De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 21
Als wij de moreele hoedanigheid van kuischheid onder de natuurvolken beschouwen, dan moeten we zorgvuldig die kuischheid afscheiden, die onder half barbaarsche volken uitsluitend aan vrouwen opgelegd is. Deze heeft in het geheel geen moreele hoedanigheid, want ze wordt niet uitgeoefend als een nuttige tucht, maar ze wordt alleen opgedrongen om de economische en erotische waarde van de vrouwen te verhoogen. Vele autoriteiten meenen, dat het beschouwen van vrouwen als eigendom, de ware oorzaak is voor het wijd verspreide aandringen op maagdelijkheid in bruiden. Zoo zegt A. B. Ellis, waar hij spreekt over de Westkust van Afrika (Yoruba-Speaking Peoples, pp. 183 et seq.), dat meisjes van goeden stand verloofd worden terwijl ze nog slechts kinderen zijn, en dat ze zorgvuldig tegen mannen beschermd worden; terwijl meisjes van de lagere klassen zelden verloofd zijn, en mogen leven, zooals ze dat zelf willen. "In deze gewoonte van kinderverlovingen vinden we waarschijnlijk den sleutel tot dien merkwaardigen eerbied voor kuischheid vóór het huwelijk, die niet alleen gevonden wordt onder de stammen van de Goudkust en de Slavenkust, maar ook onder vele andere onbeschaafde volken in verschillende deelen der wereld". In een geheel anderen streek, in Noord-Siberië, "zien de Yakuts", zooals Sieroshevski zegt (Journal Anthropological Institute, Jan.--Juni 1901, p. 96), "niets immoreels in onwettige liefde, als er maar niemand materieele schade door ondervindt. Het is waar, dat ouders een dochter beknorren, als haar gedrag hen dreigt te berooven van hun deel aan den bruidsschat; maar als zij eenmaal de hoop verloren hebben haar uit te huwelijken, of als de bruidschat betaald is, dan vertoonen zij een volkomen onverschilligheid voor haar gedrag. Meisjes, die geen huwelijk meer verwachten, worden in het geheel niet teruggehouden; als zij het decorum in acht nemen, dan is dat alleen uit eerbied voor de gewoonte". Westermarck toont ook (in History of Human Marriage, pp. 123 et seq.) het verband aan tusschen de hooge achting voor de maagdelijkheid en de opvatting de vrouw als bezit te beschouwen, en als hij in zijn later werk, The Origin and Development of the Moral Ideas (vol. II, Ch. XLII), op de kwestie terugkomt, na er op gewezen te hebben, dat "het koophuwelijk zoo den standaard der vrouwelijke kuischheid heeft verhoogd", verwijst hij (p. 437) naar het veelbeteekenend feit, dat het verleiden van een ongetrouwd meisje "voornamelijk, zoo niet uitsluitend, beschouwd wordt als een beleediging, aangedaan aan de ouders of de familie van het meisje", en er is geen aanwijzing, dat natuurvolken ooit gemeend hebben, dat er eenig kwaad gedaan werd aan de vrouw zelf. Westermarck zegt terzelfder tijd, dat de voorkeur aan maagdelijkheid gegeven, ook een biologischen basis heeft in het instinctieve gevoel van jaloezie jegens vrouwen, die omgang hebben gehad met andere mannen, en vooral in de erotische bekoring, die er voor mannen gelegen is in den gemoedstoestand van verlegenheid, die met maagdelijkheid samengaat.
Het is nauwelijks nodig hier bij te voegen, dat het aandringen op maagdelijkheid van bruiden in het geheel niet, zooals A. B. Ellis schijnt te meenen, beperkt is tot onbeschaafde volken, en het is ook niet noodig, dat het koopen van vrouwen er altijd mede samengaat. De voorkeur bestaat nog steeds, niet alleen krachtens zijn natuurlijken biologischen basis, maar als een verfijning en uitbreiding van het denkbeeld dat de vrouw eigendom is, onder die volken, die evenals wijzelven een vorm van huwelijk hebben geërfd, die tot zekere hoogte gebaseerd is op den koop van de vrouw. Onder zulke omstandigheden heeft de kuischheid van een vrouw een belangrijke maatschappelijke functie te vervullen, daar ze, zooals Mrs. Mona Caird gezegd heeft (The Morality of Marriage, 1897, p. 88), de wachthond is van het bezit van den man. Het feit, dat geen element van ideale moraal in het geding komt, blijkt wel uit het gewoonlijk afwezig zijn van eenigen eisch van kuischheid vóór het huwelijk bij den man.
Wij moeten niet meenen, dat, indien er, zooals meestal het geval is, geen volkomen en voortdurend verbod van buitenechtelijken omgang is, enkel onbeperkte vrijheid overheerschend is. Dat is blijkbaar nooit ergens onder onvervalschte natuurvolken het geval geweest. Regel is blijkbaar, dat er, evenals onder de stammen in Straat Torres (Reports Cambridge Anthropological Expedition vol. v, p. 275), geen volkomen onthouding is vóór het huwelijk, maar ook geen onbeperkte vrijheid.
Het voorbeeld van Tahiti is leerrijk wat het algemeen voorkomen van kuischheid betreft onder volken, die wij gewoonlijk beschouwen als op lagen trap van beschaving staande. Tahiti is, volgens allen, die het bezocht hebben, van de eerste onderzoekers af tot dien beroemden Amerikaanschen dokter wijlen Dr. Nicholas Senn toe, een eiland, dat eigenschappen bezit van natuurlijke schoonheid en uitmuntendheid van klimaat, die we onmogelijk te hoog kunnen stellen. "Ik scheen overgeplant te zijn in den hof van Eden", zeide Bougainville in 1768. Maar, vooral onder den invloed van de eerste Engelsche zendelingen, die denkbeelden hadden over theoretische moraal, geheel verschillend van die van de bewoners van die eilanden, zijn de bewoners van Tahiti het geijkte voorbeeld geworden van een bevolking, overgegeven aan losbandigheid en al de verschrikkelijke gevolgen ervan. Zoo zegt William Ellis in zijn beroemde Polynesian Researches (second edition, 1832, vol. i Ch. IX), dat de bewoners van Tahiti "de ergste bevlekkingen in praktijk brachten, waaraan een mensch schuldig kon zijn", hoewel hij ze niet nader aanduidt. Als wij echter zorgvuldig de verhalen van de eerste bezoekers van Tahiti nagaan, voordat de bevolking besmet werd door de aanraking met de Europeanen, dan wordt het duidelijk, dat deze beschouwing ernstig behoefte heeft aan wijziging. "De groote overvloed van goed en voedzaam voedsel", schreef een der eerste onderzoekers, J. R. Forster (Observations Made on a Voyage Round the World, 1778, pp. 231, 409, 422), "gepaard met het mooie klimaat, de schoonheid en de toeschietelijkheid van de vrouwen van het land, noodigen zeer tot de vreugden en genoegens van de liefde. Zij beginnen al zeer vroeg zich over te geven aan de meest losbandige tooneelen. Hun liederen, hun dansen en dramatische uitvoeringen, ademen een geest van weelderigheid". Toch wordt hij ieder keer gedrongen feiten mede te deelen, die blijk geven van de deugden van deze menschen. Hoewel tamelijk verwijfd van bouw, zijn ze athletisch, zegt hij. Bovendien vechten zij in hun oorlogen met grooten moed en ongeëvenaarde dapperheid. Verder zijn ze gastvrij. Hij merkt op, dat zij hun getrouwde vrouwen met grooten eerbied behandelen, en dat de vrouwen over het algemeen bijna de gelijken zijn van de mannen, zoowel in verstand als in maatschappelijke positie; hij geeft een mooie beschrijving van de vrouwen. "In het kort, hun karakter is zoo beminnelijk", besluit Forster, "als dat van eenige natie, die ooit onverbeterd uit de handen der Natuur kwam", en hij merkt op, dat, zooals door de volken van de Zuidzee in het algemeen gevoeld werd, we altijd, als we naar dit gelukkige eiland kwamen, duidelijk den rijkdom en het geluk van zijn inwoners konden bemerken. Het is ook opmerkelijk, dat ondanks het groote belang, dat de bewoners van Tahiti hechtten aan de erotische zijde van het leven, zij niet te kort schoten in eerbied voor de kuischheid. Toen Cook, die Tahiti verscheidene malen bezocht, te midden van "dit welwillende en menschlievende" volk was, merkte hij hun achting voor kuischheid op, en bevond hij, dat, niet alleen verloofde meisjes streng bewaakt werden voor het huwelijk, maar dat men ook meende, dat mannen, die zich eenigen tijd voor het huwelijk van sexueelen omgang onthouden hadden, bij hun dood onmiddellijk naar het verblijf der gezegenden overgingen. "Hun gedrag schijnt, bij alle gelegenheden, een groote openhartigheid en edelmoedigheid van aard aan te duiden. Ik heb ze nooit, onder welke moeilijkheid ook, zien werken onder een schijn van angst, nadat het kritieke oogenblik voorbij was. En ook schijnt nooit de zorg hun voorhoofd te rimpelen. Integendeel kan zelfs de nadering van den dood hun gewone levendigheid niet veranderen" (Third voyage of Discovery, 1776-1780). Turnbull bezocht Tahiti op een lateren tijd, (A Voyage Round the World in 1800, etc., pp. 374-5), maar terwijl hij allerlei ondeugden onder hen vindt, moet hij toch hun deugden erkennen: "Hun wijze van vreemdelingen toe te spreken, is, van den koning tot den minsten onderdaan, in de hoogste mate beleefd en minzaam... Zij leven voorzeker onder elkaar in meer harmonie dan het de gewoonte is onder Europeanen. Den geheelen tijd, dat ik onder hen verkeerde, heb ik nooit zoo iets als een gevecht gezien... Ik herinner mij niet, dat ik ooit een bewoner van Tahiti gezien heb, die uit zijn humeur was. Zij bespotten elkaar vrijer dan de Europeanen, maar deze spotternijen worden nooit slecht opgenomen... Wat voedsel aangaat, is het, geloof ik, een onveranderlijke wet in Tahiti, dat al wat de een bezit, voor allen gemeenschappelijk is". Zoo zien we, dat zelfs bij een volk, waarnaar gewoonlijk verwezen wordt als naar het voorbeeld bij uitnemendheid van een natie, die overgegeven is aan onbeteugelde losbandigheid, de eischen der kuischheid werden erkend, en vele andere deugden krachtig bloeiden. De bewoners van Tahiti waren dapper, gastvrij, vol zelfbedwang, beleefd, zij sloegen acht op de behoeften van anderen, waren ridderlijk voor vrouwen, waardeerden zelfs de voordeelen van sexueele beperking, in een mate, zooals ze zelden of misschien wel nooit gekend is onder die Christelijke naties, die op hen hebben neergezien, alsof ze overgegeven waren aan verschrikkelijke ondeugden.
Als wij ons van de natuurvolken afwenden naar de volken in de barbaarsche en de beschaafde stadiën, vinden wij een algemeene neiging tot kuischheid, in zoover ze een gewoon bezit is onder de lagere klassen, die minder in acht genomen behoeft te worden, of alleen maar behouden wordt als een traditioneele conventie, die in onbruik begint te geraken. De oude beweegredenen voor de kuischheid in primitieve godsdiensten en tabu hebben hun kracht verloren en geen nieuwe beweegredenen zijn ervoor in de plaats gekomen. "Hoewel de vooruitgang der beschaving", schreef Gibbon lang geleden, "ongetwijfeld er toe bijgedragen heeft de woestere hartstochten van de menschelijke natuur te verzachten, schijnt ze minder gunstig geweest te zijn voor de deugd der kuischheid", en Westermarck komt tot het besluit, dat "ongeregelde betrekkingen tusschen de seksen over het geheel een neiging hebben vertoond zich met den voortgang van de beschaving te ontwikkelen".
Het voornaamste verschil in de maatschappelijke functie van kuischheid als deugd, schijnt bij den overgang van primitieve toestanden tot de hoogere stadiën van beschaving, te zijn, dat ze ophoudt te bestaan als een algemeene hygiënische maatregel of als een algemeene regel van ceremonieel, en voor het grootste deel beperkt wordt tot speciale philosofische en godsdienstige sekten, die ze tot een uitersten graad, min of meer als een beroep aankweeken. Dit is de stand van zaken in het Romeinsche Keizerrijk tijdens de eerste eeuwen van het Christelijk tijdperk [74]. Het Christendom zelf was in het begin een van die sekten, welke bekoord waren door het ideaal van de kuischheid; maar door zijn grootere levenskracht verving het al de andere en drong ten slotte zijn idealen, niet zijn primitieve gebruiken, op aan de Europeesche maatschappij in het algemeen.
De kuischheid vertoonde zich in het primitieve Christendom op twee verschillende, toch niet aan elkaar tegenovergestelde wijzen. Aan den eenen kant nam het een strengen en praktischen vorm aan bij krachtige mannen en vrouwen, die, na opgevoed te zijn in een maatschappij, die een hoogen graad van sexueele vrijheid toestaat, plotseling overtuigd werden van het zondige van zulk een toegeven. De strijd met de maatschappij, waarin ze geboren waren, en met hun eigen oude aandriften en gewoonten, werd zoo hevig, dat zij zich dikwijls gedrongen zagen zich geheel van de wereld terug te trekken. Zoo kwam het, dat de dorre woestijnen van Egypte bevolkt werden met hermieten, die zich voornamelijk bezig hielden met het vraagstuk, hun eigen vleesch te onderwerpen. Men kan wel zeggen, dat hun aandacht voor sexueele zaken, ook merkbaar in de oudste Christelijke literatuur, veel grooter was, dan het geval was in de heidensche maatschappij, die zij verlaten hadden. Het heidendom was toegevend in sexueele aangelegenheden, en kon ze dus uit zijn gedachten bannen, zoodat we in de klassieke literatuur zeer weinig melding vinden gemaakt van sexueele bijzonderheden, behalve bij schrijvers zooals Martialis, Juvenalis en Petronius, die ze speciaal voor satirische doeleinden invoeren. Maar de Christenen konden niet ontsnappen aan de benauwenis der sexualiteit; ze was altijd met hen. Wij krijgen nu en dan belangwekkende kijkjes op hun worstelingen, in de Brieven van den heiligen Jeronimus, die zelf een athleet geweest is in dezen ascetischen strijd.
"O, hoe dikwijls", schreef de heilige Jeronimus aan Antiochia, de maagd aan wie hij een van de langste en meest belangwekkende van zijn brieven richtte, "heb ik in de woestijn, in die wijde eenzaamheid, die, verbrand door de gloeiende stralen der zon, slechts een afschuwelijke woonplaats aanbiedt aan monniken, mijzelf voorgesteld te midden van de genoegens van Rome! Ik was alleen, want mijn ziel was vol bitterheid. Mijn ledematen waren bedekt met een ellendigen zak en mijn huid was zoo zwart als die van een Ethiopiër. Iederen dag weende en steunde ik, en als ik buiten mijn wil door slaap overvallen werd, lag mijn magere lichaam op den naakten grond. Ik zeg niets van mijn voedsel en drank, want in de wildernis hebben zelfs zieken geen anderen drank dan koud water, en gekookt voedsel wordt beschouwd als een weelde. Nu dan, ik, die mijzelf uit vrees voor de hel tot deze gevangenis veroordeeld had, een metgezel van schorpioenen en wilde dieren, scheen dikwijls in mijn verbeelding onder troepen jonge meisjes te vertoeven. Mijn gezicht was bleek van het vasten en mijn geest in mijn koude lichaam gloeide van begeerte; het vuur der wellust vlamde nog op in een lichaam, dat reeds dood scheen. Dan, van alle hulp verstoken als ik was, wierp ik mij voor de voeten van Jezus, waschte ze met mijn tranen en droogde ze met mijn haren en bracht mijn vleesch door lang vasten ten onder. Ik herinner mij, dat ik meer dan eens den nacht doorbracht schreeuwende en mij op de borst slaande, tot God mij vrede zond". "Onze eeuw", schreef de heilige Chrysostomus in zijn Discourse to Those Who keep Virgins in Their Houses, "heeft vele mannen gezien, die hun lichamen met kettingen gebonden hebben, die zich gekleed hebben in zakken, die zich teruggetrokken hebben tot de toppen der bergen, waar zij geleefd hebben in voortdurend bidden en vasten, en die het voorbeeld gaven van de strengste tucht en alle vrouwen verboden den drempel van hun nederige woning te overtreden; en toch, ondanks al de gestrengheid, die zij op zichzelf toepasten, konden zij nog maar met moeite de woede van hun hartstochten onderdrukken". Hilarion, zegt Jeronimus, zag visioenen van naakte vrouwen als hij neerlag op zijn eenzaam leger, en heerlijke maaltijden, als hij neerzat aan zijn sober maal. Zulke ondervindingen maakten de eerste heiligen zeer nauwgezet. "Zij zeiden", zoo vertelt men ons in de belangwekkende geschiedenis van de Egyptische kluizenaars in het Paradise of the Holy Fathers van Palladius, hetwelk behoort tot de vierde eeuw (A. W. Budge, The Paradise, vol. II, p. 129), "dat Abbâ Isaac uitging en op den weg een voetspoor van een vrouw vond, en hij dacht er over na in zijn geest en vernietigde hem, zeggende, "als een broeder hem ziet, zou hij kunnen vallen"." Evenzoo mochten, volgens de regels van den heiligen Caesarius van Arles voor nonnen, geen kleedingstukken van mannen in het klooster gebracht worden om ze te wasschen of te verstellen. Zelfs in den ouderdom bleef er nog een zekere ongerustheid bestaan over de kuischheid. Een van de broeders, naar ons verteld wordt in The Paradise (p. 132) zeide tot Abbâ Zeno, "Zie, gij zijt oud geworden, hoe is het met de ontucht?" De waardige heilige antwoordde, "Ze klopt aan, maar ze gaat voorbij".
Naarmate de eeuwen voorbijgingen bleef dezelfde groote ongerustheid nog bestaan, en de oude strijd kwam voortdurend weer voor den dag (zie b.v. Migne's Dictionnaire d'Ascétisme, art. "Démon, Tentation du"). Het is waar, dat sommige heiligen zoo bovenaardsch aangelegd waren, dat zij nooit den prikkel van het sexueel verlangen gevoelden. Deze schijnen echter uitzondering geweest te zijn. De heilige Benedictus en de heilige Franciscus ondervonden zeer zeker de moeilijkheid van het ten onder brengen van het vleesch. De heilige Magdalena de Pozzi rolde zich, om sexueele verlangens te verjagen, tot bloedens toe op doornige struiken. Sommige heiligen hadden een speciale ton met water in hun cellen waar ze in konden gaan staan (Lea, Sacerdotal Celibacy, vol. I, p. 124). Aan den anderen kant vertelt ons de heilige Angela de Fulginio in haar Visiones (cap. XIX) dat zij, zoolang, totdat haar biechtvader het haar verbood, brandende kolen in haar geheime deelen bracht, in de hoop door werkelijk vuur het branden van de ontuchtige begeerte uit te dooven. St. Aldhelm, de heilige bisschop van Sherborne in de achtste eeuw, nam ook een homoeopathische wijze van behandelen aan, en dan van een meer letterlijke soort, want William van Malmsbury zegt, dat hij, als hij door het vleesch in verleiding kwam, vrouwen bij zich liet komen zitten en liggen, totdat hij weer kalm werd; de methode bleek zeer doelmatig, omdat, naar men meende, de Duivel voelde, dat hij voor den gek was gehouden.
Na eenigen tijd werd de Katholieke praktijk en theorie van het ascetisme meer formeel en uitgebreid, en de weldadige gevolgen ervan strekten zich, naar men meende, verder uit dan het individu zelf. "Ascetisme van het Christelijk standpunt", schrijft Brenier de Montmorand in een belangwekkende studie ("Ascétisme et Mysticisme", Revue Philosophique, Maart, 1904) "is niets anders dan al de therapeutische middelen, samenwerkend tot moreele heiliging. De Christelijke asceet is een athleet, die zijn verdorven natuur tracht te veranderen en een weg tot God te banen door de hinderpalen heen, die door zijn hartstochten en door de wereld veroorzaakt worden. Hij werkt niet alleen in zijn eigen belang, maar--door den terugslag van verdienste, welke die der solidariteit in de dwaling weer goed maakt--voor het nut en het heil van de geheele maatschappij".
Dit is het gezichtspunt van de ascese, waarop het oudste Christendom het meest den nadruk gelegd heeft. Maar er is een ander gezichtspunt, dat misschien minder gewoon is, maar dat in het geheel niet minder van belang is geweest. Primitieve Christelijke kuischheid was aan den eenen kant een strenge tucht. Aan den anderen kant was ze romantisch en dit was wel de meest speciaal Christelijke kant, want athletisch ascetisme is verbonden geweest met de meest verschillende godsdienstige en philosofische geloofsbelijdenissen. Als ze niet de bekoring bezeten had van een nieuwe sensatie, van een verrukkelijke vrijheid, van een onbekend avontuur, dan zou ze nooit de Europeesche wereld veroverd hebben. Er zijn er in die wereld maar enkelen, die den aanleg voor moreele athleten in zich hebben; er zijn er velen, die op de aantrekkelijkheid van het romantische reageeren.
De Christenen verwierpen de grovere vormen van sexueel toegeven, maar terwijl ze dat deden, gaven zij zich met des te meer ijver over aan de meer verfijnde vormen van sexueele intimiteit. Zij kweekten een verhouding aan van broeders en zusters, zij kusten elkaar; op een bepaalden tijd schaamden zij zich niet, bij de geestelijke braspartij van den doop bij voorbeeld, volkomen naakt te zijn [75].
Een zeer leerrijk beeld van de vormen, die de kuischheid onder de eerste Christenen aannam, is ons gegeven in de verhandeling van den heiligen Chrysostomus Against Those who Keep Virgins in their Houses. Onze vaders, begint Chrysostomus, kenden alleen maar twee vormen van sexueele intimiteit, huwelijk en ontucht. Nu is er een nieuwe vorm voor den dag gekomen: mannen nemen jonge meisjes in hun huis en houden die daar doorloopend, terwijl ze haar maagdelijkheid eerbiedigen. "Wat", vraagt Chrysostomus, "is de reden? Het schijnt mij toe, dat het leven te zamen met een vrouw, aangenaam is, zelfs buiten huwelijksvereeniging en vleeschelijken omgang. Dat is mijn gevoelen; en misschien is het niet mijn gevoelen alleen; het is misschien ook het gevoelen van deze mannen. Zij zouden hun eer niet zoo te grabbel gooien en geen aanleiding geven tot zulke schandalen, als dit genoegen niet hevig en tyranniek was.... Dat deze verhouding werkelijk genoegen geeft, dat ze een liefde veroorzaakt, die vuriger is dan huwelijksvereeniging, zal u misschien in het eerst verwonderen. Maar als ik u de bewijzen geef, zult ge overtuigd zijn van de waarheid mijner bewering". In het huwelijk, gaat hij voort, leidt de afwezigheid van beperking der begeerte dikwijls tot spoedige walging, en zelfs afgezien daarvan verwoesten de sexueele omgang, zwangerschap, geboorte, het zoogen, het opvoeden van kinderen, en al de moeiten en pijnen en angsten, die met deze dingen samengaan, de jeugd en stompen het genoegen af. De maagd is vrij van deze lasten. Zij behoudt haar kracht en jeugd, en zelfs op den leeftijd van veertig kan zij wedijveren met het jonge huwbare meisje. "Een dubbele gloed brandt dus in het hart van hem, die haar liefheeft en met haar leeft, en nooit dooft de bevrediging van het verlangen de heldere vlam, die voortdurend in kracht toeneemt". Chrysostomus beschrijft in bijzonderheden al de kleine zorgen en attenties, waaraan de moderne meisjes van zijn tijd behoefte hadden, en die deze mannen met vreugde aan hun maagdelijke geliefden besteedden, zoowel in het publiek als tehuis. Hij kan echter niet nalaten te denken, dat de man, die een vrouw, wier maagdelijkheid hij eerbiedigt, met kussen en liefkoozingen overlaadt, zichzelf Tantaluskwellingen aandoet. Maar deze nieuwe verfijning van teedere kuischheid, die als een heerlijke ontdekking kwam tot de eerste Christenen, die resoluut de losbandigheid van de heidensche wereld hadden verworpen, had diepe wortels geschoten, zooals wij kunnen opmerken uit de veelvuldigheid, waarmee de ernstige Kerkvaders, bang voor schandaal, zich geroepen gevoelden ze te laken, hoewel hun veroordeeling soms niet zonder geheime sympathie is [76].