De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 28
Als wij de diepe en suggestieve studie van Freud over het probleem van sexueele abstinentie met betrekking tot de "beschaafde" sexueele moraal raadplegen, dan vinden we, dat, hoewel hij geen melding maakt van de analogie met het onthouden van voedsel, zijn woorden voor het grootste gedeelte gelijkelijk toepasselijk zouden zijn op beide gevallen. "De taak, een zoo machtig instinct als de sexueele impuls ten onder te brengen, anders dan door bevrediging", schrijft hij, "is er een, die de geheele kracht van een mensch verbruikt. Onderwerping door sublimeeren, door de sexueele krachten op hoogere paden van beschaving te leiden, kan misschien aan een minderheid gelukken, en zelfs aan deze alleen maar voor een tijd, het minst gemakkelijk in de jaren van vurige jeugdenergie. De meerderheid wordt neurotisch of komt op andere wijze in moeilijkheden. De ondervinding leert, dat het meerendeel van de "beschaafde" menschen door hun gestel niet opgewassen zijn tegen de taak der abstinentie. Wij zeggen wel, dat de strijd met dezen machtigen aandrang, en de nadruk die deze strijd legt op de ethische en æsthetische krachten in de ziel, het zieleleven, het karakter "staalt", en voor eenige gunstig aangelegde naturen is dit waar; we moeten ook erkennen, dat het verschil in individueel karakter, dat zoo uitgesproken is in onzen tijd, alleen mogelijk wordt door sexueele beperkingen. Maar in verreweg de meeste gevallen verbruikt de strijd met de zinnelijkheid al de beschikbare kracht van het karakter, en dit juist op den tijd, dat de jonge man al zijn kracht noodig heeft om zich een plaats in de wereld te veroveren" [95].
Als wij het probleem op deze negatieve basis van abstinentie geplaatst hebben, dan is het moeilijk in te zien hoe we de juistheid van Freud's conclusies kunnen betwisten. Zij gelden evenzeer voor onthouding van voedsel als voor onthouding van sexueele liefde. Als wij het probleem op een meer positieve basis plaatsen, en als we in staat zijn de meer actieve en vruchtbare motieven van ascetisme en kuischheid op te roepen, dan is deze ongelukkige strijd tegen een natuurlijken aandrang veroordeeld. Als kuischheid een ideaal is van het harmonieuze spel van al de organische impulsen van ziel en lichaam, als ascetisme eigenlijk is het athletisch streven naar een waardig doel, dat, voor een tijd, een onverschilligheid veroorzaakt voor het bevredigen van de sexueele impulsen, dan staan wij op gezonden en natuurlijken grond en wordt er geen energie verspild in een vruchteloos streven naar een negatief doel, hetzij dit kunstmatig van buiten af opgelegd is, zooals gewoonlijk, of dat het vrijwillig gekozen is door het individu zelf.
Want er is in werkelijkheid geen volkomen analogie tusschen sexueel verlangen en honger, tusschen abstinentie van sexueele verhoudingen en abstinentie van voedsel. Als we ze beide op de basis plaatsen van abstinentie, dan plaatsen we ze op een basis, die past voor de impuls voor sexueele liefde. Wij kunnen geen genoegen verschaffen en geen dienst bewijzen aan ons voedsel, als wij het eten. Maar de helft van sexueele liefde, misschien de meest belangrijke en veredelende helft, ligt in wat wij geven en niet in wat wij nemen. Als we deze kwestie terugbrengen tot het lage niveau van abstinentie, dan leggen we het zwaartepunt ervan niet alleen in een negatieve ontkenning, maar we maken er een kwestie van, die alleen ons zelf raakt. In plaats van te vragen: Hoe kan ik vreugde en kracht geven aan iemand anders? vragen we alleen: Hoe kan ik louter mijn deugd bewaren?
Daarom is het, dat, van welk gezichtspunt we de kwestie ook beschouwen,--hetzij met betrekking tot de in het oog springende tegenspraak, welke er is tusschen de autoriteiten, die deze kwestie besproken hebben, of van het door elkaar halen hier van moreele en physiologische overwegingen, of van het enkel negatieve en onnatuurlijke karakter van de "deugd", die zoo ingesteld wordt, of in het mislukken, dat er in opgesloten ligt, van alle pogingen om de veredelende, altruïstische en wederkeerige zijde van sexueele liefde te vatten,--van welk standpunt wij het probleem van "sexueele abstinentie" ook naderen, we moeten overeenkomen dit alleen te doen onder protest.
Als wij dan besluiten het onderwerp nader te onderzoeken, en tot de overtuiging gekomen zijn--aan welke wij, met het oog op al het bewijsmateriaal nauwelijks ontkomen kunnen--dat, terwijl sexueele abstinentie, in zoover ze als mogelijk erkend kan worden, niet onbestaanbaar is met gezondheid, er toch vele volwassenen zijn, voor wie ze schadelijk is, en een nog veel grooter aantal voor wie ze, als ze lang aanhoudt, ongewenscht is, stuiten we op een ernstig probleem. Het is een probleem, waar ieder mensch tegenover komt te staan, en vooral de medicus die geroepen kan worden in deze zaak ambtelijk raad te geven aan zijn medemenschen. Als sexueele verhoudingen soms wenschelijk zijn voor ongehuwde of gehuwde personen, die om de een of andere reden van de huwelijksvereeniging uitgesloten zijn, is een dokter dan gerechtigd zulke sexueele verhoudingen aan zijn patient aan te raden? Dit is een vraag, die dikwijls besproken en in tegenovergestelden zin beantwoord is.
Verschillende beroemde medici, vooral in Duitschland, hebben het voor den plicht van den dokter verklaard sexueelen omgang aan zijn patient aan te bevelen, telkens als hij dit noodig acht. Gyurkovechky, bij voorbeeld, heeft deze kwestie uitvoerig behandeld, en ze bevestigend beantwoord. Nyström (Sexual-Probleme, July, 1908, p. 413) zegt, dat het de plicht van den medicus is, in sommige gevallen van sexueele zwakte, als alle andere behandelingsmethoden gefaald hebben, sexueelen omgang als het beste geneesmiddel aan te bevelen. Dr. Max Marcuse acht het den onvoorwaardelijken plicht van den dokter, sexueelen omgang in sommige gevallen aan te raden, zoowel aan mannen als aan vrouwen, en heeft bij vele gelegenheden in dezen geest gesproken (b.v. Darf der Arzt zum Ausserehelichen Geschlechtsverkehr raten? 1904). Marcuse is gedecideerd van meening, dat een dokter, die, terwijl hij zich laat influenceeren door moreele, sociologische of andere overwegingen, nalaat sexueelen omgang aan te raden, als hij dien voor de gezondheid van den patient wenschelijk acht, zijn beroep onwaardig is, en òf de geneeskunde moest opgeven, òf zijn patienten naar andere dokters moest zenden. Deze houding schijnt, hoewel ze gewoonlijk niet zoo nadrukkelijk geuit wordt, in ruimen kring aangenomen te worden. Lederer gaat zelfs nog verder, als hij zegt (Monatschrift für Harnkrankheiten und Sexuelle Hygiene, 1906, deel 3), dat het de plicht van den medicus is een vrouw, die lijdende is door de impotentie van haar man, aan te raden omgang te hebben met een anderen man, en hij voegt er bij dat "of zij dat doet met de toestemming van haar man, een zaak is, die den dokter niet aangaat, daar hij niet een bewaker is van de moraal, maar een bewaker van de gezondheid". De medici die in het publiek deze houding aannemen, vormen echter een kleine minderheid. In Engeland heeft, voor zoover ik weet, geen bekend medicus openlijk verklaard, dat het de plicht van den dokter is sexueelen omgang buiten het huwelijk aan te raden, hoewel, het is nauwelijks noodig het er bij te voegen, het in Engeland, evenals in andere landen voorkomt, dat dokters, zelfs vrouwelijke dokters, van tijd tot tijd in een persoonlijk onderhoud er hun ongehuwde en zelfs hun gehuwde patienten op wijzen, dat sexueele omgang waarschijnlijk weldadig zou zijn.
De plicht van den dokter om sexueelen omgang aan te raden is met evenveel nadruk ontkend, als ze aangeprezen wordt. Zoo wilde Eulenburg (Sexuale Neuropathie, p. 43), onder geen voorwaarde buitenechtelijke verhoudingen aan zijn patient aanraden; "zulke raad ligt geheel buiten de bevoegdheid van den dokter". Ze wordt natuurlijk ontkend door hen, die sexueele abstinentie beschouwen als altijd onschadelijk, zoo niet weldadig. Maar ze wordt ook ontkend door velen, die meenen dat, onder bepaalde omstandigheden, sexueele omgang goed zou doen.
Vooral Moll heeft, en dat bij vele gelegenheden, den plicht van den dokter besproken met betrekking tot de kwestie van het aanraden van sexueelen omgang buiten het huwelijk (b.v., in zijn uitgebreid werk Aerztliche Ethik, 1902; ook Zeitschrift für Aerztliche Fortbildung, 1905, Nos. 12-15; Mutterschutz, 1905, Heft 3; Geschlecht und Gesellschaft, deel II blz. 8). Eerst was Moll geneigd het recht van den medicus om sexueelen omgang onder bepaalde omstandigheden aan te bevelen, te handhaven; "zoo lang als het huwelijk overmatig uitgesteld wordt en sexueele omgang buiten het huwelijk bestaat", schreef hij, (Die Conträre Sexualempfindung, tweede uitgave, p. 287), "zoo lang, meen ik, dat we zulk een omgang therapeutisch mogen aanwenden, mits er geen rechten van een derde persoon (man of vrouw) worden gekrenkt". In al zijn latere geschriften echter, stelt Moll zich duidelijk en bepaald aan de tegenovergestelde zijde. Hij meent, dat de medicus geen recht heeft de mogelijke gevolgen van zijn raad over het hoofd te zien; die gevolgen kunnen wezen, het besmet worden met venerische ziekten, of, in het geval van een vrouw, zwangerschap en hij gelooft, dat deze ernstige gevolgen veel meer kans hebben voor te komen dan wel altijd toegegeven wordt door hen, die het goed recht van zulken raad verdedigen. En Moll wil ook niet toegeven, dat de medicus recht heeft de moreele zijden van de zaak over het hoofd te zien. Een dokter kan weten, dat een arm man vele dingen, die goed zijn voor zijn gezondheid zou kunnen krijgen door te stelen, maar hij kan hem niet aanraden te stelen. Moll neemt het geval van een Katholiek priester, die lijdt aan neurasthenie, voortkomende uit sexueele abstinentie. Zelfs al is de dokter er zeker van, dat de priester in staat zal zijn al de gevolgen van ziekte zoowel als van publiciteit te vermijden, dan is hij nog niet gerechtigd hem sexueelen omgang aan te raden. Hij moet in gedachte houden, dat hij, door een priester er toe te brengen zijn geloften van kuischheid te verbreken, aanleiding kan geven tot een geestelijken strijd en een bitter berouw, dat tot de slechtste resultaten kan leiden, zelfs voor de physieke gezondheid van den patient. Dergelijke moeilijkheden merkt Moll op, kunnen volgen op zulk een raad, als hij gegeven wordt aan een gehuwd man of een gehuwde vrouw, om niet te spreken van mogelijke echtscheidingsprocessen en daarmede samengaande ellenden.
Rohleder (Vorlesungen über Geschlechtstrieb und Gesamtes Geschlechtsleben der Menschen) neemt in deze zaak een eenigszins gematigde houding aan. Als een algemeene regel is hij er bepaald tegen sexueelen omgang buiten het huwelijk aan te raden aan hen, die lijden aan gedeeltelijke of tijdelijke abstinentie (de eenige vorm van abstinentie die hij erkent), gedeeltelijk omdat de nadeelen van abstinentie niet ernstig of duurzaam zijn, en gedeeltelijk omdat de patient toch zeker zijn eigen oordeel in deze zaak zal volgen. Maar in sommige gevallen beveelt hij zulken omgang aan, en vooral aan bisexueele personen, op grond, dat hij zijn patient zoodoende bewaart voor de strafschuldige gevaren van homosexueele praktijken.
Het schijnt mij toe, dat er niet de minste twijfel behoorde te wezen aan wat de correcte houding van den medicus naar aanleiding van deze kwestie van sexueelen omgang moet zijn. De dokter is nooit geroepen zijn patient sexueelen omgang buiten het huwelijk aan te raden, noch eenige wijze van verlichting, die gewoonlijk als onwettig beschouwd wordt. Er wordt gezegd, dat de medicus niets te maken heeft met overwegingen van de conventioneele moraal. Als hij meent, dat champagne goed zou zijn voor een armen patient, dan moest hij hem aanraden champagne te nemen; het ligt niet op zijn weg te overwegen of de patient de champagne zal vragen, leenen of stelen. Maar, ten slotte, zelfs als dat toegegeven is, dan moet nog gezegd worden, dat de dokter weet, dat de champagne, hoe ze dan ook verkregen is, waarschijnlijk niet vergiftig is. Als hij echter sexueelen omgang voorschrijft met dezelfde verheven onverschilligheid voor praktische overwegingen, dan weet hij dat niet. Als hij zulk een voorschrift geeft, dan weet de dokter inderdaad in het minst niet, wat hij voorschrijft. Misschien berokkent hij zijn patient een venerische ziekte; misschien geeft hij hem de angsten en verantwoordelijkheden van een onwettig kind; hij, die het voorschrift geeft, is geheel in het duister. Hij is in dezelfde positie alsof hij een kwakzalversgeneesmiddel had voorgeschreven, waarvan hij de samenstelling niet kende, met nog het nadeel, dat het geneesmiddel veel meer machtig explosief kan blijken, dan het geval is met het gewoonlijk onschuldige gepatenteerde geneesmiddel. Het uiterste, wat een dokter eigenlijk kan doen, is het geval onpartijdig aan zijn patient voorleggen en hem op de gevaren wijzen. De oplossing moet de patient dan zelf uitwerken, zoo goed als hij kan, want zij sluit in zich maatschappelijke en andere overwegingen, die, terwijl ze geenszins buiten de sfeer der geneeskunde liggen, zeker volkomen buiten de macht liggen van den individueelen praktiseerenden geneesheer.
Ook Moll is van meening, dat deze onpartijdige voorstelling van de zaak vóor en tegen sexueelen omgang de plicht van den dokter in deze questie is. Het is inderdaad een plicht, waaraan de medicus in vele gevallen nauwelijks ontkomen kan. Moll wijst er op, dat het in geen geval gepaard kan gaan, zooals sommigen meenen, met het aanbevelen van sexueelen omgang. Het is integendeel, naar hij opmerkt, veel meer analoog met den plicht van den medicus bij operaties. Hij legt den patient den aard van de operatie voor, de voordeelen en de gevaren ervan, maar hij laat het aan het oordeel van den patient over of deze de operatie wil ondergaan of niet. Ook Lewitt (Geschlechtliche Enthaltsamkeit und Gesundheitsstörungen, 1905) komt, na de verschillende meeningen over deze kwestie besproken te hebben, tot de conclusie, dat de dokter, als hij meent, dat omgang buiten het huwelijk weldadig zou zijn, de bezwaren moet uiteen zetten en het aan den patient overlaten zelf te beslissen.
Er is nog een reden, waarom een dokter, uit consideratie voor de heerschende moreele meeningen, ten minste onder de middelklasse, zich behoort te onthouden van het aanraden van buitenechtelijk verkeer: hij plaatst zich in een scheeve positie tegenover zijn maatschappelijke omgeving. Hij raadt een geneesmiddel aan, waarvan hij den aard niet openlijk erkennen kan, en zoo breekt hij het algemeene vertrouwen in hem af. De eenige medicus, die moreel gerechtigd is zijn patiënten aan te raden in buitenechtelijke verhoudingen te treden, is hij, die openlijk erkent, dat hij bereid is zulk een raad te geven. De dokter, die openlijk werkt voor maatschappelijke hervorming heeft misschien het moreele recht verworven raad te geven in overeenstemming met de strekking van zijn werkzaamheden in het publiek, maar zelfs dan nog kan het zeer twijfelachtig zijn of zijn raad gerechtvaardigd is, en het zou beter zijn als hij zijn pogingen voor maatschappelijke hervorming tot zijn publieke werkzaamheden beperkte. De stem van den dokter wordt, zooals Professor Max Flesch van Frankfort opmerkt, meer en meer gehoord in de ontwikkeling en den nieuwen groei van maatschappelijke instellingen; hij is een natuurlijk leider in zulke bewegingen, en voorstellen tot verbetering komen feitelijk van hem. "Maar", zooals Flesch voortgaat, "in het openbaar de uitnemendheid van bestaande instellingen aan te nemen en in de intimiteit van de consultatie-kamer raad te geven, die de onvolmaaktheid van die instellingen bewijst, is onlogisch en verwarrend. Het is de taak van den medicus raad te geven, die in overeenstemming is met de belangen van de gemeenschap als een geheel, en die belangen eischen, dat er sexueele verhoudingen zullen aangeknoopt worden tusschen gezonde mannen en vrouwen, die in staat en bereid zijn de gevolgen van hun vereeniging op zich te nemen. Dat moet de leiddraad zijn voor het gedrag van den medicus. Alleen zoo kan hij worden, wat men tegenwoordig zoo dikwijls zegt, dat hij is, de leidsman van de natie" [96]. Dit gezichtspunt is zooals we zien, niet geheel in overeenstemming met dat hetwelk aanneemt, dat de plicht van den medicus alleen en volkomen uitgaat naar zijn patient, zonder te letten op den invloed van zijn raad op diens maatschappelijk gedrag. De belangen van den patient gaan voor, maar ze zijn niet gerechtigd te komen in antagonisme tot de belangen van de maatschappij. De raad, die gegeven wordt door den wijzen medicus moet altijd in harmonie zijn met den maatschappelijken en moreelen toon van zijn tijd. Zoo komt het, dat de neiging onder de jongere generatie der medici tegenwoordig, om een actief deel te nemen in het verheffen van dien toon en in het bevorderen van maatschappelijke hervorming--een neiging, die niet alleen bestaat in Duitschland, waar deze belangen zoo acuut geweest zijn, maar ook in een zoo conservatief land als Engeland--vol belofte is voor de toekomst.
De dokter is er gewoonlijk mee tevreden, zijn plicht jegens zijn patient wat de sexueele abstinentie betreft als voldoende vervuld te beschouwen, als hij tracht sexueele overgevoeligheid te verminderen door medische of hygiënische behandeling. Het behoeft echter nauwelijks gezegd te worden, dat de resultaten van zulk een behandeling gewoonlijk onvoldoende zijn, en soms heeft de behandeling zelfs een resultaat, dat het tegendeel is van wat werd bedoeld. De moeilijkheid is gewoonlijk, dat, om effect te hebben, de behandeling moet worden voortgezet tot een uiterste, dat niet alleen de geslachtswerkzaamheden uitput of ze terughoudt, maar ook de werkzaamheden van het geheele organisme, en als ze dat niet doet, kan ze eer een prikkel dan een kalmeerend middel blijken te zijn. Het is moeilijk en gewoonlijk onmogelijk de sexueele werkzaamheden van een mensch te scheiden van alle andere werkzaamheden van zijn organisme en invloed uit te oefenen op deze werkzaamheden alleen. Sexueele activiteit is zoo nauw verbonden met de andere organische werkzaamheden, erotische weelderigheid is zoo zeer een bloem, gevoed door het geheele organisme, dat de slag, die ze verplettert, den geheelen mensch kan knakken. De bromiden worden algemeen erkend als machtige kalmeerende middelen, maar hun invloed in dit opzicht wordt eerst recht gevoeld als zij al de teerste krachten van het organisme hebben afgestompt. Physieke oefening wordt algemeen aanbevolen aan sexueel overgevoelige patiënten. Toch vinden de meeste menschen, mannen en vrouwen, dat lichaamsoefening een positieve prikkel is voor de sexueele werkzaamheid. Dit is vooral het geval met wandelen, en bizonder energieke jonge vrouwen, die last hebben van de hinderlijke werkzaamheid van haar gezonde sexueele emoties, brengen soms een groot deel van haar tijd door met vergeefsche pogingen in lange wandelingen haar activiteit te kalmeeren. Lichaamsoefening blijkt in dit opzicht alleen effect te hebben, als ze doorgevoerd wordt tot een hoogte, die algemeene uitputting veroorzaakt. Dan is inderdaad de sexueele werkzaamheid bedaard, maar tevens de geestelijke en lichamelijke werkzaamheden. Het is ongetwijfeld waar, dat oefeningen en spelen van alle soorten voor jonge menschen van beide geslachten een sexueel hygiënischen, zoowel als een algemeen hygiënischen invloed hebben, die ongetwijfeld weldadig is. Zij zijn in ieder geval beter dan langdurige zittende bezigheden. Maar het is dwaas te denken, dat spelen en oefeningen de sexueele impulsen zullen onderdrukken, want in zoover zij de gezondheid bevorderen, bevorderen zij al de impulsen, die het resultaat zijn van de gezondheid. Het eenigste, dat men ervan verwachten kan, is, dat zij de sexueele uitingen beperken door de energie, die zij voortbrengen, te verspreiden.
Er zijn vele heilzame regels en voorzorgen, die niet zonder reden aangeraden worden als gunstig om de sexueele werkzaamheid te beperken of te verminderen. Het vermijden van warmte en het aanwenden van kou is een van de belangrijkste van deze. Een warm klimaat, een benauwde atmosfeer, zwaar bed-dek, warme baden, deze alle kunnen het sexueele stelsel zeer prikkelen, want dat stelsel is een oppervlakkig zintuigelijk orgaan, en al wat de huid in het algemeen prikkelt, prikkelt het sexueele systeem. Koude, die de huid samentrekt, doodt ook de sexueele gevoelens, een feit, dat de asceten van den ouden tijd kenden en zich ten nutte maakten. De kleederen en de houding van het lichaam zijn niet zonder invloed. Knellen of drukken in de buurt van de sexueele streek, zelfs een nauw corset, zoowel als inwendige druk, bijv. door een volle blaas, zijn bronnen van sexueele prikkeling. Slapen op den rug, waardoor het bloed zich ophoopt in de ruggemergscentra, werkt ook op dezelfde wijze, zooals al lang bekend is geweest aan hen, die nauwkeurig letten op sexueele hygiëne; zoo wordt gezegd, dat het bij de orde der Franciskanen verboden is op den rug te liggen. Voedsel en drank zijn voorts machtige sexueele prikkels. Dit geldt zelfs van het eenvoudigste en gezondste voedsel, maar meer speciaal van vleeschspijzen, en vooral van alcohol in zijn sterkste vormen, zooals geestrijke dranken, likeuren, mousseerende en zware wijnen, en zelfs van vele Engelsche bieren. Dit is ten allen tijde erkend door hen, die ascetisme beoefenden, en het is een van de meest afdoende redenen, waarom men de jeugd geen alcohol moet geven. Zooals de heilige Jeronimus opmerkte, toen hij aan Eustochion schreef, dat zij wijn moest vermijden als vergift, "wijn en jeugd zijn de twee vuren der wellust. Waarom olie op het vuur te gieten" [97]? Ook ledigheid, vooral als ze samengaat met een weelderig leven, bevordert de sexueele werkzaamheid, zooals Burton in den breede uiteenzet in zijn Anatomy of Melancholy, terwijl voortdurende bezigheid daarentegen de ronddoolende krachten concentreert.
Geestesoefening heeft men somtijds evenals lichaamsoefening, aangeraden als een methode om sexueele opwinding te kalmeeren, maar ze schijnt onzeker te zijn in haar werking. Als ze zeer belangwekkend is en opwindend, dan kan ze de sexueele emotie eerder opwekken dan kalmeeren. Als ze weinig belangstelling opwekt, kan ze geenerlei invloed uitoefenen. Dit geldt zelfs van mathematische bezigheden, die door verschillende autoriteiten als hulpmiddelen bij sexueele hygiëne [98] zijn aangeraden, o.a. ook door Broussais. "Ik heb mechanisch geestelijk werk geprobeerd", schrijft een dame, "zooals het oplossen van rekenkundige of algebraische problemen, maar het doet mij geen goed; het schijnt zelfs alleen maar de opwinding te verergeren". "Ik studeerde en wendde mijn aandacht voornamelijk tot de wiskunde", schrijft een geestelijke, "met de bedoeling om mijn sexueele neigingen te beteugelen. In zekere mate had ik succes. Maar bij het naderen van een oude vriend, door een stem of een aanraking, kwamen deze neigingen met vernieuwde kracht terug. Ik vond wiskunde over het geheel echter het beste ding om mijn belangstelling van vrouwen af te wenden, beter dan godsdienstige oefeningen, die ik aanwendde toen ik jonger was (twee en twintig tot dertig)". Op hun best hebben zulke middelen echter alleen maar tijdelijke uitwerking.