De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 22

Chapter 223,487 wordsPublic domain

Er was éen vorm, waarin de nieuwe Christelijke kuischheid overvloedig en ongehinderd bloeide: zij maakte zich meester van de literatuur. De bekoorlijkste en zeker de meest populaire literatuur van de oudste kerk vormden de onnoemelijk vele legenden van erotische kuischheid--tot zekere hoogte misschien wel gebaseerd op feiten--die samengevat zijn in de Acta Sanctorum. Wij kunnen, zelfs in de meest eenvoudige en weinig wonderbaarlijke oudste Christelijke verslagen van het martelaarschap van vrouwen zien, dat de schrijvers zich volkomen bewust waren van de teere bekoring van de heldin, die, evenals Perpetua, in Carthago, door wilde dieren in de arena heen en weer geworpen, opstaat om zich in haar gescheurde kleeren te hullen en haar verwarde haren in orde te brengen [77]. Van deze legenden tot de verhalen van romantisch avontuur was een gemakkelijke stap. Onder deze heerlijke verhalen mag ik voornamelijk verwijzen naar de legende van Thekla, die, misschien wel ten onrechte, al in de eerste eeuw gesteld wordt, "De Bruid en Bruidegom van Indië" in de handelingen van Judas Thomas, "De Maagd van Antiochië", verteld door den heiligen Ambrosius, de geschiedenis van "Achillus en Nereus", "Mygdonia en Karish", en "Twee Minnenden van Auvergne", zooals ze verteld zijn door Gregorius van Tours. De oudste Christelijke literatuur is vol van verhalen van minnenden, die hun kuischheid bewaard hadden, en die toch de heerlijkste geheimen van de liefde hadden ontdekt.

Thekla's dag is de drie en twintigste September. Er is een zeer goede Syrische lezing (door Lipsius en anderen beschouwd als ouder dan de Grieksche vertaling) van de Handelingen van Paul en Thekla (zie b.v. van Wright, de Apocryphal Acts). Deze Acts behooren tot het tweede gedeelte van de tweede eeuw. De geschiedenis is, dat Thekla, daar ze weerstand bood aan den hartstocht van den hoogepriester van Syrië, naakt op een gordel (subligaculum) na, geplaatst werd op den rug van een leeuwin, die haar de voeten likte en tegen de andere dieren vocht, en die bij haar verdediging stierf. De andere dieren deden haar echter geen kwaad en zij werd eindelijk los gelaten. Een koningin overlaadde haar met geld, zij veranderde haar kleeding om er als een man uit te zien, ging op reis om Paulus te ontmoeten, en bereikte een hoogen ouderdom. Sir W. M. Ramsay heeft een belangwekkende studie over deze Handelingen geschreven (The Church in the Roman Empire, hoofdstuk XVI). Hij meent, dat de Handelingen hun grondslag vinden in een document uit de eerste eeuw, en hij ziet kans om verscheidene elementen van waarheid uit het verhaal los te warren. Hij zegt, dat het het eenige bewijs is, hetwelk wij bezitten van de denkbeelden en van de daden van vrouwen gedurende de eerste eeuw in Klein-Azië, waar haar positie zoo hoog was en haar invloed zoo groot. Thekla vertegenwoordigt de handhaving van de rechten der vrouw en zij diende het sacrament van den doop toe, hoewel deze trekken in de bestaande vertalingen van de Handelingen onduidelijk geworden zijn of uitgewischt.

Sommige van de meest typische van deze Christelijke legenden worden beschreven als Gnostisch in oorsprong, met iets van de zaden van het Manichaeisch dualisme, die vervat waren in den schoot van het gnosticisme, terwijl de geest van deze legenden ook zeer Montanistisch is, met de gemengde kuischheid en gloed, den uitgesproken feministischen toon, die past bij den oorsprong ervan in Klein-Azië, en die het kenmerk was van het Montanisme. Het kan echter niet ontkend worden, dat zij in grooten getale overgingen in den stroom van Christelijke traditie, en een essentieel en belangwekkend deel van die traditie vormen. (Renan wijst, in zijn Marc-Aurèle, hoofdst. IX en XV, op de enorme schuld van het Christendom aan Gnostische en Montanistische bijdragen). Een karakteristiek voorbeeld is de geschiedenis van "De Verloofde uit Indië" in de Handelingen van Judas Thomas (Wright's Apocryphal Acts). Judas Thomas werd door zijn meester Jezus verkocht aan een Indischen koopman, die een timmerman noodig had om met hem naar Indië te gaan. Toen ze zich in de stad Sandaruk ontscheepten, hoorden ze de tonen van muziek en zang, en werd hun verteld, dat het het huwelijksfeest was van de dochter des konings, waarbij allen moesten tegenwoordig zijn, rijken en armen, slaven en vrijen, vreemdelingen en burgers. Judas Thomas ging, met zijn nieuwen meester naar het feestmaal en lag aan, met een myrthe guirlande op zijn hoofd geplaatst. Toen een Joodsche fluitspeler kwam en tegenover hem ging staan en speelde, zong hij de liederen van Christus, en zij zagen, dat hij schooner was dan allen, die daar waren en de koning liet hem roepen om het jonge paar te zegenen in de huwelijkskamer. En toen zij allen weg waren gegaan en de deur van de huwelijkskamer gesloten was, naderde de bruigom de bruid, en het scheen hem toe, alsof Judas Thomas nog met haar praatte. Maar het was onze Heer, die tot hem zeide: "Ik ben niet Judas, maar zijnen broeder". En onze Heer zat neer op het bed naast de jonge menschen en begon tot ze te zeggen: "Herinner u, mijn kinderen, wat mijn broeder tot u gesproken heeft, en weet aan wien hij u opgedragen heeft, en weet, dat als gij uzelven bewaart voor dien onreinen omgang, gij reine tempels zult worden en beveiligd tegen vele en verborgen smarten en tegen den zwaren zorg van kinderen, waarvan het einde altijd bittere smart is. Om hunnentwille zult gij onderdrukkers worden en roovers, en gij zult bitter lijden door hun verkeerdheden. Want kinderen zijn de oorzaak van vele ellenden; hetzij de koning beslag op hen legt, of dat een duivel ze te pakken neemt, of dat zij bezocht worden door verlamming. En als zij gezond zijn, komen zij tot het kwade, door echtbreken of diefstal, of ontucht of begeerte, of ijdelheid. Maar als gij u door mij wilt laten raden, en uzelven rein voor God zult bewaren, dan zult gij levende kinderen hebben, tot wie geen van deze ellenden en bezwaren komen; en gij zult zonder zorg zijn en zonder ergernis en zonder smart, en gij zult hopen op den tijd, waarop gij het ware huwelijksfeest zult aanschouwen". Het jonge paar was overtuigd; zij zagen van den wellust af en onze Heer verdween. En 's morgens toen de dag aanbrak, liet de koning de tafel vroeg aanrichten, en bracht die binnen bij den bruidegom en de bruid. En hij vond ze tegenover elkaar zitten, en het gelaat der bruid was onbedekt en de bruidegom was zeer vroolijk. De moeder van de bruid zeide tot haar: "Waarom zit je zoo en schaam je je niet, maar doet net alsof je al lang getrouwd waart, vele dagen?" En ook haar vader zeide tot haar: "Is het de groote liefde voor je echtgenoot, die je ervan terughoudt je te sluieren?" En de bruid antwoordde en zeide: "Waarlijk vader, mijn liefde is zeer groot, en ik bid den Heer, dat ik deze liefde, die ik vannacht ondervonden heb, zal blijven behouden. Ik ben niet gesluierd, omdat de sluier der verdorvenheid van mij afgenomen is, en ik schaam mij niet, omdat de daad, die schaamte geeft, ver van mij verwijderd is, en ik ben opgewekt en vroolijk, en ik veracht deze daad der verdorvenheid en de vreugden van dit huwelijksfeest, omdat ik uitgenoodigd ben tot het ware huwelijksfeest, Ik heb met mijn echtgenoot geen omgang gehad, waarvan het einde bitter berouw is, omdat ik verloofd ben met den waren Echtgenoot". De echtgenoot antwoordde ook in dezelfden geest, zeer natuurlijk tot schrik van den Koning, die een bode zond naar den toovenaar, aan wien hij gevraagd had zijn ongelukkige dochter te zegenen. Maar Judas Thomas had de stad reeds verlaten en in de herberg, waar hij gelogeerd had, vond de bottelier van den Koning alleen den fluitspeler, die daar zat en weende, omdat hij hem niet meegenomen had. Hij was echter blij, toen hij hoorde wat er gebeurd was, haastte zich naar het jonge paar en woonde daarna altijd met hen samen. De Koning werd ten slotte ook verzoend en alles eindigde in kuischheid en geluk.

In deze zelfde Handelingen van Judas Thomas, die niet van later datum zijn dan van de vierde eeuw, vinden we (vierde daad), de geschiedenis van Mygdonia en Karish. Mygdonia, de vrouw van Karish, wordt door Thomas overtuigd en vlucht, naakt, alleen bedekt door een gordijn van de kamerdeur, dat zij omgeslagen heeft, van haar echtgenoot naar haar oude min. Met de min gaat zij naar Thomas, die heilige olie over haar hoofd giet, terwijl hij de min verzoekt haar er geheel mee te zalven; dan wordt er een laken om haar lendenen geslagen en hij doopt haar; waarna zij aangekleed wordt en hij haar het sacrament geeft. De jonge verrukking over de kuischheid wordt soms lyrisch, en Judas Thomas roept uit: "Reinheid is de athleet, die niet overwonnen wordt. Reinheid is de waarheid, die niet terugdeinst. Reinheid is waardig voor God, een vertrouwde dienares voor Hem te zijn. Reinheid is de boodschapper van eendracht, die de vredestijdingen brengt".

Een andere kuischheidslegende wordt gegeven in de episode van Drusiana in The history of the Apostles, die volgens de traditie toegeschreven wordt aan Abdias, den Bisschop van Babylon (Bk. v. hoofdst. IV, et seq.). Drusiana is de vrouw van Andronicus; ze is zoo vroom, dat ze geen omgang met hem wil hebben. De jongeling Callimachus wordt doodelijk op haar verliefd, en zijn verliefde pogingen hebben vele opwindende avonturen ten gevolge, maar ten slotte overwint de kuischheid van Drusiana.

Een karakteristiek voorbeeld van de literatuur die wij hier bedoelen, is de geschiedenis van den heiligen Ambrosius over "de Maagd in het Bordeel" (verteld in zijn De Virginibus, Migne's editie van de werken van Ambrosius, deelen iii-iv, p. 211). Een zekere maagd, vertelt de heilige Ambrosius ons, die onlangs in Antiochië woonde, werd veroordeeld om òf aan de goden te worden geofferd òf om naar het bordeel te gaan. Zij koos het laatste alternatief. Maar de eerste man, die bij haar binnen kwam, was een Christen soldaat, die haar "zuster" noemde en die haar verzocht niet te vreezen. Hij stelde voor, dat zij van kleederen zouden verwisselen. Dit werd gedaan en zij ontsnapte, terwijl de soldaat weggevoerd werd, om ter dood gebracht te worden. Op de plaats van de terechtstelling kwam zij echter te voorschijn en riep, dat het niet den dood was, dien ze vreesde, maar de schande. Hij stond er echter op, dat hij in haar plaats ter dood veroordeeld werd. Ten slotte werd de kroon van het martelaarschap, waarvoor ze gestreden hadden, aan beiden toegekend.

In de oudere documenten van deze romantische literatuur der kuischheid nemen we voortdurend waar, dat er op kuischheid aangedrongen wordt, volstrekt niet voornamelijk om de belooning ervoor na den dood, en ook zelfs niet, omdat de maagd, die er zich aan wijdt, in Christus een altijd jongen minnaar ziet, wiens guldenharige schoonheid soms met nadruk vermeld wordt. De voornaamste bekoring ervan ligt in de eigen vrijheid, en in de zekerheid, dat men ontkomt aan al de moeiten, ongemakken en banden van het huwelijk. Deze oudste Christelijke beweging van romantische kuischheid was klaarblijkelijk in groote mate een opstand van vrouwen tegen de mannen en tegen het huwelijk. Dit wordt wel duidelijk uit de leerzame geschiedenis, die men veronderstelt dat haar oorsprong heeft in de derde eeuw, van de eunuchen Achilles en Nereus, zooals ze verteld wordt in de Acta Sanctorum, van den 12en Mei. Achilles en Nereus waren Christelijke eunuchen van de slaapkamer van Domitia, een maagd van edele geboorte, die verwant was aan Keizer Domitianus en verloofd met Aurelianus, den zoon van den consul. Eens, toen hun meesteres bezig was zich te versieren met haar juweelen en haar purperen gewaden, met goud geborduurd, begonnen zij om beurten haar te spreken over al de genoegens en voordeelen van de maagdelijkheid, vergeleken met een huwelijk met niet meer dan één man. Zij had ten gevolge daarvan veel te lijden van Aurelianus, en toen hij bewerkte, dat zij naar een eiland verbannen werd, ging zij daarheen met Achilles en Nereus, die ter dood gebracht werden. Als een onderdeel van het verhaal wordt de dood van Felicula, een andere kuischheidsheldin, beschreven. Toen zij op de pijnbank gelegd werd, weigerde zij voortdurend Jezus te verloochenen, dien zij haar minnaar noemde. "Ego non nego amatorem meum".

Een speciale afdeeling van deze literatuur heeft betrekking op de geschiedenissen van de bekeeringen of het berouw van courtisanes. De heilige Martinianus bijvoorbeeld (Feb. 13) werd in verleiding gebracht door de courtisane Zoe, maar bekeerde haar. De geschiedenis van de heilige Margaretha van Cortona (Feb. 22), een berouwvolle courtisane, is van lateren datum, want zij behoort tot de dertiende eeuw. Het mooiste document in deze literatuur is waarschijnlijk de laatste, de Italiaansche stichtelijke legende uit de veertiende eeuw, genaamd The Life of Saint Mary Magdalen, die gewoonlijk in verband gebracht wordt met den naam van Frater Dominico Cavalca. (Ze is in het Engelsch vertaald). Het is de zoo fijn en mooi vertelde legende van de kuische en hartstochtelijke liefde van de beminnelijke zondares Maria Magdalena voor haar geliefden Meester.

Naarmate de tijd verliep, werd het aandringen op de vreugden van de kuischheid in dit leven minder in het oog vallend, en werd zij meer en meer beschouwd als de toestand, die alleen zijn volledige belooning vindt in het toekomstig leven. Toch worden zelfs in de bekoorlijke geschiedenis van Gregorius van Tours van "De Twee minnenden van Auvergne", waarin deze houding duidelijk is, de genoegens van kuische liefde in dit leven evenzeer op den voorgrond gesteld als in een van de eerste legenden (Historia Francorum, lib. I, hoofdst. XLII). Twee senatoren van Auvergne hadden ieder een eenig kind en die verloofden zij met elkaar. Toen de huwelijksdag kwam en het jonge paar te bed gelegd was, keerde de bruid zich naar den muur en weende bitterlijk. De bruidegom smeekte haar hem te zeggen wat er was; toen keerde zij zich tot hem en zeide, dat zij haar verdriet niet kon uitwisschen, al zou zij al de dagen van haar leven weenen, want dat zij besloten had haar kleine lichaam onbevlekt aan Christus te geven, onaangeroerd door mannen; nu had zij in plaats van onsterfelijke rozen alleen maar verlepte rozen op haar voorhoofd gehad, die het eer mismaakten dan dat zij het versierden, en in plaats van den bruidsschat van het Paradijs, dien Christus haar beloofd had, was zij de echtgenoote geworden van een sterfelijk man. Zij beklaagde haar droevig lot lang en met veel liefelijke welsprekendheid. Ten laatste voelde de bruidegom, door haar lieve woorden overtuigd, dat het eeuwige leven voor hem geschenen had als een groot licht, en verklaarde hij, dat als zij zich wenschte te onthouden van vleeschelijke begeerten, hij dat ook wilde. Zij was zeer dankbaar, en met gevouwen handen vielen zij in slaap. Verscheidene jaren leefden zij zoo te zamen, in kuischheid hetzelfde bed deelende. Ten slotte stierf zij en werd begraven; haar minnaar gaf haar onbevlekt over in de handen van Christus. Spoedig daarna stierf ook hij en werd in een afzonderlijke graftombe begraven. Toen geschiedde er een wonder, dat de grootschheid van deze kuische liefde duidelijk in het licht stelde, want de twee lichamen werden gevonden, op geheimzinnige wijze bijeen geplaatst. Tot op dezen dag, zoo besluit Gregorius (schrijvende in de zesde eeuw), noemen de menschen van de plaats hen "De Twee Minnenden".

Hoewel Renan (Marc-Aurèle, hoofdst. XV) met korte woorden de aandacht op het bestaan van deze uitgebreide oude Christelijke literatuur vestigt, die de romantiek der kuischheid voortzet, schijnt ze tot nog toe weinig of niet bestudeerd te zijn. Ze heeft echter groot belang, niet alleen om zichzelf, maar ter wille van de psychologische beteekenis, daar ze den aard van de beweegkrachten duidelijk maakt, die de kuischheid gemakkelijk en aantrekkelijk maakten voor de menschen van de vroegste Christelijke wereld, zelfs als ze volkomen sexueele abstinentie met zich bracht. De oude Kerk vervloekte de erotiek van de Heidensche wereld en bande ze uit op de meest krachtdadige wijze door een eigen nieuwe en fijnere erotiek er voor in de plaats te stellen.

Gedurende de middeleeuwen begon de oorspronkelijke frischheid van de Christelijke kuischheid haar bekoring te verliezen. Geen kuischheidslegenden werden geschreven en in het werkelijke leven zochten de menschen geen avonturen meer op het gebied der kuischheid. Voor zoover de oude idealen al in leven bleven, was dit op het wereldsch gebied der ridderlijkheid. De laatste bekende figuur, die streefde naar de heldenfeiten van de eerste Christenen was Robert van Arbrissel in Normandië.

Robert van Arbrissel, die, in de elfde eeuw, de beroemde en bekende orde van Fontevrault voor vrouwen stichtte, kwam uit Bretagne. Deze Keltische oorsprong is ongetwijfeld van beteekenis, want hij kan misschien zijn nooit falenden ijver en zijn enthusiaste vereering voor vrouwen verklaren. Zelfs zij, onder zijn vrienden, die afkeurden wat zij zijn schandelijk gedrag noemden, leggen getuigenis af van zijn nooit falend vroolijk temperament, zijn wakkerheid in het handelen, zijn bereidwilligheid voor welke daad van humaniteit ook en zijn volkomen vrij zijn van gestrengheid. Hij trok groote massa's menschen van allerlei soort aan, vooral vrouwen, ook prostituées, en zijn invloed over vrouwen was groot. Eens ging hij in een bordeel om zijn voeten te warmen en bekeerde terloops alle vrouwen die daar waren. "Wie zijt gij?" vroeg een van haar, "ik ben hier al vijf en twintig jaar en niemand is mij hier ooit komen spreken over God". Robert's betrekking tot de nonnen van Fontevrault was zeer intiem, en hij sliep dikwijls met haar. Dit wordt door vrienden van hem, bisschoppen en abten, nauwkeurig beschreven, waarvan een opmerkt, dat Robert "een nieuwen, maar vruchteloozen vorm van martelaarschap ontdekt had". Een koninklijke abdis van Fontevrault, in de zeventiende eeuw, beweerde, dat de vereerde stichter van de orde met geen mogelijkheid schuldig kon geweest zijn aan zulk schandelijk gedrag, en dat de brieven daarom valsch moesten zijn en liet de origineelen vernietigen voor zoover dat mogelijk was. De Bollandisten namen, in een niet wetenschappelijk en onvolledig verslag van de zaak (Acta Sanctorum, Feb. 25), dit gezichtspunt over. J. von Walter echter toont in een onlangs verschenen en grondige studie over Robert van Arbrissel (Die Ersten Wanderprediger Frankreichs, deel I) aan, dat er hoegenaamd geen reden is om aan het echte, authentieke en betrouwbare karakter van de bestreden brieven te twijfelen.

De vroeg-Christelijke kuischheidslegenden hadden echter hun opvolgers. Aucassin et Nicolette, dat waarschijnlijk in Noordelijk Frankrijk geschreven is tegen het einde van de twaalfde eeuw, is vooral de afstammeling van de geschiedenissen in de Acta Sanctorum en elders. Het belichaamde hun geest, droeg hem verder en vereenigde hun teer gevoel voor kuischheid en reinheid met het ideaal van monogamische liefde. Aucassin et Nicolette was de doodsklok van de primitief Christelijke kuischheidslegende. Het was de ontdekking, dat de kuische verfijningen van teerheid en toewijding mogelijk waren binnen de strikt normale sfeer van sexueele liefde.

Er waren minstens twee oorzaken, die de neiging hadden de primitief Christelijke voorliefde voor de kuischheid uit te wisschen, zelfs afgezonderd van den invloed van de Kerk-autoriteiten bij het terugdringen van de romantische uitingen ervan. In de eerste plaats verwijderde het ondergaan van de oude heidensche wereld, met zijn gewoonte en tot op zekere hoogte zijn ideaal van sexueele toegevendheid, den achtergrond, die gratie en teerheid gegeven had aan de teedere vrijheid der jonge Christenen. In de tweede plaats waren de gestrengheden, die de eerste Christenen met vreugde in praktijk hadden gebracht ter wille van de gezondheid hunner ziel, beroofd van hun bekoring en vrijwilligheid, toen zij tot een formeel deel gemaakt waren van strafwetboeken voor zonde, eerst in de Poenitentialia en later in de handen van biechtvaders. Dit was, we mogen het er aan toevoegen, te meer noodzakelijk geworden, omdat het ideaal van Christelijke kuischheid niet langer in ruimen kring het bezit was van verfijnde menschen, die immuun gemaakt waren tegen heidensche losbandigheid, doordat zij te midden daarvan opgevoed waren en er zelf in ondergedompeld waren geweest. Het was klaarblijkelijk van het begin af aan een ernstige zaak voor de hartstochtelijke Noord-Afrikanen het ideaal van kuischheid te handhaven en toen het Christendom zich over Noordelijk Europa verspreidde, scheen het bijna een hopelooze taak de idealen ervan te acclamatiseeren onder de wilde Germanen. Later werd het noodig, het celibaat aan de vaste geestelijkheid op te leggen door de sterke kracht van kerkelijke authoriteit, terwijl vrijwillig celibaat alleen levendig gehouden werd door een opeenvolgende reeks van godsdienstige enthusiasten, die telkens weer nieuwe orden stichtten. Een ascetisme, dat zoo opgedrongen was, kon niet altijd vergezeld gaan van de vurige exaltatie, die noodig is om het in stand te houden, en in zijn kunstmatige pogingen tot zelfbehoud, viel het dikwijls van de onzekere hoogten in de diepten van onbeteugelde losbandigheid [78]. Toen de middeleeuwen voorbij waren, begonnen helderziende denkers het fatale van alle gewaagde pogingen om de normale grenzen van de menschelijkheid te buiten te gaan, te erkennen. "Qui veut faire l'ange", zeide Pascal, terwijl hij met scherpte deze beschouwing van de zaak opsomde, "fait la bête". Dat was dikwijls duidelijk gebleken in de geschiedenis van de Kerk.