De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 37

Chapter 373,614 wordsPublic domain

De komst van het Christendom, met zijn speciale houding jegens het "vleesch" veroorzaakte noodzakelijk een enorme toename van belangstelling voor de moreele gezichtspunten van de prostitutie. Toen de prostitutie niet veroordeeld werd, werd het natuurlijk noodzakelijk haar te rechtvaardigen; het was niet mogelijk voor een kerk met min of meer ascetische idealen zulk een zaak met welwillende onverschilligheid te behandelen. Als regel schijnen we wel overal te vinden, dat de meer onafhankelijke geestelijken, die geen verantwoording hadden, geneigd waren ze te veroordeelen, terwijl die theologen, die de zware verantwoordelijkheden van kerkelijk staatmansschap op hun schouders geladen hadden, over 't algemeen getoond hebben de prostitutie te rechtvaardigen, zij het dan ook aarzelend. Hiervan hebben we een uiterst belangrijk voorbeeld in den heiligen Augustinus, na den heiligen Paulus den voornaamsten stichter van de Christelijke kerk. In een verhandeling in 386 geschreven om de goddelijke regeling van de wereld te rechtvaardigen, verklaart hij dat, evenals de beul, hoe terugstootend hij ook zijn mag, een noodzakelijke plaats in de maatschappij inneemt, evenzoo de prostituée en haars gelijken, hoe vuil en leelijk en slecht zij ook zijn mogen, noodzakelijk zijn; verban de prostituées uit de maatschappij en gij zoudt de wereld met wellust bezoedelen: "Aufer meritrices de rebus humanis, turbaveris omnia libidinibus" [190]. Aquino, de eenige theologische denker van het Christendom, die tegelijk met Augustinus genoemd kan worden, was in deze kwestie van de prostitutie van dezelfde meening als hij. Hij hield vol, dat ontucht doodzonde was, maar hij nam de noodzakelijkheid aan van de prostitutie, als een nuttig deel van den bouw der maatschappij, en hij vergelijkt ze bij de afvoerkanalen van een paleis [191]. "Prostitutie in steden is gelijk aan het riool in een paleis; neem de riolen weg en het paleis wordt een onreine, stinkende plaats". Liquori, de meest invloedrijke theoloog van den nieuweren tijd, was van dezelfde meening.

Deze aarzelende en half toegevende houding jegens de prostitutie hebben de theologen inderdaad over het algemeen aangenomen. Sommige wilden, in navolging van Augustinus en Aquino, de prostitutie dulden om grooter kwaad te voorkomen; anderen waren er geheel en al tegen; en weer anderen wilden ze in de steden toelaten, maar nergens anders. Het werd echter algemeen door theologen aangenomen, dat de prostituée recht heeft op haar loon, en dat ze niet verplicht is het terug te geven [192]. De vroegere moralisten van het Christendom vonden het niet moeilijk staande te houden, dat er geen zonde in is een huis te verhuren aan een prostituée tot het uitoefenen van haar bedrijf; absolutie werd hiervoor altijd gegeven en onthouding niet geëischt [193]. Ontucht bleef echter altijd een zonde en van de twaalfde eeuw af heeft de kerk een reeks van pogingen gedaan om prostituées te bekeeren. Alle Katholieke theologen zijn van meening, dat een prostituée verplicht is de zonde der prostitutie te biechten, en de meeste theologen, hoewel niet alle, hebben gemeend, dat ook een man den omgang met een prostituée moet biechten. Terzelfder tijd, dat er een zekere toegevendheid was jegens de prostituée zelf, was de kerk altijd zeer streng jegens hen, die leefden van de voordeelen van het bevorderen van de prostitutie, jegens de lenones. Zoo weigerde het Concilie van Elvira, dat bereid was zonder boetedoening de prostituée die trouwde, te ontvangen, absolutie te geven, zelfs bij hun dood, aan personen, die schuldig geweest waren aan lenocinium [194].

Het protestantisme, dat den biechtstoel opgeruimd had, kon in deze, evenals in vele andere zaken van sexueele moraal gewoonlijk aan de noodzakelijkheid ontsnappen eenige bepaalde en verantwoordelijke uitleggingen te geven over de moreele positie van de prostitutie. Zoo het al eenige meening te kennen gaf, of eenige praktische voorschriften trachtte in te leiden, dan grondde het zich natuurlijk op de bijbelsche bevelen tegen de ontucht, zooals ze uitgedrukt zijn door den heiligen Paulus, en het toonde geen genade voor de prostitutie, noch verdraagzaamheid. Deze houding, de houding der Puriteinen, was des te gemakkelijker in Protestantsche landen, met uitzondering van speciale districten op bepaalde tijden--zooals Genève en Nieuw-Engeland in de zeventiende en de achttiende eeuw--omdat theologen in deze landen eerder geroepen zijn geweest godsdienstige vermaningen te geven dan praktische politiek toe te passen. Deze laatste taak hebben ze aan anderen overgelaten, en zoo is er dikwijls een zekere verwarring en onzekerheid ontstaan in den geest van den protestantschen leek. Deze weifelende houding der theologen wordt in Engeland zeer duidelijk gemaakt door Burton, een nadenkend en ernstig auteur, die een eeuw na de hervorming schrijft. Hij verwijst met gemengden bijval naar "onze Pseudo-Katholieken", die streng zijn jegens echtbreuk, maar toegevend jegens ontucht; zij zijn het misschien eens met Cato, dat de laatste aangemoedigd moet worden om erger verkeerdheden thuis te vermijden, en die meent, dat bordeelen "even noodzakelijk zijn als kerken" en dat het goed is heele huizen "vol courtisanen in de steden te houden". "Zij houden het voor onmogelijk", gaat hij voort, "dat niets uitvoerende jonge menschen als ze jong, rijk en vroolijk zijn, dat zooveel knechts en monniken, fatsoenlijk zouden leven, zij noemen het een te tyrannieken last hen te dwingen kuisch te zijn, en kunnen absoluut niet toestaan, dat arme mannen, jongere broeders of soldaten trouwen zouden, evenmin als zieke menschen, ordebroeders, priesters of bedienden. Om dus zoowel den een als den ander tevreden te stellen, verdragen zij deze soort van bordeelen en schuilhoeken en doen er een oogje voor toe. Vele argumenten hebben zij om te bewijzen, dat ze wettig en noodzakelijk zijn, en dat ze geduld moeten worden, evenals de woeker; zonder kwestie is er in de politiek niets tegen in te brengen, maar veel in den godsdienst" [195].

Niet voor het begin van de volgende eeuw is het oude argument van Augustinus ter moreele rechtvaardiging van de prostitutie in het protestantsche Engeland moedig en beslist uiteengezet door Bernard Mandeville in zijn Fable of the Bees; toen het boek voor het eerst uitkwam, scheen men het zoo stuitend te vinden, dat het verboden werd. "Als courtisanen en sletten vervolgd moesten worden met zooveel gestrengheid als sommige menschen het zouden willen", schreef Mandeville, "wat voor sleutels en grendels zouden we dan wel moeten hebben om de eer van onze vrouwen en meisjes te bewaren?... Het is duidelijk, dat het noodig is een deel der vrouwen op te offeren om het andere deel te beschermen en vuilheid van nog erger soort te voorkomen. Daaruit meen ik dat ik met recht mag besluiten, dat kuischheid gesteund kan worden door uitspatting, en dat de beste der deugden de hulp noodig heeft van de ergste der ondeugden" [196]. Na den tijd van Mandeville begon deze beschouwing van de prostitutie gewoon te worden in protestantsche zoowel als in andere landen, hoewel ze gewoonlijk niet zoo duidelijk uitgedrukt werd.

Het kan van belang zijn een paar meer moderne voorbeelden samen te brengen van gezegden, die voor de moreele rechtvaardiging van de prostitutie spreken.

Zoo legt in Frankrijk Meusnier de Querlon in zijn geschiedenis van Psaphion, geschreven in het midden van de achttiende eeuw, vele zeer belangwekkende overdenkingen over het leven en de positie van de prostituée in den mond van een Grieksche courtisane. Zij verdedigt haar beroep met veel bekwaamheid en zegt dat, terwijl mannen zich verbeelden dat prostituées alleen maar de verachte slachtoffers zijn van hun genoegens, deze vermeende tyrannen in werkelijkheid het slachtoffer worden; dat zij de behoeften bevredigen van de vrouwen, die zij onder hun voeten vertrappen, en dat zij zelve in gelijke mate de verachting verdienen, waarmee zij haar behandelen. "Wij betalen walging met walging, zooals zij zeker wel moeten bemerken. Wij geven hun dikwijls niets dan een standbeeld, en als zij zich verhit aan ongevoelige bekoorlijkheden te goed doen, genieten wij in rustige koelheid hun zinnelijkheid. Dan hernemen wij onze rechten. Wat warm bloed heeft deze trotsche schepsels aan onze voeten gebracht en ons meesteressen gemaakt van hun lot. Aan welke zijde, vraag ik u, is het voordeel?" Maar alle mannen, voegt zij er bij, zijn niet zoo onrechtvaardig jegens de prostituée, en zij gaat voort, niet zonder lichte ironie, een lofrede te houden op het nut, het gemak en de voordeelen van het bordeel.

Een groot aantal van de moderne schrijvers over de prostitutie noemen met nadruk den maatschappelijk weldadigen aard ervan. Zoo eindigt Charles Richard zijn boek over dit onderwerp met deze woorden: "Het gedrag van de maatschappij jegens de prostitutie moet uitgaan van het principe van dankbaarheid zonder valsche schaamte, voor het nut ervan en medelijden voor de arme schepsels, ten koste van wie dit nut verkregen wordt" (La Prostitution devant le Philosophe, 1882, p. 171). "Het huwelijk duurzaam maken is het moeilijk maken", merkt een Amerikaansch medisch schrijver op; "het moeilijk maken is het uitstellen; het uitstellen is in de gemeenschap houden een toenemend aantal sexueel volkomen individuen, met normale, of in gevallen waar langdurige onderdrukking is geweest, overmatige sexueele begeerte. Het maatschappelijk kwaad is het natuurlijk gevolg van de physieke natuur van den mensch, zijn geërfde impulsen, en de kunstmatige omstandigheden, waaronder hij gedwongen is te leven" ("The Social Evil", Medicine, Augustus en September, 1906). Woods Hutchinson beschouwt, terwijl hij met sterke afkeuring van de prostitutie spreekt en prostituées beschouwt als "de ergste exemplaren van haar sekse", toch de prostitutie als een maatschappelijke werking van de hoogste waarde. "Uit een medisch-economisch gezichtspunt noem ik haar een van de groote selectieve en elimineerende factoren van de natuur en van de hoogste waarde voor de gemeenschap. We kunnen ze in het ruwe karakteriseeren als een veiligheidsklep voor de instelling van het huwelijk" (The Gospel According to Darwin, p. 193; cf. het artikel van denzelfden schrijver over "The Economics of Prostitution", opgesomd in Boston Medical and Surgical Journal, November 21, 1895). Adolf Gerson zegt in ongeveer denzelfden geest ("Die Ursache der Prostitution", Sexual-Probleme, September 1908), dat "prostitutie een van de middelen is die de natuur gebruikt om de teelkracht der menschen te beperken, en vooral om den tijd der sexueele rijpheid te verschuiven". Molinari meent, dat de maatschappelijke voordeelen van de prostitutie van het begin af op verschillende wijzen tot uiting zijn gekomen; door bijvoorbeeld de meer overmatige uitingen van de sexueele impuls onvruchtbaar te maken nam de prostitutie de noodzakelijkheid weg van kindermoord op overtollige kinderen en leidde ze tot het tegengaan van die primitieve methode om de bevolking te beperken (G. de Molinari, La Viriculture, p. 45). Op geheel andere wijze dan die, vermeld door Molinari, heeft de prostitutie zelfs in zeer late tijden geleid tot het laten varen van kindermoord. In de Chineesche provincie Ping-Yang zegt Matignon, was het vele jaren geleden niet ongewoon voor arme ouders om 40 percent van hun pasgeboren meisjes te dooden, of zelfs allemaal, want zij waren te duur om ze op te voeden en ze brachten niets in, omdat mannen, die wilden trouwen, gemakkelijk een vrouw konden krijgen in de naburige provincie Wenchu, waar vrouwen zeer gemakkelijk te krijgen waren. Nu maakt echter de betere verbinding met Shang-Hai per stoomboot het zeer gemakkelijk voor meisjes de bordeelen van Shang-Hai te bereiken, waar zij geld kunnen verdienen voor haar families; de gewoonte haar te dooden is daarom uitgestorven (Matignon, Archives d'Anthropologie Criminelle, 1896. p. 72). "Onder de tegenwoordige omstandigheden", schrijft Dr. F. Erhard ("Auch ein Wort zur Ehereform", Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang 1, Heft 9), "is prostitutie (in de ruimste beteekenis, vrije verhoudingen medegerekend) noodig, opdat jonge menschen de vrouwen eenigermate kunnen leeren kennen, want conventioneele conversatie is daarvoor niet voldoende; een juiste kennis van de vrouwelijke gedachtengang is echter noodig voor een goede keuze, daar het maar zelden mogelijk is zich te verlaten op de betrouwbaarheid van het instinct. Het is ook goed, dat mannen zich de horens afloopen vóor het huwelijk, want de polygame neiging zal ergens doorbreken. De prostitutie zal alleen die mannen bederven, aan wie niet veel te bederven is, en als zij zoo het verlangen naar het huwelijk verliezen, dan zouden hun ongeboren kinderen reden hebben dankbaar te zijn". Neisser, Näcke en vele anderen hebben voor de prostitutie gepleit en zelfs voor bordeelen, als "noodzakelijk kwaad".

Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat velen zelfs van de sterkste voorstanders van de moreele voordeelen der prostitutie meenen, dat eenige verbetering nog wel wenschelijk is. Zoo verwacht Bérault een tijd, waarop van overheidswege bewaakte bordeelen minder veracht zullen zijn. Verschillende verbeteringen kunnen ze, meent hij, in de naaste toekomst "ontdoen van de barbaarsche eigenschappen, die ze voor de sceptische of onwetende menigte verachtelijk maken, terwijl hun tastbare voordeelen een einde zullen maken aan de minachting, die opgewekt wordt door hun cynisch aanzien" (La Maison de Tolérance, Thèse de Paris, 1904).

4. De beschavingswaarde van de prostitutie.--Het moreele argument voor de prostitutie is gebaseerd op het geloof, dat ons huwelijkssysteem zoo oneindig kostbaar is, dat een instelling, die als bolwerk ervoor dient in stand gehouden moet worden, hoe leelijk of hoe verwerpelijk op zich zelf zij ook is. Er is echter een ander argument ter ondersteuning van de prostitutie, waarop ternauwernood de nadruk valt dien het verdient. Ik bedoel haar invloed, voor zoover ze een element van vroolijkheid en afwisseling, dat op een of andere wijze noodzakelijk is, voegt in de geordende samenstelling van het moderne leven, een verlichting van den sleur der mechanische routine een afleiding in de saaie en fatsoenlijke eentonigheid ervan. Dit is wat anders dan de meer specifieke functie van de prostitutie als een veiligheidsklep voor overtollige sexueele energie, en dit kan zelfs van beteekenis worden voor hen, die weinig of geen omgang hebben met prostituées. Dit element kunnen we noemen de beschavingswaarde van de prostitutie.

Het zijn niet alleen de algemeene eigenschappen van de beschaving, maar meer speciaal de eigenschappen van het stadsleven, die dezen factor van beteekenis maken. Het stadsleven legt door den druk van de concurrentie een zeer strenge en veel krachten eischende routine op van vervelend werk. Terzelfder tijd maakt het mannen en vrouwen meer gevoelig voor nieuwe indrukken, meer verlangend naar opwinding en verandering. Het vermeerdert de gelegenheden tot maatschappelijken omgang; het vermindert de kansen op ontdekking van onwettigen omgang, terwijl het meteen het sluiten van een huwelijk verzwaart, want doordat het de maatschappelijke ambities en de uitgaven verhoogt, verschuift het den tijd, waarop een huisgezin kan opgezet worden. Het stadsleven verschuift het huwelijk en maakt toch de middelen van vergoeding voor het huwelijk meer dringend noodzakelijk [197].

Er kan niet de minste twijfel aan zijn, dat dit de beweegreden is--de poging om de onvolkomen gelegenheden voor zelfontwikkeling, die onze mechanische en arbeidzame maatschappij vol beperkingen aanbiedt, aan te vullen--die een van de voornaamste oorzaken vormt, die vrouwen er toe brengt, tijdelijk of voor goed, het leven van prostituée te kiezen. Wij hebben gezien, dat de economische factor, zooals vroeger gemeend werd, geenszins de hoofdrol speelt bij deze keuze. En er is ook geen reden om te veronderstellen, dat een buitengewoon sterke sexueele impuls de leidende factor is. Maar een groot aantal jonge vrouwen keeren zich instinctief naar het leven van prostituée, omdat zij bewogen worden door een duisteren drang, die ze haast zelf niet kunnen verstaan of uitleggen, en waarvan ze zich dikwijls schamen hem te openbaren. Het is daarom verwonderlijk, dat deze beweegreden zoo'n groote plaats inneemt, zelfs in de formeele statistieken van de prostitutie. Merrick vond in Londen, dat 5000, of bijna een derde van de prostituées, die hij onderzocht, met liefde een tehuis of een betrekking opgaven "voor een leven van pleizier", en hij acht dit de hoofdreden voor de prostitutie [198]. In Amerika vond Sanger dat "neiging" bijna bovenaan stond onder de oorzaken voor de prostitutie, terwijl Woods Hutchinson vond, dat "liefde tot vertoon, weelde en ijdelheid" op verre na de eerste plaats innamen. "Verveling en tegenzin tegen het werk" is de reden, die aangegeven wordt door een groot aantal Belgische meisjes, als zij aan de politie haar wensch te kennen geven om als prostituées ingeschreven te worden. In Italië meent men, dat een gelijke beweegreden een belangrijke rol speelt. In Rusland komt "verlangen naar vermaak" op de tweede plaats onder de oorzaken van de prostitutie. Ik geloof, dat er geen twijfel aan kan zijn, dat, zooals een oplettend waarnemer van het Londensche leven gezegd heeft, het probleem van de prostitutie "in den grond is een wild en onweerstaanbaar verlangen naar opwinding, een ernstige en opzettelijke opstand tegen de eentonigheid van alledaagsche idealen, en de geestdoodende verveling van het alledagsleven" [199]. Het is deze factor van de prostitutie, mogen we redelijker wijze besluiten, die voornamelijk verantwoordelijk is voor het feit, waarop F. Schiller [200] gewezen heeft, dat met de ontwikkeling van de beschaving de toevoer van prostituées neiging heeft grooter te worden dan de vraag.

Charles Booth schijnt van dezelfde meening te zijn, en citeert (Life and Labor of the People, Third Series, deel VII, p. 364) uit een rapport van een reddingsgenootschap: "De algemeene opvatting is, dat deze vrouwen verlangend zijn een leven van zonde te verlaten. De duidelijke en eenvoudige waarheid is, dat zij, voor het meerendeel, in het geheel geen behoefte hebben om gered te worden. Zoovele van deze vrouwen beschouwen de prostitutie niet als een zonde en willen ze niet als zoodanig beschouwen. "Ik word iederen avond meegenomen om in een restaurant te eten en daarna naar een publieke vermakelijkheid te gaan; waarom zou ik dat opgeven?"" Merrick, die vond, dat vijf percent van de 14.000 prostituées, die in de Millbank gevangenis kwamen, gewend waren godsdienstige gebruiken te vereenigen met het uitoefenen van haar beroep, zegt ook naar aanleiding van haar gevoelens over moraal: "Ik ben er van overtuigd, dat er vele arme mannen en vrouwen zijn, die in het geheel niet begrijpen, wat het woord "immoraliteit" beteekent. Uit beleefdheid zullen ze misschien ja zeggen op wat ge zegt, maar zij begrijpen uw bedoeling niet als gij spreekt van deugd of reinheid; gij spreekt eenvoudig over hen heen" (Merrick, op. cit., p. 28). Dezelfde houding kan men overal onder prostituées vinden. In Italië vermeldt Ferriani een meisje van vijftien jaar, dat, toen ze beschuldigd werd van onbetamelijkheid met een man in een park, met veel tranen en veel verontwaardiging ontkende. Hij bracht haar eindelijk tot bekentenis, en vroeg haar toen: "Waarom heb je geprobeerd mij te doen gelooven, dat je geen kwaad gedaan hadt?" Zij aarzelde, glimlachte, en zeide: "Omdat zij zeggen, dat meisjes niet moeten doen, wat ik doe, maar dat ze moeten werken. Maar ik ben, wat ik ben, en het gaat hen niet aan". Deze houding is dikwijls meer dan een instinctief gevoel; bij intelligente prostituées wordt het dikwijls een wel-overwogen overtuiging. "Ik kan alles dragen, als het moet", schreef de schrijfster van het Tagebuch einer Verlorenen (p. 291), "zelfs ernstige en edele minachting, maar geen spot. Minachting--ja, als ze verdiend is. Als een arm en mooi meisje met een moe en bitter hart alleen staat in de wereld, van alles uitgesloten, omringd door verzoekingen en verleidingen, die zich aan alle kanten aanbieden, en als ze dan toch, uit innerlijke overtuiging het grauwe en eentonige pad kiest van verzaking en van de burgerlijke moraal, dan erken ik in dat meisje een persoonlijkheid, die een zeker recht heeft met minachtend medelijden neer te zien op zwakkere meisjes. Maar die ganzen, die, onder de oogen van haar hoeders en levenslange eigenaars altijd op zachte groene weiden gegraasd hebben, hebben zeker geen recht minachtend te lachen over haar, die niet zoo gelukkig geweest zijn". En we moeten niet meenen, dat er noodzakelijk eenig sophisme behoeft te wezen in de zelf-rechtvaardiging van de prostituée. Sommige van onze beste denkers en waarnemers zijn tot een conclusie gekomen, die niet ongelijk is aan deze. "De werkelijke toestanden van de maatschappij verzetten zich tegen ieder hoog moreel gevoel in vrouwen", merkt Marro op (La Pubertà, p. 462), "want tusschen haar, die zich verkoopen in prostitutie en haar, die zich verkoopen in het huwelijk, bestaat het eenige verschil in den prijs en den duur van het contract".

Wij hebben reeds gezien welk een groot percentage in de prostitutie geleverd wordt door haar, die den huiselijken dienst verlaten hebben om dit leven te volgen (Ante p. 264). Het is niet moeilijk in dit feit een bewijs te vinden voor de soort van impuls, die er een vrouw toe drijft de loopbaan van prostituée te kiezen. "De dienstbode, in onze maatschappij van gelijkheid", schreef Goncourt, nadat hij vroegere tijden in de herinnering gebracht heeft, toen haar dikwijls een plaats ingeruimd werd in het familieleven, "is niets anders geworden dan een betaalde paria, een machine voor het doen van huishoudelijk werk, en het wordt haar niet langer toegestaan het menschelijk leven van haar werkgever te deelen" [201]. En in Engeland, vinden we, zelfs al een halve eeuw geleden, de zelfde gezegden over de positie van de dienstbode: "huiselijke dienst is een volkomen slavernij", met vroege uren en late uren en voortdurend trappen op en neer loopen, tot de benen gezwollen zijn; "er schijnt dikwijls een mate van vernuft gebruikt te worden, een betere zaak waardig, om de grootst mogelijke hoeveelheid werk uit de huiselijke machine te halen"; bovendien is zij "een soort bliksemafleider" voor het slechte humeur en de ziekelijke gevoelens van haar meesteres en van de jonge dames; zoodat, als sommigen gezegd hebben, "ik mij zoo ellendig voelde, dat het me niet kon schelen wat er van me terecht kwam, ik wilde maar, dat ik dood was" [202]. De dienstbode staat buiten alle menschelijke verhoudingen; zij mag niet het bestaan verraden van een eenvoudige impuls of natuurlijke behoefte. Tevens leeft zij op den rand der weelde; zij is omringd door de tantaliseerende visioenen van genoegen en amusement, waarnaar haar frissche jonge natuur verlangt [203]. Het kan geen verwondering wekken dat zij, overwerkt en aangetrokken door lediggang vol genot den eenigen sprong doet, die haar in staat zal stellen te genieten van de schitterende zijden der beschaafde maatschappij, die haar zoo begeerlijk toeschijnen [204].