De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 3

Chapter 33,213 wordsPublic domain

In Engeland--dat uit een maatschappelijk oogpunt niet in zoo veel slechter toestand verkeert dan de meeste landen, want in Oostenrijk en Rusland is de kindersterfte nog hooger, hoewel ze in Australië en Nieuw-Zeeland veel lager is, maar toch nog buitensporig--komt jaarlijks meer dan een vierde van alle sterfgevallen van kinderen onder het jaar voor. Naar de meening van de medische ambtenaren van den gezondheidsdienst, die het best in de gelegenheid zijn om een opinie te vormen, hadden ongeveer de helft van deze sterfgevallen, in het ruwe berekend, absoluut voorkomen kunnen worden. Bovendien is het twijfelachtig of er een werkelijk dalende beweging is in deze sterfte; in de laatste halve eeuw is zij nu eens gestegen en dan weer gedaald, en hoewel in de paar laatste jaren de algemeene beweging van de kindersterfte voor kinderen onder de vijf jaar in Engeland en Wales een neiging getoond heeft om af te nemen, steeg in Londen (volgens J. F. J. Sykes, ofschoon Sir Shirley Murphy getracht heeft de beteekenis van deze cijfers te verminderen) de kindersterfte voor de drie eerste levensmaanden van 69 per duizend in het tijdverloop 1888-1892 tot 75 per duizend van 1898-1901. (Dit heeft, dat moeten we bedenken, betrekking op de periode vóór het invoeren van de wet op het kennisgeven van geboorten). In ieder geval is er, hoewel de algemeene sterfte een bepaalde neiging toont tot verbetering, zeker geen naar evenredigheid daarmee overeenkomende verbetering in de kindersterfte. Dit kan ternauwernood verwondering wekken, als wij ons voor oogen stellen, dat er geen verandering ten goede, maar eerder ten kwade, geweest is in de omstandigheden waaronder onze kinderen worden geboren en opgevoed. Zoo zegt William Hall (British Medical Journal, October 14, 1905), die een grondige kennis had, loopende over 56 jaar, van de achterbuurten van Leeds, en die verscheiden duizenden van achterbuurtkinderen gewogen en gemeten heeft, behalve dat hij meer dan 120.000 jongens en meisjes onderzocht heeft op hun geschiktheid voor fabrieksarbeid, dat "vijftig jaar geleden de moeder uit de achterbuurt veel verstandiger, zindelijker, huiselijker en moederlijker was dan zij nu is; zij was zelf beter gevoed en zij zoogde bijna altijd haar kinderen en na het speenen kregen zij meer voedzaam, beenderenvormend voedsel, en zij was in staat thuis gezonder voedsel klaar te maken". Het systeem van leerplicht heeft een ongelukkigen invloed uitgeoefend door den ouders een dwang op te leggen waardoor de toestanden van het tehuis slechter werden. Want, hoe uitstekend onderwijs is, het is niet de eerste levensbehoefte en het is verplichtend gemaakt, voordat de meer essentieele dingen van het leven even verplichtend gemaakt zijn. Hoe volkomen onnoodig deze groote sterfte is, kan blijken zonder dat we het goede voorbeeld van Australië en Nieuw-Zeeland noemen, wanneer wij slechts kleine Engelsche steden vergelijken: terwijl in Guildford de kindersterfte 65 per duizend is, is het in Burslem 205 per duizend.

Somtijds wordt gezegd, dat kindersterfte een economische kwestie is en dat ze zou ophouden te bestaan met loonsverbetering. Dit is alleen waar tot zekere hoogte en onder bepaalde voorwaarden. In Australië is geen nijpende armoede, maar het aantal sterfgevallen van kinderen onder het jaar is nog tusschen de 80 en 90 per duizend, en een derde van deze sterfte is volgens Hooper (British Medical Journal, 1908, vol II, p. 289) gemakkelijk te vermijden omdat ze voortkomt uit de onwetendheid van de moeders en den tegenzin in het zoogen. De loonarbeid van getrouwde vrouwen vermindert zeer de armoede van een familie, maar niets kan slechter zijn voor het welzijn van de vrouw als moeder, of voor het welzijn van haar kind. Reid, de medische ambtenaar van den gezondheidsdienst voor Staffordshire, waar twee groote centra zijn van werkmansbevolking met dezelfde gezondheidsvoorwaarden, heeft aangetoond, dat in het Noordelijk centrum, waar een groot aantal vrouwen in fabrieken werkt, ontijdige geboorten driemaal zooveel voorkomen als in het Zuidelijk centrum, waar feitelijk geen beroepsloonarbeid voor vrouwen is; de veelvuldigheid van abnormaliteiten is ook in dezelfde verhouding. De voorrang van Joodsche boven Christenkinderen en hun geringere kindersterfte, schijnen geheel te berusten op het feit dat Jodinnen betere moeders zijn. "De Joodsche kinderen in de achterbuurten", zegt William Hall (British Medical Journal, October 14, 1905), een man van ruime en nauwkeurige kennis, "waren beter in gewicht, wat hun tanden betreft en in algemeene lichamelijke ontwikkeling, en zij schenen minder vatbaar te zijn voor besmettelijke ziekten. Toch woonden deze Joden in overvolle woningen, zij namen weinig beweging, en de ongezondheid van hun omgeving was in het oog vallend. De kwestie was, dat hun kinderen veel beter gevoed waren. De zwangere Jodin werd beter verzorgd en voedde ongetwijfeld den foetus beter. Nadat de kinderen geboren waren, kregen 90 percent borstvoeding en later in hun jeugd kregen zij overvloedig beenderenvormend voedsel; eieren en olie, visch, versche groenten en vruchten namen een groote plaats in in hun diëet". G. Newman, legt in zijn belangrijk en groot boek over "kindersterfte" den nadruk op het besluit dat wij "allereerst moeten hebben een hooger standaard van physiek moederschap." Het probleem van kindersterfte, verklaart hij (bladz. 259), is er niet een alleen van hygiëne, van huisvesting, of zelfs van armoede als zoodanig, "maar het is voornamelijk een kwestie van moederschap".

De voornaamste behoefte van de zwangere vrouw is rust. Zonder een groote mate van rust voor de moeder kan er geen puericultuur zijn [5].

De taak een mensch te scheppen neemt al de beste krachten van een vrouw in beslag, vooral gedurende de laatste drie maanden vóor de geboorte. Zij kan niet ondergeschikt gemaakt worden aan de belasting, die er op de krachten gelegd wordt door handenarbeid of geestelijken arbeid, of zelfs door ingespannen maatschappelijke plichten en vermaken. De talrijke proeven en waarnemingen, die in de laatste jaren gedaan zijn in de inrichtingen voor kraamvrouwen, voornamelijk in Frankrijk, hebben afdoende aangetoond, dat niet alleen het tegenwoordige en toekomstige welzijn van de moeder en het gemak van haar bevalling, maar ook het lot van het kind, een zeer grooten invloed ondervinden van rust gedurende de laatste maand van haar zwangerschap. "Iedere arbeidster heeft aanspraak op rust gedurende de laatste drie maanden van haar zwangerschap". Dit besluit werd aangenomen door het Internationale Congres voor Hygiëne in 1900, maar het kan niet in de praktijk uitgevoerd worden dan door samenwerking van de geheele gemeenschap. Want het is niet genoeg te zeggen, dat een vrouw rust moet hebben tijdens de zwangerschap; het is de taak van de gemeenschap te zorgen, dat die rust behoorlijk verzekerd wordt. De vrouw zelf, en haar werkgever, daar kunnen we zeker van zijn, zullen hun best doen de gemeenschap te bedriegen, maar het is de gemeenschap, die schade lijdt, zoowel economisch als moreel, als een vrouw minderwaardige kinderen ter wereld brengt en de gemeenschap moet, in haar eigen belang zoowel werkgever als werkneemster controleeren. Wij kunnen niet langer laten zeggen, met de woorden van Bouchacourt, dat "tegenwoordig het schuim van het menschengeslacht--de blinden, de doofstommen, gedegenereerden, nerveuzen, misdadigers, idioten, zwakzinnigen, crétins en epileptici--beter beschermd worden dan de zwangere vrouwen" [6].

Pinard, die altijd geëerd moet worden als een van de stichters van de eugeniek, heeft, tezamen met zijn leerlingen, veel gedaan om den weg te bereiden voor het aannemen van dit eenvoudig, maar belangrijk axioma, door de gronden duidelijk te maken, waarop het berust. Uit lang voortgezette waarnemingen op zwangere vrouwen van alle standen, heeft Pinard de conclusie getrokken, dat vrouwen, die tijdens de zwangerschap rusten, betere kinderen hebben dan vrouwen, die niet rusten. Afgezien van de meer algemeene nadeelen van werk tijdens de zwangerschap, bevond Pinard dat het, gedurende de laatste maanden, een neiging had om de baarmoeder naar beneden te drukken in het bekken, en zoo de ontijdige geboorte te veroorzaken van onvoldragen kinderen; terwijl de weeën moeilijker en gevaarlijker gemaakt werden (zie bv. Pinard, Gazette des Hôpitaux, Nov. 28, 1895, en van denzelfden schrijver Annales de Gynécologie, Aug. 1898).

Letourneux heeft de vraag bestudeerd of rust tijdens de zwangerschap noodig is voor vrouwen, wier beroepsarbeid maar weinig vermoeiend is. Hij onderzocht 732 opeenvolgende bevallingen in de Clinique Baudeloque in Parijs. Hij bevond, dat 137 vrouwen, die vermoeiende bezigheden hadden (dienstboden, keukenmeiden, enz.) en die niet rustten tijdens de zwangerschap, kinderen voortbrachten van een gemiddeld gewicht van 3.081 gram; 115 vrouwen, die maar weinig vermoeiende bezigheden hadden (naaisters, modisten, enz.) en die ook niet rustten tijdens de zwangerschap, kinderen hadden van een gemiddeld gewicht van 3.130 gram; een klein verschil, maar toch van beteekenis, omdat de vrouwen van de eerste groep groot waren en sterk, terwijl die van de tweede groep teer en rank gebouwd waren. En weer, bij het vergelijken van groepen vrouwen, die tijdens de zwangerschap rustten, werd bevonden, dat de vrouwen, die gewend waren aan vermoeiend werk, kinderen hadden met een gemiddeld gewicht van 3.319 gram, terwijl zij, die gewend waren aan minder vermoeiend werk, kinderen hadden met een gemiddeld gewicht van 3.318 gram. Het verschil tusschen rust en geen rust is dus aanmerkelijk, daar het ook zware vrouwen, die vermoeiende bezigheden hebben, in staat stelt de teerder vrouwen, die minder vermoeiende bezigheden hebben, in te halen, niet ze te overtreffen. Wij zien ook, dat zelfs bij de betrekkelijk weinig vermoeiende bezigheden van modistes enz., rust tijdens de zwangerschap toch van belang blijft, en niet veilig gemist kan worden. "De maatschappij", zegt Letourneux, "moet rust verzekeren aan vrouwen, die niet in gunstige omstandigheden verkeeren, tijdens een deel van de zwangerschap. De kosten daarvan zal zij terugbetaald krijgen door de vermeerderde kracht van de aldus geboren kinderen" (Letourneux, "De l'Influence de la Profession de la Mère sur le Poids de l'Enfant", Thèse de Paris, 1897).

Dr. Dweira-Bernson ("Revue Pratique d'Obstétrique et de Pédiatrie," 1903, p. 370), vergeleek vier groepen van zwangere vrouwen (dienstboden met zwaar werk, met licht werk, boerenmeisjes, naaisters) die drie maanden lang rustten voor de bevalling, met vier evenzoo samengestelde groepen, die geen rust namen voor de bevalling. In iedere groep bevond hij, dat het verschil in het gemiddelde gewicht van het kind was bepaald ten gunste van de vrouwen, die gerust hadden en het was opmerkelijk, dat het grootste verschil werd bevonden in het geval van de boerenmeisjes, die waarschijnlijk de sterkste waren, die ook het hardst werkten.

De gewone duur der zwangerschap varieert tusschen 274 en 280 dagen (of 280 tot 290 dagen na de laatste menstruatie), en soms een paar dagen langer, hoewel men het niet eens is over den uitersten grens, die sommige autoriteiten zouden willen uitstrekken tot 300 dagen (Pinard in Richet's Dictionaire de Phisiologie, deel VII pp. 150-162; Taylor, Medical Jurisprudence, 5de uitgave, pp. 44, 98 en volgende; L. M. Allen, "Prolonged Gestation", American Journal Obstetrics, April 1907). Het is mogelijk, zooals Müller opperde in 1898 in een Thèse de Nancy, dat de beschaving de neiging heeft den duur der zwangerschap te verkorten en dat die in vroeger tijden langer was dan hij nu is. Zulk een neiging tot vroege geboorte onder de opwindende zenuwachtige invloeden van de beschaving zou dan overeenkomen, zooals Bouchacourt aangetoond heeft (La Grossesse, p. 113), met eenzelfde uitwerking op huisdieren. De sterke vrouw van het land verandert in de sierlijker, maar ook teerder vrouw van de stad, die eene mate van zorg en hygiëne noodig heeft, die de vrouw van het land met haar zenuwstelsel met meer weerstandsvermogen tot zekere hoogte ontberen kan, hoewel zelfs zij, zooals wij zien, schade lijdt in de persoon van haar kind, en waarschijnlijk in haar eigen persoon door de gevolgen van het werken tijdens de zwangerschap. De ernstige aard van deze neiging der beschaving tot vroege geboorte--waarvan gebrek aan rust in de zwangerschap echter maar een van de vele belangrijke oorzaken is--blijkt uit het feit dat Séropian (Fréquence Comparée des Causes de l'Accouchement Prématuré, Thèse de Paris, 1907) bevond, dat omstreeks een derde van de geboorten in Frankrijk (32.28 percent) in meerdere of mindere mate te vroeg zijn. Zwangerschap is geen ziektetoestand; integendeel, is een zwangere vrouw op het hoogtepunt van haar meest normale physiologische leven, maar tengevolge van de spanning, die er door veroorzaakt wordt, is zij er bijzonder aan onderhevig te lijden door iederen kleinen schok of druk.

Men moet opmerken, dat de verhoogde neiging tot ontijdige geboorte, terwijl zij gedeeltelijk mag berusten op algemeene neigingen der beschaving, ook voor een deel berust op zeer bepaalde oorzaken, die zeer goed te vermijden zijn. Syphilis, alcoholisme en pogingen om miskraam op te wekken, behooren onder de niet ongewone oorzaken van ontijdige geboorte (zie bv. G. F. Mc. Cleary, "The Influence of Antenatal Conditions on Infantile Mortality", British Medical Journal, Aug. 13, 1904).

Ontijdige geboorte moet vermeden worden, omdat het kind, dat te vroeg geboren is, onvoldoende is toegerust voor de taak, die voor hem ligt. Astengo bevond bij bijna 19.000 gevallen in het Lariboisière Hospital in Parijs en in de Maternité, dat, gerekend van den datum der laatste menstruatie, er een directe verhouding is tusschen het gewicht van het kind bij de geboorte en den duur der zwangerschap. Hoe langer de zwangerschap, des te beter het kind (Astengo, Rapport du Poids des Enfants à la Durée de la Grossesse, Thèse de Paris, 1905).

Ontijdige geboorten komen waarschijnlijk in Engeland evenveel voor als in Frankrijk. Ballantyne zegt (Manual of Antenatal Pathology; The Foetus p. 456) dat men voor praktische doeleinden de veelvuldigheid van ontijdige weeën in kraaminrichtingen kan stellen op 20 percent, maar dat, als alle kinderen, die minder wegen dan 3 KG. beschouwd moeten worden als ontijdig geboren, dit stijgt tot 41.5 percent. Dat het aantal ontijdige geboorten toeneemt in Engeland schijnt te blijken uit het feit, dat gedurende de laatste 25 jaar er een voortdurende toename is in de sterfte door ontijdige geboorte. Mc. Cleary, die dit punt bespreekt en die de toename als werkelijk bestaand beschouwt, komt tot het besluit, dat het schijnt, of er een vermindering is in de qualiteit, zoowel als in de quantiteit van onze kinderproductie. Zie ook een discussie, ingeleid door Dawson Williams, over "Physical Deterioration", British Medical Journal, Oct. 14, 1905.

Er behoeft nauwelijks op gewezen te worden, dat niet alleen onrijpheid een oorzaak is van ontaarding in de kinderen die blijven leven, maar dat deze alleen reeds er toe bijdraagt om het aantal der kinderen te verminderen die in het leven blijven. Zoo zegt Newman, (l.c.) dat in de meeste Engelsche stadsdistricten ontijdige geboorte de voornaamste oorzaak is van sterfte onder de zuigelingen en dat omstreeks 30 percent van de sterfgevallen van zuigelingen er onder gebracht kunnen worden; zelfs in Londen (Islington) bevindt Alfred Harris (British Medical Journal, Dec. 14, 1907) dat bijna 17 percent van de sterfgevallen van zuigelingen er toe gerekend kunnen worden. Newman meent, dat ongeveer de helft der moeders van kinderen, die sterven door ontijdige geboorte, gedecideerd ziek zijn of onvoldoende gevoed; zij zijn daarom niet geschikt om moeder te worden.

Rust tijdens de zwangerschap is een machtig voorbehoedmiddel tegen ontijdige geboorten. Zoo vergeleek Dr. Sarraute-Lourié 1.550 zwangere vrouwen in het Asile Michelet, die rust hadden vóor de bevalling met 1.550 kraamvrouwen in het Hôpital Lariboisière, die niet zoo'n rustperiode gehad hadden. Zij bevond, dat de gemiddelde duur der zwangerschap tenminste twintig dagen korter was in de laatste groep. (Mme Sarraute-Lourié, De l'Influence du Repos sur la Durée de la Gestation, Thèse de Paris, 1899).

Leyboff heeft aangedrongen op de absolute noodzakelijkheid van rust tijdens de zwangerschap, zoowel ter wille van de vrouw zelf als van den last, dien zij draagt, en hij toont de slechte resultaten aan, die volgen als de rust is verwaarloosd. Reizen per spoor, paardrijden, fietsen en zeereizen kunnen, naar Leyboff meent, ook nadeelig zijn aan het verloop van de zwangerschap. Leyboff erkent de moeilijkheden, waar zwangere vrouwen door de tegenwoordige toestanden in de industrie, onder lijden en komt tot het besluit, "dat het dringend noodig is vrouwen bij de wet te verhinderen gedurende de drie laatste maanden der zwangerschap te werken; dat er in ieder district een moederschapfonds moest wezen; dat gedurende dezen verplichten rusttijd een vrouw hetzelfde salaris moest ontvangen als wanneer zij werkt". Hij voegt er aan toe, dat kinderen van ongehuwde moeders moesten worden verzorgd door den Staat, dat er een acht-urige werkdag moest zijn voor alle arbeiders en dat geen kinderen onder de zestien jaar verlof mochten hebben om te werken. (E. Leyboff, L'Hygiène de la Grossesse, Thèse de Paris, 1905).

Perruc zegt dat een rust van tenminste twee maanden vóor de bevalling verplichtend moest worden gesteld, en dat de vrouw gedurende dien tijd een schadeloosstelling moest ontvangen van Staatswege. Hij meent, dat die den vorm zou moeten aannemen van verplichte verzekering en dat de arbeidster, de werkgever en de Staat er gelijkelijk voor moesten bijdragen (Perruc, Assistance aux Femmes Enceintes, Thèse de Paris, 1905).

Waarschijnlijk heeft werk gedurende de eerste maanden van de zwangerschap, als het niet buitensporig zwaar en vermoeiend is, weinig of geen slechten invloed; zoo bevond Bacchimont (Documents pour servir à l'Histoire de la Puériculture Intra-utérine, Thèse de Paris, 1898) dat, terwijl er een groote toename was in gewicht van kinderen van moeders, die drie maanden gerust hadden, er geen overeenkomstige toename was in de kinderen van die moeders, die langeren tijd gerust hadden. Gedurende de laatste drie maanden wordt vrijheid, rust, het ophouden van de verplichtende routine van een beroep noodig. Dit is de meening van Pinard, de voornaamste autoriteit in deze zaak. Velen echter, vreezende dat economische en industrieele voorwaarden zoo'n langen rusttijd praktisch tè moeilijk te bereiken zullen maken, zijn met Clappier en G. Newman tevreden met twee maanden als minimum te eischen; Salvat vraagt maar een maand rust vóor de bevalling, terwijl de vrouw, of zij getrouwd is of niet, dan een schadeloosstelling in geld zal krijgen gedurende dezen tijd en kosteloos geneeskundige hulp en medicijnen. Ballantyne (Manual of Antenatal Pathology: The Foetus, p. 475), zoowel als Niven, vragen slechts éen maand verplichte rust gedurende de zwangerschap met schadeloosstelling Arthur Helme echter overziet meer alle factoren van het probleem en komt in een belangrijk geschrift over "The Unborn Child: Its Care and Its Rights" (British Medical Journal, Aug. 24, 1907) tot het besluit: "Dat, waar het op aankomt, zou zijn zwangere vrouwen geheel te verhinderen naar haar werk te gaan en het komt er evenzeer op aan van het standpunt van het kind, dat dit verbod zich zoowel over de eerste als over de laatste maanden van de zwangerschap moet uitstrekken."

In Engeland is tot nog toe weinig vooruitgang gekomen met betrekking tot deze vraag van rust tijdens de zwangerschap, zelfs niet in het veranderen van de publieke opinie. Sir William Sinclair, professor in de verloskunde aan de Victoria University in Manchester, heeft uitgegeven (1907) A Plea for Establishing Municipal Maternity Homes. Ballantyne, een groot Engelsch autoriteit op het gebied van de embryologie van het kind, heeft uitgegeven een "Plea for a Pre-Maternity Hospital" (British Medical Journal, Jan. 11, 1908), en heeft de kwestie verder besproken in zijn Manual of Antenatal Pathology: The Foetus (Hoofdst. XXVII); hij stelt echter meer belang in het oprichten van ziekenhuizen voor de ziekten der zwangerschap dan in de meeromvattende en meer fundamenteele kwestie van rust voor alle zwangere vrouwen. In Engeland zijn wel is waar een paar inrichtingen welke ongehuwde vrouwen opnemen, die een getuigschrift hebben van goed gedrag en die voor de eerste maal zwanger zijn, want, zooals Bouchacourt opmerkt, verzetten Engelsche vooroordeelen zich tegen ieder medelijden, betoond aan vrouwen, die recidivisten zijn in de misdaad der conceptie.