De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 47
De History of European Morals van Lecky is een studie in praktische, veeleer dan in theoretische moraal. Het groote werk van Westermarck, The Origin and Development of the Moral Ideas is een meer modern voorbeeld van de objectief wetenschappelijke bespreking van de moraal, hoewel dit misschien niet duidelijk uit den titel blijkt. Het is in zijn wezen een beschrijving van de werkelijke historische feiten van wat geweest is, en niet van wat "behoorde" te zijn. Morals in Evolution van Mr. L. T. Hobhouse, dat op bijna denzelfden tijd uitkwam, is evenzeer een werk, dat, terwijl het onloochenbaar feiten behandelt, d.z. regels en instellingen, en de taak verwerpt van te zijn "de geschiedenis van het levensgedrag", zich toch beperkt tot die regels, die "inderdaad het normale gedrag vormen van den gemiddelden mensch" (deel I, p. 26). Met andere woorden, het is in zijn kern een geschiedenis van praktische moraal en niet van theoretische moraal. Een van de scherpzinnigste en fijnste van de nu levende schrijvers, M. Jules de Gaultier, heeft in verschillende van zijn boeken, en vooral in zijn La Dépendance de la Morale et l'Indépendance des Moeurs (1907), het begrip moraal op vrijwel gelijke wijze ontleed. "Regels, die betrekking hebben op het levensgedrag, zijn evenals andere regels door de ervaring gegeven, zoodat de moraal, of de som van de wetten, die op een of ander tijdstip van de historische ontwikkeling op het menschelijk handelen zijn toegepast, van gewoonten afhangt". Ik verwijs ook naar de meesterlijke uitbeelding van deze opvatting over de moraal in La Morale et la Science des Moeurs van Lévy-Bruhl (er bestaat een Engelsche vertaling van).
Praktische moraal is dus het stevige, natuurlijke feit, dat de biologische grondslag vormt van de theoretische zedeleer, hetzij deze traditioneel of ideëel is. De buitensporige vrees, die in zoo hooge mate onder de menschen verspreid is, om de moraal te kwetsen, is misplaatst. Wij kunnen de moraal niet kwetsen, al kunnen we ons zelf kwaad doen. De moraal is gebaseerd op de natuur en kan op zijn hoogst alleen maar gewijzigd worden. Zooals Crawley terecht zegt [260], zelfs de categorische eischen van onze moreele tradities, wel verre van zooals dikwijls algemeen geloofd wordt, pogingen te zijn om de natuur te onderdrukken, ontstaan uit een pogen om de natuur te hulp te komen; zij zijn eenvoudig een poging om de natuurlijke aandriften in bepaalde termen te vatten. Het nadeel ervan is, dat ze, zooals alles wat star en dood wordt, meestal langer duren dan het tijdperk, waarin zij een weldadige, levende reactie vormden op de omgeving. Zoo roepen zij nieuwe vormen van de ideëele moraal in het leven; en de praktische moraal ontwikkelt nieuwe vormen, die in overeenstemming zijn met nieuwe levende verhoudingen, om in de plaats te komen van oudere en verdorde tradities.
Er bestaat duidelijk een nauw verband tusschen theoretische moraal en praktische of eigenlijke moraal. Want niet alleen is de theoretische moraal het bewust worden van erkende gewoonten, die in het algemeene leven in de gemeenschap belichaamd zijn, maar, na aldus bewust geworden te zijn, werkt ze terug op die gewoonten en ondersteunt of wijzigt ze, door zijn eigen groei. Deze inwerking is verschillend, naarmate wij te doen hebben met de eene of andere scherp bepaalde afdeeling van de theoretische moraal: de traditioneele moraal, die den levensgroei van moreele gewoonten tegenhoudt, of de ideëele en vooruitstrevende moraal, die den levensgroei van moreele gewoonten bevordert. Praktische moraal, of eigenlijke moraal kan gezegd worden tusschen deze twee afdeelingen van de theoretische moraal in te staan. De praktijk volgt altijd op de vooruitstrevende theoretische moraal, in zoover natuurlijk ideëele moraal vooruitstrevend is en niet, zooals zoo dikwijls gebeurt, op niets uitloopt. Traditioneele moraal volgt altijd de praktijk. Het resultaat is, dat, terwijl de werkelijke moraal, die te eeniger tijd op een of andere plaats gewoonte is, altijd in nauw verband staat met de theoretische moraal, ze toch nooit precies met een van haar vormen kan overeenkomen. Ze bereikt de ideëele moraal en is de traditioneele moraal altijd vooruit.
Het was hier noodig om bepaaldelijk de drie voornaamste vormen te definieeren, waarvoor het woord "moraal" gebruikt wordt, hoewel ze onder den een of anderen vorm wel aan den lezer bekend moeten zijn. Bij de bespreking van de prostitutie is het gemakkelijk geweest het gewone gebruik te volgen, waarbij de speciale beteekenis van het woord uit den samenhang bleek. Maar nu we ons voor het oogenblik direct met de speciale beteekenis van de evolutie der sexueele moraal bezig houden, moeten we meer precies zijn in het formuleeren van de woorden, die we gebruiken. In dit hoofdstuk, behalve als het anders vastgesteld is, houden wij ons in de eerste plaats bezig met de eigenlijke moraal, met het werkelijk gedrag, zooals het voorkomt in de massa van de gemeenschap, en alleen in de tweede plaats met de vooruitstrevende of de traditioneele moraal.
Sexueele moraal is, evenals andere soorten van moraal, noodzakelijk samengesteld uit geërfde tradities, gewijzigd door aanpassing aan de veranderende maatschappelijke omgeving. Als de invloed van de traditie te veel uitgesproken wordt, dan geraakt het moreele leven veelal in verval en verliest zijn geschiktheid om zich aan het leven aan te passen. Als het aanpassingsvermogen te groot wordt, wordt het moreele leven onvast en verliest zijn autoriteit. Het is alleen door een redelijke synthese van bouw en functie--van wat het traditioneele genoemd wordt met wat het ideëele genoemd wordt--dat het moreele leven zijn autoriteit kan bewaren, zonder zijn praktische waarde te verliezen. Velen, zelfs onder hen die zich moralisten noemen, hebben dit moeilijk kunnen begrijpen. In een vergeefsch streven naar een onbestaanbaar streng logisch redeneeren hebben zij òf te veel den nadruk gelegd op den ideëelen invloed op de praktische moraal, òf, nog meer, op den traditioneelen invloed, die zich aan hen heeft opgedrongen door de indrukwekkende autoriteit, die haar gezegden schijnen te hebben. De resultaten hiervan in de sfeer, met welke wij hier te doen hebben, zijn dikwijls ongelukkig geweest, want geen maatschappelijke impuls geraakt zoo gemakkelijk in opstand tegen verouderde tradities, is zoo geneigd tot vulkanische uitbarstingen als de geslachtsdrift.
Wij zijn gewend ons tegenwoordig huwelijkssysteem te identificeeren met "moraal" in het abstracte, en voor vele menschen, misschien wel voor de meeste, is het moeilijk zich voor oogen te stellen, dat de langzame en onmerkbare beweging, die in den tegenwoordigen tijd voortdurend op het maatschappelijke leven inwerkt evenals in iederen anderen tijd, onze sexueele moraal ten diepste raakt. Een overgang van waardebepalingen heeft voortdurend plaats; wat eens de eigenlijke standaard was der moraal wordt immoreel, wat eens zonder twijfel immoreel was, wordt moreel. Zulk een proces is bijna even verwarrend als twee duizend jaar geleden voor de Europeesche wereld de groote strijd tusschen de stad Rome en de Christelijke kerk was, toen het noodig werd te erkennen, dat, wat Marcus Aurelius, het groote voorbeeld van moraliteit getracht had uit te roeien, omdat het zonder twijfel immoreel [261] was, beschouwd begon te worden als de hoogste standaard der moraal. De klassieke wereld beschouwde liefde en medelijden en zelfopoffering als weinig beter dan zwakheid en soms als nog erger; de Christelijke wereld beschouwde ze niet alleen als moreele zaken, maar incarneerde ze in een God. Onze sexueele moraal heeft ook natuurlijke menschelijke emoties buiten beschouwing gelaten en is niet in staat om hen te begrijpen, die verklaren dat het vasthouden aan verkeerde traditioneele wetten, die tegenovergesteld zijn aan de levensbehoeften van menschelijke maatschappijen, niet moreel is, maar immoreel.
De reden waarom de geleidelijke evolutie van de moreele ideeën, die voortdurend in de sexueele sfeer plaats vindt, tenminste onder ons, een stadium begint te bereiken waarop er een tegenstelling schijnt te zijn tusschen verschillende standaards ligt in het feit, dat tot nog toe in het geheel geen specifiek sexueele moraal [262] bestond. Dat zal misschien eerst verwonderlijk toeschijnen aan ieder, die nadenkt over het ontzettende gewicht, dat gewoonlijk gehecht wordt aan "sexueele moraal". En het is ongetwijfeld waar, dat wij een moraal hebben, die wij toepassen op de sexueele sfeer. Maar die moraal is er een, die voornamelijk behoort tot de sfeer van den eigendom en ze heeft zich in zeer ruime mate ontwikkeld op een basis van bezit. Al de historici over moraal in het algemeen en van het huwelijk in het bijzonder, hebben dit feit op den voorgrond gesteld en het geïllustreerd met een massa historisch materiaal. Wij hebben tot nog toe geen algemeen erkende sexueele moraal, die op de specifieke sexueele feiten van het leven gebaseerd is. Dat wordt eerst recht duidelijk als wij ons het grondfeit voor oogen stellen, dat de sexueele verhouding gebaseerd is op liefde, op zijn allerminst op sexueel verlangen, en dat die basis zoo'n diepen grond heeft, dat ze zelfs physiologisch is, want als zulk sexueel verlangen niet bestaat, is het physiologisch onmogelijk voor een man omgang met een vrouw te hebben. Iedere specifieke sexueele moraal moet op dat feit gebaseerd zijn. Maar onze zoogenaamde "sexueele moraal", wel verre van op dat feit gebaseerd te zijn, tracht het geheel buiten beschouwing te laten. Het maakt contracten, het regelt sexueele verhoudingen van tevoren, het neemt op zich duurzaamheid van sexueele inclinaties te garandeeren. Dat is te zeggen, dat het overwegingen invoert van een soort, die volkomen gezond zijn in de economische sfeer, waartoe deze overwegingen rechtens behooren, maar die belachelijk weinig passen bij de sexueele sfeer, waarop ze plechtig worden toegepast. De economische verhoudingen van het leven in den ruimsten zin zijn, zooals we zullen zien, buitengemeen belangrijk in de evolutie van eene gezonde sexueele moraliteit, maar zij behooren tot de voorwaarden van zijn ontwikkeling en vormen niet zijn basis [263].
Het feit dat, uit het standpunt van de wet, het huwelijk oorspronkelijk een instelling is om de eigendomsrechten te verzekeren en de erfenisrechten, wordt geïllustreerd door de Engelsche echtscheidingswet van tegenwoordig. Volgens deze wet heeft een man, als zijn vrouw sexueelen omgang heeft met een anderen man dan haar echtgenoot, het recht echtscheiding aan te vragen; als echter de man omgang heeft met een andere vrouw dan de zijne, dan heeft zij geen recht op echtscheiding; dat kan alleen als hij bovendien wreed jegens haar geweest is, of haar verlaten heeft; uit een standpunt van ideëele moraal is zulk een wet in 't oog springend onbillijk; ze is dan ook in bijna alle beschaafde landen afgeschaft behalve in Engeland.
Maar van het standpunt van bezit en erfenis is ze zeer begrijpelijk en om die reden heeft ze nog den steun van de meerderheid der Engelschen. Als de vrouw omgang heeft met andere mannen, dan is er gevaar, dat het bezit van den man geërfd zal worden door een kind, dat het zijne niet is. Maar de sexueele omgang van den man met andere vrouwen wordt niet door zulk een gevaar gevolgd. De ontrouw van de vrouw is een ernstige beleediging van den eigendom; de ontrouw van den man is geen beleediging van den eigendom, en daarom kan ze met geen mogelijkheid beschouwd worden als een reden tot echtscheiding uit het wettelijk standpunt. Het feit, dat echtbreuk van den man gecompliceerd met wreedheid, zulk een reden is, is alleen maar een concessie aan het moderne gevoel. Toch heeft, zooals Helene Stöcker naar waarheid zegt ("Verschiedenheit im Liebesleben des Weibes und des Mannes", Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Dec., 1908) een getrouwd man, die een niet erkend kind heeft bij een vrouw buiten het huwelijk, een daad gedaan, die even ernstig tegenmaatschappelijk is als een getrouwde vrouw, die een kind heeft zonder te erkennen, dat haar man niet de vader is. In het eerste geval heeft de man, in het tweede geval de vrouw, een te groote verantwoordelijkheid gelegd op een ander persoon. (Hetzelfde punt is op den voorgrond gesteld door den schrijver van The Question of English Divorce, p. 56).
Ik leg hier den nadruk op het economisch element in onze sexueele moraal, omdat dat het element is, hetwelk er een soort van standvastigheid aan gegeven heeft en in de wet is vastgelegd. Maar als we onze sexueele moraal van een ruimer standpunt beschouwen, dan kunnen we wel niet anders of we zien het oude element van ascetisme, dat er godsdienstigen hartstocht en godsdienstige heiliging aan gegeven heeft. Onze sexueele moraal is dus in werkelijkheid een bastaard, geboren uit de vereeniging van eigendoms-moraal en primitieve ascetische moraal, die geen van beide in de ware verhouding staan tot de levensfeiten van het sexueele leven. Het is werkelijk het eigendoms-element, dat, met een paar inconsequenties tenslotte het hoofdelement geworden is van onze wet, maar het ascetische element heeft een belangrijke rol gespeeld bij het vormen van het populaire gevoel en bij het scheppen van een houding van afkeuring jegens sexueelen omgang per se, hoewel zulke omgang beschouwd wordt als een essentieel deel van de op eigendom gebaseerde en godsdienstig gesanctionneerde instelling van het wettig huwelijk.
De verheerlijking van de maagdelijkheid leidde in onmerkbare overgangen, tot het bestempelen van de "ontucht" als doodzonde, en ten slotte als een werkelijke wereldsche "misdaad". Er wordt soms gezegd, dat het niet voor het Concilie van Trente geweest is, dat de Kerk formeel allen in den ban deed, die meenden, dat de huwelijksstaat hooger was dan de maagdelijke staat, maar men had die meening min of meer vormelijk reeds vroeger geuit, bijna van de vroegste tijden van het Christendom af, en dat blijkt duidelijk uit de brieven van Paulus. Alle theologen zijn het er over eens, dat ontucht een doodzonde is. Caramuel, de beroemde Spaansche theoloog, die ongewone concessies deed aan de eischen van de rede en van de natuur, meende, dat ontucht alleen maar een kwaad is, omdat het verboden is, maar Innocentius XI verwierp deze clausule formeel. Ontucht als een doodzonde werd langzamerhand verwereldlijkt tot ontucht als een misdaad. Ontucht was in Frankrijk in de achttiende eeuw nog een misdaad, zooals Tarde bij zijn historische nasporingen van een crimineel proces in Périgord ontdekte; echtbreuk was ook een zonde en werd streng gestraft, volkomen onafhankelijk van eenige klacht van een van de beide partijen (Tarde, "Archéologie Criminelle en Périgord", Archives de l'Anthropologie Criminelle, Nov. 15, 1898).
De Puriteinen uit de dagen van Cromwell in Engeland (evenals de Puriteinen in Genève) volgden het voorbeeld der Katholieken en namen beleedigingen van de geestelijkheid tegen de kuischheid in de wereldsche wet op. Bij een acte van het Parlement, aangenomen in 1653, werd ontucht strafbaar gesteld met gevangenisstraf van drie maanden voor beide partijen. Bij dezelfde acte werd echtbreuk van de vrouw (van den man wordt niets gezegd) gemaakt tot misdaad, zoowel voor haar als voor haar deelgenoot in de schuld en daarom wordt ze strafbaar gesteld met den dood (Scobell, Acts and Ordinances, p. 121)
De werking van een valsche moraal, zooals onze sexueele moraal geweest is, is als die van een tweesnijdend zwaard. Aan den eenen kant voert ze tot een geheime en huichelachtige laksheid, aan den anderen kant ondersteunt ze een star en dood reglementenboek, waarvan maar zoo weinigen de voorschriften constant kunnen opvolgen, dat de theoretische moraal daardoor verlaagd wordt tot een min of meer ledigen vorm. "Het menschelijk ras zou veel winnen", zeide de wijze Senancour, "als de deugd niet zoo moeilijk gemaakt werd. De verdienste zou dan niet zoo groot zijn, maar wat is het nut van een hoogte van volkomenheid, waarop men zich maar zelden kan handhaven?" [264]. Tegenwoordig hebben wij, zooals Ellen Key, een latere moralist, het uitdrukt, alleen maar een immoraliteit, die de ondeugd begunstigt en de deugd niet te bereiken maakt; en zij roept dan ook met vergefelijke overdrijving uit, dat het prediken voor den jongen mensch van een gezondere moraal, zonder tevens de maatschappij te veroordeelen, die de overheerschende immoraliteit aanmoedigt, "erger is dan dwaasheid, dat het misdaad is".
In de richting, waarin Senancour een eeuw geleden en Ellen Key nu, groote pioniers zijn, bewegen de nieuwe vormen van de vooruitstrevende of ideale theoretische moraal zich voorwaarts, volgens de algemeene neiging in de moraal, van de traditioneele moraliteit en zelfs van de praktijk.
Er is een groote moderne beweging, die duidelijk aantoont, dat de sexueele moraal zich tegenwoordig beweegt naar een nieuw standpunt. Dit is de veranderende houding van de massa der gemeenschap zoowel jegens het burgerlijk huwelijk als jegens het godsdienstig huwelijk, en de aangroeiende neiging om staatsinmenging in sexueele verhoudingen af te keuren, onafhankelijk van de kinderproductie.
Er is ongetwijfeld onder de onderste lagen der bevolking van Europa altijd een neiging geweest sexueele verhoudingen aan te gaan zonder de officieele heiliging totdat zulke verhoudingen zich goed bevestigd hebben en totdat de hoop op een nageslacht gerechtvaardigd is. Deze neiging heeft zich gecristalliseerd in erkende gewoonten onder ontelbare landelijke gemeenschappen, die weinig last hebben van de storende invloeden van de buitenwereld of de beperkende invloeden van theologisch Christelijke begrippen. Maar in den tegenwoordigen tijd is deze neiging niet beperkt tot de meer primitieve en afgezonderde gemeenschappen van Europa, onder wie ze juist begint uit te sterven. Het is een ontwijfelbaar feit, zegt Professor Bruno Meyer, dat veel meer dan de helft van den sexueelen omgang nu plaats vindt buiten het huwelijk [265]. Vooral onder de intelligente klassen en in bloeiende en vooruitgaande gemeenschappen is deze beweging merkbaar. Wij zien door de geheele wereld het praktische gezond verstand van de menschen zich vormen in de richting, waarvan de ideëele moralisten de pioniers geweest zijn, die onveranderlijk voorafgaan aan den nieuwen groei van de praktische moraal.
De vrijwillig kinderlooze huwelijken van tegenwoordig hebben de mogelijkheid bewezen van zulke vereenigingen buiten het wettig huwelijk, en zulke vrije verbintenissen kunnen voor vooruitstrevende menschen het huwelijk vervangen [266]. De geleidelijke maar gestadige verhooging van den leeftijd voor het aangaan van een wettig huwelijk wijst ook in dezelfde richting, hoewel ze niet alleen wijst op een toename van vrije verbintenissen, maar op een toename van alle vormen van normale en abnormale sexualiteit buiten het huwelijk. Zoo waren in Engeland en Wales in 1906 maar 43 van de 1000 getrouwde mannen en 146 van de 1000 getrouwde vrouwen minderjarig, terwijl de gemiddelde leeftijd voor de mannen 28.6 jaar en voor de vrouwen 26.4 jaar was. Voor de mannen is de leeftijd zoowat acht maanden gestegen in de laatste veertig jaar, voor de vrouwen meer. In de groote steden, als Londen, waar de mogelijkheid voor buitenechtelijk verkeer grooter is, is de leeftijd voor het wettige huwelijk hooger dan op het land.
Als wij den leeftijd, waarop gemiddeld een wettig huwelijk gesloten wordt, moeten beschouwen als de leeftijd, waarop de bevolking in sexueele verbintenissen treedt, dan is die ongetwijfeld te laat. Beyer, een toonaangevend Duitsch neuroloog, vindt, dat er even ernstige bezwaren zijn tegen vroege als tegen late huwelijken, en komt tot de conclusie, dat in gematigde streken de beste leeftijd voor vrouwen om te trouwen is het een en twintigste jaar, en voor mannen het vijf en twintigste jaar.
Toch zijn, onder slechte economische omstandigheden en met een starre huwelijkswet vroege huwelijken in ieder opzicht verkeerd. Bij de armen zijn zij een teeken van groote armoede. De allerarmsten trouwen het eerst, omdat zij het gevoel hebben, dat hun toestand niet erger worden kan. (Dr. Michael Ryan heeft veel belangwekkend bewijsmateriaal verzameld over de oorzaken van het vroege huwelijk in Ierland in zijn Philosophy of Marriage, 1837, blz. 58-72). Onder de armen is een vroeg huwelijk dus altijd een ongeluk. "Vele goede menschen", zegt Mr. Thomas Holmes, secretaris van de Howard Association en zendeling bij de politiehoven (in een interview, Daily Chronicle, Sept. 8, 1909), "raden jongens en meisjes aan te trouwen om te voorkomen wat zij noemen "schande". Dit houd ik voor geheel verkeerd, en het leidt tot veel grootere verkeerdheden, dan die het met mogelijkheid kan afwenden".
Vroege huwelijken zijn een van de meest gewone oorzaken, zoowel voor de prostitutie als voor echtscheiding. Zij leiden in onnoemelijk veel gevallen tot prostitutie, zelfs als geen uiterlijke scheiding plaats vindt. Het feit, dat zij tot echtscheiding leiden, blijkt uit de veelbeteekenende omstandigheid, dat in Engeland, hoewel maar 146 van de 1000 vrouwen onder de een en twintig zijn bij haar huwelijk, toch van de vrouwen, die betrokken zijn in echtscheidingsprocessen er 280 van de 1000 onder de een en twintig waren bij haar huwelijk, en deze tegenspraak is zelfs nog grooter dan ze schijnt, want in de gegoede klassen, die zich alleen de luxe van een echtscheiding kunnen veroorloven, is de normale leeftijd bij het huwelijk veel hooger dan voor de bevolking in het algemeen. Onervarenheid, zooals lang geleden bewezen werd, door Milton (die deze les te zijnen koste geleerd had), leidt tot schipbreuk in het huwelijk. "Zij, die het wildst geleefd hebben", schreef hij, "blijken het meeste succes te hebben in hun huwelijk, omdat hun ongebonden genegenheden die ze naar believen konden eindigen, zoovele echtscheidingen geweest zijn, waardoor ze ondervinding hebben opgedaan".
Miss Clapperton raadt, wat de beschaafde standen betreft, zeer vroeg huwen aan, zelfs nog tijdens het studentenleven, dat dan tot zekere hoogte naast het huwelijksleven zou kunnen voortgezet worden (Scientific Meliorism, hoofdst. XVII). Ook Ellen Key raadt het vroege huwen aan. Maar zij voegt er wijselijk aan toe, dat zulks de noodzakelijkheid in zich sluit van gemakkelijk echtscheiden. Dat is werkelijk de eenige voorwaarde, waaronder vroeg huwen in het algemeen wenschelijk kan zijn. Jonge menschen--tenzij zij een zeer eenvoudige en rustige natuur hebben--kunnen nòch den loop van hun eigen ontwikkeling en hun sterkste behoeften voorspellen, nòch nauwkeurig den aard en de kwaliteit van een andere persoonlijkheid taxeeren. Een huwelijk, dat op zeer jeugdigen leeftijd gesloten is, houdt spoedig op in eenig opzicht behalve den naam een huwelijk te zijn. Soms vraagt een jong meisje om scheiding van haar echtgenoot op den dag na haar huwelijk.