De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 46

Chapter 463,517 wordsPublic domain

Prostitutie in verband met ons huwelijkssysteem.--Huwelijk en moraal.--De definitie van het begrip "moraal".--Theoretische moraal.--Hare verdeeling in traditioneele en ideëele moraal.--Praktische moraal.--Praktische moraal gegrond op gewoonte.--Het eenige onderwerp van de wetenschappelijke zedeleer.--De reactie tusschen theoretische en praktische moraal.--Sexueele moraal in het verleden als toepassing van economische moraal.--De vereeniging van starheid en laksheid in deze moraal.--Het ontstaan van een bijzondere sexueele moraal en de ontwikkeling van moreele idealen.--Uitingen van de sexueele moraal.--Gebrek aan eerbied voor de vormen van het huwelijk.--Proef-huwelijk.--Het huwelijk nà de conceptie van een kind.--Verschijnselen in Duitschland, de Angelsaksische landen, Rusland, enz.--De positie der vrouw.--De historische neiging, die de gelijkheid van vrouwen met mannen begunstigt.--De theorie van het matriarchaat.--De moederfamilie.--Vrouwen in Babylonië, Egypte, Rome.--De achttiende en de negentiende eeuw.--De historische neigingen, die de moreele onbevoegdheid der vrouw begunstigen.--De tweestrijd door het Christendom verwekt.--Invloed van de Germaansche gewoonte en van het leenstelsel.--De ridderschap.--De vrouw in Engeland.--De vrouwenhandel.--Het afnemen van de onderworpenheid der vrouw.--Ongeschiktheid van den modernen man om te heerschen.--Het toenemen van de moreele verantwoordelijkheid bij vrouwen.--De daarmee samengaande ontwikkeling van economische onafhankelijkheid.--Het toenemen van het aantal werkende vrouwen.--Het binnendringen van de vrouw in de moderne industrie.--In hoeverre dit maatschappelijk te rechtvaardigen is.--De sexueele verantwoordelijkheid der vrouw en de gevolgen ervan.--De beweerde moreele inferioriteit van vrouwen.--De "zelfopoffering" van vrouwen.--De maatschappij heeft geen belang bij sexueele verhoudingen.--De voortplanting is het eenige sexueele belang van den staat.--De zeer hooge beteekenis van het moederschap.

Het is noodig geweest de verschijnselen van de prostitutie zeer uitgebreid te behandelen, omdat, hoe wij onszelf ook persoonlijk daarvan verwijderd willen houden, zij ons in werkelijkheid tot de kern van de sexueele kwestie voeren, in zooverre ze een maatschappelijk probleem vormen. Als we de prostitutie oppervlakkig beschouwen als een objectief verschijnsel, als een kwestie van maatschappelijke krachten, dan zien we, dat ze niet alleen een toevallig en weg te nemen uitvloeisel van ons tegenwoordig huwelijkssysteem is, maar een samenstellend deel ervan, zoodat dit, als ze er niet was, uiteen zou vallen. Dit zal waarschijnlijk duidelijk zijn aan allen, die de voorafgaande uiteenzetting van de verschijnselen van de prostitutie hebben gevolgd. Er is echter meer te zeggen dan dit. Niet alleen is de prostitutie tegenwoordig, zooals ze meer dan twee duizend jaar geweest is, het bolwerk van ons huwelijkssysteem, maar als we het huwelijk beschouwen niet van den buitenkant als een vormelijke instelling, maar van den binnenkant, door te letten op de beweegredenen die tot een huwelijk voeren, dan vinden we, dat het in een groot aantal gevallen zelf in zekere opzichten een vorm van prostitutie is. Hierop is reeds zoo dikwijls de nadruk gelegd en van zoovele zeer verschillende standpunten, dat het wel nauwelijks noodzakelijk kan schijnen hier dieper op dit punt in te gaan. Maar deze kwestie is van het grootste belang voor de sexueele moraal. Onze maatschappelijke toestanden zijn niet gunstig aan de ontwikkeling van een hoog moreel gevoel in de vrouw. Het verschil tusschen de vrouw, die zich verkoopt in prostitutie en de vrouw, die zich verkoopt in het huwelijk, is volgens het reeds door ons aangehaalde gezegde van Marro, "alleen een verschil in prijs en in duur van het contract". Of, zooals Forel het uitdrukt, het huwelijk is "een fatsoenlijker vorm van prostitutie", dat is te zeggen, een wijze om uit geldelijke overwegingen sexueele verhoudingen aan te gaan. Het huwelijk is niet alleen een fatsoenlijker vorm van prostitutie, het is een vorm, geheiligd door de wet en den godsdienst, en de kwestie der moraal wordt er buiten gelaten. De moraal mag straffeloos beleedigd worden, als maar de wet en de godsdienst ingeroepen zijn. Zoo is het essentieele beginsel der prostitutie onder ons gewettigd en geheiligd. Daarom is het zoo moeilijk eenige ernstige verontwaardiging te wekken, of eenige met redenen omkleede bezwaren staande te houden tegen de prostitutie op zich zelf beschouwd. Het plausibelste argument is dat van hen [253], die, terwijl ze het huwelijk verlagen tot het niveau van de prostitutie, zeggen, dat de prostituée een onderkruipster is, die minder dan de marktprijs, d.i. het huwelijk, aanneemt voor de sexueele diensten, die zij bewijst. Maar zelfs dit lage standpunt is moeilijk vast te houden. De prostituée wordt werkelijk zeer goed betaald, als men in aanmerking neemt hoe weinig zij in ruil geeft; de getrouwde vrouw wordt werkelijk buitengewoon slecht betaald, in aanmerking genomen hoeveel zij dikwijls geeft en hoeveel zij noodzakelijk opgeeft. Terwille van het voordeel van economische afhankelijkheid van haar echtgenoot, moet zij, zooals Ellen Key opmerkt, de rechten op haar kinderen opgeven, evenals al haar bezittingen, haar werk, en haar eigen persoon, zoodat haar minder overblijft dan elke ongetrouwde vrouw, zelfs, kunnen we er bij voegen, minder dan elke prostituée. De prostituée toch geeft nooit het recht op haar eigen persoon op zooals de getrouwde vrouw verplicht is te doen; de prostituée, anders dan de getrouwde vrouw, behoudt haar vrijheid en haar persoonlijke rechten, hoewel deze gewoonlijk niet van veel waarde zijn. Het is eerder de vrouw dan de prostituée, die de onderkruipster is.

Het is in het geheel niet alleen in de laatste jaren, dat ons huwelijkssysteem voor de rechtbank der moraal geroepen is. Veertig jaar geleden klaagde James Hinton het met gloeiende woorden aan, toen hij de immoraliteit en de zelfzuchtige losbandigheid beschreef, die ons huwelijkssysteem met den mantel van wettigheid en heiligheid bedekt. "Er is iets ongezonds in onze huwelijksverhoudingen", schreef Hinton. "Niet alleen zijn ze in de praktijk vreeselijk, maar zij beantwoorden niet aan gevoelens en overtuigingen, die veel te veel in ruimen kring verspreid zijn, om ze buiten beschouwing te kunnen laten. Wie heeft nooit gehoord van vrouwen van erkende verdiensten, die er in toestemmen de geliefde te worden van een getrouwd man; van reine en eenvoudige meisjes, die zeggen, dat zij niet kunnen inzien, waarom zij een wettig huwelijk zouden moeten sluiten; van vrouwen, die zeggen dat zij, als zij liefhebben, geen wettigen band zouden willen hebben; waarom is het noodzakelijk--of wordt het door goede en wijze mannen noodzakelijk geacht--dat de eene sekse in bittere en soms noodlottige onwetendheid wordt gelaten? Deze dingen (en hoevele meer) wijzen op iets, dat diep ongezond is in de huwelijksverhoudingen. Dit moet onderzocht worden en wel tot den grond toe".

Al vroeger, in 1847, heeft Gross-Hoffinger, in zijn Die Schicksale der Frauen und die Prostitution--een merkwaardig boek, waarvan Bloch met een weinig overdrijving zegt, dat het opzienbarende beteekenis heeft--met kracht er op gewezen, dat het probleem der prostitutie in werkelijkheid het probleem is van het huwelijk, en dat we de prostitutie alleen kunnen hervormen door het huwelijk te hervormen, dit beschouwd als een dwang-instelling, die berust op een verouderde economische basis. Gross-Hoffinger was een voorganger van Ellen Key.

Meer dan anderhalve eeuw geleden heeft een man van een zeer verschillend type de moraal van zijn tijd scherp geanalyseerd, met een brutale vrijmoedigheid, die aan zijn tijdgenooten een stuitend cynische houding toescheen jegens hun heilige instellingen, zoodat zij gevoelden, dat hun niets overbleef dan zijn boeken te verbranden. Waar hij in zijn Fable of the Bee (1714, p. 64) het moderne huwelijk beschreef, met alle wantoestanden, die in dat huwelijk bekrachtigd zijn, schreef Mandeville: "De fijne mijnheer, waar ik van sprak, behoefde geen grootere zelfverloochening te toonen dan de wilde, en deze handelt meer in overeenstemming met de wetten van natuur en waarheid dan hij. De man, die aan zijn lust voldoet, op de wijze, die de gewoonte van zijn land hem toestaat behoeft geen veroordeeling te vreezen. Laat hij wellustiger zijn dan geiten of stieren, laat hem, zoodra de ceremonie voorbij is, zich verzadigen en uitputten aan vreugde en extases van genot, laat hij zijn lust afwisselend aanwakkeren en verzadigen, zoo overvloedig als zijn kracht en mannelijkheid het hem willen veroorloven. Hij kan veilig lachen om de wijze menschen, die hem zouden kunnen veroordeelen: al de vrouwen en meer dan negen van de tien mannen zijn op zijn hand; ja, hij kan zich zelfs verhoovaardigen op de kracht van zijn ongebreidelde hartstochten, en hoe meer hij wentelt in wellust en alles in zich er op spant om uitgelaten wellustig te zijn, des te eerder zal hij de welwillendheid ondervinden en de liefde winnen van de vrouwen, niet van de jonge, ijdele, en wulpsche alleen, maar van de voorzichtige, ernstige, en verstandigste matrones".

Zoo is de aanklacht, ingebracht tegen ons huwelijkssysteem van het standpunt van moraal, deze, dat het de sexueele verhouding ondergeschikt maakt aan overwegingen van geld en van wellust. En dat is juist het kenmerk van de prostitutie.

Het eenige wettige moreele doel van het huwelijk--of we het beschouwen uit het ruimere biologische standpunt of uit het oogpunt van de menschelijke maatschappij--is die van een sexueele keuze, gedaan overeenkomstig de wetten van de sexueele keuze, en die tot direct doel heeft een samenleven van volkomen wederkeerige liefde en als indirect doel de voortplanting van het ras. Als niet de voortplanting deel uitmaakt van het doel van het huwelijk, dan heeft de maatschappij er niets hoegenaamd mee te maken en dan heeft ze geen recht haar stem te laten hooren. Maar als de voortplanting een van de doeleinden van het huwelijk is, dan is het uit biologische en maatschappelijke gezichtspunten dringend noodig, dat geen invloeden behalve de juiste natuurlijke invloed der sexueele keuze bij het vormen der paren zullen gelden, want indien bij de sexueele keuze tusschenbeide gekomen wordt, is het waarschijnlijk, dat het nageslacht nadeel zal ondervinden en de belangen van het ras zullen geschaad worden.

Men moet natuurlijk goed begrijpen, dat het denkbeeld van het huwelijk als een vorm van sexueele vereeniging, gebaseerd niet op biologische, maar op economische overwegingen, zeer oud is, en dat het soms gevonden wordt in maatschappijen, die bijna in den natuurstaat zijn. Ieder keer echter, dat het huwelijk op een zuivere basis van bezit, en zonder voldoenden eerbied voor de sexueele keuze voorgekomen is onder betrekkelijk primitieve en krachtige volken, is het in hooge mate van zijn slechte gevolgen ontdaan door de besliste erkenning van zijn enkel economisch karakter, en door de afwezigheid van iedere poging om, ook maar in naam, andere sexueele verhoudingen te onderdrukken, die op een natuurlijker basis berustten en buiten dezen kunstmatigen vorm van het huwelijk ontstaan waren. Vooral polygamie werkte er toe mede om vereenigingen op economische basis te verbinden aan vereenigingen op natuurlijke sexueele basis. Ons modern huwelijkssysteem heeft echter een kunstmatige starheid gekregen, die de mogelijkheid van deze natuurlijke veiligheidsklep en vergoeding uitsluit. Welke de werkelijke moreele inhoud ervan ook zij, een modern huwelijk is altijd "wettig" en "heilig". Wij zijn zoo gewend aan economische huwelijksvormen, dat, zooals Sidgwick naar waarheid opmerkte (Method of Ethics, dl. II, hoofdst. XI) als van die vormen gesproken wordt als van "gewettigde prostitutie" het voortdurend voorkomt, dat men voelt, dat "de phrase buitensporig en paradox is".

Een man, die om geld of ambitie trouwt, wijkt af van de biologische en moreele doeleinden van het huwelijk. Een vrouw, die zich voor het leven verkoopt, staat moreel op hetzelfde niveau als eene, die zich voor een nacht verkoopt. Het feit, dat het loon grooter schijnt te zijn, dat ter vergoeding van het verleenen van bepaalde huiselijke diensten en bepaalde persoonlijke gedienstigheden--diensten en gedienstigheden, waarin ze misschien in het geheel niet deskundig is--zij zich een schuilplaats verzekert, waar ze gevoed en gekleed en geherbergd wordt voor het leven, maakt geen verschil in het moreele aanzien van de zaak. De moreele verantwoordelijkheid is, we behoeven het nauwelijks te zeggen, zeker evenzeer aan den kant van den man als aan dien van de vrouw. Verkeerde resultaten zijn dikwijls het gevolg van de onwetendheid en de onverschilligheid van de mannen, die dikwijls weinig of niets af weten van den aard der vrouwen en van de kunst van liefhebben. De onnoozelheid, waarmee zelfs mannen, die, naar men zou meenen, toch niet zonder ervaring konden zijn, als echtgenoote een vrouw kiezen, die, hoe mooi en bekoorlijk zij ook zijn mag, geen van de eigenschappen bezit, die haar minnaar werkelijk verlangt, is een voortdurend wonder. Zich te onthouden van het onderzoeken en beproeven van het humeur en de eigenaardigheden van de vrouw, die hij tot echtgenoote wenscht, is ongetwijfeld een beminnelijke trek van nederigheid aan de zijde van den man. Maar het is wel zeker, dat een man nooit tevreden moest zijn met minder dan het beste van wat de ziel en het lichaam van een vrouw kunnen geven, hoe onwaardig hij zich ook moge voelen voor zulk een bezit. Deze eisch, we moeten het opmerken, is het hoogste belang van de vrouw zelf. Een vrouw kan een man tenminste een deel van de geheimen van het heelal openbaren. De vrouw, die neerdaalt tot het niveau van een candidate voor een inrichting voor behoeftigen, verlaagt zich.

Onze beschouwing over de psychische sexueele feiten heeft ons dus, zullen we zien, gebracht tot de kwestie der moraal. Telkens weer is bij het uiteenzetten van de verschijnselen der prostitutie noodig geweest het woord "moreel" te gebruiken. Dat woord is echter vaag en kan zelfs op een dwaalspoor leiden, omdat het verschillende beteekenissen heeft. Tot dusverre is het aan den intelligenten lezer overgelaten geweest, zooals hij wel bemerkt zal hebben, uit het verband op te maken in welke beteekenis het woord gebruikt werd. Maar op het punt waar we nu zijn gekomen, is het, voordat wij overgaan tot het bespreken van de sexueele psychologie, noodig, om dubbelzinnigheid te vermijden, den lezer in herinnering te brengen, wat precies de voornaamste beteekenissen zijn, waarin het woord "moreel" gewoonlijk gebruikt wordt.

De moraal, waarmee ethische verhandelingen te maken hebben, is theoretische moraal. Ze handelt over datgene, wat menschen behoorden te doen--of wat voor hen goed is te doen. Socrates b.v. houdt zich in zijn dialogen van Plato met die theoretische moraal bezig, als hij de vraag bespreekt: wat de menschen in hun handelingen "moeten" zoeken? De groote massa der ethische literatuur--tot nog kort geleden toe mochten we zeggen de geheele literatuur--handelt over deze kwestie. Die theoretische moraal is eer een studie dan een wetenschap, want de wetenschap kan alleen gebaseerd zijn op wat is, niet op wat behoorde te zijn.

Zelfs in de sfeer van de theoretische moraal zijn er twee zeer verschillende soorten van moraal, zoo verschillend, dat de eene de andere soms zelfs als vijandig beschouwt, of op zijn best alleen, uit beleefdheid, met een tintje van minachting als "moreel". Deze twee soorten van moraal zijn de traditioneele moraal en de ideëele moraal. De traditioneele moraal is gebaseerd op de lang ingestelde gewoonten van een gemeenschap en bezit de stabiliteit van alle theoretische ideeën, die gebaseerd zijn op het vroegere maatschappelijke leven en die ieder individu, dat in de gemeenschap geboren is, van zijn vroegste jaren af omringen. Het wordt de stem van het geweten, die automatisch spreekt ten gunste van al de regels, die zoo stevig ingeprent zijn, zelfs als het individu zelf ze niet meer aanneemt. Vele menschen bij voorbeeld, die in hun jeugd opgevoed zijn in de puriteinsche heiliging van den Zondag, zullen zich herinneren, hoe, lang nadat zij opgehouden hadden te gelooven, dat zulk een heiliging "goed" was, toch, bij het schenden ervan, het protest van de automatisch gewekte stem van het "geweten" hooren, dat is te zeggen de uitdrukking in het individu van gewoonteregels, die wel opgehouden hebben voor hem bindend te zijn, maar die dat wel waren voor de gemeenschap waarin hij werd opgevoed.

Ideëele moraal aan den anderen kant heeft geen betrekking op het verleden van de gemeenschap, maar op de toekomst ervan. Ze is gebaseerd, niet op de oude maatschappelijke daden, die verouderd beginnen te worden, en misschien zelfs tegenmaatschappelijk in hun werking, maar op nieuwe maatschappelijke daden, die tot nog toe alleen in praktijk gebracht worden door een kleine, hoewel aangroeiende minderheid van de gemeenschap. In den nieuwen tijd is Nietzsche een op den voorgrond tredend voorvechter geweest van de ideëele moraal, de heldhaftige moraal van den pionier, van het individu van de komende gemeenschap, tegenover de traditioneele moraal, of, zooals hij het noemde, kudde-moraal, de moraal van de groote menigte. Deze twee soorten van moraal zijn noodzakelijkerwijze aan elkander tegenovergesteld, maar wij moeten in herinnering houden, dat ze beide gezond zijn en even slecht gemist kunnen worden, niet alleen door hen, die ze aannemen, maar door de gemeenschap, waarin ze beide samenwerken om ze in evenwicht te houden. We hebben ze bij voorbeeld beide zien toepassen op de kwestie van de prostitutie; traditioneele moraal verdedigt de prostitutie, niet om haar zelfs wille, maar terwille van het huwelijkssysteem, dat ze als kostbaar genoeg beschouwt om een opoffering waard te zijn, terwijl de ideëele moraal weigert de noodzakelijkheid der prostitutie aan te nemen, en uitziet naar de verbeteringen in het huwelijkssysteem die de prostitutie zullen veranderen en verminderen.

Maar geheel buiten de theoretische moraal, of de kwestie wat de menschen "moesten" doen, blijft de praktische moraal, of de kwestie wat in werkelijkheid de menschen doen. Dit is de werkelijk fundamenteele en essentieele moraal. Het Latijnsche mores en het Grieksche êthos hebben beide betrekking op de gewoonte, op de dingen, die zijn, en niet op de dingen, die behoorden te zijn, behalve in de indirecte en tweede beteekenis, dat datgene wat de leden van de gemeenschap werkelijk gezamenlijk, of "en masse" doen, is hetgeen zij voelen, dat zij moeten doen. In de eerste plaats echter werd een moreele daad gedaan, niet omdat men voelde, dat ze gedaan moest worden, maar om redenen van veel dieper en veel instinctiever aard [254]. Ze werd niet gedaan omdat men voelde, dat ze gedaan moest worden, maar men voelde, dat ze gedaan moest worden, omdat het werkelijk de gewoonte was geworden ze te doen.

De daden van een gemeenschap worden bepaald door de levensbehoeften van die gemeenschap onder de speciale omstandigheden van haar beschaving, haar tijd en haar land. Als het de algemeene gewoonte is voor kinderen om hun bejaarde ouders te dooden, dan wordt er altijd bevonden, dat deze gewoonte het best is niet alleen voor de gemeenschap maar voor de oude menschen zelf, die het wenschen; de daad is zoowel praktisch als theoretisch moreel [255]. En als, zooals bij ons, de ouden in leven worden gehouden, dan is die daad ook praktisch en theoretisch moreel; ze hangt op geenerlei wijze af van eenige wet of regel, die ons verbiedt iemand het leven te benemen, want wij dragen immers roem op het dooden van onzen medemensch onder den patriottischen naam van "oorlog", en zijn er tamelijk onverschillig onder als dit dooden door ons systeem van industrie geëischt wordt, maar het dooden van oude menschen bevredigt tegenwoordig geen enkele maatschappelijke behoefte; hun behoud daarentegen wel. Het dooden van een mensch is werkelijk zooals bekend is een daad, die op verschillende tijden en in verschillende landen zeer varieert in haar moreele waarde. Het was in Engeland twee eeuwen en minder geleden volkomen moreel een mensch te dooden voor geringe vergrijpen tegen den eigendom, want zulk een straf scheen aan den algemeenen zin van de beschaafde gemeenschap wenschelijk toe. Tegenwoordig zou het beschouwd worden als zeer immoreel. Wij beginnen er nu eerst aan te twijfelen, of het wel moreel is een meisje ter dood te veroordeelen of haar leven lang in de gevangenis te sluiten, dat bij de geboorte haar kind doodde, alleen omdat ze tegen alle natuurlijke instincten in, gedreven werd door het primitieve instinct van zelfverdediging. Er kan niet gezegd worden, dat we er al aan zijn gaan twijfelen of het moreel is menschen in den oorlog te dooden, hoewel we het dooden van vrouwen en kinderen, of zelfs van niet-vechtenden in het algemeen niet meer goedkeuren. Iedere eeuw en ieder land heeft zijn eigen moraal.

"De gewoonte, in de strikte beteekenis van het woord", zegt Westermarck terecht, "sluit een moreelen regel in zich... De maatschappij is de school, waar de menschen leeren onderscheid te maken tusschen goed en kwaad. De leermeester is de gewoonte" [256]. De gewoonte is niet alleen de basis van de moraal, maar ook van de wet. "Gewoonte is wet" [257]. Het veld der theoretische moraal is zoo'n betooverende speelplaats geworden voor knappe philosofen, dat er soms gevaar is geweest om te gelooven, dat het ten slotte niet de theoretische moraal is, maar de praktische, de kwestie van wat de menschen in de massa der gemeenschap werkelijk doen, die de werkelijke stof levert voor de moraal [258]. Als wij meer precies definieeren wat wij praktisch met moraal bedoelen, dan kunnen we zeggen, dat zij is samengesteld uit de gewoonten, die de meerderheid van de leden van een gemeenschap beschouwt als bevorderlijk aan het welvaren van de gemeenschap op een bepaalden tijd en een bepaalde plaats. Het is om deze reden--d.i. omdat het een kwestie is van wat is en niet alleen van wat sommigen meenen dat moest zijn--dat de praktische moraal het gepaste onderwerp vormt voor de wetenschap. "Als het woord "ethica" gebruikt moet worden als naam voor een wetenschap", zegt Westermarck, "dan kan het onderwerp van die wetenschap alleen zijn het bestudeeren van het moreele bewustzijn als een feit" [259].