De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 40

Chapter 403,511 wordsPublic domain

Het is geenszins alleen in Europa, dat we mèt de zich ontwikkelende beschaving, een verfijning en humaniseering van de meer vluchtige verbintenissen met vrouwen kunnen nasporen. In Japan voerden precies dezelfde eischen, vele eeuwen geleden, tot het verschijnen van de geisha. In den loop van een belangwekkende en nauwkeurige studie over de geisha merkt Mr. R. F. Farrer op (Nineteenth Century, April, 1904): "De geisha is allerminst noodzakelijk een courtisane. Zij is een vrouw, wier opvoeding tot doel had haar aantrekkelijk te maken, van haar jeugd af werd zij onderwezen in alle ingewikkeldheden van de Japansche literatuur; geoefend in vernuft en in gevatheid; gewend aan het levendig babbelen over alle onderwerpen tusschen hemel en aarde. Van haar vroegste jeugd af is zij opgevoed tot een innemende bevalligheid van gedrag, onbegrijpelijk voor den meest beschaafden Europeaan, en toch is zij altijd een bloesem van de lagere klassen, met korte, dikke vingers, en platte leelijke nagels. Haar opvoeding, zoowel physiek als moreel, is veel zwaarder dan die van de ballerina, en zij komt eerst na jaren van strijd en bittere kwelling tot succes... De maatschappelijke positie van de geisha kan vergeleken worden met die van de Europeesche actrice. Het Geisha-huis biedt prijzen aan, die even begeerlijk zijn als welke ook van het Westersch tooneel. Een bekende geisha met twintig edelen om zich heen, die om haar glimlach wedijveren en die voortdurend in spanning gehouden worden door de flikkerende pijlen van haar vernuft, heeft een positie, die niet minder hoog en roemrijk is dan die van Sarah Bernhardt in haar eersten bloei. Zij wordt evenzeer gezocht, evenzeer gevleid, even hartstochtelijk aangebeden, dat rustige, kleine, eenvoudige meisje in het mat blauw. Maar zij wordt zoo gewaardeerd voornamelijk om haar tong, waarvan de macht eerst tot volle rijpheid komt als haar physieke bekoorlijkheden verminderen. Zij eischt groote sommen voor haar impressario's en verschijnt en danst dan nog alleen als zij het zelf wil. Weinig Westerlingen zien ooit een werkelijk beroemde geisha. Zij is een tè groote persoonlijkheid om voor een Europeaan te verschijnen, behalve misschien op zeer hoog, of keizerlijk verzoek. Ten slotte kan zij, en dat doet zij dikwijls, een zeer goede partij doen. Uit dit alles vloeit niet de geringste noodzakelijkheid van ongepaste verhoudingen voort."

In sommige opzichten was de positie van de vroegere Grieksche hetare meer gelijk aan die van de Japansche geisha, dan aan die van de prostituée in de strenge beteekenis van het woord. Voor den Griek was de hetare inderdaad in het geheel geen porne of prostituée. De naam beteekende vriendin of kameraad, en de vrouw aan wie men den naam gaf, had een achtenswaardige positie, die men aan een gewone prostituée nooit had kunnen inruimen. Athenaeus (Bk. XIII, hoofdst. XXVIII-XXX) brengt geheele passages bijeen, die bewijzen, dat de hetare beschouwd kon worden als een onafhankelijke burgeres, rein, eenvoudig en deugdzaam, geheel verschillend van de gewone massa prostituées, hoewel deze misschien haar naam konden overnemen. De hetaren "waren bijna de eenige Grieksche vrouwen", zegt Donaldson (Woman, p. 59), "die het beste en edelste vertoonden, wat er in de vrouwelijke natuur is". Dit feit maakt het meer begrijpelijk hoe een vrouw van zulke uitnemende, geestelijke beteekenis als Aspasia een hetare geweest kan zijn. Er schijnt weinig twijfel te bestaan aan haar geestelijke verdienste. "Aeschines, in zijn dialoog "Aspasia"", schrijft Gomperz, de historicus van de Grieksche philosofie (Greek Thinkers, deel III, p.p. 124 en 343), "legt deze opmerkelijke vrouw een scherpe critiek in den mond op de levenswijze, die de traditie voor haar sekse eischte. Het zou buitengewoon vreemd zijn", voegt Gomperz er bij, waar hij beweert, dat daaruit een gevolgtrekking gemaakt kan worden aangaande de historische Aspasia, "als drie schrijvers--Plato, Xenophon en Aeschines--alle drie de vriendin van Pericles abusievelijk hadden bekleed met wat wij redelijkerwijze konden verwachten, dat zij bezitten zou,--een hoogbeschaafden geest en intellectueelen invloed". Het is zelfs mogelijk, dat de beweging voor de rechten der vrouw, die, zooals wij vaag uit de geschriften van Aristophanes raden, in Athene in de vierde eeuw voor Christus plaats vond, geleid werd door hetaren. Volgens Ivo Bruns (Frauenemancipation in Athen, 1900, p. 19) "hebben de meest bepaalde berichten, die wij over Aspasia bezitten, een sterke gelijkenis met het beeld, dat Euripides en Aristophanes ons geven van de leidsters van de vrouwenbeweging". Het was deze beweging, die toen de ideeën van Plato over de gemeenschap van vrouwen veel minder dwaas deden schijnen dan zij òns voorkomen. Sommigen zouden misschien kunnen meenen, dat deze beweging op een hooger plan die liefde tot vernielen vertegenwoordigde, of, laten we liever zeggen, die geest van opstand en eerzucht, die Simmel beschouwt als het kenmerk van de geestelijke en artistieke werkzaamheid van hen, die in de maatschappelijke hierarchie uit een klasse verbannen zijn of in geen klasse thuis behooren. Ook Ninon de Lenclos was, zooals we gezien hebben, niet eigenlijk een courtisane, maar zij was een pionier in het handhaven van de rechten der vrouw. Aphra Behn, die iets later in Engeland een even dubbelzinnige maatschappelijke positie innam, was ook een pionierster in de edelmoedige humaniseerende aspiraties, die sedert door de geheele wereld zijn aangenomen.

Deze verfijningen van de prostitutie, kan men wel zeggen, zijn het gevolg van de latere en meer ontwikkelde stadiën in de beschaving: "De opgewekte, handige en artistiek ontwikkelde hetare staat dikwijls als een ideale figuur tegenover de intellectueel niet ontwikkelde vrouw, die aan haar huis gebonden is. De courtisanes van de Italiaansche Renaissance, Japansche geishas, Chineesche bloemenmeisjes en Indische bayadères vertoonen alle eenige niet onedele trekken, een glimp van een vrij kunstenaarsbestaan. Zij hebben--wel is waar met opoffering van haar hoogste waarde een onafhankelijkheid bereikt ten opzichte van den drukkenden dwang van den man en van huishoudelijke plichten, en een deel van de vrouwelijke natuur, die zoo dikwijls verlamd wordt, komt in haar schitterend tot ontwikkeling. Prostitutie in haar besten vorm kan op deze wijze een gelegenheid bieden, waarbij deze vrouwelijke eigenaardigheden invloed kunnen uitoefenen op de ontwikkeling van de beschaving. Wij mogen tevens gelooven, dat de artistieke werkzaamheid van vrouwen in zekere mate een tegenwicht kan vormen tegen de slechte gevolgen van sexueele losbandigheid, daar ze verhindert, dat het gevoelsleven ruwer of zelfs vernietigd wordt; in zijn Magda heeft Sudermann een vrouwentype beschreven, dat van het standpunt van strikte moraal verwerpelijk kan schijnen, maar dat in de kunst een steun vindt, waarvan zelfs kwaadwilligen schoorvoetend de kracht moeten erkennen". In zijn Sex and Character heeft Weiniger op meer buitensporige wijze de opvatting ontwikkeld van de prostituée als een fundamenteel en essentieel deel van het leven, een blijvend vrouwelijk type.

Er zijn anderen, naar het schijnt in toenemend aantal, die het probleem der prostitutie naderen, niet van een artistiek standpunt, maar van een moreel standpunt. Deze moreele houding is echter niet die conventioneele moraal van Cato en den heiligen Augustinus en Lecky, die in de voorafgaande bladzijden uiteengezet is, volgens welke de prostituée op de straat moet aanvaard worden als de bewaakster van de getrouwde vrouw in het huis. Deze moralisten ontkennen inderdaad, dat deze beschouwing moreel geacht moet worden. Zij meenen, dat het moreel niet mogelijk is, dat de eer van sommige vrouwen gekocht zal kunnen worden door de oneer van andere vrouwen, omdat tot zulk een prijs de deugd al haar moreele waarde verliest. Als zij lezen, zooals Goncourt zeide, "dat de weelderigste artikelen van den uitzet van vrouwen, de trouwhemden van meisjes met een bruidsschat van zes honderd duizend francs, gemaakt worden in de gevangenis van Clairvaux" [212], dan zien ze hierin het symbool van de nauwe afhankelijkheid van onze weelderige deugd en onze vuile ondeugd. En terwijl ze de historische en sociologische bewijzen aannemen, die er blijk van geven dat de prostitutie een onvermijdelijk deel is van ons huwelijkssysteem, vragen zij, of het niet mogelijk is dat huwelijkssysteem zoo te wijzigen, dat het niet noodig zal zijn de vrouwelijke menschheid te verdeelen in "onfatsoenlijke" vrouwen, die zich opofferingen getroosten, die harer onwaardig zijn, en "fatsoenlijke" vrouwen, die opofferingen doen, die het niet minder onwaardig kan zijn aan te nemen.

Prostituées, heeft een bekend man van de wetenschap gezegd (Duclaux, L'Hygiène Sociale, p. 243), "zijn dingen geworden, die het publiek gebruikt als het ze noodig heeft, en die het op den mesthoop gooit, als het ze vuil gemaakt heeft. In zijn phariseeërschap heeft het zelfs de onbeschaamdheid haar beroep als schandelijk te behandelen, alsof het niet even schandelijk was op deze markt te koopen als te verkoopen". Bloch (Sexualleben unserer Zeit, Ch. XV) zegt met klem, dat de prostitutie veredeld moet worden, en dat dit tevens de eenige manier is om haar te verminderen. Isidore Dyer, uit New Orleans zegt, dat "we de prostitutie niet kunnen tegengaan, tenzij we in het gemoed van mannen en vrouwen een geest van verdraagzaamheid kweeken in plaats van onverdraagzaamheid jegens gevallen vrouwen". Dit punt kan geïllustreerd worden door een opmerking van de schrijfster van het Tagebuch einer Verlorenen die een prostituée was. "Als ons beroep niet langer schandelijk was", schreef zij, "dan zou het leger van "ongelukkigen" verminderen met vier vijfden--ik durf wel zeggen met negen tienden. Ik zelf bij voorbeeld! Hoe graag zou ik een betrekking aannemen als gezelschapsjuffrouw of gouvernante!" "Een van de twee dingen", schreef de uitmuntende socioloog Tarde ("La Morale Sexuelle", Archives d'Anthropologie Criminelle, Januari 1907), "òf de prostitutie zal verdwijnen, doordat ze voortgaat onfatsoenlijk te zijn en ze zal vervangen worden door een andere instelling, die beter de fouten van het monogame huwelijk zal verhelpen, òf ze zal blijven bestaan en geacht worden, dat is te zeggen, zich doen respecteeren, hetzij ze gunstig beoordeeld wordt of niet". Tarde meende, dat dit misschien gebeuren kon door een betere organisatie van de prostituées, een zorgvuldiger keuze uit haar, die toegelaten wenschen te worden tot haar gelederen en het aankweeken van beroepsdeugden, die haar moreel niveau zouden verhoogen. "Als courtisanes in een behoefte voorzien", heeft Balzac gezegd in zijn Physiologie du Mariage, "dan moeten zij een soort gilde worden".

Deze moreele houding wordt door de onvermijdelijke democratische neiging der beschaving gedragen en versterkt, welke neiging, hoewel ze geenszins het klasse-denkbeeld te niet doet, dat denkbeeld ondermijnt als een uitvloeisel van fundamenteele menschelijke onderscheidingen, en het overtollig maakt. De prostitutie maakt de vrouw niet langer tot slavin, zij behoorde haar ook zelfs niet tot een paria te maken: "Mijn lichaam is mijn eigendom", zegt de jonge Duitsche prostituée van tegenwoordig, "en wat ik er mee doe, gaat niemand aan". Toen de prostituée letterlijk een slavin was, waren de moreele verplichtingen jegens haar geenszins noodzakelijk dezelfde als de moreele plicht jegens de vrije vrouw. Maar als, zelfs in dezelfde familie, de prostituée door een groote en niet te overbruggen golf gescheiden kan zijn van haar getrouwde zuster, dan beginnen we in te zien, wat in de meening van velen dringend noodzakelijk is, dat onze moraal ten opzichte van haar ondersteboven gekeerd moet worden. Duizende jaren is de prostitutie verdedigd, op grond, dat de prostituée noodzakelijk is om "de reinheid van vrouwen" te verzekeren. In onze democratische eeuw begint men te erkennen, dat prostituées ook vrouwen zijn.

De zich ontwikkelende zin van een fundamenteele, menschelijke gelijkheid, die ten grondslag ligt aan de oppervlakkige klasseverdeelingen heeft neiging de gewone houding jegens de prostituée, de houding van haar cliënten zelfs meer dan die van de maatschappij in het algemeen, pijnlijk wreed te doen schijnen. De harde en ruw lichtzinnige toon, waarop zooveel jonge mannen over prostituées spreken, heeft men gezegd, is "eenvoudig wreedheid van een bijzonder brutale soort", die in geen andere levensverhouding te vinden is [213]. En als deze houding al wreed is alleen in woorden, ze is nog wreeder in daden, welke pogingen er ook gedaan worden om de wreedheid ervan te bemantelen.

Men kan wel zeggen, dat de opmerkingen van den kanunnik Lyttelton voornamelijk betrekking hebben op jonge mannen van den hoogeren middenstand. Over wat misschien de gewone houding is van menschen uit den lageren middenstand, mag ik aanhalen uit een merkwaardige mededeeling, die mij uit Australië bereikt heeft: "Wat zijn de ideeën van een jongen man, die in een Christelijke Engelsche familie uit den middenstand opgevoed is, over prostituées? Neem, bij voorbeeld, mijn vader. Hij sprak eerst over prostituées met mij, als ik mij wèl herinner, toen hij sprak over zijn leven vóór zijn huwelijk. En hij sprak over haar, zooals hij spreken zou over een paard, dat hij gehuurd had, waarvoor hij betaald had, en dat hij uit zijn gedachten gebannen had, toen het hem van dienst was geweest. Hoewel mijn moeder lief en goed was, sprak zij van gevallen vrouwen met walging en toorn als van een of ander onrein dier. Daar het de ijdelheid en den trots streelt met algemeene goedkeuring op iets te kunnen neerzien, begreep ik spoedig de situatie en nam een houding aan, die, in hoofdzaak die is van de Christelijke Engelsche mannen van den middenstand jegens prostituées. Maar met de ontwikkeling van de puberteit moet deze houding aangepast worden aan den wensch, dit schuim, deze moreele melaatsche, te gebruiken. De gewone jonge man, die wel van wat immoraliteit houdt en die wel wat immoreel is, als hij in de stad is en meent, dat het niet waarschijnlijk is, dat het zijn moeder of zusters ter oore zal komen, komt zijn aanmatiging en zijn tegenzin niet te boven of vermindert die ook maar in het minst. Hij neemt die met zich mee in het bordeel, min of meer vermomd, en zij kleuren zijn gedachten en daden al den tijd dat hij met prostituées slaapt, of haar kust, of zijn handen over haar heen strijkt, zooals hij doen zou met een merrie, om zooveel mogelijk voor zijn geld te krijgen. Om de waarheid te zeggen was dat, over het geheel, ook mijn houding. Maar als iemand mij gevraagd had naar de geringste reden voor deze houding, voor dit gevoel van meerderheid, trots, hauteur, en vooroordeel, dan zou ik, evenals iedere andere "fatsoenlijke" jonge man met den mond vol tanden gestaan hebben".

Op het moderne, moreele standpunt, dat wij nu innemen, is niet alleen de wreedheid, die besloten ligt in de schande van de prostituée, dwaas, maar even dwaas, en dikwijls niet minder wreed, schijnt de eer te zijn, die bewezen wordt aan de fatsoenlijke vrouwen aan den anderen kant van de maatschappelijke klove. Het is wel bekend, dat mannen soms naar prostituées gaan om bevrediging te vinden voor de opwinding, die gewekt is door de liefkoozingen van hun verloofden [214]. Daar de emotioneele en physieke resultaten van onbevredigde opwinding dikwijls ernstiger zijn bij vrouwen dan bij mannen, zijn de verloofde vrouwen in deze gevallen even gerechtvaardigd verlichting te zoeken bij andere mannen, en zoo zou de noodlottige cirkel der dwaasheid volkomen zijn.

Uit het gezichtspunt van den modernen moralist is er een andere overweging, die in het geheel niet geteld werd bij de conventioneele en traditioneele moraal, die wij geërfd hebben, en die in de praktijk inderdaad ook niet bestond in de oude dagen, toen die moraal nog een levende werkelijkheid was. Vrouwen zijn niet meer verdeeld in de twee groepen: vrouwen, die geëerbiedigd moeten worden, en prostituées, die de onteerde bewaaksters zijn van die eer; er is een groote derde klasse van vrouwen, die noch getrouwde vrouw noch prostituée zijn. Voor deze groep van ongetrouwde deugdzamen had de traditioneele moraal in het geheel geen plaats; zij negeerde ze eenvoudig. Maar de nieuwe moralist, die leert erkennen zoowel de eischen van het individu als de eischen van de maatschappij, begint te vragen of aan den eenen kant deze vrouwen geen recht hebben op bevrediging van haar affectioneele en emotioneele impulsen als zij dat wenschen, en aan den anderen kant of, daar een hooge beschaving een verminderd aantal geboorten met zich brengt, de gemeenschap geen recht heeft iedere gezonde en flinke vrouw aan te moedigen bij te dragen tot de instandhouding van het geboortecijfer, als zij dat wenscht.

Al de overwegingen, die in de voorafgaande bladzijden in het kort zijn aangeduid--de fundamenteele zin voor menschelijke gelijkheid, die gekweekt wordt door onze beschaving, de weerzin tegen de wreedheid, die de verfijning van het stadsleven vergezelt, het leelijke contrast van uitersten, die stuitend zijn voor onze zich ontwikkelende democratische neigingen, de aangroeiende zin voor de rechten van het individu op zijn eigen persoon, het recht waarop niet minder sterk de nadruk gelegd wordt van de gemeenschap op het beste wat het individu kan leveren--al deze overwegingen brengen er den modernen moralist iederen dag meer toe om jegens de prostitutie een houding aan te nemen, die geheel verschillend is van de moraal, die wij ontleend hebben aan Cato en Augustinus. Hij ziet de zaak op grootere en meer dynamische wijze. In plaats van te verklaren, dat het wel de moeite loont de prostituée te dulden en haar terzelfder tijd te verachten, om de heiligheid van de vrouw in haar huis te bewaren, is hij niet alleen meer geneigd ieder te beschouwen als de rechte bewaker van zijn eigen moreele vrijheid, maar hij is niet zoo zeker omtrent de door den tijd gesanctionneerde positie van de prostituée, en bovendien is hij er geenszins zeker van, dat de vrouw in haar huis niet evenzeer redding noodig heeft als de prostituée op de straat; hij is er toe bereid te overwegen of hervorming in deze zaak niet waarschijnlijk plaats zal vinden in den vorm van een meer juiste toemeting van sexueele rechten en sexueele plichten aan vrouwen in het algemeen, met het onvermijdelijk gevolg van verheffing van het leven van mannen ook.

De opstand van vele ernstige hervormers tegen de onrechtvaardigheid en de vernedering, die nu samengaat met ons systeem van prostitutie is zoo diepgaand, dat sommigen zich bereid hebben verklaard tot het aannemen van iedere revolutie van denkbeelden, die een meer gezonde verandering van moreele waardeeringen zou teweeg brengen. "Beter zou inderdaad een saturnalia zijn van vrije mannen en vrouwen", roept Edward Carpenter (Love's Coming of Age, p. 62) uit, "dan het schouwspel, dat nu onze groote steden 's nachts bieden".

Zelfs zij, die heel tevreden zouden zijn met een zoo conservatieve behandeling van maatschappelijke instellingen als mogelijk is, kunnen niet nalaten te erkennen, dat de prostitutie niet bevredigend is, tenzij wij al zeer bescheiden eischen stellen aan de sexueele daad. "De daad der prostitutie", verklaart Godfrey (The Science of Sex, p. 202), "is misschien physiologisch volkomen, maar ze is dit in geen andere beteekenis. Al de moreele en intellectueele factoren, die met het physieke verlangen samenwerken om de volmaakte sexueele aantrekking te vormen zijn aanwezig. Al de hoogere elementen van liefde--bewondering, eerbied, eer en zelfopofferende toewijding--zijn even vreemd aan de prostitutie als aan de egoïstische daad der masturbatie. De voornaamste bezwaren tegen de moraal van de daad zijn meer gelegen in wat er mee samengaat dan in de daad zelf. Iedere sprank van liefde, die een vrije connectie zou kunnen bezitten, wordt meteen bedorven door het invoeren van een geldelijk element. In de vernedering die er uit voortkomt, heeft de vrouw het grootste aandeel, omdat ze haar maakt tot een paria en haar onderwerpt aan al de verhardende en demoraliseerende invloeden van maatschappelijke uitsluiting. Maar haar vernedering dient er alleen toe haar invloed op haar partners nog meer vernederend te maken. De prostitutie", zegt hij tot besluit, "heeft een sterke neiging om de van nature zelfzuchtige houding van mannen jegens vrouwen te versterken en ze aan te moedigen in de begoocheling, die voortkomt uit ongeordende hartstochten, dat de geslachtsdaad zelf het doel en einde van het sexueele leven is. De prostitutie kan er derhalve geen aanspraak op maken ook maar een tijdelijke oplossing te geven voor het sekseprobleem. Zij vervult alleen de zending, die ze gemaakt heeft tot een "noodzakelijk kwaad"--de zending van palliatief tegen de physieke gestrengheid van coelibaat en monogamie. Dat doet ze ten koste van een groote mate van physieke en moreele ontaarding, waarvan veel ongetwijfeld berust op de maatschappij, die de vernedering van de prostituée volkomen maakt door voortdurende uitsluiting. Prostitutie was niet zulk een groot kwaad, toen ze niet als zoodanig beschouwd werd, toch was ze zelfs op haar best een werkelijk kwaad, een treurige en lage parodie op ernstige en natuurlijke hartstochtsverhoudingen. Zij is een kwaad, dat we bij ons moeten houden, zoolang het coelibaat gewoonte en monogamie wet is". Het is de vrouw zoowel als de prostituée, die vernederd wordt door een systeem, dat koopbare liefde mogelijk maakt. "De tijd is voorbij", merkt dezelfde schrijver elders op (p. 195), "dat een enkele ceremonie werkelijk heiligen kan wat laag is, en lust en begeerte kan veranderen in oprechte sexueele liefde. Als het in sexueele connecties treden met een man alleen voor een materieel doel een schande is voor de maatschappij, dan is het ook een schande onder den huwelijksband, afgezien van den huichelachtigen zegen van de kerk of de wet. Als de publieke prostituée een wezen is, dat als paria verdient behandeld te worden, dan is het hopeloos onredelijk ieder soort van moreele schande te onthouden aan de vrouw, die een dergelijk leven leidt onder andere uiterlijke omstandigheden. Of de getrouwde vrouw, die zich prostitueert, moet onder den moreelen ban komen, òf er moet een einde komen aan de algeheele uitsluiting, waaronder de prostituée lijdt".