De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 32
Van de geschiedenis van de Europeesche prostitutie, zooals van zoovele andere moderne prostituties kan men wel zeggen, dat ze in Rome begint. Hier vinden wij in de vroegste tijden reeds die inconsequent gemengde houding jegens de prostitutie, die op den huldigen dag nog bewaard is gebleven. In Griekenland was het in vele opzichten anders. Griekenland stond dichter bij de dagen van de godsdienstige prostitutie, en de zuiverheid en de verfijning van de Grieksche beschaving maakte het voor de betere soort van prostituées mogelijk een invloed uit te oefenen en waardig te zijn om uit te oefenen in alle departementen van het leven, dien ze nooit elders heeft kunnen uitoefenen, behalve misschien nu en dan, in veel mindere mate, in Frankrijk. De ruwe, krachtige, praktische Romein was volkomen bereid de prostitutie te dulden, maar hij was niet bereid die verdraagzaamheid tot de logische gevolgen ervan door te voeren; hij voelde zich nooit geroepen inconsequente feiten van het leven met elkaar in harmonie te brengen. Cicero, die toch een hoogstaand moralist was, kon zonder dat hij zijn goedkeuring aan de prostitutie hechtte, toch niet begrijpen, hoe iemand wenschen kon jongelieden af te houden van omgang met prostituées, daar zulk een gestrengheid niet in harmonie was met al de gewoonten van het verleden of van het heden [138]. Maar de hoogere klasse der Romeinsche prostituées, de bonae mulieres, hadden niet zulk een waardige positie als de Grieksche hetairae. Haar invloed was inderdaad groot, maar hij was, zooals ook het geval is met haar Europeesche opvolgsters van heden, beperkt tot modes, gewoonten en kunsten. Er was altijd een zekere moreele gestrengheid in den Romein, die hem verhinderde ver af te wijken in deze richting. Hij moedigde bordeelen aan, maar hij betrad ze alleen met den hoed op het hoofd en het gezicht in den mantel verborgen. En eveneens, terwijl hij de prostituée duldde, beperkte hij toch van een zeker punt af, in hooge mate haar voorrechten. Niet alleen was zij beroofd van allen invloed in de hoogere dingen des levens, maar ze mocht niet de vitta of de stola dragen; zij kon inderdaad bijna naakt loopen als ze dat wilde, maar ze moest niet de zinnebeelden van de respectabele Romeinsche matrone nabootsen [139].
De opkomst van het Christendom tot politieke macht bracht minder verandering van zeden te weeg dan men zou voorzien hebben. De Christelijke heerschers hadden feitelijk te maken met een zeer gemengde, woelige en halfheidensche wereld. De toongevende kerkvaders waren geneigd de prostitutie te dulden om grooter kwaad te voorkomen, en de Christelijke keizers wilden, evenals hun heidensche voorgangers, wel een belasting heffen op de prostitutie. Het recht van bestaan van de prostitutie werd echter niet langer zoo onbetwist erkend als in de heidensche dagen, en van tijd tot tijd trachtte de een of andere krachtige heerscher de prostitutie door strenge verordeningen te onderdrukken. Theodosius de jongere en Valentianus verordenden bepaaldelijk, dat er geen bordeelen meer mochten wezen, en dat ieder, die een schuilplaats verleende aan een prostituée, gestraft moest worden. Justinianus bekrachtigde dezen maatregel en beval, dat alle koppelaars op doodstraf moesten verbannen worden. Deze verordeningen waren volkomen zonder succes. Maar gedurende een duizend jaar werden zij telkens weer herhaald in verschillende deelen van Europa, en onveranderlijk met hetzelfde onbevredigende, of erger dan onbevredigende resultaat. Theoderik, koning der West-Gothen, strafte met den dood allen, die de prostitutie bevorderden en Recared, een Katholiek koning van hetzelfde volk in de zesde eeuw, verbood de prostitutie geheel en al en beval, dat een prostituée, als ze gevonden werd, drie honderd zweepslagen moest ontvangen en uit de stad verdreven worden. Karel de Groote, zoowel als Genserich in Karthago, en later Frederik Barbarossa in Duitschland maakten strenge wetten tegen de prostitutie, die alle geen uitwerking hadden, want zelfs, als zij uitwerking schenen te hebben voor het oogenblik, was de reactie later des te grooter [140].
In Frankrijk zijn de meest standvastige pogingen gedaan om de prostitutie te bestrijden. Het meest bekend van alle waren de pogingen van een Koning en Heilige, Lodewijk IX. In 1254 beval de heilige Lodewijk, dat prostituées geheel uitgedreven moesten worden en beroofd van haar geld en goed, zelfs van haar mantels en japonnen. In 1256 herhaalde hij deze verordening en in 1269, voordat hij aan de kruistochten deelnam, beval hij alle bordeelen te vernielen. De herhaling van die bevelen toont aan, hoezeer zij zonder uitwerking waren. Zij maakten de zaken zelfs erger, want de prostituées waren gedwongen zich met de gewone bevolking te vermengen en haar invloed breidde zich zoodoende uit. De heilige Lodewijk was niet in staat de prostitutie te onderdrukken zelfs in zijn eigen kamp in het Oosten, en ze bestond naast zijn eigen tent. Zijn wetgeving werd echter dikwijls nagevolgd door volgende heerschers over Frankrijk, zelfs tot het midden van de zeventiende eeuw, altijd met dezelfde nuttelooze of erger gevolgen. In 1560 schafte een edict van Karel IX de bordeelen af, maar het aantal prostituées werd daardoor grooter in plaats van kleiner, terwijl vele nieuwe soorten van bordeelen ontstonden in onverwachte vormen en zij waren gevaarlijker dan de meer erkende bordeelen, die afgeschaft waren [141]. Ten spijt van deze en dergelijke wetgeving, of juist daardoor, is er geen land geweest waar de prostitutie een grooter rol gespeeld heeft dan Frankrijk [142].
In Mantua was de afschuw door de prostituées verwekt zoo groot, dat zij gedwongen waren op de markten alle fruit of brood te koopen, dat door de aanraking van haar hand bezoedeld was. Zoo was het ook in 1243 in Avignon. In Catalonië konden ze niet aan dezelfde tafel zitten met een dame of edelman, of eenig achtbaar persoon kussen [143]. Zelfs in Venetië, het paradijs van de prostitutie, werden er vele en strenge maatregelen tegen genomen, en het duurde lang eer de heerschers van Venetië zich er bij neerlegden ze te dulden en te controleeren [144].
De laatste krachtige poging om de prostitutie in Europa uit te roeien was die van Maria Theresia in Weenen, in het midden van de achttiende eeuw. Hoewel ze van zoo laten datum is mogen we ze hier toch noemen, omdat ze middeleeuwsch was, zoowel in opvatting als in methode. Het doel ervan was inderdaad niet alleen de prostitutie te onderdrukken, maar ontucht in het algemeen, en de middelen daartoe aangewend waren boeten, gevangenneming, geeselen en pijniging. Alles wat men hield voor de oorzaken van ontucht werd ook met strengheid behandeld; korte kleeren waren verboden, biljardzalen en café's werden geïnspecteerd; er mochten geen kellnerinnen meer zijn, en als ze ontdekt werd, had een kellnerin kans geboeid en door de politie weggevoerd te worden. De Kuischheids-Commissie, die deze maatregelen streng ten uitvoer bracht, was, naar het schijnt, ingesteld in 1751 en werd door Keizer Jozef II in de eerste jaren van zijn regeering zonder vorm van proces afgeschaft. Het was de algemeene opinie, dat deze strenge wetgeving inderdaad zonder uitwerking bleef, en dat ze veel ernstiger verkeerdheden in het leven riep dan ze genas [145]. Het is in ieder geval zeker, dat zeer langen tijd meer zedeloosheid heerschte in Weenen dan in eenige andere groote hoofdstad van Europa.
Toch is de houding jegens prostituées altijd gemengd en inconsequent geweest op verschillende plaatsen of in verschillende tijden of zelfs in denzelfden tijd en op dezelfde plaats. Dufour heeft de prostituées zeer juist vergeleken met de middeleeuwsche Joden; zij werden voortdurend vervolgd, kerkelijk, burgerlijk en maatschappelijk, en toch waren alle klassen blij hun toevlucht tot hen te nemen en ze konden niet gemist worden. In sommige landen, ook in de veertiende eeuw in Engeland, werd een speciaal costuum ingesteld voor prostituées als een merkteeken van schande [146]. Toch was er in vele opzichten niet de minste schande aan de prostitutie verbonden. Hooggeplaatste ambtenaren konden betaling vorderen voor hun uitgaven, gemaakt door het bezoeken van prostituées, terwijl ze voor dienstzaken op reis waren. De prostitutie speelde soms een officieele rol bij feestelijkheden en ontvangsten, die door groote steden aan vorstelijke personen werden gegeven, en het bordeel kon een belangrijk deel van de gastvrijheid der stad vormen. Toen keizer Sigismund in Ulm kwam in 1434, waren de straten verlicht op de tijden, dat hij of zijn gevolg het gewone bordeel wenschten te bezoeken. Bordeelen onder stedelijke bescherming worden gevonden in de dertiende eeuw in Augsburg, in Weenen, in Hamburg [147]. In Frankrijk waren de best bekende abbayes van prostituées die van Toulouse en van Montpellier [148]. Durkheim meent, dat in de vroege middeleeuwen, voor dezen tijd, vrije liefde en huwelijk minder streng onderscheiden waren. Het was de opkomst van de middelklasse, naar hij meent, die, verlangend hun vrouwen en dochters te beschermen, leidde tot een gecontroleerde en openlijk erkende poging losbandigheid te leiden in een afzonderlijk kanaal, dat onder contrôle werd gebracht [149]. Deze bordeelen vormden een soort van publieken dienst, en de directeuren ervan werden bijna beschouwd als stedelijke beambten, die verplicht waren een zeker aantal prostituées te houden, betaling te vragen naar een bepaald tarief, en in hun huizen geen meisjes te ontvangen die tot de nabuurschap behoorden. De instellingen van deze soort duurden drie eeuwen. Het was, voor een deel, misschien de drang van de nieuwe Protestantsche beweging, maar vooral de verschrikkelijke verwoesting, veroorzaakt door de syphilis, aan het einde der vijftiende eeuw uit Amerika overgebracht, die, zooals Burckhardt en anderen aangetoond hebben, leidde tot het verval van het middeleeuwsch bordeel [150].
De superieure moderne prostituée, de "courtisane", die niet in verbinding stond met het bordeel, schijnt zich uit de Renaissance ontwikkeld te hebben en trad in Italië op aan het einde van de vijftiende eeuw. "Courtisane" of "cortegiana" beteekende een dame, die het hof volgde, en in dezen tijd begon het woord toegepast te worden op een superieure prostituée, die een zekere mate van decorum en terughouding in acht nam [151]. Aan het pauselijk hof van Alexander Borgia werd de courtisane geëerd, zelfs al was haar gedrag niet volkomen waardig. Burchard, de getrouwe en onberispelijke geschiedschrijver van dit hof, beschrijft in zijn dagboek, hoe op een avond in October 1501 de paus vijftig courtisanes liet komen, die naar zijn vertrek moesten gebracht worden; na het souper dansten zij, in tegenwoordigheid van Caesar Borgia en zijn jonge zuster Lucrezia, met de dienaren en anderen, die daar tegenwoordig waren, eerst gekleed, daarna naakt. De kandelaars met de brandende kaarsen er op werden toen op den grond geplaatst en kastanjes werden daartusschen gestrooid, die door de vrouwen, al kruipend op handen en voeten tusschen de kandelaars opgeraapt moesten worden. Ten slotte werden er prijzen voor den dag gebracht, die als belooning moesten komen aan die mannen "qui pluries dictos meretrices carnaliter agnoscerent"; wie de overwinnaar was in den wedstrijd werd bepaald door het oordeel van de toeschouwers [152]. Deze scene, die in het publiek in het paleis van den paus vertoond werd en zonder terughouding openbaar gemaakt werd door een onpartijdig secretaris, is tevens een opmerkelijke episode in de geschiedenis van de moderne prostitutie en een van de beste illustraties die we hebben van het heidendom van de Renaissance.
Voordat het woord "courtisane" in gebruik kwam, werden prostituées zelfs in Italië gewoonlijk "zondaressen" genoemd peccatrice. De naamsverandering merkt Graf op in een zeer belangwekkende studie over de prostituée van de Renaissance ("Una Cortigiana fra Mille", Attraverso il Cinquecento, pp. 217-351), "geeft blijk van een groote wijziging in denkbeelden en in leven"; een woord dat schande aanduidde, maakte plaats voor een dat goedkeuring te kennen gaf, en zelfs eer, want de hoven van den tijd der Renaissance vertegenwoordigden de mooiste ontwikkeling van den tijd. De beste van deze courtisanes schijnen niet geheel de eer, die zij ontvingen, onwaardig geweest te zijn. Wij kunnen dat bemerken in haar brieven. Er is een hoofdstuk over de brieven van de prostituées tijdens de Renaissance, vooral die van Camilla de Pisa; ze worden gekenmerkt door waren hartstocht in de Frauenbriefe der Renaissance van Lothar Schmidt. De beroemde Imperia, die door een paus in de eerste jaren van de zestiende eeuw "nobilissimum Romae scortum" genoemd werd, kende Latijn en kon Latijnsche verzen schrijven. Andere courtisanes kenden Italiaansche en Latijnsche verzen uit haar hoofd, en waren talentvol in muziek, dansen en spreken. Wij worden herinnerd aan het oude Griekenland, en Graf vindt, waar hij bespreekt in hoeverre de courtisanes van de Renaissance op de hetaren geleken, een groote overeenkomst, vooral in beschaving en invloed, hoewel er eenige verschillen zijn, die berusten op de vijandschap tusschen den godsdienst en de prostitutie in den lateren tijd.
De in alle opzichten meest bekende figuur was zeker Tullia D'Aragona. Zij was waarschijnlijk de dochter van kardinaal D'Aragona (een onwettige afstammeling van de Spaansche koningsfamilie) bij een courtisane uit Ferrara, die zijn maitres werd. Tullia was zeer beroemd om haar verzen. Haar beste sonnet is gericht aan een jong mensch van twintig jaar, dien zij hartstochtelijk liefhad, maar die haar liefde niet beantwoordde. Haar Guerrino Meschino, een vertaling uit het Spaansch, is een rein en kuisch werk. Zij was een vrouw van verfijnde instincten en aspiraties, en later gaf zij haar leven van prostitutie op. Zij werd zeer geëerd en geacht. Toen in 1546 Cosimo de hertog van Florence beval dat alle prostituées een sluier moesten dragen als een openlijk kenteeken van haar beroep, beriep Tullia zich op de hertogin, een Spaansche dame van een hoog karakter, en kreeg vrijstelling van het dragen van dit kenteeken wegens haar "rara scienzia di poesia et filosofia". Zij droeg haar Rime op aan de hertogin. Tullia d'Aragona was heel mooi, met blond haar en bijzonder groote heldere oogen, die hen, die met haar in aanraking kwamen, beheerschten. Zij gedroeg zich trots en boezemde ongewoon veel eerbied in (G. Biagi, "Un Etera Romana", Nuova Antologia, deel IV, 1886, pp. 655-711; S. Bongi, Rivista critica della Letteratura Italiana, 1886, IV, p. 186).
Tullia d'Aragona was klaarblijkelijk niet een courtisane in haar hart. Misschien wordt het meest typische voorbeeld van de courtisane der Renaissance op haar best gegeven door Veronica Franco, die in 1546 te Venetië geboren werd uit een familie uit den middenstand en op jeugdigen leeftijd met een dokter trouwde. Van haar is ook gezegd dat, terwijl ze van beroep een prostituée was, zij van aanleg een dichteres was. Maar zij schijnt wel tevreden geweest te zijn met haar beroep en er zich nooit over geschaamd te hebben. Haar leven en karakter zijn bestudeerd door Arturo Graf, en oppervlakkiger door Tassini. Zij was zeer ontwikkeld en kende verscheiden talen; zij zong ook goed en bespeelde vele instrumenten. In een van haar brieven raadt ze een jongen man, die krankzinnig verliefd op haar was, dat, als hij haar gunst wil verkrijgen, hij moet ophouden haar lastig te vallen en zich rustig aan de studie moet wijden. "Je weet wel", voegt zij er bij, "dat allen, die er aanspraak op maken mijn liefde te kunnen verwerven, en die mij zeer lief zijn, zich met ijver wijden aan gezette studiën... Als mijn vermogen het mij veroorloofde, dan zou ik al mijn tijd rustig in de genootschappen van deugdzame mannen doorbrengen". De Diotima's en Aspasia's van de oudheid zouden, zooals Graf er bijvoegt, niet zooveel van haar minnaars geëischt hebben. In haar gedichten kan men eenige van haar liefdesgeschiedenissen nasporen, en zij geeft soms blijk van hevige jaloezie bij de gedachte, dat mogelijk een andere vrouw den man zou kunnen naderen dien zij liefheeft. Eens werd ze verliefd op een geestelijke, misschien een bisschop, met wien ze niet in eenige betrekking trad, en na een lange afwezigheid, die haar liefde genas, werden zij getrouwe vrienden. Eens kreeg ze een bezoek van Hendrik III van Frankrijk, die haar portret wegnam, terwijl zij van haar kant beloofde, dat ze een boek aan hem zou opdragen; zij kwam deze belofte in zooverre na, dat ze eenige sonnetten aan hem richtte en een brief; "de koning voelde geen schaamte over deze intimiteit met de courtisane", merkt Graf op, "en zij dacht ook geen oogenblik dat hij er zich over schamen zou". Toen Montaigne door Venetië kwam, zond zij hem een van haar boekjes, zooals we uit zijn journal hooren, hoewel het niet blijkt dat zij elkander ontmoet hebben. Tintoret was een van haar vele beroemde vrienden, en ze was een ijverig voorstandster van de hooge kwaliteiten van moderne kunst in vergelijking van antieke. Zij was hartelijk in haar vriendschap, en het schijnt dat zij verschillende groote dames onder haar vriendinnen rekende. Zij schaamde zich echter zoo weinig over haar beroep van courtisane, dat zij in een van haar gedichten zegt, dat Apollo haar andere kunsten geleerd heeft dan die men gewoonlijk denkt dat hij onderwijst:
"Così dolce e gustevole divento, Quando mi trovo con persona in letto Da cui amata e gradita mi sento".
In een zekere catalogus van de prijzen van Venetiaansche courtisanes staat Veronica aangeschreven voor maar 2 scudi voor haar gunsten, terwijl de courtisane, aan wie de catalogus gewijd is, op 25 scudi wordt geprijsd. Graf meent, dat er hier een vergissing in het spel is of boosaardigheid, en een Italiaansch edelman van dien tijd zegt, dat zij niet minder dan 50 scudi vroeg van hen, aan wie zij bereid was toe te staan wat Montaigne noemde de "negotation entière".
Wat deze kwestie aangaat mogen we melden dat, zooals Bandello zeide, het de gewoonte was voor een Venetiaansche prostituée om zes of zeven mannen tegelijk als minnaars te hebben. Ieder had recht een avond per week bij haar te komen soupeeren en slapen, terwijl haar dagen vrij bleven. Zij betaalden haar zooveel per maand, maar zij behield zich altijd bepaald het recht voor, als ze dat wilde, een vreemdeling, die door Venetië kwam, te ontvangen, en dan den tijd van haar afspraak met haar minnaar voor den nacht te veranderen. De hooge en speciale prijzen die wij vermeld vinden zijn natuurlijk die, welke gevraagd werden van den nu en dan komenden aanzienlijken vreemdeling, die naar Venetië kwam, zooals in de zestiende eeuw Montaigne.
In 1580 (toen ze eerst vier en dertig jaar oud was) vertelde Veronica in de biecht, dat zij zes kinderen had gehad. In hetzelfde jaar vormde zij het plan een tehuis te stichten, dat niet een klooster zou zijn, waar prostituées, die haar levenswijze wenschten te veranderen, een toevlucht konden vinden met haar kinderen, als ze die hadden. Dit schijnt geleid te hebben tot de oprichting van een Casa del Soccorso. In 1591 stierf zij aan de koorts, verzoend met God en gezegend door vele ongelukkigen. Zij had een goed hart en een gezond verstand, en was de laatste van de groote courtisanes van de Renaissance, die het Grieksche hetarendom deden herleven (Graf, Attraverso il Cinquecento, pp. 271-351). Zelfs in het Venetië van de zestiende eeuw echter schijnt, naar we zien zullen, Veronica Franco niet geheel vrede gehad te hebben met de loopbaan van courtisane. Zij was klaarblijkelijk niet geschikt voor een gewoon huwelijk, en toch mag men er nog aan twijfelen of onder de gunstigste omstandigheden, die de moderne wereld ooit geboden heeft, de loopbaan van prostituée volkomen voldoening kan bieden aan een vrouw van een ruim hart en een ruim verstand.
Ninon de Lenclos, die dikwijls "de laatste van de groote courtisanes" genoemd is, kan wel een uitzondering genoemd worden op den algemeenen regel, dat een vrouw van een goed hart, hoog karakter en fijn verstand geen voldoening zou kunnen vinden in het leven van een prostituée. Maar het is een totaal verkeerde opvatting van het temperament van Ninon de Lenclos en van haar loopbaan haar in eenige ware beteekenis eigenlijk een prostituée te noemen. Eenige kennis van zelfs maar de minste schets van haar leven moest voorkomen, dat men zulk een vergissing beging. Geboren in het begin van de zeventiende eeuw, was zij van goede familie aan beide zijden; haar moeder was een vrouw van een strengen levenswandel, maar haar vader, een edelman uit Touraine bezielde haar met zijn eigen Epicuristische philosophie zoowel als met zijn liefde voor de muziek. Zij was uiterst welopgevoed. Op den leeftijd van zestien of zeventien had zij haar eersten minnaar, den edelen Gaspard de Coligny; hij werd een halve eeuw lang gevolgd door een reeks andere minnaars, soms meer dan een tegelijk; drie jaar was de langste tijd dat zij aan één minnaar trouw bleef. Haar aantrekkelijkheden bleven zoolang bestaan, dat men zegt dat drie generaties van Sévignés onder haar minnaars behoorden. Tallemant des Réaux stelt ons in staat haar liaisons in bijzonderheden te bestudeeren.
Het is echter niet de hoeveelheid minnaars, die een vrouw maakt tot een prostituée, maar de aard van haar verhoudingen tot hen. Sainte-Beuve schijnt, in een overigens bewonderenswaardige studie over Ninon de Lenclos (Causeries du Lundi, deel IV) haar onder de courtisanes te rekenen. Maar geen vrouw is een prostituée, tenzij zij mannen gebruikt als een bron van geldelijke winst. Niet alleen is er geen bewijs, dat dit het geval was met Ninon, maar alle gegevens, die er zijn, sluiten zulk een verhouding uit. "Er was veel slimheid voor noodig", zeide Voltaire, "en veel liefde van haar kant, om haar er toe te brengen, geschenken aan te nemen". Tallemant zegt wel, dat zij soms geld aannam van haar minnaars, maar dit gezegde slaat waarschijnlijk op niets anders dan wat besloten ligt in Voltaire's opmerking; en in allen gevalle zijn de praatjes van Tallemant, hoewel hij gewoonlijk goed op de hoogte is, niet altijd te vertrouwen. Allen zijn het eens over haar groote belangeloosheid.