De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 23
In de zevende eeuw begonnen de Poenitentialia in gebruik te komen; ze werden gedurende de negende en tiende eeuw zeer overheerschend en hadden groote authoriteit. Zij waren wetslichamen, gedeeltelijk geestelijk en gedeeltelijk wereldsch, en werden gegoten in den vorm van catalogussen van vergrijpen met de juiste maat van straf, voorgeschreven voor ieder vergrijp. Zij vertegenwoordigden de introductie van maatschappelijke orde onder ongetemde barbaren en waren meer wetboeken van strafwet dan deel van een systeem van sacramenteele confessie en boetedoening. In Frankrijk en Spanje, waar reeds orde en regel bestond op een Christelijke basis, waren zij weinig noodig. Zij hadden hun oorsprong in Ierland en Engeland en bloeiden voornamelijk in Duitschland; Karel de Groote ondersteunde ze (zie, b.v. Lea, History of Auricular Confession, deel II, p. 96, ook hoofdst. XVII; Hugh Williams, uitgave van Gildas, deel II, Appendix 3; de voornaamste Poenitentialia worden vermeld in de Bussordnungen van Wasserschleben). In 1216 maakte het Lateraansch concilie, onder Innocentius III, biechten verplichtend. Het voorrecht van den priester om de mate van de straf te regelen naar omstandigheden met grooter buigzaamheid dan de strenge Poenitentialia toelieten, werd eerst absoluut gehandhaafd door Peter van Poitiers. Toen wierp Alain van Rijssel de Poenitentialia als verouderd ter zijde en verklaarde, dat de priester zelf navraag moest doen naar de omstandigheden van iedere zonde en precies de schuld ervan moest afwegen. (Lea, op. cit., deel II, p. 171).
Lang voor dezen tijd echter hadden de idealen der kuischheid, voor zoover zij een belangrijke mate van zelfbeheersching in zich sloten, ofschoon zij stevig vast gegroeid waren in de conventioneele tradities en idealen van de Christelijke Kerk, opgehouden eenige bekoring of kracht te hebben voor de bevolking, die in het Christendom leefde. Onder de Noordelijke barbaren, met hun verschillende tradities van een krachtiger en natuurlijker soort achter zich, werden de geslachts-eischen dikwijls vrijmoedig ten toon gespreid. De monnik Ordericus Vitalis vestigt in de elfde eeuw de aandacht op wat hij noemt de "wulpschheid" van de vrouwen van de Noorsche veroveraars van Engeland, die, toen ze alleen thuis gelaten waren, boodschappen stuurden, dat ze, als haar echtgenooten niet spoedig terug kwamen, andere mannen zouden nemen. Het celibaat van de geestelijkheid werd alleen met de grootste moeite ingesteld en toen het ingesteld was, werden de geestelijken onkuisch. Aartsbisschop Odo van Rouaan, in de dertiende eeuw, vermeldde in het dagboek van de bezoeken in zijn diocese, dat er éen onkuische geestelijke was op iedere vijf gemeenten, en zelfs toont de monnik Salimbene in zijn merkwaardige autobiographie met betrekking tot het Italië van denzelfden tijd aan, hoe weinig kuischheid in het godsdienstige leven in acht genomen werd. Kuischheid kon nu alleen gehandhaafd worden door geweld, gewoonlijk door de moreele kracht van kerkelijke autoriteit, die zelf door onkuischheid ondermijnd werd, maar soms zelfs door physiek geweld. Het was in de dertiende eeuw, volgens de opinie van sommigen, dat de kuischheidsgordel (cingula castatis) zich het eerst begint te vertoonen, maar de voornaamste autoriteit Caufeynon (La Ceinture de Chasteté, 1904) meent, dat ze dateert uit de Renaissance (Schultz, Das höfische Leben zur Zeit der Minnesänger, deel V. p. 272; Krauss, Anthropophyteia, deel III, p. 247). In de zestiende eeuw werden de kloosters bijna tot bordeelen, zooals we hooren op het niet bestreden gezag van Burchard, een secretaris van den Paus, in zijn Diarium, uitgegeven door Thuasne, die nog meer autoriteiten voor deze bewering samenbrengt in een noot onder aan de bladzij (deel II, p. 79); dat zij dat bleven in de achttiende eeuw, zien wij duidelijk in de bladzijden van de Mémoires van Casanova en in veel andere documenten van dien tijd.
De Renaissance en de opkomst van het humanisme had ongetwijfeld invloed op het gevoel jegens het ascetisme en de kuischheid. Aan den eenen kant werd er een nieuwe en oude wettiging gevonden voor het niet in acht nemen van deugden, die de menschen begonnen te beschouwen als enkel monnikachtig, en aan den anderen kant begonnen de fijnere geesten, die den invloed van de nieuwe beweging ondervonden, zich duidelijk bewust te worden, dat kuischheid beter gekweekt kan worden en in acht genomen door hen, die vrij waren te doen zooals zij wilden, dan door hen, die onder den dwang stonden van priesterlijke autoriteit. Dat is het gevoel, dat in Montaigne overheerscht, en dat is het idee van Rabelais, toen hij het tot den eenigen regel van zijn abdij van Thelème maakte: "Fay ce que vouldras".
Iets later werd deze leer in verschillende toonaarden herhaald door vele schrijvers, alle meer of min verlicht door de beschaving, die door de Renaissance in de mode was gebracht. "Zoolang Danae vrij was", merkt Ferrand op in zijn verhandeling uit de zestiende eeuw, De la Maladie d'Amour, "was zij kuisch". En Sir Kenelm Digby, de laatste vertegenwoordiger van den geest der Renaissance, wijst in zijn Private Memoirs op het feit, dat de vrijheid, die Lycurgus "de wijste menschelijke wetgever, die er ooit geweest is", aan de vrouwen gaf om haar lichaam te geven aan mannen, tot wie zij zich door edele genegenheid en door de hoop op een goed nageslacht voelden aangetrokken, de ware oorzaak was, dat "werkelijke kuischheid in Sparta meer bloeide dan in eenig ander deel van de wereld".
In Protestantsche landen werd het ascetisch ideaal nog verder in discrediet gebracht door de Hervorming, die voor een groot gedeelte een opstand was tegen gedwongen celibaat. Zoodoende werd de godsdienst niet langer aan de zijde van de kuischheid geplaatst. In de achttiende eeuw, zoo niet eerder, werd de autoriteit van de Natuur ook gewoonlijk ingeroepen tegen de kuischheid. Zoo is het gekomen, dat in de laatste twee eeuwen ernstige denkers maar gedeeltelijk gunstig gestemd waren jegens de kuischheid. Het begon gevoeld te worden, dat een ongelukkige en schadelijke vergissing begaan was door te trachten een verheven ideaal te handhaven, hetgeen huichelarij aanmoedigde. "Het menschelijk ras zou veel winnen", zooals Senancour in het begin der negentiende eeuw in zijn merkwaardig boek over liefde schreef, "als de deugd niet zoo moeilijk gemaakt werd. De verdienste zou niet zoo groot zijn, maar wat is het nut van een verhevenheid, die zelden kan volgehouden worden?" [79].
Er kan geen twijfel aan zijn, dat de overmatige minachting, waartoe de kuischheids-idee in de achttiende eeuw en later begon te vervallen, voornamelijk voortkwam uit het bestaan van die enkel uitwendige en conventioneel physieke kuischheid, die willekeurig opgedrongen werd, voor zoover ze opgedrongen kon worden, en die in zekere mate nog opgedrongen wordt, in naam of in werkelijkheid,--aan alle respectabele vrouwen buiten het huwelijk. De opvatting van de physieke deugd der maagdelijkheid had de opvatting van de geestelijke deugd van kuischheid verlaagd. Een enkele gewoonte, voelde men, voorgeschreven aan een geheele sekse, of zij het wilde of niet, kon nooit de schoonheid en de bekoring bezitten van een deugd. Terzelfder tijd begon men zich voor oogen te stellen, dat de staat van gedwongen maagdelijkheid niet alleen niet een staat is, die bijzonder gunstig is voor het kweeken van werkelijke deugden, maar dat die verbonden is met eigenschappen, die niet langer beschouwd worden als te zijn van hooge waarde [80].
"Hoe willekeurig, kunstmatig en strijdig met de Natuur is het leven, dat nu in deze zaak der kuischheid aan vrouwen opgedrongen wordt!" schreef James Hinton veertig jaar geleden. "Denk aan dezen regel: "Een vrouw, die in overweging neemt, is verloren". Wij scheppen het gevaar, door de geheele vrouwelijkheid afhankelijk te maken van een punt als dit, en door haar te omringen met onnatuurlijke en bovennatuurlijke gevaren. Er wordt thans een lichtzinnige onredelijkheid belichaamd in het leven der vrouw; de tegenwoordige "deugd" is een ziekelijke ongezonde plant. De Natuur en God hebben nooit het leven van een vrouw zoo op de punt van een naald gewogen. Het geheele moderne denkbeeld der kuischheid heeft sensueele overdrijving in zich, die zeker voor een deel is overgebleven uit andere tijden, terwijl wat er goed in was voor het grootste gedeelte verdwenen is".
"De geheele bekoring der maagdelijkheid", schreef een andere Philosoof, Guyau, "is onwetendheid. Maagdelijkheid kan, evenals sommige vruchten, alleen bewaard worden door een proces van verdroging".
Mérimée wees op denzelfden verdrogenden invloed van de maagdelijkheid. In een brief, gedateerd van 1859 schreef hij: "Ik vind, dat tegenwoordig de menschen veel te veel waarde hechten aan kuischheid. Niet, dat ik ontken, dat kuischheid een deugd is, maar er zijn graden in deugden evenals in ondeugden. Het schijnt belachelijk, dat een vrouw uit de maatschappij verbannen zal worden, omdat zij een minnaar gehad heeft, terwijl een vrouw, die gierig is, onoprecht en zuur, overal vrij uit kan gaan. De moraal van deze eeuw is zeker niet die, die geleerd wordt in het Evangelie. Naar mijn meening is het beter te veel lief te hebben, dan te weinig. Tegenwoordig worden droge harten in de hoogte gestoken" (Revue des Deux Mondes, April, 1896).
Dr. H. Paul heeft een daarmee verwant punt behandeld. Zij schrijft: "Er zijn meisjes, die zich, zelfs al als kinderen, geprostitueerd hebben door onanie en wulpsche gedachten. De reinheid harer zielen is al lang verloren en niets blijft voor haar verborgen, maar--zij hebben haar hymen bewaard! Dat is ter wille van den toekomstigen echtgenoot. Laat niemand haar onschuld durven betwijfelen, met dat onwederlegbaar bewijsmateriaal! En als dan een ander meisje, dat haar kindsheid in volkomen reinheid doorgebracht heeft, nu, met ontwaakte zinnen en warme, onstuimige vrouwelijkheid, zich in liefde of ook maar alleen in hartstocht aan een man geeft, dan staan ze allen op en roepen, dat zij "onteerd" is! En niet het minst het geprostitueerde meisje met het hymen. Zij is het juist, die het hardst schreeuwt en die de grootste steenen gooit. Toch behoeft de "onteerde" vrouw, die gezond en krachtig is, niet bang te zijn, te vertellen wat zij gedaan heeft aan den man, die haar ten huwelijk begeert, als zij spreekt van het eene menschelijke wezen tot het andere. Zij behoeft niet te blozen; zij heeft haar menschenrechten uitgeoefend en geen verstandig man zal haar om die reden minder achten". (Dr. H. Paul, "Die Ueberschätzung der Jungfernschaft", Geschlecht und Gesellschaft Bd. II, p. 14, 1907).
In gelijken geest schrijft F. Erhard (Geschlecht und Gesellschaft Bd. I, p. 408): "Maagdelijkheid in een zekere beteekenis heeft haar waarde, maar in de gewone beteekenis wordt ze grootelijks te hoog geschat. Afgezonderd van het feit, dat een meisje, dat ze bezit, toch door en door verdorven kan zijn, leidt deze overschatting van de maagdelijkheid er toe, dat het meisje, die ze niet heeft, veracht wordt, en verder heeft ze tot resultaat gehad de ontwikkeling van een speciale industrie om meisjes klaar te maken, door middel van een preutsche kloosterachtige opvoeding, die haar echtgenooten de speciale delicatesse zullen brengen van een bruid, die nergens van weet. Natuurlijk kan dit alleen bereikt worden ten koste van iedere verstandige opvoeding. Wat de onontwikkelde kleine gans kan worden, dat kan niemand voorzien".
Freud (Sexual-Probleme, Maart, 1908) wijst ook op het slechte resultaat van de opvoeding voor het huwelijk, die aan de meisjes gegeven wordt op den basis van dit ideaal van maagdelijkheid. "Opvoeding onderneemt de taak de zinnelijkheid van een meisje terug te dringen tot den tijd van de verloving. Zij verbiedt niet alleen sexueele verhoudingen en stelt een hooge premie op onschuld, maar ze onttrekt de rijpende vrouwelijke individualiteit aan de verleiding, door een staat van onwetendheid te handhaven omtrent de praktische zijde van de rol, die zij in het leven zal moeten spelen, en door geen opwekking tot liefde toe te laten, die niet tot het huwelijk kan leiden. Het resultaat is, dat, als haar plotseling door de autoriteit van de ouders wordt toegestaan te verlieven, het meisje zich psychisch niet kan aanpassen, en dat zij het huwelijk ingaat, onzeker van haar eigen gevoelens. Als een gevolg van deze kunstmatige vertraging van de liefdesfunctie, brengt zij niets dan teleurstelling aan haar man, en is koel in haar physieke verhouding tot hem".
Senancour (De l'Amour, deel i, p. 285) meent zelfs, dat, als het mogelijk is de kwestie van de nakomelingschap er buiten te laten, niet alleen de wet van kuischheid gelijk zal worden voor de beide geslachten, maar dat er een neiging zal zijn om de verhouding van de seksen, in zekere mate, te veranderen. "Zelfbeheersching wordt dan een raad eerder dan een voorschrift, en dan zal in vrouwen de wellustige neiging met de meeste toegevendheid beschouwd worden. De man is gemaakt om te werken; hij ontmoet het pleizier alleen maar in het voorbijgaan; hij moet er mee tevreden zijn, dat de vrouwen zich er meer mee zullen bezig houden dan hij. Het zijn de mannen, die er door uitgeput raken, en mannen moeten altijd voor een deel hun wenschen beperken".
Als wij ons echter bevrijden van den band van een gedwongen physieke kuischheid, dan wordt het mogelijk kuischheid als een deugd in eere te herstellen. In den tegenwoordigen tijd kan het niet langer gezegd worden, dat er van den kant van denkers en moralisten eenige actieve vijandigheid jegens het denkbeeld van kuischheid bestaat; er is integendeel een neiging om de waarde van kuischheid te erkennen. Maar deze erkenning is vergezeld gegaan van een terugkeer tot de oudere en gezondere opvatting van de kuischheid. Het bewaren van een strenge sexueele abstinentie, niets dan de maagdelijkheid, kan alleen beschouwd worden als een pseudo-kuischheid. De eenige positieve deugd, die Aristoteles op dit gebied kon erkend hebben was een matiging, die beperking van de lagere impulsen in zich sloot, een wijs uitoefenen en niet een niet-uitoefenen [81]. De beste denkers van de Christelijke Kerk hebben dezelfde opvatting gehad; de heilige Basilius hechtte in zijn belangrijke reglementen voor monniken geen waarde aan zelftucht als een doel op zichzelf, maar beschouwde ze als een werktuig, om den geest in staat te stellen, macht over het vleesch te krijgen. De heilige Augustinus verklaarde, dat zelfbeheersching alleen uitstekend is, als ze in praktijk gebracht wordt in het geloof aan het hoogste goed [82], en hij beschouwde kuischheid als "een ordelijke beweging van de ziel, die lagere dingen ondergeschikt maakt aan hoogere dingen, en die voornamelijk moet blijken in huwelijksverhoudingen"; Thomas van Aquino die de kuischheid op veelal dezelfde wijze aanduidde, definieerde onreinheid als het smaken van sexueel genot dat niet van de rechte soort is, noch wat het voorwerp, noch wat de omstandigheden aangaat [83]. Maar een tijdlang werden de stemmen van de groote moralisten niet gehoord. De deugd der kuischheid was ondergegaan in den populairen Christelijken hartstocht voor de vernietiging van het vleesch, en dat gezichtspunt werd in de zestiende eeuw ten slotte geheiligd door het Concilie van Trente, dat formeel een banvloek uitsprak over iedereen, die zou willen verklaren, dat de staat van maagdelijkheid en celibaat niet beter was dan de huwelijksstaat. Nu behoort de pseudo-kuischheid, die waarde had alleen op grond dat iedere soort van zelfbeheersching beter was dan iedere soort van sexueele verhouding, tot het verleden, behalve voor hen, die aan oude ascetische geloofsbelijdenissen hangen. De mystieke waarde van de maagdelijkheid is verdwenen; zij schijnt in den geest van den modernen mensch alleen maar het denkbeeld op te wekken van een pikantheid, die begeerd wordt door den verstokten lichtmis; het zijn de mannen, die zelf al lang den leeftijd der onschuld voorbij zijn, die zooveel waarde hechten aan de onschuld van hun bruiden. De opvatting van levenslange zelfbeheersching als een ideaal is ook verdwenen; op zijn best wordt ze beschouwd als een zaak van persoonlijke voorkeur. En de conventioneele veinzerij van algemeene kuischheid, om voor respectabel te gelden, begint men te beschouwen als een bezwaar, eer dan als een hulp voor het kweeken van eenige werkelijke kuischheid [84].
De kuischheid, die door den moralist van tegenwoordig als een deugd beschouwd wordt, heeft haar waarde geensdeels in haar abstinentie. Zij is niet, in de woorden van de heilige Theresa, de deugd van de schildpad, die haar leden onder haar schild terugtrekt. Zij is een deugd, omdat zij een oefenen in zelfbeheersching is, omdat ze het karakter en den wil helpt stalen, en omdat ze direct gunstig is voor het kweeken van het mooiste, meest verheven en meest krachtige sexueele leven. Zoo beschouwd, mag men kuischheid stellen tegenover de eischen van het verlaagde middeleeuwsche Catholicisme, maar zij is in harmonie met de eischen van ons beschaafde leven van tegenwoordig en in het geheel niet in disharmonie met de eischen der Natuur.
Er is altijd een analogie tusschen het instinct van reproductie en het instinct van voeding. Bij de voeding is het de invloed van de kennis, van physiologie, die ten slotte een overdreven ascetisme op zijde heeft geschoven, en eten "rein" gemaakt heeft. Hetzelfde proces is, zooals James Hinton duidelijk aangewezen heeft, mogelijk gemaakt in de sexueele verhoudingen; "kennis heeft den sleutel in handen tot reinheid" [85].
Vele invloeden hebben echter samengewerkt om een aandringen tot kuischheid te bevorderen. Er is in de eerste plaats een onvermijdelijke reactie geweest tegen de sexueele gemakkelijkheid, die men als natuurlijk was beginnen te beschouwen. Men bemerkte, dat zulk een gemakkelijkheid geen moreele waarde had, want zij had neiging de moreele kracht te verslappen en ze was niet gunstig voor de mooiste sexueele satisfactie. Ze kon niet eens aanspraak maken op natuurlijkheid in de ruime beteekenis van het woord, want in de natuur in het algemeen is de sexueele bevrediging meestal zeldzaam en moeilijk. Het hof maken kost moeite en is van langen duur; de tijd der liefde is strikt afgeperkt, de zwangerschap onderbreekt sexueele verhoudingen. Zelfs onder natuurvolken, zoolang zij niet door de beschaving besmet zijn, wordt mannelijkheid gewoonlijk gehandhaafd door een mooi ascetisme; het verdragen van ontbering, zelfbeheersching en beperking, gematigd door zeldzame orgiën, geven een tucht, die zoowel het sexueele deel als ieder ander deel van het leven der natuurvolken beheerscht. Om dezelfde mannelijkheid in het beschaafde leven te behouden, moeten wij, dat mogen we wel inzien, opzettelijk een deugd kweeken, die onder levenstoestanden bij natuurvolken natuurlijk is [86].
De sympathie van Nietzsche, zoowel direct als indirect, is geweest aan de zijde van de deugd der kuischheid in haar moderne beteekenis. Het voorschrift: "Wees hard", zooals Nietzsche het gebruikte, was niet zoozeer een opdracht tot ongevoelige onverschilligheid jegens anderen, als wel een beroep op een meer energieke houding jegens onszelf, het kweeken van een zelfbeheersching, die in staat is de krachten der ziel te verzamelen en in te houden, om ze te besteden aan met opzet gekozen doeleinden. "Een betrekkelijke kuischheid", schreef hij, "een fundamenteel en wijs overleg in erotische zaken, zelfs in gedachte, is een deel van een mooie gematigdheid in het leven, ook in rijk begaafde en volkomen naturen" [87]. In deze zaak is Nietzsche een typische vertegenwoordiger van de moderne beweging tot herstel van de kuischheid op haar juiste plaats als een werkelijke en nuttige deugd, en niet als louter conventie. Zulk een beweging kon niet nalaten zich te doen voelen, want men begrijpt spoedig, dat alles wat gemakkelijkheid en weelderige zachtheid in sexueele zaken begunstigt, het karakter verlaagt en de heerlijkste erotische satisfactie vermindert. Want erotische satisfactie van de hoogste soort is alleen mogelijk als wij aan den sexueelen impuls een hooge mate verzekerd hebben van wat Colin Scott noemt "irradiatie", dat wil zeggen een in ruime mate zich verspreiden door het geheele psychische organisme. En dat kan alleen bereikt worden door belemmeringen op te werpen op den weg naar de snelle en directe bevrediging van de sexueele begeerte, door haar te dwingen haar kracht te vermeerderen, lange omwegen te nemen, het geheele organisme zoo sterk te laden, dat de eindelijke climax van bevredigde liefde niet triviale afdoening van een klein verlangen is, maar de enorme vervulling van een hartstocht, waarin zoowel de geheele ziel als het geheele lichaam zijn aandeel heeft. "Alleen de kuische kan werkelijk obsceen zijn", zeide Huysmans. En op een hooger plan: alleen de kuische kan liefhebben.
"Physieke reinheid", merkte Hans Menjago op ("Die Ueberschätzung der Physischen Reinheit", Geschlecht und Gesellschaft, deel II, hoofdst. VIII) "werd oorspronkelijk gewaardeerd als een teeken van grootere sterkte van wil en kracht van karakter; ze beteekende een zich verheffen boven primitieve toestanden. Deze reinheid was moeilijk te bewaren; ze was zeldzaam en ongewoon. Uit deze zeldzaamheid ontstond het bijgeloof van een bovennatuurlijke macht, die in de maagd zou wonen. Maar deze heeft geen beteekenis, zoodra reinheid algemeen wordt en een speciaal zichtbare mate van kracht van karakter niet langer noodig is om ze te handhaven... Physieke reinheid kan alleen waarde bezitten als zij het resultaat is van individueele sterkte van karakter, en niet als zij het resultaat is van gedwongen moreele regels".
Konrad Höller, die speciale aandacht gewijd heeft aan de sexueele kwestie op scholen, merkt met betrekking tot physieke oefening op: "Het grootste voordeel van physieke oefening is echter niet de ontwikkeling van actieve en passieve kracht van het lichaam en zijn behendigheid, maar het instellen en het versterken van de heerschappij van den wil over het lichaam en zijn behoeften, die zoozeer te lijden heeft van traagheid. Hij, die geleerd heeft voor een bepaald doel honger en dorst en vermoeidheid te verdragen en te overwinnen, zal beter in staat zijn sexueele impulsen en de verleiding om er aan toe te geven te weerstaan, wanneer beter inzicht en æsthetisch gevoel hem duidelijk gemaakt hebben, dat toegeven nadeelig en schandelijk zou zijn" (K. Höller, "Die Aufgabe der Volksschule", Sexualpädagogik, p. 70). Professor Schäfenacker (id., p. 102), die ook den nadruk legt op het belang van zelfbeheersching en zelfbeperking, meent dat een jong mensch zijn toekomstige zending als burger en vader van een familie in gedachte moet houden.