De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 31
Wij schijnen hier te hebben niet alleen een godsdienstig overblijfsel van een grootere sexueele vrijheid, die vroeger [132] bestaan heeft, maar een gespecialiseerde en ritueele ontwikkeling van dien primitieven eeredienst van de verwekkende krachten der natuur, die het geloof in zich sluit, dat alle natuurlijke vruchtbaarheid verbonden is met en bevorderd wordt door daden van menschelijken sexueelen omgang in dienst van de godheid, die zoo een godsdienstige beteekenis krijgen. In een later stadium worden daden van sexueelen omgang, daar ze een godsdienstige beteekenis hebben, gespecialiseerd en in tempels gelocaliseerd, en door een logischen overgang van denkbeelden wordt er geloofd, dat zulke daden van sexueelen omgang in dienst van de godheid goed deden aan de persoon, die ze uitvoerde, meer speciaal als het een vrouw was, door haar vruchtbaarheid te verzekeren. Onder primitieve volken in het algemeen is deze opvatting voornamelijk belichaamd in den vorm van feesten der jaargetijden, maar bij de volken van West-Azië, die niet meer primitief waren, en bij wie traditioneele priesterlijke en hieratische invloeden een zeer grooten invloed hadden verkregen, had de vroegere generatieve eeredienst, naar het schijnt, op natuurlijke wijze zijn vormen veranderd, doordat hij aan de tempels verbonden werd [133].
De theorie, dat godsdienstige prostitutie zich in den regel heeft ontwikkeld uit het geloof, dat de voortbrengende werkzaamheid van menschelijke wezens een geheimzinnigen en heiligen invloed bezat, doordat ze de vruchtbaarheid der natuur in het algemeen bevorderde, schijnt het eerst door Mannhardt uiteengezet te zijn in zijn Antike Wald- und Feldkulte (pp. 283 et seq.). Ze wordt ondersteund door Dr. F. S. Krauss ("Beischlafausübung als Kulthandlung", Anthropophyteia, deel III, p. 20), die het belangwekkende feit vermeldt, dat in den tijd van Baruch, lang voor Herodotus, geheiligde prostitutie in de open lucht onder boomen plaats vond. Dr. J. G. Frazer heeft deze opvatting van den oorsprong der geheiligde prostitutie meer speciaal ontwikkeld in zijn Adonis, Attis, Osiris. Hij resumeert zijn tamelijk lang betoog aldus: "Wij mogen het besluit trekken, dat een groote Moeder-Godin, de personificatie van al de voortbrengende krachten der natuur, onder verschillende namen, maar met een in hoofdzaak gelijk zijn van mythe en ritueel, vereerd werd door vele volken van West-Azië; dat met haar verbonden was een minnaar, of liever een reeks minnaars, goddelijk en toch sterfelijk, met wie zij zich jaarlijks vereenigde, terwijl men meende, dat hun omgang noodzakelijk was voor de vermenigvuldiging van dieren en planten, ieder in zijn afzonderlijke soort: en verder, dat de fabelachtige vereeniging van het goddelijke paar gefingeerd was en als het ware over de aarde verveelvoudigd werd door de werkelijke, hoewel dan tijdelijke vereeniging van de menschelijke seksen bij het heiligdom der godin, om daardoor de vruchtbaarheid van den grond en de toename van mensch en dier te verzekeren. In den loop der tijden, toen de instelling van het persoonlijk huwelijk ontstond en het oude communisme meer en meer in discrediet geraakte, werd de hernieuwing van de oude gewoonte, zelfs voor een enkele gelegenheid in het leven van een vrouw, meer en meer strijdig met den moreelen zin van het volk, en daarom namen de vrouwen haar toevlucht tot verschillende hulpmiddelen, om in de praktijk de verplichting te ontloopen, die zij in theorie erkenden... Maar terwijl de meerderheid der vrouwen op deze wijze kans zag den vorm van den godsdienst in acht te nemen zonder haar deugd op te offeren, werd het toch voor het algemeen welzijn noodig geacht, dat een zeker aantal van haar de oude verplichting op de oude wijze nakwam. Deze werden hetzij voor het leven of voor een reeks van jaren prostituées in een van de tempels: gewijd aan den dienst der godheid, werden zij in zekeren zin als heilig beschouwd en haar roeping, wel verre van voor schandelijk te gelden, werd waarschijnlijk door de leeken langen tijd beschouwd als een uitoefening van meer dan gewone deugd, en beloond met een mengeling van verwondering, eerbied en medelijden, niet ongelijk aan die, welke in sommige deelen van de wereld nog gegeven wordt aan vrouwen, die haar Schepper op andere wijze trachten te eeren, door afstand te doen van de natuurlijke functies van haar sekse en van de teerste familiebetrekkingen" (J. G. Frazer, Adonis, Attis, Osiris, 1907, pp. 23 et seq.).
Het is moeilijk de conclusie te vermijden, dat deze theorie een voorstelling geeft van de centrale en primitieve idee, die leidde tot de ontwikkeling van de geheiligde prostitutie. Het schijnt echter even duidelijk dat, naarmate de tijd verliep, en vooral naarmate de tempeldiensten zich ontwikkelden en de invloed der priesters toenam, deze fundamenteele en primitieve idee zich begon te wijzigen en zelf vervormd werd. De oorspronkelijke opvatting werd gespecialiseerd in het geloof, dat godsdienstige gunsten, en vooral de gunst der vruchtbaarheid, verkregen werden door den vereerder, die door een daad van onkuischheid de gunst der godin zocht, welke daad, naar men meende, aangenaam was aan een onkuische godin. De ritus van Mylitta, zooals ze door Herodotus beschreven is, was een late ontwikkeling van deze soort in een oude beschaafde maatschappij, en het voordeel dat gezocht werd was klaarblijkelijk voor de aanbidster zelf. Dit is aangetoond door Westermarck, die opmerkt, dat de woorden tot de vrouw gesproken door haar partner, als hij haar het geld geeft--"Moge de godin u gunstig gezind zijn!"--zelf aanwijzen, dat het doel van de daad was haar vruchtbaarheid te verzekeren, en hij verwijst ook naar het feit, dat men meende dat vreemdelingen dikwijls een half-bovennatuurlijke gave bezaten, en hun weldaden van een speciaal krachtdadigen aard waren (Westermarck, Origin and Development of the Moral Ideas, deel II, p. 446). We kunnen hieraan toevoegen, dat de dienst van Mylitta zoodoende analoog werd met een andere plechtigheid aan de Middellandsche Zee, waarbij de daad van het simuleeren van verkeer met den vertegenwoordiger van een god of zijn beeld, de vruchtbaarheid van een vrouw verzekerde. Dit is de plechtigheid, die uitgevoerd wordt door de Egyptenaren van Mendes, waarbij de vrouw de ceremonie van gesimuleerden omgang doormaakte met een geheiligde bok, die beschouwd werd als de vertegenwoordiger van een godheid van op Pan gelijkende godsgestalte (Herodotus, boek II, hoofdst. XLVI; en zie Dulaure, Des Divinités Génératrices hoofdstuk II). Deze rite werd nog veel later in eere gehouden door Romeinsche vrouwen, en wel met de standbeelden van Priapus, en de heilige Augustinus vermeldt hoe Romeinsche matrones de jonge bruid op het opgerichte lid van Priapus plaatsten (De Civitate Dei, boek III, hoofdst. IX). Het begrip, dat blijkbaar aan deze geheele groep verschijnselen ten grondslag ligt, is, dat de godheid, of de vertegenwoordiger of zelfs alleen maar een beeld van de godheid in staat is, door een werkelijke of gesimuleerde daad van omgang op zijn aanbidster een deel van zijn eigen verheven verwekkende kracht over te dragen.
In een lateren tijd waren in Corinthe de prostituées nog de priesteressen van Venus, die min of meer nauw aan haar tempels verbonden waren, en zoolang dat het geval was, genoten zij een groote mate van achting. In dit stadium merken wij echter, dat de godsdienstige prostitutie nuttig kon wezen. Deze tempels bloeiden vooral in steden aan de zeekust, op eilanden, in groote steden, waar veel vreemdelingen en matrozen naar toe kwamen. De priesteressen van Cyprus brandden wierook op haar altaren en riepen haar gewaardeerde hulp in, maar terzelfder tijd spreekt Pindarus haar toe als "jonge meisjes, die vreemdelingen welkom heeten en hun gastvrijheid betoonen". Naast de godsdienstige beteekenis van de verwekkingsdaad begonnen de behoeften van mannen, die ver van huis waren, erkenning te vinden. De Babylonische vrouw was naar den tempel van Mylitta gegaan om een persoonlijken godsdienstigen plicht te vervullen; de Corinthische priesteres was begonnen te handelen als een erkende dienares van de sexueele behoeften van mannen in vreemde steden.
De gewoonte, die Herodotus in Lydië bij jonge meisjes opmerkte, dat zij prostituée werden om een huwelijksgift te verkrijgen, waarmee ze mochten doen wat ze wilden (boek 1, hoofdst. 93) kan zich zeer wel (zooals Frazer ook gelooft) uit de godsdienstige prostitutie ontwikkeld hebben; we kunnen inderdaad deze evolutie nasporen in Cyprus, waar in den tijd, toen Justinianus het eiland bezocht, het geld, dat de vreemdelingen aan de vrouwen gaven, niet langer op het altaar geplaatst werd, maar in een cassette werd gelegd, om een huwelijksgift voor haar te vormen. Dit is een gewoonte, die men kan vinden in Japan en verschillende andere deelen der wereld, vooral onder de Ouled-Nail van Algiers [134], en zij berusten niet noodzakelijk altijd op godsdienstige prostitutie; maar ze kan klaarblijkelijk niet bestaan dan onder volken, die niets onteerends zien in vrij sexueel verkeer met het doel om geld te verkrijgen, zoodat de dienst van Mylitta een natuurlijke basis ervoor vormde [135].
Toen een meer geestelijke opvatting van den godsdienst zich ontwikkelde, en toen de groei van de beschaving den sexueelen omgang van zijn geheiligden glans beroofde, werd de godsdienstige prostitutie in Griekenland langzamerhand afgeschaft, hoewel op de kusten van Klein-Azië zoowel de godsdienstige prostitutie als de prostitutie om een bruidsschat te verkrijgen bleef bestaan tot den tijd van Constantijn, die een eind maakte aan deze oude gewoonten [136]. Het bijgeloof was aan de zijde van de oude godsdienstige prostitutie; er werd geloofd, dat vrouwen, die nooit aan Aphrodite geofferd hadden, door lust verteerd werden, en volgens de legende door Ovidius vermeld--een legende, die schijnt te wijzen op een zeker antagonisme tusschen heilige en wereldsche prostitutie--was dit het geval met de vrouwen, die het eerst publieke prostituées werden. Het verval van de godsdienstige prostitutie, ongetwijfeld verbonden met de verlangens, die altijd ontstaan door den groei van de beschaving, leidde tot de eerste oprichting, door de legende aan Solon toegeschreven, van een publiek bordeel, een zuiver wereldsche instelling voor een zuiver wereldsch doel: het bewaren van de deugd van de algemeene bevolking en de vermeerdering der inkomsten van den staat. Met die instelling was de evolutie van de prostitutie, en van het moderne huwelijkssysteem waar ze een deel van uitmaakt, voltooid. Het Atheensche dikterion is het moderne bordeel; de dikteriade is de moderne, van staatswege gecontroleerde, prostituée. De vrije hetairae kwamen later ook wel, ontwikkelde vrouwen, die geen zweem in zich hadden van de dikterion, maar zij hadden evenmin eenig officieel aandeel in de publieke eeredienst [137]. De oorspronkelijke opvatting van de heiligheid van sexueelen omgang in dienst der godheid was geheel verloren gegaan.
Een tamelijk typisch voorbeeld van de toestanden, die onder natuurvolken bestaan, wordt gevonden in de Zuidzee-eilanden van Rotuma, "waar prostitutie voor geld of voor geschenken geheel onbekend was". Echtbreuk na het huwelijk was ook onbekend. Maar er was groote vrijheid in het vormen van sexueele verhoudingen vóor het huwelijk (J. Stanley Gardiner, Journal Anthropological Institute, Februari, 1898, p. 409). Ongeveer hetzelfde wordt gezegd van de Bantu Bambola uit Afrika (op. cit., Juli-December, 1905, p. 410).
Onder de oude Cymri uit Wales, die een meer gevorderd maatschappelijk stadium vertegenwoordigen, schijnt prostitutie niet geheel onbekend geweest te zijn, maar publieke prostitutie werd gestraft met het verlies van belangrijke voorrechten (R. B. Holt, "Marriage Laws and Customs of the Cymri", Journal Anthropological Institute, Augustus-November, 1898, pp. 161-163).
De prostitutie was zoo goed als onbekend in Burma, en ze werd als schandelijk beschouwd vóor de komst van de Engelschen en het voorbeeld van de moderne Hindoes. De zendelingen hebben zonder het te bedoelen, maar ontegenzeggelijk, den groei der prostitutie begunstigd, doordat ze vrije verbintenissen veroordeelden (Archives d'Anthropologie Criminelle, November, 1903, p. 720). De Engelschen brachten de prostitutie naar Indië. "Dat is niet speciaal de schuld van de Engelschen", zeide een Bramaan tot Jules Bois, "het is de fout van uw beschaving. Wij hebben nooit prostituées gehad. Ik bedoel met dat afschuwelijke woord de verdierlijkte dienaressen van de grove begeerte van den voorbijganger. Wij hadden en wij hebben nog, kasten van zangeressen en danseressen, die gehuwd worden aan boomen--ja, werkelijk aan boomen--door roerende ceremoniën, die uit den tijd der Veda's stammen; onze priesters zegenen haar en ontvangen veel geld van haar. Zij weigeren niet zich te geven aan hen, die haar liefhebben en die haar behagen. Koningen hebben haar rijk gemaakt. Zij vertegenwoordigen al de kunsten; zij zijn de zichtbare schoonheid van het heelal" (Jules Bois, Visions de l'Inde, p. 55).
Godsdienstige prostituées, mogen we er aan toevoegen, "die dienaressen der godheid", worden gevonden in Zuidelijk Indië en in den Deccan. Zij zijn van haar vroegste jaren aan haar heilig beroep toegewijd, en haar voornaamste bezigheid is te dansen voor het beeld van den god, met wien zij gehuwd zijn (hoewel in Opper-Indië dansmeisjes van beroep gehuwd worden aan levenlooze voorwerpen), maar zij worden er ook in geoefend de begeerten van de pelgrims, die den tempel bezoeken op te wekken en te bevredigen. Voor de verlovingsriten, waardoor in Indië geheiligde prostituées worden gewijd, zie men b.v. A. van Gennep, Rites de Passage, p. 142.
In vele deelen van West-Azië, waar het barbarisme een hoogen trap van ontwikkeling bereikt had, was de prostitutie niet onbekend, hoewel ze gewoonlijk niet goedgekeurd werd. De Hebreeërs wisten dit, en de historische bijbelsche verwijzingen naar prostituées geven weinig blijk van afkeuring. Jephta was het kind van een prostituée; hij werd opgevoed met de wettige kinderen, en de geschiedenis van Tamar is leerzaam. Maar de wetten waren uiterst streng jegens de Joodsche meisjes, die prostituées werden (de fout was volkomen vergefelijk bij vreemde vrouwen), terwijl Hebreeuwsche moralisten hun scherpe aanvallen richtten op de prostitutie; het is voldoende een bekende passage uit het boek der Spreuken aan te halen (zie art. "Harlot", door Cheyne, in de Encyclopaedia Biblica). Mohammed veroordeelde de prostitutie ook streng, hoewel hij er in slavinnen wat meer verdraagzaam voor was; volgens Haleby was de prostitutie echter bij den Islam zoo goed als onbekend in de eerste eeuwen na den tijd van den profeet.
De Perzische aanhangers van de eenigszins ascetische Zendavesta kenden ook de prostitutie, en beschouwden ze met afkeer: "Het is de Gahi (de courtisane, als een incarnatie van de vrouwelijke duivel, Gahi), O Spitama Zarathustra! die in zich verenigt het zaad van den getrouwe en den trouwelooze, van den vereerder van Mazda en den vereerder van Dewa, van den slechte en den rechtvaardige. Haar blik doet een derde van de machtige wateren, die van de bergen stroomen opdrogen, o Zarathustra! haar blik doet een derde van de schoone goudkleurige, groeiende planten verdorren, o Zarathustra; haar blik verdroogt een derde van de kracht van Spenta Armaiti (de aarde); en haar aanraking doet in den getrouwe twee derde verdorren van zijn goede gedachten, van zijn goede woorden, van zijn goede daden, een derde van zijn kracht, van zijn macht tot overwinnen, van zijn heiligheid. Waarlijk ik zeg U O Spitama Zarathustra! zulke schepsels moesten gedood worden eerder nog dan kruipende slangen, dan huilende wolven, dan de wolvin, die de kudde aanvalt, of dan de kikvorsch, die met haar duizendvoudig broedsel het water verontreinigt" (Zend-Avesta, the Vendidad vertaald door James Darmester, Farfad XVIII).
In de praktijk is de prostitutie in het moderne Oosten echter goed geregeld. De bordeelen, die in de Tartaarsch-Turksche streek liggen buiten de buurten, die door de Christenen druk bezocht worden, zijn beschreven door een schrijver, die goed ingelicht schijnt te zijn ("Orientalische Prostitution", Geschlecht und Gesellschaft, 1907, deel II, afl. 1). Deze huizen worden niet beschouwd als immoreel of verboden, maar als plaatsen, waar de bezoeker een vrouw zal vinden, die hem voor een paar uur de illusie geeft van in zijn eigen huis te zijn, met het genoegen haar gezangen, dansen en voordrachten te genieten, en ten slotte ook haar lichaam. Betaling geschiedt aan de deur, en er ontstaat later geen enkele geldkwestie meer; de bezoeker is van het oogenblik af dat hij binnentreedt onder vrienden, bijna alsof hij in zijn eigen familie was. Hij behandelt de prostituée bijna alsof zij zijn vrouw was, en geen ongepastheden of ruwheid van spreken valt er voor. "Er is geen obsceniteit in het Oostersche bordeel". En tevens is er geen kunstmatig gehuichelde onschuld.
In Oost-Azië, onder de volken van Mongoolschen oorsprong, vooral in China, vinden we de prostitutie flink geregeld en georganiseerd op een praktische zakelijke basis. Prostitutie wordt hier geaccepteerd en niet beschouwd met een specialen tegenzin, maar de prostituée wordt niettemin met verachting behandeld. Jonge kinderen worden dikwijls verkocht om opgevoed te worden voor een leven van prostitutie, en worden van de wereld afgesloten gehouden. Ook jonge weduwen (daar wederhuwen niet goed gevonden wordt) vervallen dikwijls tot een leven van prostitutie. Chineesche prostituées sterven dikwijls door opium en de verwoestingen van syphilis (zie b.v. Coltman's The Chinese, 1900, hoofdst. VII). In het oude China zegt men, dat de prostituées een superieure klasse waren en een positie innamen, die eenigszins geleek op die van de hetaren in Griekenland. Zelfs in het moderne China echter, waar zij zeer talrijk zijn, en waar de bloemen-booten waarin zij in steden bij de zee gewoonlijk wonen zeer weelderig zijn, is het volgens sommige schrijvers voornamelijk voor amusement, dat men haar opzoekt. Tschang, militair attaché in Parijs (zooals aangehaald wordt door Ploss en Bartels) beschrijft de bloemen-boot als minder overeenkomende met het Europeesch bordeel, dan met een café chantant; de jonge Chinees komt hier voor muziek, voor thee, voor aangename conversatie met de bloemenmeisjes, die geenszins noodzakelijk geroepen zijn de lusten van haar bezoekers te bevredigen.
In Japan is het lot van de prostituées niet zoo treurig als in China. De grootere verfijning van de Japansche beschaving maakt, dat de prostituée een grootere mate van gevoel van eigenwaarde kan behouden. Zij wordt dikwijls met medelijden beschouwd, maar niet altijd met minachting. Zij kan openlijk met mannen omgaan, kan ten slotte trouwen, zelfs met een man van goeden maatschappelijken stand, en wordt dan dikwijls een ordelijke vrouw. "Toen ik den vorigen winter van Tokio naar Yokohama reed", merkt Coltman op (op. cit., p. 113), "zag ik een gezelschap van vier jonge mannen en drie heel aardige en vroolijk getooide prostituées, die in denzelfden wagen zaten en veel pleizier hadden. Zij hadden twee of drie flesschen met verschillende likeuren bij zich, sinaasappelen en koekjes en zij aten en dronken en zongen, maakten samen grappen en dartelden als jonge poesjes. Je kunt het geheele Chineesche rijk doorreizen zonder ooit zulk een tooneel te zien". Toch blijkt uit de geschiedenis van de Japansche prostituées (die beschreven is in een belangwekkend en betrouwbaar boek, The Nightless City, door een Engelsch student in de sociologie, die anoniem blijft), dat de prostitutie in Japan niet alleen streng gecontroleerd, maar dat er in ruimen kring op neergekeken wordt, en dat de Japansche prostituées dikwijls veel te lijden hebben gehad; zij waren op een tijd zoo goed als slavinnen en werden dikwijls zeer hard behandeld. Zij zijn nu vrij, en iedere behandeling, die de slavernij nadert wordt streng gestraft en tegengegaan. Het schijnt echter, dat de beste dagen voor de Japansche prostitutie eenige eeuwen geleden zijn geweest. Tot het midden van de achttiende eeuw waren Japansche prostituées zeer ver in zingen, dansen, muziek, enz. Omstreeks dezen tijd schijnen zij echter in de maatschappelijke achting gedaald te zijn; ook waren ze niet meer welopgevoed. Maar ook tegenwoordig nog, zegt Matignon ("La Prostitution au Japon", Archives d'Anthropologie Criminelle, October 1906) brengt de prostitutie in Japan minder eerloosheid mee dan in Europa, terwijl er tevens minder immoraliteit in Japan is, dan in Europa. Hoewel de prostitutie georganiseerd is evenals de post- of de telegraafdienst, is er toch ook veel geheime prostitutie. De wijken waar prostituées wonen zijn zindelijk, mooi en goed onderhouden, maar de Japansche prostituées hebben veel van haar oorspronkelijken goeden smaak in haar toilet verloren, doordat ze trachten Europeesche modes na te bootsen. Het was toen de prostitutie twee eeuwen geleden in verval begon te geraken, dat de geisha's voor het eerst optraden en zoo georganiseerd waren, dat zij zoo mogelijk niet als prostituées zouden wedijveren met de erkende en gepatenteerde bewoonsters van de Yoshiwara, het stadsdeel, dat de prostituées bewonen. De geisha's zijn natuurlijk geen prostituées, hoewel haar deugd misschien niet altijd onoverwinlijk is; in haar maatschappelijke positie komen zij overeen met de actrices in Europa.
In Korea, in ieder geval vóór Korea in handen der Japanners viel, scheen het wel, dat er geen onderscheid was tusschen de klasse der dansmeisjes en der prostituées. "Onder de courtisanes", zegt Angus Hamilton, "worden de geestelijke gaven geoefend en ontwikkeld met de bedoeling haar tot schitterende en onderhoudende gezellinnen te maken. Deze "bladen van zonlicht" worden gisaing genoemd en komen overeen met de geisha's van Japan. Officieel zijn zij aan het gouvernement verbonden; zij worden gecontroleerd door een eigen bureau, dat zij deelen met de leden van de hofkapel. Zij kleeden zich met buitengewonen smaak; zij bewegen zich met zeer groote bevalligheid; zij zijn teer van uiterlijk, zeer tenger en zeer zacht, zeer lief, vol sympathie en vol verbeeldingskracht". Maar hoewel ze zeker de mooiste vrouwen in Korea zijn, in de hoogste kringen der maatschappij zich bewegen, en maîtressen van den Keizer zouden kunnen worden, wordt haar niet toegestaan met mannen van goeden stand te huwen (Angus Hamilton, Korea, p. 52).