De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 27

Chapter 273,429 wordsPublic domain

Onder medische autoriteiten, die de kwestie van sexueele abstinentie in den breede hebben behandeld is het inderdaad gewoonlijk niet mogelijk zulke onvermengd gunstige meeningen te vinden, als die ik juist aangehaald heb. Er kan echter geen twijfel aan zijn, dat een groot deel der medici, op den voorgrond tredende en uitstekende autoriteiten niet uitgesloten, als zij nu en dan tegenover de kwestie komen te staan of sexueele abstinentie onschadelijk is, meteen den weg zullen inslaan, die klaarblijkelijk den minsten tegenstand geeft en antwoorden: Ja. Slechts in een paar gevallen zullen zij eenige beperking maken bij dit bevestigend antwoord. Deze neiging wordt zeer goed geïllustreerd door een onderzoek gedaan door Dr. Ludwig Jacobsohn, van St. Petersburg ("Die Sexuelle Enthaltsamkeit im Lichte der Medizin", St. Petersburger Medizinische Wochenschrift, Maart den 17den 1907). Hij schreef aan meer dan twee honderd bekende Russische en Duitsche professoren in de physiologie, neurologie, psychiatrie, om hun te vragen of zij sexueele abstinentie als onschadelijk beschouwden. De meerderheid gaf geen antwoord; elf Russische en acht en twintig Duitsche professoren antwoordden, maar vier van hen zeiden alleen maar, dat "zij geen persoonlijke ondervinding" hadden etc.; er bleven er dus vijf en dertig over. Van deze was P. E. Pflüger, uit Bonn, sceptisch gestemd jegens het voordeel van eenige propaganda voor de abstinentie: "als al de autoriteiten van de wereld verklaarden, dat abstinentie onschadelijk was, dan zou dat geen invloed op de jeugd hebben. Er zijn hier krachten in het spel, die door alle hinderpalen heenbreken". De onschadelijkheid van abstinentie werd toegegeven door Kräpelin, Cramer, Gärtner, Tuczek, Schottelius, Gaffky, Finkler, Selenew, Lassar, Seifert, Gruber; de laatste voegde er echter aan toe, dat hij zeer weinig abstinente jonge mannen kende, en dat hijzelf abstinentie alleen goed vond vóór de volle ontwikkeling, en omgang zelfs vóór dien tijd niet gevaarlijk achtte, als hij matig was. Brieger kende gevallen van abstinentie zonder schadelijke gevolgen, maar hij zelf meende, dat geen algemeene opinie kon gegeven worden. Jürgensen zeide, dat abstinentie op zichzelf niet schadelijk is, maar dat in sommige gevallen omgang een meer weldadigen invloed heeft. Hoffmann zeide, dat abstinentie onschadelijk is, en hij voegde er bij dat, hoewel ze zeker tot onanie leidt, deze beter is dan gonorrhea, om van syphilis te zwijgen, en gemakkelijk binnen de perken gehouden kan worden. Strümpell antwoordde, dat sexueele abstinentie onschadelijk is, en indirect nuttig, omdat ze beschermt tegen het gevaar van venerische ziekten, maar dat sexueele omgang, daar deze het normale is, altijd meer wenschelijk blijft. Hensen zeide, dat abstinentie niet onvoorwaardelijk aanbevolen kan worden. Rumpff antwoordde, dat abstinentie voor de meeste menschen niet schadelijk was vóór den leeftijd van dertig, maar dat er na dien leeftijd een neiging was tot geestelijke obsessies, en dat het huwelijk op vijf en twintigjarigen leeftijd gesloten moest worden. Ook Leyden meende dat abstinentie onschadelijk is tot omstreeks dertig jaar, waarna ze leidt tot psychische onregelmatigheden, vooral toestanden van angst en een zekere onnatuurlijkheid. Hein antwoordde, dat abstinentie onschadelijk is voor de meesten, maar dat ze bij sommigen leidt tot hysterische uitingen en indirect tot slechte gevolgen door masturbatie, terwijl voor den normalen mensch abstinentie niet direct weldadig kan zijn, omdat omgang natuurlijk is. Grützner meende, dat abstinentie bijna nooit schadelijk is. Neisser geloofde, dat een langer volgehouden abstinentie dan nu de gewoonte is, weldadig zou zijn, maar gaf toe, dat door onze beschaving de sexueele prikkels ontstaan; hij voegde er bij, dat hij natuurlijk voor gezonde menschen geen bezwaar zag in omgang. Hoche antwoordde, dat abstinentie volkomen onschadelijk is bij normale personen, maar niet altijd bij abnormale personen. Weber meende, dat ze een nuttigen invloed had door het vermeerderen van de kracht van den wil. Tarnowsky zeide, dat abstinentie goed is op jeugdigen mannelijken leeftijd, maar dat ze waarschijnlijk ongunstig zal werken na de vijf en twintig jaar. Orlow antwoordde, dat ze vooral in de jeugd onschadelijk is en dat een man even kuisch moest zijn als zijn vrouw. Popow zeide, dat abstinentie op iederen leeftijd goed is en de energie bewaart. Blumenau zeide, dat op den volwassen leeftijd abstinentie noch normaal noch weldadig is, en gewoonlijk tot masturbatie leidt, hoewel niet altijd tot nerveuze ongesteldheden; maar dat zelfs masturbatie beter is dan syphilis. Tschririew zag tot dertig jaar geen nadeel in abstinentie, en meende, dat sexueele zwakte waarschijnlijk eer volgen zou op exces dan op abstinentie. Tschish beschouwde abstinentie als weldadig eer dan als schadelijk tot vijf en twintig of acht en twintig, maar meende, dat het na dien leeftijd moeilijk was te beslissen; dan schijnen nerveuze veranderingen te worden veroorzaakt. Darkschewitz beschouwde abstinentie als onschadelijk tot vijf en twintig jaar. Fränkel zeide, dat ze onschadelijk is voor de meesten, maar dat voor een groot aantal menschen omgang noodzakelijk is. Erb's opinie wordt door Jacobsohn beschouwd als alleen te staan; hij plaatste den leeftijd, waarop abstinentie onschadelijk is op twintig jaar; na dien leeftijd beschouwde hij ze als nadeelig voor de gezondheid, en hij meent, dat ze een ernstige belemmering is voor het werk en voor het karakter, terwijl ze bij neurotische personen tot nog ernstiger gevolgen leidt. Jacobsohn komt tot de conclusie, dat de algemeene opinie van hen, die de vraag beantwoorden, aldus kan uitgedrukt worden: "De jeugd behoort abstinent te zijn. Abstinentie kan hen op geenerlei wijze benadeelen; integendeel, ze is weldadig. Als onze jonge menschen abstinent willen blijven en buitenechtelijk verkeer vermijden, dan zullen zij een hoog liefde-ideaal behouden en zich bewaren voor venerische ziekten".

De onschadelijkheid van sexueele abstinentie werd in Amerika evenzeer verkondigd in een besluit, dat de American Medical Association in 1906 nam. De conclusie, die aldus formeel aangenomen werd, was in deze woorden vervat: "Zelfbeheersching is niet onbestaanbaar met gezondheid". We moeten ons algemeen voor oogen stellen, dat abstracte voorstellen van deze soort geen waarde hebben, omdat zij niets beteekenen. Ieder persoon, die in het bezit van zijn verstand is, moet, als hij gesteld wordt voor den eisch stoutweg de verklaring "Zelfbeheersching is niet onbestaanbaar met gezondheid" goed te keuren of te verwerpen, die goedkeuren. Hij zou vast kunnen gelooven, dat zelfbeheersching onbestaanbaar is met de gezondheid van een ieder, en toch, als hij eerlijk was in het gebruik van de taal, zou het onmogelijk voor hem zijn om de vage en abstracte propositie, dat "Zelfbeheersching niet onbestaanbaar is met gezondheid" te verwerpen. Zulke verklaringen zijn daarom niet alleen waardeloos, maar werkelijk misleidend.

Het is duidelijk, dat volstrekt onbeperkte opinies ten gunste van sexueele abstinentie niet berusten op medische, maar op wat de schrijvers beschouwen als te zijn moreele overwegingen. Bovendien is het, daar dezelfde schrijvers zich gewoonlijk even nadrukkelijk uitspreken over de voordeelen van sexueelen omgang in het huwelijk, duidelijk, dat zij zich schuldig gemaakt hebben aan een tegenstrijdigheid. Dezelfde daad kan niet, zooals Näcke terecht zegt, goed of slecht worden, al naar dat ze gedaan wordt in het huwelijk of daar buiten. Er is geen tooverkracht in een paar woorden, uitgesproken door een priester of een ambtenaar van den burgerlijken stand.

Remondino (loc. cit.) merkt op, dat de autoriteiten, die zich schuldig hebben gemaakt aan verklaringen ten gunste van de onvoorwaardelijke voordeelen van sexueele abstinentie, dikwijls in drie dwalingen vervallen: (1) zij generaliseeren te veel; in plaats van ieder geval afzonderlijk te beschouwen, naar zijn aard; (2) zij stellen zich niet duidelijk voor oogen, dat de menschelijke natuur door zeer heterogene en samengestelde motieven beïnvloed wordt en dat men niet kan aannemen, dat ze alleen afhankelijk is van motieven van abstracte moraal; (3) zij negeeren het groote leger van onanisten en sexueel perversen, die niet klagen over sexueel lijden, maar die door het volhouden van een strenge sexueele abstinentie, voor zoover het normale verhoudingen betreft, langzamerhand in stroomen geraken, waaruit geen terugkeer mogelijk is.

Tusschen hen, die onvoorwaardelijk de onschadelijkheid van sexueele abstinentie toegeven of verwerpen, vinden wij een gematigde partij van autoriteiten, wier opinies meer voorwaardelijk zijn. Velen van hen, die deze meer voorzichtige positie innemen, zijn mannen, wier opinie groot gewicht in de schaal legt, en het is waarschijnlijk, dat eerder bij hen, dan bij de meer uiterste voorstanders aan beide zijden, de verstandigste zienswijze voorkomt. Een zoo samengestelde kwestie als deze kan niet goed alleen in het abstracte onderzocht worden en kan evenmin door kortweg een ontkenning of bevestiging opgelost worden. Het is een zaak, waarin ieder geval zijn eigen speciale en persoonlijke overweging vereischt.

"Waar zulk een duidelijke tegenstelling tusschen de meeningen is, daar ligt de waarheid niet uitsluitend aan één kant", merkt Löwenfeld op (Sexualleben und Nervenleiden, tweede uitgave, p. 40). Sexueele abstinentie is zeker dikwijls nadeelig voor neuropatische personen. (Dit wordt tegenwoordig door een groot aantal autoriteiten aangenomen, en werd misschien het eerst beslist geconstateerd door Krafft-Ebing, "Ueber Neurosen durch Abstinenz", Jahrbuch für Psychiatrie 1889, p. 1). Löwenfeld vindt geen speciale neiging tot neurasthenie onder de Katholieke geestelijkheid, en als ze voorkomt, is er geen reden een sexueele oorzaak aan te nemen. "Bij gezonde en niet erfelijk neuropatische menschen is volkomen abstinentie mogelijk zonder nadeel voor het zenuwstelsel". Schadelijke gevolgen, gaat hij voort, komen, als zij zich voordoen, zelden voor tusschen de vier en twintig en zes en dertig jaar, en zelfs dan zijn ze gewoonlijk niet ernstig genoeg om aanleiding te geven tot een bezoek aan den dokter, daar ze voornamelijk bestaan in het veelvuldig voorkomen van zaaduitstortingen, pijn in de ballen of in het rectum, overgevoeligheid in tegenwoordigheid van vrouwen of het zich verdiepen in sexueele denkbeelden. Als zich echter omstandigheden voordoen, die speciaal de sexueele emoties prikkelen, dan kan neurasthenie veroorzaakt worden. Löwenfeld is het eens met Freud en Gattel, dat de angstneurose meermalen voorkomt bij de abstinenten, en dat zorgvuldig onderzoek aantoont, dat de abstinentie een factor is, die ze te voorschijn roept in beide seksen. Het is een gewoon verschijnsel bij jonge vrouwen, die getrouwd zijn met veel oudere mannen, en komt dikwijls voor in de eerste jaren van het huwelijk. Onder speciale omstandigheden kan abstinentie dus schadelijk zijn, maar over het geheel zijn de moeilijkheden, die voortkomen uit deze abstinentie niet ernstig; zij veroorzaken alleen bij uitzondering werkelijke stoornissen in de nerveuze en psychische sferen. Ook Moll neemt een dergelijk gematigd standpunt in. Hij beschouwt sexueele abstinentie vóor het huwelijk als het ideaal, maar hij wijst er op, dat wij alle doctrinaire uitersten bij het prediken van sexueele abstinentie moeten vermijden, omdat zulke prediking slechts leiden zal tot huichelarij. Omgang met prostituées en de neiging om van vrouw te veranderen als van een kleedingstuk, voeren tot verlies van gevoeligheid voor het geestelijke en persoonlijke element in de vrouw, terwijl de gevaren van sexueele abstinentie niet meer overdreven moeten worden dan de gevaren van sexueelen omgang (Moll, Libido Sexualis 1898, deel i p. 848; id., Konträre Sexualempfindung, 1899, p. 588). Ook Bloch (in een hoofdstuk over de kwestie van sexueele abstinentie in zijn Sexualleben unserer Zeit, 1908) neemt een dergelijk standpunt in. Hij raadt aan onthouding in de jeugd en tijdelijke onthouding op den volwassen leeftijd, omdat zulke abstinentie waarde heeft niet alleen voor het behouden en wijzigen van de energie, maar ook om den nadruk te leggen op het feit, dat het leven andere dingen heeft om na te streven dan alleen sexueele. Redlich (Medizinische Klinik, 1908, No. 7) neemt in een nauwkeurige studie over de medische gezichtspunten van de kwestie, een gemiddeld standpunt in, wat de betrekkelijke voor- en nadeelen van sexueele abstinentie betreft. "Wij zouden willen zeggen, dat sexueele abstinentie niet een toestand is, die onder alle omstandigheden en tot iederen prijs moet vermeden worden, hoewel het waar is, dat voor de meerderheid van de gezonde volwassen personen geregeld sexueel verkeer goed is en soms zelfs moet aangeraden worden".

We kunnen er bijvoegen, dat van het standpunt van Christelijke godsdienstige moraal deze zelfde houding tusschen de uitersten van beide partijen, die de voordeelen van sexueele abstinentie erkent, maar er niet op staat, dat zij tot iederen prijs moeten verkregen worden, ook vertegenwoordigers heeft gevonden. Zoo behandelt in Engeland een Anglikaansch geestelijke, de Reverend H. Northcote (Christianity and Sex Problems, blz. 58, 60) gematigd en op sympathieke wijze de moeilijkheden van sexueele abstinentie; hij is er in het geheel niet van overtuigd, dat zulke abstinentie altijd een onvermengd voordeel is; terwijl in Duitschland een Katholiek priester, Karl Jentsch (Sexualethik, Sexual Justiz, Sexualpolizei, 1900) zich er toe zet, de sterke en onvermengde beweringen van Ribbing ten gunste van de sexueele abstinentie te weerleggen. Jentsch drukt zijn opinie aldus uit: "De houding van vaders, van de publieke opinie, van den Staat en van de Kerk tegenover den jongen man in deze zaak moest zijn: Tracht u te onthouden tot het huwelijk. Velen slagen hierin. Als gij slaagt, is het goed. Maar als ge niet kunt slagen, is het onnoodig uzelf verwijten te doen en u te beschouwen als een schurk of als een verloren zondaar. Als gij u maar niet overgeeft aan enkel genot of losbandigheid, maar tevreden zijt met wat noodig is om uw gemoedsrust, zelfbeheersching, en opgewekte geschiktheid tot werken te herstellen, en mits gij vooral de voorzorgen in acht neemt, die dokters of ervaren vrienden u op het hart drukken".

Als wij zoo de drie stroomen van meeningen van deskundigen over deze kwestie van sexueele abstinentie analyseeren en nauwkeurig onderzoeken--de opinies van hen, die er gunstig jegens gestemd zijn, van hen, die er tegen zijn, en van hen die den middenweg kiezen--dan kunnen we nauwelijks nalaten tot de conclusie te komen, dat de geheele discussie al zeer onbevredigend is. De toestand van "sexueele abstinentie" is een volkomen vage en onbepaalde toestand. Het onbepaalde karakter, het zinlooze zelfs van de uitdrukking "sexueele abstinentie" blijkt uit de veelvuldigheid waarmee zij, die er over redeneeren, aannemen dat ze kan, misschien zal, of zelfs moet omvatten masturbatie. Dat feit op zichzelf berooft ze voor een groot deel van haar waarde als moraal en ook als abstinentie. Op dit punt komen we inderdaad tot de meest fundamenteele critiek, die op het begrip van "sexueele abstinentie" toepasselijk is. Rohleder, een ervaren medicus en een erkend autoriteit in kwesties van sexueele pathologie, heeft de gangbare denkbeelden over "sexueele abstinentie" aan een scherpe critiek onderworpen in een tamelijk uitgebreid en belangrijk artikel [93]. Hij ontkent, dat er strikte abstinentie bestaat. "Sexueele abstinentie", zegt hij, in de strikte beteekenis van het woord, moet abstinentie in zich sluiten niet alleen van sexueelen omgang, maar ook van auto-erotische uitingen, van masturbatie, van homosexueele daden, van alle sexueel perverse handelingen. Ze moet verder omvatten een voortdurende abstinentie van toegeven aan erotische voorstellingen en wellustige droomerijen. Als het echter mogelijk is zoo het geheele psychische veld te maken tot een tabula rasa, voor zoover de sexueele werkzaamheid betreft--en als ze dat niet voortdurend en onafgebroken is, dan is er geen strikte sexueele abstinentie--dan, zegt Rohleder, moeten wij overwegen of we niet te doen hebben met een geval van sexueele ongevoeligheid, anaphrodisia sexualis. Dat is een kwestie die maar zelden zoo al ooit in het oog gevat wordt door hen, die sexueele abstinentie bespreken. Het is echter een uiterst gepaste kwestie, zooals Rohleder met nadruk zegt, want, als er sexueele ongevoeligheid bestaat, dan vervalt de kwestie van sexueele abstinentie, daar wij ons alleen kunnen "onthouden" van handelingen, die in onze macht zijn. Volkomen sexueele ongevoeligheid is echter een zoo zeldzame toestand, dat ze in de praktijk buiten beschouwing kan blijven, en daar de sexueele impuls, als zij bestaat, door een physiologische noodzakelijkheid soms op een of andere wijze werkzaam moet worden--zelfs als het, volgens het standpunt van Freud alleen maar is door verandering in een of anderen neurotischen toestand--komen wij tot de conclusie, dat "sexueele abstinentie" strikt onmogelijk is. Rohleder heeft een paar gevallen gehad, waarbij het scheen dat hij met geen mogelijkheid kon ontkomen aan de conclusie, dat sexueele abstinentie bestond, maar bij deze alle vond hij later dat hij zich vergist had, meestal ten gevolge van de gewoonte van masturbatie bij den patient, waarvan hij meent, dat ze zeer veel voorkomt en zeer dikwijls vergezeld gaat van een hardnekkige poging om den medicus over het bestaan ervan te misleiden. De eenige soort van "sexueele abstinentie", die bestaat, is een gedeeltelijke en tijdelijke abstinentie. In plaats van, zooals sommigen, te zeggen: "Voortdurende abstinentie is onnatuurlijk en kan niet bestaan zonder lichamelijk en geestelijk nadeel", moesten we volgens Rohleder zeggen: "Voortdurende abstinentie is onnatuurlijk en heeft nooit bestaan".

Als we deze chaotische massa van opinies beschouwen, moeten wij wel gevoelen dat de geheele discussie om een zuiver negatief denkbeeld draait, en dat fundamenteele feit is verantwoordelijk voor wat op het eerste gezicht verbluffend tegenstrijdige verklaringen schenen te zijn. Als wij dat, wat algemeen beschouwd wordt als het godsdienstige en moreele standpunt van de zaak, zouden moeten uitschakelen, een standpunt, laten we dat niet vergeten, dat geen betrekking heeft op de essentieele natuurlijke feiten van de kwestie--dan moeten we wel opmerken, dat deze groot schijnende verschillen in overtuiging binnen zeer nauwe en beuzelachtige grenzen zouden worden teruggebracht.

Wij kunnen de impuls van reproductie niet gelijk stellen met de voedingsimpuls. Er zijn zeer belangrijke verschillen tusschen de twee, meer speciaal het fundamenteele verschil, dat, terwijl de bevrediging van de eene impuls absoluut noodzakelijk is voor het leven van het individu en van het ras beide, de bevrediging van de andere alleen absoluut noodzakelijk is voor het leven van het ras. Maar als we deze kwestie terug voeren tot een van "sexueele abstinentie", dan plaatsen we ze klaarblijkelijk op dezelfde basis als die van abstinentie van voedsel, dat is te zeggen juist aan den tegenovergestelden pool dan waarop we ze plaatsen, als we ze (evenals in het voorafgaande hoofdstuk) beschouwen van het standpunt van ascetisme en kuischheid. Zoo komt het, dat er op deze negatieve basis werkelijk een belangwekkende analogie bestaat tusschen onthouding van voedsel, hoewel die noodzakelijkerwijze alleen maar onvolkomen en voor korten tijd kan worden gehandhaafd, en sexueele abstinentie, die langer en meer volkomen volgehouden wordt. Een patient van Janet schijnt deze overeenkomst duidelijk aan te toonen. Nadia, die Janet vijf jaar lang kon bestudeeren, was een jonge vrouw van zeven en twintig, gezond en intelligent, en niet lijdende aan hysterie of anorexia, want zij had een normalen eetlust. Maar ze had een manie; zij wenschte mager te zijn en om dit doel te bereiken verminderde zij haar maaltijden tot op een minimum, alleen wat soep en een paar eieren. Zij leed zeer onder de abstinentie, die zij zich zelf zoo oplegde, en was altijd hongerig, hoewel soms haar honger verborgen werd door de onvermijdelijke maagbezwaren, door een zoo lang volharden in dit régime veroorzaakt. Soms was ze wel zoo hongerig geweest, dat ze begeerig alles verslonden had wat ze machtig kon worden, en herhaaldelijk kon zij de verleiding niet weerstaan in het geheim een paar biscuits te eten. Zulke daden veroorzaakten haar een verschrikkelijk berouw, maar toch deed zij ze weer. Zij besefte de groote krachtsinspanning, die van haar door deze levenswijze geëischt werd, en beschouwde zichzelf werkelijk als een heldin, omdat ze zoo lang weerstand bood. "Soms", vertelde zij aan Janet, "bracht ik uren door met denken aan voedsel, zoo hongerig was ik. Ik slikte mijn speeksel in, ik beet op mijn zakdoek, ik rolde mij over den grond, zoo verlangde ik naar eten. Ik zocht boeken op met beschrijvingen van maaltijden en feesten, ik trachtte mijn honger te bedaren, door mij te verbeelden dat ook ik al die goede dingen genoot. Ik was werkelijk uitgehongerd, en behalve een paar zwakheden met biscuits, weet ik dat ik veel moed getoond heb". [94] Het denkbeeld, dat Nadia bewoog mager te willen wezen, komt overeen met het denkbeeld van den abstinenten mensch, dat hij "moreel" wil leven, en verschilt er alleen van doordat het het voordeel heeft van eenigszins meer positief en persoonlijk te zijn, want het denkbeeld van den persoon, die sexueel toegeven wil vermijden, omdat het "niet goed" is, is dikwijls niet alleen negatief, maar onpersoonlijk en opgelegd door zijn maatschappelijke en godsdienstige omgeving. Nadia's nu en dan voorkomende uitbarstingen van roekelooze begeerigheid komen overeen met de plotselinge impulsen om zijn toevlucht te nemen tot de prostitutie, en haar geheime zwakheden met de biscuits, gevolgd door scherp berouw, tot terugvallen in de gewoonte van masturbatie. Haar buien van strijd en van rollen op den grond zijn precies gelijk aan de uitbarstingen van nutteloos begeeren, die nu en dan voorkomen bij jonge abstinente mannen en vrouwen, als ze gezond en sterk zijn. Het in gedachten vervuld zijn met maaltijden en met literaire beschrijvingen van maaltijden is duidelijk analoog met het bezig zijn van den abstinenten mensch met wellustige gedachten en erotische boeken. Ten slotte komt de overtuiging van Nadia, dat zij een heldin is, geheel overeen met de houding van zelfgenoegzaamheid, die de sexueel abstinenten zoo dikwijls kenmerkt.