De menschen zijn overal hetzelfde, hoewel er op het land dikwijls beter Christenen zijn dan in de steden".

Als we echter veel verder teruggaan dan menschenheugenis, dan schijnt het zeer waarschijnlijk, dat de sexueele gewoonten van het Duitsche volk van den tegenwoordigen tijd niet in hun wezen verschillen--hoezeer ook nu en dan met de verandering van tijden en omstandigheden zich veranderingen mogen voorgedaan hebben--van wat zij waren bij het begin der Duitsche geschiedenis. Dit is de meening van een van de grondigste kenners van Indo-Germaansche oertoestanden. In zijn Reallexicon (art. "Keuschheit") wijst O. Schrader er op, dat de dikwijls aangehaalde Tacitus, strikt beschouwd, alleen kan dienen om te bewijzen, dat de vrouwen kuisch waren na het huwelijk, en dat er geen prostitutie bestond. Er kan geen twijfel aan bestaan, en, voegt hij er aan toe, het vroegste historische bewijsmateriaal wijst er op, dat vrouwen in het oude Duitschland niet kuisch waren vóor het huwelijk. Dit feit is verborgen gebleven door de neiging van de oude klassieke schrijvers om de Noordelijke volken te idealiseeren.

Zoo moeten we ons duidelijk voor oogen stellen, dat het begrip "Duitsche deugd" dat aan de wereld door een lange reeks van Duitsche schrijvers zoo bekend is geworden, in het geheel geen bijzondere graad van toewijding aan de deugd der kuischheid beteekent. Tacitus schijnt werkelijk op die plaats, die in Duitschland meer aangehaald wordt dan eenige andere plaats in de klassieke literatuur, terwijl hij met juistheid den nadruk legt op de late puberteit van de Duitschers en hun ruwe wijze van straffen van echtelijke ontrouw aan den kant van de vrouw, er op te doelen, dat zij ook kuisch waren. Maar we moeten altijd in herinnering houden, dat Tacitus schreef zoowel als sarcastisch moralist als historicus, en dat hij, als hij in vervoering raakte over de deugden van de Duitsche barbaren, een oog gevestigd had op de galerij met Romeinen, wier ondeugden hij wenschte te hekelen. Vrijwel dezelfde verwarring is geschapen door Gildas, die, waar hij de gevolgen beschreef van de overwinning der Saksen in Engeland, schreef als prediker zoowel als historicus, en dezelfde moreele opzet (zooals Dill gezegd heeft) maakt het beeld van Salvianus over de ondeugden van het Gallië van de vijfde eeuw onwaar [267].

De vrijheid en de verdraagzaamheid van de sexueele gewoonten onder de Russen is tamelijk welbekend. Zooals een Russisch correspondent mij schrijft, "het liberalisme van de Russische manieren stelt jonge mannen en jonge meisjes in staat volkomen onafhankelijkheid te genieten. Zij bezoeken elkaar alleen, zij wandelen samen alleen, en zij komen thuis zoo laat ze willen. Zij hebben een vrijheid van beweging zoo volkomen als van volwassen personen; sommigen maken er gebruik van om over politiek te praten en anderen om elkaar het hof te maken. Zij kunnen zich ook alle boeken verschaffen, die zij willen; zoo zag ik op de tafel van een meisjesstudentje, dat ik kende, de Elements of Social Science, dat toen in Rusland verboden was; dit meisje woonde bij haar tante, maar ze had haar eigen kamer, waar alleen haar vrienden mochten binnen komen; haar tante of andere familieleden kwamen er nooit. Natuurlijk ging zij uit en kwam zij weer thuis op de tijden, die zij zelf wilde. Vele andere vrouwelijke studenten genieten in haar families dezelfde vrijheid. Dit is nu geheel anders dan in Italië, waar meisjes geen vrijheid van bewegen hebben, en nòch alleen kunnen uitgaan, nòch heeren alleen kunnen ontvangen, en waar, geheel verschillend van Rusland, een meisje, dat sexueelen omgang gehad heeft buiten het huwelijk, werkelijk "verloren" en "onteerd" is" (vergelijk Sexual-Probleme, Aug., 1908, p. 506).

Het schijnt wel dat vrijheid van sexueele verhoudingen in Rusland--afgezonderd van den invloed van de oude gewoonte--in groote mate noodzakelijk gemaakt is door de moeilijkheid van het echtscheiden. Getrouwde paren, die zich geen echtscheiding konden verschaffen, gingen uiteen en vonden nieuwe deelgenooten zonder wettig huwelijk. In 1907 werd echter een poging gedaan om dit defect in de wet te herstellen; een liberale echtscheidingswet is ingevoerd, terwijl wederzijdsch goedvinden met scheiding voor den tijd van meer dan een jaar erkend wordt als een voldoende grond tot echtscheiden (Bijblad bij Geschlecht und Gesellschaft, Bd. II, Heft 5, p. 145).

In de laatste jaren heeft zich onder de ontwikkelde jonge mannen en vrouwen in Rusland een neiging ontwikkeld tot sexueele losbandigheid, die, hoewel ze ongetwijfeld ondersteund wordt door de oude tradities van sexueele vrijheid, geenszins verward moet worden met die vrijheid, omdat ze direct berust op oorzaken van een geheel verschillende orde. De ingespannen revolutionaire pogingen, die in de laatste jaren van de afgeloopen eeuw gedaan zijn om politieke vrijheid te verkrijgen, hebben het jongere en meer energieke deel van de ontwikkelde klassen in beslag genomen, hebben een groote mate van geestelijke spanning met zich mee gebracht en gingen vergezeld van een neiging tot ascetisme. Het vooruitzicht van den dood stond hun voortdurend voor oogen, en het zich inlaten met sexueele zaken zou gevoeld zijn als niet in harmonie met den revolutionairen geest. Maar in deze eeuw is er in ruimen kring een einde gekomen aan de revolutionaire werkzaamheid. Deze is in hooge mate vervangen door een belangstelling in sexueele kwesties en een toegeven aan sexueele ongebondenheid, die dikwijls een eenigszins losbandig en zinnelijk karakter aanneemt. Vereenigingen van "vrije liefde" zijn door de studenten van beide seksen gevormd tot het aankweeken van deze neigingen. Een roman van Artzibascheff, Ssanin, is van grooten invloed geweest op het verspreiden van deze neigingen. Het is niet waarschijnlijk, dat deze beweging, in haar meer buitensporige vormen, van langen duur zal zijn. (Voor een verslag hierover zie men bv. van Werner Daya, "Die Sexuelle Bewegung in Russland", Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Aug., 1908; ook "Les Associations Erotiques en Russe", Journal du Droit International Privé, Jan., 1909, waarvan een beknopt, doch volledig overzicht in de Revue des Idées, Febr., 1909).

De beweging voor de sexueele vrijheid in Rusland ligt echter veel dieper dan deze mode van sexueele losbandigheid; ze wordt gevonden in ver verwijderde en niet aan de mode onderhevige deelen van het land, en ze staat in verband met zeer oude gewoonten.

Het is interessant, dat bij zulke mannelijke, krachtige, tot schitterende praestaties bekwame volken, zooals de Duitschers en de Russen, zich zoo lang een sexueele vrijheid heeft staande gehouden, die men dikwijls ten onrechte als immoreel aangeduid heeft, want wat in harmonie is met de zeden van een volk, kan niet immoreel zijn. Het is misschien echter nog interessanter de ontwikkeling na te gaan van dezelfde neiging onder nieuwe bloeiende en in hooge mate vooruitgaande gemeenschappen, die de gewoonte van sexueele vrijheid niet geërfd hebben, of ze nu eerst weer zien herleven. We kunnen bv. het voorbeeld nemen van Australië en Nieuw-Zeeland. Het kan zijn, dat deze ontwikkeling niet van den jongsten datum is. De openlijkheid van de sexueele vrijheid in Australië, en de verdraagzaamheid waarmee ze beoordeeld werd, waren al dertig jaar geleden duidelijk merkbaar voor hen, die uit Engeland kwamen om in het Zuidelijk vasteland te leven, en waren ongetwijfeld al vroeger merkbaar. Ze schijnt echter toegenomen te zijn met het aangroeiend bewustzijn van een eigen beschaving. "Na zorgvuldig onderzoek", zegt H. Northcote, een geestelijke, die vele jaren in het zuidelijk halfrond gewoond heeft (Christianity and Sex Problems, Hoofdst. VIII), "vind ik voldoende bewijsgronden, dat in de laatste jaren verkeer buiten het huwelijk in sommige deelen van Australië bepaald aan het toenemen is". Coghlan, de voornaamste autoriteit in Australische statistieken constateert hetzelfde meer precies in zijn Childbirth in New South Wales, dat eenige jaren geleden uitkwam: "Het veel voorkomen van geboorten, waarvan de conceptie voor het huwelijk heeft plaats gehad--een zaak, die tot nu toe weinig is begrepen--is nu geheel onderzocht. In Nieuw Zuid-Wales waren in zes jaar 13.336 huwelijken, waarbij conceptie vóor het huwelijk voorkwam, en, daar het geheele aantal huwelijken 49.641 was, volgden minstens zeven van de honderd huwelijken na de conceptie. In dienzelfden tijd bedroeg het aantal onwettige geboorten 14.779; er waren dus 28.145 gevallen van conceptie bij ongetrouwde vrouwen; in 13.366 gevallen ging het huwelijk vooraf aan de geboorte van een kind, zoodat de kinderen gewettigd werden in meer dan zeven en veertig van de honderd gevallen. Een studie van de cijfers van geboorten bij conceptie vóor het huwelijk maakt het duidelijk, dat in een zeer groot aantal gevallen het verkeer vóor het huwelijk niet is een vooruit loopen op een huwelijk, dat reeds vastgesteld is, maar dat de huwelijken aan de partijen opgedrongen worden, en niet aangegaan zouden geworden zijn als het niet was geweest om den toestand van de vrouw" (vergelijk Powys, Biometrika, deel I, 1901-'02, p. 30). Dat een huwelijk, naar Coghlan het uitdrukt, "aan de partijen opgedrongen" zou worden is natuurlijk niet wenschelijk in het algemeen moreel belang, en het is ook een teeken van onvolkomen moreele verantwoordelijkheid bij de partijen zelf.

Het bestaan van zulk een toestand in een jong land, dat behoort tot een deel van de wereld, waar het algemeene niveau van welvaart, verstand, moraal en maatschappelijke verantwoordelijkheid waarschijnlijk wel hooger is dan in eenig ander land, bewoond door menschen van het blanke ras, is voor ons, die trachten de richting te voorspellen, waarin de beschaafde moraal zich voortbeweegt, een feit van de allergrootste beteekenis.