De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 24

Chapter 243,332 wordsPublic domain

Een fijn en diepzinnig denker van den tegenwoordigen tijd, Jules de Gaultier, heeft, waar hij over moraal schrijft, zonder te verwijzen naar deze specifieke kwestie, besproken tot welke nieuwe, innerlijke, verbodsmotieven wij ons kunnen wenden als wij het oude uiterlijke verbod van autoriteit en geloof, dat nu in verval is geraakt, willen vervangen. Hij antwoordt, dat de gemoedstoestand, waar oude geloofsbelijdenissen op gebaseerd waren, nog bestaat. "Kan niet", vraagt hij, "het verlangen naar een ding, dat wij liefhebben en waar wij naar verlangen, gevoegelijk de plaats innemen van het geloof, dat een ding bestaat door den goddelijken wil of door de natuur der dingen? Zal niet de beteugeling van de waanzin van het instinct zich openbaren als een nuttige houding, aangenomen door het instinct zelf voor zijn eigen behoud, als een symptoom van de kracht en gezondheid van het instinct? Is niet de heerschappij over zichzelf, de macht zijn daden te regelen, een teeken van superioriteit en een reden voor zelfrespect? Zal niet deze trotsche vreugde dezelfde autoriteit hebben bij het bewaren van de instincten, als eens bezeten werd door godsdienstige vrees en de beweerde dwang der rede?" (Jules de Gaultier, La Dépendance de la Morale et l'Indépendance des Moeurs, p. 153).

H. G. Wells (in A Modern Utopia), die wees op het belang van de kuischheid, hoewel hij het celibaat verwierp, roept, evenals Jules de Gaultier het motief van den trots op. "De beschaving heeft zich veel sneller ontwikkeld dan de mensch veranderd is. Onder de onnatuurlijke volmaking van veiligheid, vrijheid en overvloed, die onze beschaving heeft bereikt, is de gewone ongeoefende mensch tot excessen geneigd in bijna alle richtingen; hij heeft neiging te veel te eten en te overvloedig, te veel te drinken, lui te worden sneller dan zijn werk kan verminderen, zijn belangstelling aan vertoon te verspillen, en te veel en te omslachtig lief te hebben. Hij verliest zijn training en concentreert zijn aandacht op egoïstische en erotische peinzerijen. Onze groote voorgangers zochten motieven op uit allerlei soorten van bronnen, maar ik denk, dat de beste bron om de menschen zelfbeheersching te leeren, de trots is. Trots is misschien niet het mooiste wat er in de ziel is, maar het is toch nog de beste koning. Zij bedoelden ermede den mensch rein en gezond te houden. In deze zaak, evenals in alle zaken van natuurlijke begeerte, meenden zij, dat geen begeerte moet worden verzadigd, geen begeerte kunstmatige prikkels moet hebben en evenzeer, dat geen begeerte van gebrek moet omkomen. Een mensch moet van tafel komen, voldaan, maar niet overladen. En in de zaak der liefde was een oprecht en rein verlangen naar een rein en oprecht medeschepsel het ideaal van onze voorouders. Zij bevalen een huwelijk tusschen gelijken aan als de plicht jegens het ras, en zij maakten aanwijzingen van de meest preciese soort, om die echtelijke onscheidbaarheid, dien echtelijken staat te verhinderen, die somtijds een paar er toe brengt, te zamen minder te zijn dan ieder afzonderlijk was".

Met betrekking tot de kuischheid als een element van erotische satisfactie, schrijft Edward Carpenter (Love's Coming of Age, p. 11): "Er is een soort van illusie omtrent physieke begeerte, die gelijk is aan die waaraan een kind lijdt als het, wanneer het een mooie bloem ziet, die onmiddellijk aftrekt en in een paar oogenblikken den vorm en de geur vernielt, die het aantrokken. Hij alleen krijgt de volle glorie, die zich een weinig terughoudt, en hij alleen bezit waarlijk, die als het noodig is in staat is niet te bezitten. Hij is inderdaad een levensmeester, die, terwijl hij de grovere begeerten aanneemt, als zij tot zijn lichaam komen en ze niet weigert, ze weet te veranderen naar zijn wil in de zeldzaamste en geurigste bloemen van menschelijke emotie".

Behalve haar functies in het opbouwen van het karakter, in het verhoogen en veredelen van het erotisch leven, en in het dienstbaar zijn aan de gepaste vervulling van familie- en maatschappelijke plichten, heeft de kuischheid een meer speciale waarde voor hen, die de kunsten beoefenen. We zijn misschien niet altijd geneigd de schrijvers te gelooven, die verklaard hebben, dat hun vers alleen losbandig is, maar hun leven kuisch. Het is zeker waar, dat een verhouding van deze soort neiging heeft om voor te komen. De grondslag van het sexueele leven is de grondslag van de kunst; als zij in het eene kanaal verbruikt wordt, is ze verloren voor het andere. De meesters in al de meer intens emotioneele kunsten hebben dikwijls een hoogen graad van kuischheid in praktijk gebracht. Dit is vooral het geval, wat muziek betreft; men denke aan Mozart [88], Beethoven, aan Schubert, en aan vele mannen van minder beteekenis. In het geval van dichters en romanschrijvers schijnt kuischheid gewoonlijk minder overheerschend te zijn, maar ze is dikwijls duidelijk merkbaar, en wordt niet zelden verborgen onder de weergalmende echo's, die zelfs de geringste liefde-episode uitoefent op het dichterlijk organisme. Het leven van Goethe schijnt, op het eerste gezicht, een lange reeks van onophoudelijke liefde-episoden. Maar als wij bedenken, dat het het zeer lange leven was van een man, wiens kracht bleef tot het einde, dat zijn liefden een langen en diepen invloed uitoefenden op zijn emotioneele werk en op zijn leven, en dat hij met de meeste van de vrouwen die hij vereeuwigd heeft, nooit werkelijke sexueele verhoudingen heeft gehad, en als we ons bovendien voor oogen stellen, dat hij door alles heen, een bijna onbegrijpelijk groote hoeveelheid werk deed, dan zullen wij waarschijnlijk tot het besluit komen, dat het toegeven aan sexualiteit een veel kleiner deel had in het leven van Goethe dan in dat van menig gewoon man, op wien het geen merkbaar emotioneel of intellectueel spoor achterlaat. Sterne verklaarde, dat hij altijd een dulcinea in zijn hoofd moest hebben dansen, maar toch schijnt de mate van zijn intieme verhoudingen met vrouwen maar klein geweest te zijn. Balzac bracht zijn leven door met zwoegen aan zijn schrijftafel en met het volhouden van een liefde-correspondentie vele jaren lang met een vrouw, die hij bijna nooit zag en met wie hij ten slotte een paar maanden huwelijksleven doorbracht. Dezelfde ondervinding hebben vele artistieke scheppers van kunstwerken gehad. Want, in de woorden van Landor, "afwezigheid is de onzichtbare en onlichamelijke moeder der ideale schoonheid".

Wij doen goed ons te herinneren, dat, terwijl de auto-erotische manifestaties door de hersens van oneindige verscheidenheid en belang zijn, de hersens en de sexueele organen toch de groote mededingers zijn voor het verbruiken van de lichamelijke energie, en dat er een antagonisme is tusschen uiterste hersenkracht en uiterste sexueele kracht, al kunnen zij soms beide op verschillende tijden in hetzelfde individu voorkomen [89]. In deze beteekenis is er geen paradox in de woorden van Ramon Correa, dat potentie impotentie is en impotentie potentie, want een groote mate van energie, hetzij in athletiek of in intellect of in sexueele activiteit, is ongunstig voor het ontvouwen van energie in andere richtingen. Iedere hooge mate van potentie heeft haar daarmee in verband staande impotenties.

We mogen er aan toevoegen, dat we een merkwaardig onlogisch bewijs van het bovenmatige belang, dat aan sexueele functies gehecht wordt door een maatschappij, die systematisch de sekse tracht te kleineeren, vinden in de schande die gehecht wordt aan het gebrek aan "mannelijke" potentie. Hoewel het beschavingsleven een enorme plaats aanbiedt voor de werkzaamheden van sexueel impotente personen, laat men den impotenten man voelen, dat, terwijl hij het zich niet behoeft aan te trekken, als hij lijdt aan nerveuse stoornissen van de spijsvertering, het bijna een misdaad is als hij, even onschuldig, lijdt aan nerveuse stoornissen van den sexueelen impuls. Een treffend voorbeeld hiervan vertoonde zich, eenige jaren geleden, toen er geopperd werd, dat de betrekkingen van Carlyle tot zijn vrouw het best verklaard konden worden door te veronderstellen, dat hij lijdende was geweest aan sexueele impotentie. In eens stormden er bewonderaars naar voren, om Carlyle te "verdedigen" tegen deze "schandelijke" aantijging; zij waren meer geschokt, dan wanneer beweerd ware, dat hij syphilitisch was. Toch is impotentie, op zijn meest, een zwakheid, hetzij ze voortkomt uit eenig aangeboren gebrek, of aan een stoornis van het zenuwevenwicht in het teere sexueele mechanisme, zooals het neiging heeft voor te komen bij mannen van abnormaal gevoelig temperament. Het is niet schandelijker daar aan te lijden, dan aan dyspepsia, waarmee het ook samen kan voorkomen. Vele mannen van genie en hoog moreel karakter zijn sexueel misvormd geweest. Dit was het geval met Cowper (hoewel dit veelbeteekenend feit door zijn levensbeschrijvers is verheeld); Ruskin heeft zijn huwelijk ontbonden om een dergelijke reden; en van J. Stuart Mill zegt men, dat hij sexueel weinig meer ontwikkeld was dan een kind.

Tot op dit punt heb ik de kuischheid en de hoedanigheid van ascetisme in hun meest algemeene beteekenis beschouwd zonder eenige poging tot preciese onderscheiding [90]. Maar zullen wij deze aannemen als moderne deugden, die tegenwoordig nog gelden, dan is het noodig, dat wij wat precieser zijn als we ze definieeren. Het schijnt het gemakkelijkst, en ook strikt overeenkomende met de etymologie, als wij aannemen om met ascetisme of ascesis te bedoelen de athletische eigenschap van zelfbeheersching die, niet bepaald noodzakelijk voor onbeperkt lange perioden, de bevrediging van den sexueelen impuls in bedwang houdt. Onder kuischheid, die in de eerste plaats de eigenschap der reinheid is en in de tweede plaats die van heiligheid, veeleer dan van abstinentie, kunnen wij het best een gepaste verhouding tusschen erotische eischen en de andere eischen van het leven verstaan. "Kuischheid is", zooals Ellen Key juist opmerkt, "harmonie tusschen lichaam en ziel met betrekking tot liefde". Zoo begrepen, is ascetisme de deugd van beperken, die leidt tot erotische bevrediging, en kuischheid de deugd, die haar harmonie brengenden invloed uitoefent over het erotische leven zelf.

We zullen zien, dat ascetisme niet noodzakelijkerwijze voortdurende zelfbeheersching in zich sluit. Juist verstaan, is ascetisme een tucht, een oefening, die betrekking heeft op een doel, dat niet in zichzelf ligt. Als ze gedwongen voortbestaat, hetzij naar de voorschriften van een godsdienstig dogma, of enkel als een fetish, dan berust ze niet langer op een natuurlijke basis; dan is ze ook niet meer moreel, want de onthouding van een mensch, die zijn geheele leven in een gevangenis heeft doorgebracht, is van geen waarde voor het leven. Om natuurlijk te zijn en moreel, moet ascetisme een doel hebben buiten zichzelf, moet ze de doeleinden van het levenswerk dienen, die niet gediend kunnen worden door een persoon, die in een voortdurenden strijd gewikkeld is met zijn eigen natuurlijke instincten. Een mensch kan, wel is waar, als een kwestie van smaak of van voorkeur, zijn geheele leven vrij en gemakkelijk in sexueele abstinentie doorbrengen, maar in dit geval is hij geen asceet, en zijn ascetisme is noch een voorwerp van toejuiching, noch van critiek.

Op dezelfde wijze heeft kuischheid, wel verre van sexueele abstinentie in zich te sluiten, alleen waarde, als ze onder invloed gebracht wordt van de erotische sfeer. Een reinheid uit onwetendheid is, als de leeftijd van kinderlijke onschuld eenmaal voorbij is, enkel een domheid; ze is dichter bij de misdaad dan bij de deugd. Reinheid is ook niet gelijkluidend met inspanning en strijd; in dat opzicht verschilt ze van ascetisme. "Wij overwinnen de gebondenheid der sekse", zegt Rosa Mayreder, "door ze aan te nemen en niet door ze te ontkennen, en mannen kunnen dit alleen maar doen met behulp van vrouwen". De zoogenaamde kuischheid van koude berekening is even onschoon als onwerkelijk, en zonder eenigerlei waarde. Een ware en waardige kuischheid kan alleen onderhouden worden door een vurig ideaal van een nieuwe romantiek, of, zooals tegenwoordig, als een meer menschelijk erotisch ideaal. "Alleen erotisch idealisme", zegt Ellen Key, "kan enthoesiasme voor de kuischheid wekken". Kuischheid kan dus in een gezond ontwikkeld persoon alleen mooi toegepast worden in het werkelijk erotische leven; voor een deel is zij het instinct van waardigheid en matigheid; voor een deel is zij de kunst de sexueele dingen aan te raken met handen, die zich hun geschiktheid herinneren voor al de mooie doeleinden van het leven. Boven de ingangspoort tot het binnenste heiligdom der liefde staat dus hetzelfde opschrift als boven de poort voor het Epidaurische Heiligdom van Aesculapius: "Alleen de reine mag hier binnentreden".

Men zal opmerken, dat de definitie van kuischheid aan nauwkeurigheid te wenschen overlaat. Dat is onvermijdelijk. We hebben aan reinheid geen stevig houvast, want, evenals sneeuw voor de zon, smelt ze in onze handen weg. "Reinheid zelf verbiedt een te nauwkeurig systeem van regels voor het in acht nemen van reinheid", zegt Sidgwick zoo juist (Methods of Ethics, Bk, III, hoofdst. XI). Elders (op. cit.; Bk, III, hoofdst. XI) tracht hij de kwestie te beantwoorden: Welke sexueele verhoudingen zijn essentieel onrein? en komt hij tot de conclusie, dat geen antwoord mogelijk is. "Er schijnt geen bepaald principe te zijn, dat eenige aanspraak heeft op vanzelfsprekendheid, waarnaar de kwestie kan beantwoord worden, zóó dat ze algemeene goedkeuring vindt". Zelfs wat "Vrije Liefde" genoemd wordt, voegt hij er aan toe, "in zoover als ze ernstig aangeraden is als een middel tot een meer volkomen harmonie van gevoelen tusschen mannen en vrouwen, kan niet als onrein veroordeeld worden, want het schijnt paradoxaal, reinheid van onreinheid te onderscheiden alleen door een mindere snelheid van overgang".

Moll komt van het standpunt van medische psychologie tot dezelfde conclusie als Sidgwick van dat van ethica. In een verslag over de "Waarde van Kuischheid voor de Menschen", dat gepubliceerd is als een appendix bij de derde uitgave (1899) van zijn Konträre Sexualempfindung, bespreekt de beroemde Berlijnsche medicus de zaak met zeer veel gezond verstand, en wijst hij er op, dat "kuisch en onkuisch betrekkelijke ideeën zijn". Wij moeten niet, zegt hij, zooals dikwijls gedaan wordt, "kuisch" identificeeren met "sexueele onthouding". Hij voegt er bij, dat wij niet gerechtigd zijn ieder buitenechtelijk sexueel verkeer onkuisch te noemen, want, als we dat doen, zullen we gedwongen zijn bijna alle mannen en sommige zeer respectabele vrouwen als onkuisch te beschouwen. Hij staat er terecht op, dat wij in deze zaak denzelfden regel zullen toepassen op vrouwen als op mannen, en hij wijst aan, dat sexueele omgang niet noodzakelijk onkuisch is, zelfs al rangschikt men er onder wat technisch echtbreuk kan zijn. Hij noemt het geval van een meisje, dat op haar achttiende jaar, toen ze geestelijk nog onrijp was, trouwt met een man, met wien zij het niet mogelijk vindt samen te leven; een scheiding heeft ten gevolge daarvan plaats, hoewel een wettige echtscheiding onmogelijk te verkrijgen is. Als zij nu hartstochtelijk verliefd wordt op een man, dan kan haar liefde geheel kuisch zijn, hoewel zij omvat wat technisch echtbreuk is.

Als we zoo ascetisme en kuischheid en hun weldadige functies in het leven begrijpen, zien wij, dat zij een plaats innemen midden tusschen de kunstmatig overdreven positie die zij eens hadden, en die waartoe zij verlaagd waren door de onvermijdelijke reactie en algemeene onverschilligheid of werkelijke vijandigheid, die er op volgde. Ascetisme en kuischheid zijn geen strenge categorische eischen; zij zijn nuttige middelen tot wenschenswaardige doeleinden, zij zijn wijze en schoone kunsten. Zij hebben recht op onze achting, maar niet op onze overschatting. Want, waar we ze overschatten, wordt te dikwijls vergeten, dat wij het sexueele instinct overschatten. Het sekse-instinct is inderdaad zeer belangrijk. Toch heeft het niet dat alles omvattende en uitnemende belang, dat sommigen, zelfs van hen die er tegen strijden, gewoon zijn er aan te hechten. Dat kunstmatig vergrooten van de belangrijkheid van den sexueelen impuls wordt versterkt door den kunstmatigen nadruk, die op ascetisme gelegd wordt. Wij kunnen de werkelijke plaats van den sexueelen impuls leeren kennen, als we leeren inzien, hoe we de beperkingen van dien impuls met verstand en op natuurlijke wijze kunnen beschouwen.

HOOFDSTUK VI

HET VRAAGSTUK VAN SEXUEELE ONTHOUDING

De invloed van de traditie.--De theologische voorstelling van wellust.--Neiging van deze invloeden om de sexueele moraal te degradeeren.--Het resultaat ervan voor de vorming van de sexueele abstinentie.--De protesten tegen sexueele abstinentie.--Onthouding en genialiteit.--Sexueele abstinentie bij vrouwen.--De voorstanders van sexueele abstinentie.--De middenrichting.--Onbevredigende resultaten van de geheele discussie.--Critiek op het begrip abstinentie.--Sexueele abstinentie vergeleken met het onthouden van voedsel.--Geen complete analogie.--De moraal van sexueele abstinentie is geheel negatief.--Is het de plicht van den dokter buitenechtelijk geslachtsverkeer aan te raden?--Meeningen van hen, die dezen plicht bevestigen of ontkennen.--De beslissing moet vallen tègen het geven van zulk een raad.--De dokter gebonden door de maatschappelijke en moreele denkbeelden van zijn eeuw.--De dokter als hervormer.--Sexueele abstinentie en sexueele hygiëne.--Alcohol.--De invloed van geestelijke en lichamelijke inspanning.--De ontoereikendheid van de sexueele hygiëne op dit gebied.--De onwerkelijke aard van het begrip sexueele abstinentie.--De noodzakelijkheid om het door een meer positief ideaal te vervangen.

Als wij de zaak beschouwen uit een zuiver abstract of zelfs zuiver biologisch gezichtspunt dan zou het kunnen schijnen, dat wij, door te beslissen, dat ascetisme en kuischheid van hooge waarde zijn voor het persoonlijke leven, alles gezegd hebben, wat er te zeggen valt. Dat is echter op verre na het geval niet. Wij bemerken hier, evenals bij ieder punt in de praktische toepassing van sexueele psychologie, dat het niet voldoende is langs biologische lijnen den weg te bepalen, die in abstracten zin de rechte is. Wij moeten onze biologische eischen in harmonie brengen met maatschappelijke eischen. Wij worden beheerscht niet alleen door natuurlijke instincten, maar door geërfde tradities, die in het verre verleden stevig gebaseerd waren op begrijpelijke gronden, en die zelfs nu nog, door het enkele feit van hun bestaan, een macht uitoefenen, die we niet kunnen en niet mogen voorbijzien.

Toen we de waarde van den sexueelen impuls bespraken, hebben wij bevonden, dat wij alle reden hadden, liefde zeer hoog te schatten. Bij het bespreken van kuischheid en ascese vonden we, dat ook deze zeer hoog geschat moeten worden. En wij hebben gezien, dat hier geen contradictie in opgesloten ligt; integendeel, dat liefde en kuischheid in al hun fijnste ontwikkelingen zijn samengegroeid, en dat er dus een volkomen harmonie is in een schijnbare tegenspraak. Maar als wij de zaak in bijzonderheden beschouwen, in haar speciale persoonlijke toepassingen, dan zien wij, dat een nieuwe factor zich doet gelden. Wij bemerken, dat onze geërfde maatschappelijke en godsdienstige tradities een druk uitoefenen, geheel aan éen zijde, die het onmogelijk maakt de verhoudingen van liefde en kuischheid op de basis van biologie en rede alleen te stellen. Aan den eenen kant hebben deze tradities het woord "lust"--beschouwd als uitdrukking gevend aan al de uitingen van den sexueelen impuls, die buiten het huwelijk liggen of die niet het huwelijk als hun direct en zichtbaar doel hebben--belast met geringschattende en sinistere beteekenissen. En aan den anderen kant hebben deze tradities het probleem geschapen van "sexueele abstinentie", dat niets te maken heeft met ascetisme of met kuischheid, zooals deze in het vorige hoofdstuk gedefiniëerd zijn, maar dat alleen den zuiver negatieven druk op den sexueelen impuls bedoelt, die, onafhankelijk van de wenschen van het individu, door zijn godsdienstige en maatschappelijke omgeving wordt uitgeoefend.

De theologische opvatting van "lust" of "libido" als zonde, volgde logisch op de oud-Christelijke opvatting van het "vleesch", en werd onvermijdelijk, zoodra die opvatting algemeen was geworden. Niet alleen hadden de oud-Christelijke idealen een kleineerenden invloed op de waardeering van het sexueel verlangen per se, maar zij hadden neiging de waardigheid van de sexueele verhouding in discrediet te brengen. Als een man een vrouw buiten huwelijk sexueel naderde, en haar daardoor binnen den verachten kring van "wellust" bracht, dan bracht hij haar nadeel toe, omdat hij afbreuk deed aan haar godsdienstige en moreele waarde [91]. De eenige wijze, waarop hij de aangerichte schade kon goed maken, was haar geld te betalen of een gedwongen en daardoor waarschijnlijk ongelukkig huwelijk met haar aan te gaan. Dat wil zeggen, dat sexueele verhoudingen door de kerkelijke tradities op een pecuniaire basis geplaatst waren, op hetzelfde niveau als prostitutie. Door haar welgemeende pogingen om de theologische moraal, die zich op een ascetische basis ontwikkeld had, te steunen, ondermijnde de kerk dus feitelijk zelf dien vorm van sexueele verhouding, dien zij heiligde.