De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 39

Chapter 393,491 wordsPublic domain

Hoewel Woods Hutchinson met instemming de verklaring van een vriend aanhaalt: "Van de duizende prostituées heb ik er nooit een gezien met goede manieren aan tafel", gaat van de prostituée toch werkelijk, hoewel dan niet in voldoende mate, de bekoring van de beschaving uit. "Er was geen huis, waarin ik van tijd tot tijd het gezicht van een dame zien en de stem van een dame hooren kon", schreef de romanschrijver Anthony Trollope in zijn Autobiographie over zijn leven, toen hij pas in Londen was. "Geen opwekking tot fatsoenlijke vertrouwelijkheid kwam op mijn weg. Het schijnt mij toe, dat in zulke omstandigheden de verleidingen van een losbandig leven bijna zeker de overhand zullen krijgen over een jongen man. De verleiding kreeg in ieder geval de overhand over mij". In iedere groote stad, heeft men gezegd, zijn er duizende mannen, die niet het recht hebben eenige andere vrouw dan een kellnerin bij haar voornaam te noemen [206]. Al de schoone glans der beschaving schittert om hen heen in de straten, maar zij moeten op een afstand blijven. Het is de prostituée, die deze bekoring van de stad belichaamt, veel beter dan de maagdelijke vrouw, zelfs als intimiteit met haar binnen hun bereik was. De prostituée vertegenwoordigt ze, omdat zij ze zelf voelt, omdat zij zelfs haar vrouweneer opgeofferd heeft in de poging zich er mee te vereenzelvigen. Zij heeft ongebreidelde vrouwelijke instincten, zij is een meesteres in de vrouwelijke kunst zich op te sieren, zij kan tot hem spreken over de geheimen van de vrouwelijkheid en de weelden van haar geslacht met een zaakkennis en een vrijheid, waartoe het onschuldige meisje, dat aan haar huis gekluisterd is, niet in staat zou zijn. Zij is voor hem niet alleen daardoor aantrekkelijk, omdat zij de lagere sexueele begeerten bevredigen kan, maar ook omdat zij op hare wijze een kunstenares is, een deskundige in de kunst van vrouwelijke uitbuiting, een leidster op het gebied der mode. Want dit is zij, en er zijn, zooals Simmel in zijn Philosophie der Mode gezegd heeft, goede psychologische redenen, waarom zij dit altijd moet zijn. Haar onzekere maatschappelijke positie maakt alles, wat conventioneel en wettig is, hatelijk in haar oogen, terwijl haar temperament voortdurende nieuwigheden verrukkelijk voor haar maakt. In nieuwe modes vindt zij "een æsthetischen vorm van dat instinct van vernieling, dat eigen schijnt te zijn aan het leven van alle paria's, in zooverre zij geestelijk niet volkomen slaven zijn geworden".

"Hoe verwonderlijk het ook aan sommigen moge toeschijnen", merkt een modern schrijver op, "prostituées moeten op hetzelfde niveau gesteld worden als kunstenaars. Beide gebruiken hun gaven en talenten tot vreugde en genoegen van anderen, en, als regel, tegen betaling. Wat is het essentieele verschil tusschen een zangeres, die hoorders genoegen geeft met haar keel en een prostituée, die haar bezoekers genoegen geeft met een ander deel van haar lichaam? Alle kunst werkt op de zinnen". Hij verwijst naar het belangrijke feit, dat acteurs en voornamelijk actrices vroeger veelal even weinig geacht werden als prostituées nu (R. Hellmann, Ueber Geschlechtsfreiheit, pp. 245-252).

Bernaldo de Quiros en Llanas Aguilaniedo (La Mala Vida en Madrid, p. 242) gaan denzelfden invloed na nog lager op den maatschappelijken ladder. Zij beschrijven de vuilere soort van café's chantant, waar, in Spanje en elders, de slechtste en meest gedegenereerde vrouwelijke schepsels kellnerinnen worden (en soms zangeressen en danseressen), die dan de rol spelen van liefelijke en gedistingeerde hetaren voor een publiek van voerlieden en winkelbedienden, die deze plaatsen bezoeken. "Gekleed met wat den jongen man toeschijnt onberispelijke smaak te zijn, met zorgvuldig gefriseerde haren, en een schoon gezicht, dat versierd is met bloemen of sieraden, minzaam en soms hooghartig, in bekoring en in tooi verheven boven de andere vrouwen, die hij kent, worden de kellnerinnen het mooiste voorbeeld van de femme galante, die hij kan zien en toespreken, de courtisane van zijn sfeer".

Maar terwijl de prostituée voor den eenvoudigen, onwetenden en hongerigen jongen man aantrekkelijk is als belichaming van veel van de verfijning en perversiteiten van de beschaving, oefent zij op vele meer gecompliceerde en beschaafde mannen een aantrekkingskracht uit van een bijna tegenovergestelde soort. Zij trekt aan door haar frissche en natuurlijke ruwheid, haar vrije bekendheid met de ruwste feiten van het leven; en heft hen zoo voor een oogenblik op uit de verdorrende atmosfeer van kunstmatig denken en onwerkelijk gevoel, waarin zoo vele beschaafde personen gedwongen zijn het grootste deel van hun leven door te hengen. Zij voelen met de woorden, die de koninklijke vriend van een vrouw van dit temperament moet gebruikt hebben, toen hij een verklaring gaf van haar onbegrijpelijken invloed op hem: "Zij is zoo schitterend vulgair!"

Ter illlustratie van deze zijde van de aantrekkingskracht der prostitutie, wil ik hier een passage aanhalen, waarin de romanschrijver Hermant, in zijn Confessions d'un Enfant d'Hier (Lettre VII), de redenen uiteengezet heeft, die er het overbeschaafde kind van een beschaafde eeuw, dat toch geenszins radicaal of volkomen slecht is, toe kunnen brengen voldoening te vinden in den omgang met prostituées: "Zoolang mijn hart niet getroffen was, was het voorwerp van mijn satisfactie mij volkomen onverschillig. Ik hield bovendien veel van absolute vrijheid en die is alleen mogelijk in den kring van deze anonieme schepsels en in haar afgezonderde woonplaats. Daar kan men zich alles veroorloven. Tegenover andere vrouwen, hoe laag we haar ook zoeken, moeten zekere égards in acht genomen worden, een soort van protocol. Tegen de prostituée kan men alles zeggen: men is beschermd door zijn incognito en men weet zeker, dat niemand ooit te weten komt, wat men met haar beleeft. Ik maakte gebruik van deze vrijheid, zoo aantrekkelijk voor iemand van mijn leeftijd, maar met een perverse fantasie, die niet bij mijn jaren paste. Ik weet nauwelijks waar ik de woorden vandaan haalde, die ik tot haar zeide, want ze kwamen niet overeen met mijn smaak, die eenvoudig was en, als ik het zeggen mag, klassiek. Het is waar, dat onbeperkt naturalisme in liefdezaken altijd neigt tot het perverse, een feit dat alleen op het eerste gezicht paradox kan schijnen. Natuurvolken hebben veel trekken gemeen met gedegenereerden. Ik was echter alleen in woorden losbandig; en dit waren de eenige gelegenheden, waarbij ik mij herinneren kan, dat ik ernstig onwaarheid gesproken heb. Maar die behoefte, die ik toen ondervond, om een lage soort van onwaardige instincten uit te drijven, schijnt mij karakteristiek toe en vernederend. Ik mag er bij voegen, dat ik zelfs te midden van deze uitspattingen een zekere terughouding behield. De aanrakingen, waaraan ik mij overgaf, bezoedelden mij niet; er bleef niets van over, als ik naar huis terugkeerde. Ik heb altijd, uit dien geforceerden en onverschilligen omgang de gewoonte behouden om geen gewicht te hechten aan de handelingen van het vleesch. De liefdefunctie, die godsdienst en moraal omgeven hebben met geheimzinnigheid en gekruid met zonde, schijnt mij een functie toe als iedere andere, een beetje laag bij den grond, maar aangenaam, en een, waarvoor het gebruikelijk epiloog te lang is.... Deze soort kameraadschap duurde maar korten tijd". Bovenstaande ontleding van de houding van een beslist gewoon type van den beschaafden modernen man schijnt juist te zijn, maar het zal misschien bij sommige lezers opkomen, dat men van een omgang, die er toe geleid heeft de "handeling van het vleesch" te beschouwen als te zijn van geen waarde, bezwaarlijk zeggen kan, dat ze geen smet nagelaten heeft.

Op ongeveer gelijke wijze stelt Henri de Régnier in zijn roman Les Rencontres de Monsieur Bréot (p. 50) Bercaillé voor als iemand die bepaald bij voorkeur zijn genoegen zoekt bij dienstmeisjes, liever dan bij dames, want genoegen geven was, in zijn idee, een soort van dienst, die vrijwel overeenkwam met de diensten, die zij gewend waren te bewijzen; en daarbij zijn zij stevig en gezellig; zij hebben de naïviteit, die altijd bekoort en zij worden niet licht teruggestooten door die kleine voorvallen, die misschien het kieskeurige gevoel van fijn opgevoede dames zouden hinderen.

Bloch, die speciaal den nadruk gelegd heeft op deze zijde van de aantrekkingskracht der prostitutie (Das Sexualleben unserer Zeit, pp. 359-362), verwijst naar den teeren en gevoeligen jongen Deenschen schrijver, J. P. Jakobsen, die scherp het contrast schijnt gevoeld te hebben tusschen de hoogere en meer gewone impulsen en de nu en dan voorkomende uitbarsting van wat hij voelde als de lagere instincten; in zijn Niels Lyhne beschrijft hij het soort van dubbel leven, waarbij een man veertien dagen trouw is aan den God, dien hij vereert, en dan overwonnen wordt door andere machten, die hem dolzinnig meevoeren naar wat hij voelt als vernederend, pervers en vuil. "Op zulke oogenblikken", merkt Bloch op, "is de man een ander wezen. De "twee zielen" in zijn borst worden werkelijkheid. Is dat de beroemde geleerde, de verheven idealist, de fijn besnaarde aestheticus, de kunstenaar, die ons zooveel mooie werken gegeven heeft in poëzie en schilderkunst? Wij herkennen hem niet meer, want op zulke oogenblikken is een ander wezen aan de oppervlakte gekomen, een andere natuur is in hem in beweging en drijft hem met het geweld van een natuurkracht naar dingen, waarvan zijn "hooger bewustzijn" de beschaafde man in hem, zou rillen". Bloch meent, dat we hier te doen hebben met een soort normaal mannelijk masochisme en dat de prostitutie dient om dat te bevredigen.

SECTION IV

IV. De tegenwoordige houding der maatschappij tegenover de prostitutie

Wij hebben nu de prostitutie beschouwd van sommige van haar meest verschillende en typische kanten, en we hebben getracht, zoowel uit een verstands- als uit een gevoelsoogpunt, de fundamenteele rol te begrijpen, die ze als vormend element van ons huwelijkssysteem speelt. Tenslotte moeten wij de beweegredenen nagaan, waardoor de prostitutie in dezen tijd aan een groot en aangroeiend aantal menschen niet alleen een onvoldoende methode van sexueele bevrediging, maar een radicaal slechte methode toeschijnt.

De beweging van antagonisme jegens de prostitutie vertoont zich het duidelijkst, zooals men van tevoren verwachten kon, in een gevoel van tegenzin tegen den oudsten en meest typischen, eens den meest geliefden en best ingerichten verschijningsvorm, het bordeel. Het aangroeien van dezen tegenzin is niet beperkt tot een of twee landen, maar is internationaal, en men kan hem dus beschouwen als een typisch verschijnsel in onze beschaving. Hij is bij prostituées zelf even duidelijk uitgesproken als bij haar cliënten. De afkeer aan den eenen kant vermeerdert den afkeer aan den anderen kant. Daar alleen de meest hulpelooze of de domste prostituées in den tegenwoordigen tijd bereid zijn de slavernij van het bordeel aan te nemen, is de bordeelhouder gedwongen zijn toevlucht te nemen tot buitengewone methoden om slachtoffers meester te worden, om deel te nemen aan dien cosmopolitischen handel in "blanke slavinnen", die alleen bestaat om bewoonsters te verkrijgen voor de bordeelen [207]. Een natuurlijke reactie op dezen staat van zaken is het feit, dat ze den cliënten van de prostitutie een vooroordeel geeft tegen een instelling, die langzamerhand uit de mode gaat en haar goeden naam begint te verliezen. Een nog meer fundamenteele antipathie wordt hierdoor veroorzaakt, dat het bordeel niet beantwoordt aan den hoogen graad van persoonlijke vrijheid en verscheidenheid, die de beschaving met zich brengt en die ze altijd eischt, zelfs als ze ze niet met zich brengt. Aan den eenen kant heeft de prostituée geen lust zich te onderwerpen aan een slavernij, die haar gewoonlijk zelf geen belooning brengt; aan den anderen kant voelt haar cliënt het als een deel van de bekoring van de prostitutie in de tegenwoordige beschaafde maatschappij, dat hij een vrijheid zal genieten en een keuze zal hebben, die het bordeel niet geven kan [208]. Zoo komt het dat bordeelen, die eens al de vrouwen bevatten die er haar beroep van maakten de sexueele behoeften van mannen te bevredigen, nu alleen een afnemende minderheid bevatten, en de overgang van in bordeelen wonende prostituées tot vrije prostitutie door vele maatschappelijke hervormers goedgekeurd wordt als een winst voor de zaak der moraal gerekend [209].

Het verval van de bordeelen is, hetzij als oorzaak of als resultaat, vergezeld gegaan van een groote toename der prostitutie buiten bordeelen. Maar de tegenzin tegen bordeelen geldt in veel essentieele punten ook de prostitutie in het algemeen, en, zooals we zien zullen, oefent hij een invloed van diepgaande wijziging uit op die prostitutie.

Het veranderde gevoel jegens de prostitutie schijnt voornamelijk op twee wijzen zijn uitdrukking te vinden. Aan den eenen kant zijn er de menschen, die, zonder dat zij de prostitutie willen afschaffen, zich stooten aan de minderwaardige rol, die zij er bij moeten spelen, en die walgen van den leelijken verschijningsvorm. Zij hebben geen moreele bezwaren tegen de prostitutie, maar ze zien geen reden, waarom een vrouw niet vrij met haar eigen lichaam zou doen, wat zij wil. Maar zij meenen, dat, als prostitutie noodzakelijk is, de omgang van mannen met prostituées humaan en aangenaam voor beide partijen behoort te zijn en niet voor beiden vernederend. We moeten in herinnering houden, dat men in het beschaafde stadsleven, door den beroepsarbeid dikwijls zóó zeer in beslag genomen wordt, en de prikkels van dat stadsleven zoo voortdurend zijn, dat de overgave aan de orgie lang niet altijd een wenschelijke ontspanning kan zijn. De grove vorm der orgie heeft aantrekkingskracht, niet voor den stadsbewoner, maar voor den boer, en voor den matroos of den soldaat, die in de stad komt na lange tijden van vervelende sleur en ontbering van al wat het gevoel en de zinnen prikkelt. Het is zelfs onjuist te meenen, dat de aantrekkingskracht van de prostitutie onvermijdelijk berust op het uitvoeren van de geslachtsdaad. Integendeel, de meest aantrekkelijke prostituée kan een vrouw zijn, die, zelf weinig sexueele behoeften hebbende, door de bekoring van haar persoonlijkheid wenscht te behagen; deze meisjes doen dikwijls goede huwelijken. Er zijn veel mannen, die er zelfs zeer tevreden mee zijn als ze een paar uur intiem kunnen omgaan met een aangename vrouw, zonder eenige verdere gunst, zelfs al staat die hun vrij. Voor een groot aantal mannen onder stadsbestaansvoorwaarden houdt de prostituée op het verachte middel te zijn voor de wellustige begeerte van een oogenblik; zij zoeken een aangename, menschelijke persoonlijkheid, met wie zij eenige ontspanning kunnen vinden van den dagelijkschen druk en de dagelijksche routine van het leven. Als een daad van prostitutie zoo op een menschelijke basis geplaatst is, al draagt ze dan geenszins bij tot de beste ontwikkeling van een van beide partijen, dan is ze tenminste niet meer zoo wanhopig vernederend. Anders zou de godsdienstige prostitutie in oude tijden niet zoo lang in aanzien geweest zijn onder achtbare vrouwen van goede geboorte aan de oevers van de Middellandsche Zee, zelfs in streken als Lydië, waar de positie der vrouwen bijzonder hoog was [210].

Het is waar, dat de geldelijke kant van de prostitutie altijd blijft bestaan. Maar men kan de beteekenis ervan overdrijven. We moeten er op wijzen, dat, hoewel het gewoon is van de prostituée te spreken als van een vrouw, die "zich verkoopt", dit een tamelijk ruwe en onjuiste zegswijze is om, in zijn typischen vorm, de verhouding uit te drukken van een prostituée tot haar cliënt. Een prostituée is geen koopwaar met een marktprijs, als een brood of een schapenbout. Zij staat veeleer op het niveau van personen, die tot de beroepsklassen behooren, en die honorarium aannemen voor verleende diensten; het bedrag van het honorarium wisselt af, aan den eenen kant met de plaats, die de dienst-betoonende onder haar beroepsgenooten inneemt, aan den anderen kant met de materieele omstandigheden van den cliënt, en onder bijzondere omstandigheden vervalt het honorarium geheel. De prostitutie maakt intieme verhoudingen, die uit natuurlijke liefde moesten voortkomen, tot een voorwerp van betaling, en zoo doende verlaagt ze die. Maar, strikt gesproken, is er in zulk een geval geen kwestie van "verkoopen". Te zeggen, dat een prostituée "zich verkoopt" is zelfs ternauwernood een vergeeflijke rhetorische overdrijving; het is even onjuist als onrechtvaardig [211].

Deze, in een beschaafde maatschappij zich voordoende neiging om de prostitutie te humaniseeren is het omgekeerde proces, mogen we wel opmerken, van wat in een vroeger stadium van de beschaving plaats vond, toen de oude opvatting van de godsdienstige waardigheid van de prostitutie in discrediet begon te geraken. Toen de mannen ophielden vrouwen te vereeren, die prostituées waren in den dienst van een godin, stelden zij in haar plaats prostituées, die enkel verachte slavinnen waren, en zij vleiden zich dat zij zoodoende de zaak van "vooruitgang" en "moraal" bevorderden. Aan de oevers van de Middellandsche zee had dit proces meer dan twee duizend jaar geleden plaats; het is nauw verbonden met den naam van Solon. Tegenwoordig kunnen we hetzelfde proces zich in Indië zien afspelen. In sommige deelen van Indië (zooals in Jejuri, bij Poonah) worden eerst-geboren meisjes gewijd aan Khandoba of andere goden; zij worden gehuwd aan den god en heeten murali. Zij doen dienst in den tempel, vegen die, wasschen de heilige vaten; zij dansen, zingen en prostitueeren zich. Zij mogen niet trouwen en zij wonen thuis bij haar ouders, broeders of zusters; zij zijn gewijd aan den heiligen dienst en zij worden niet geminacht. Tegenwoordig echter, trachten Indische "hervormers" in den naam van "beschaving en wetenschap" de murali te overtuigen, dat zij "zich overgegeven hebben aan een vernederende loopbaan". Ongetwijfeld zullen mettertijd de vermeende moralisten de murali uit haar tempels en uit haar tehuizen verjagen, haar berooven van haar gevoel van eigenwaarde, en haar maken tot ellendige paria's, alles in naam der "wetenschap en der beschaving" (zie b.v. een artikel van Mrs. Kashibai Deodhar, The New Reformer, October, 1907). Zoo komt het, dat de oude hervormers voor de later komende hervormers de taak schiepen de prostitutie opnieuw te humaniseeren.

Er is geen twijfel aan, dat deze meer humane opvatting van de prostitutie tegenwoordig erkenning begint te vinden in het werkelijke beschaafde leven van Europa. Zoo merkt Dr. Robert Michels op, ("Erotische Streifzüge", Mutterschutz, 1906, Heft 9, p. 368): "Terwijl in Duitschland de prostituée gewoonlijk beschouwd wordt als een "paria", en als zoodanig behandeld, als een werktuig voor den mannelijken wellust, dat men gebruikt en weer weggooit, en dat men onder geen voorwaarde in het openbaar zou willen kennen, speelt in Frankrijk de prostituée in vele opzichten de rol, die eens beteekenis en roem gaf aan de hetaren van Athene". En nadat hij de achting en het respect beschreven heeft, die de Parijsche prostituée dikwijls van haar vrienden ondervindt, en de niet-sexueele verhouding van kameraadschap, waar ze in kan treden met andere mannen, gaat de schrijver voort: "Een meisje, dat zich geeft voor geld, maar geenszins voor het geld van den eersten den besten, en die, behalve haar "beroepsvrienden" om zoo te zeggen de behoefte voelt aan niet-sexueele kameraden, met wie zij kan omgaan op vrije vriendschappelijke wijze, en door wie zij behandeld en gewaardeerd wordt als een vrij menschelijk wezen, is niet geheel verloren voor de moreele waarde der menschheid". Alle prostitutie is slecht, besluit Michels, maar we zouden reden hebben onszelf geluk te wenschen als liefdebetrekkingen van deze Parijsche soort de laagst bekende soort vertegenwoordigden van buiten-echtelijke sexualiteit. (Wat de betrekkelijke achting aangaat, die aan prostituées gegeven wordt, mag ik er melding van maken, dat een Parijsche prostituée tegen een vriend van mij de opmerking maakte, dat Engelschen haar dingen vroegen, die geen Franschman zou durven vragen).

Het is echter niet alleen in Parijs, hoewel hier wel duidelijker en meer in het oog springend, dat deze humaniseerende invloed in de prostitutie zich begint te doen gevoelen. Het blijkt bij voorbeeld uit de meerdere openlijkheid van het sexueele leven van een man. "Terwijl hij vroeger in een bordeel sloop in een afgelegen straat", merkt Dr. Willy Hellpach op (Nervosität und Kultur, p. 169), "wandelt hij nu met zijn "liaison" rond, en bezoekt comedies en café's, wel zonder begeerte om zijn bekenden te ontmoeten, maar toch zonder eenige verlegenheid op dat punt. De zaak begint meer gewoon te worden, meer--natuurlijk". Ze begint zoodoende ook, zooals Hellpach weet aan te toonen meer moreel te worden, en veel ongezonde preutschheid en verhitheid gaat verloren.

In Engeland, waar veranderingen langzaam gaan, moge deze neiging om de prostitutie te humaniseeren minder zichtbaar zijn, maar ze bestaat toch. In het midden van de vorige eeuw schreef Lecky (History of European Morals, deel II, p. 285) dat "voortdurende prostitutie in geen ander Europeesch land zoo hopeloos slecht of zoo onherroepelijk is". Die bewering, die ook uitgesproken is door Parent-Duchâtelet en andere buitenlandsche onderzoekers, wordt ten volle bevestigd door het bewijsmateriaal in de geschiedenis. Maar het is een bewering, die men tegenwoordig niet gaarne zou uiten, behalve misschien voor speciale afgebakende wijken in onze steden. Ook in Amerika vinden we een neiging om de prostitutie te humaniseeren, en we kunnen die neiging ongetwijfeld weerspiegeld vinden in het verslag over The Social Evil (1902), opgesteld door een commissie in New York, die de prostitutie aanbeval (p. 176) door op te merken, dat de prostitutie niet langer als een misdaad beschouwd moest worden, in welk licht, zooals we bemerken, ze vroeger in New York beschouwd werd. Dat moge maar een kleine schrede zijn op den weg der humaniseering, maar zij is in de goede richting.