De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 20
Sommige schrijvers schijnen de geneigdheid tot ontgoocheling en teleurstelling in liefdeszaken te verwarren met de meeromvattende kwestie van een wijsgeerige illusie in de beteekenis van Schopenhauer. Tot zekere hoogte bestaat deze verwarring misschien in het gesprek over liefde door Renouvier en Prot in La Nouvelle Monadologie (pp. 216 et seq.). Waar zij overwegen of liefde al of niet een begoocheling is, antwoorden zij, dat ze dat is of niet is naar gelang we al of niet worden beheerscht door zelfzucht en onrechtvaardigheid. "Het is geen essentieele dwaling geweest, die voorgezeten heeft bij de schepping van den afgod, want de afgod is alleen maar wat in alle dingen het ideale is. Maar om het ideale in de liefde te verwezenlijken zijn er twee menschen noodig, en dat is de groote moeilijkheid. We zijn nooit gerechtigd," zoo besluiten ze, "verachting op onze liefde te werpen, of zelfs op het voorwerp ervan; want als het waar is dat wij niet in het bezit zijn geraakt van de hoogste schoonheid van de wereld, dan is het even waar, dat wij zelf niet een trap van volmaking bereikt hebben, die ons reden zou gegeven hebben om met recht een zoo grooten prijs te eischen". En misschien mogen we er wel aan toevoegen, dat de meeste van ons ten slotte moeten toegeven als wij eerlijk zijn jegens onszelf, dat de liefdeprijzen, die we in de wereld verkregen hebben, wat hun gebreken ook zijn, veel grooter zijn dan we verdiend hebben.
Wij mogen wel erkennen, dat in zekeren zin niet alleen de liefde, maar al de hartstochten en begeerten van de menschen illusies zijn. In die beteekenis is het Evangelie van Boeddha gerechtvaardigd, en wij mogen wel de inspiratie erkennen van Shakespeare (in the Tempest) en van Calderon (in La Vida es Sueno), die voelden, dat ten slotte de geheele wereld een droom is zonder inhoud. Maar niet dan in deze groote en laatste visie kunnen wij van illusie spreken; wij kunnen niet toegeven, dat liefde een begoocheling is in eenige speciale en bijzondere beteekenis, waaronder de andere wenschen en aspiraties niet vallen. Integendeel is zij de meest vaste van alle werkelijkheden. Al de vormen van vooruitgang van het leven zijn opgebouwd op de sexueele aantrekking. Als wij de werking erkennen van sexueele keuze--zooals we wel bijna moeten doen als we ze ontdoen van de dingen, die er aan toegevoegd zijn zonder tot het wezen ervan te behooren [68]--dan heeft liefde de juiste vorm en kleur, de essentieele schoonheid gegeven, aan het leven van dieren en menschen gelijkelijk.
Als wij verder bedenken dat, zooals vele onderzoekers meenen, niet alleen de physieke bouw van het leven, maar ook de geestelijke bouw ervan--onze maatschappelijke gevoelens, onze moraal, onze godsdienst, onze poëzie en kunst--ten minste in zekere mate opgebouwd zijn op de sexueele impulsen, en dat zij, als ze al bestaan hadden, zeker geheel verschillend zouden geweest zijn, als andere dan sexueele wijzen van voortplanten geheerscht hadden in de wereld, dan kunnen we gemakkelijk erkennen, dat we slechts in verwarring kunnen geraken door de liefde af te wijzen als een begoocheling. Het geheele gebouw van het leven wankelt dan, want zooals de idealist Schiller lang geleden gezegd heeft, het is geheel en al opgebouwd van honger en van liefde. Liefde te beschouwen als in eenige speciale beteekenis een begoocheling, is niets anders dan het vallen in den strik van een ondiep cynisme. Liefde is alleen maar een waan in zooverre het geheele leven een waan is, en als wij het feit van het leven aannemen, dan is het onphilosofisch te weigeren het feit van de liefde aan te nemen.
Het is onnoodig hier de functies der liefde in de wereld te verheerlijken; het is voldoende de werking ervan na te gaan in eigen sfeer. Het kan echter de moeite loonen eenige uitdrukkingen aan te halen van denkers van verschillende scholen, die aangetoond hebben wat hun de ver strekkende beteekenis toescheen van de sexueele emoties voor het moreele leven. "De hartstochten zijn het hemelsch vuur, dat leven geeft aan de moreele wereld", schreef Helvetius lang geleden in De l'Esprit. "De werkzaamheid van den geest is afhankelijk van de werkzaamheid van de hartstochten, en het is ten tijde van de hartstochten, van den leeftijd van vijf en twintig tot vijf en dertig of veertig, dat mannen tot de grootste inspanningen van deugd en genie in staat zijn". "Wat de sekse raakt", schreef Zola, "raakt het middelpunt van het maatschappelijk leven". Zelfs ons gevoel voor de goed- of afkeuring van anderen heeft een sexueelen oorsprong, beweert Professor Thomas (Psychological Review, Jan. 1904, pp. 61-67), en het is de liefde, die de bron is van gevoeligheid in het algemeen en van de altruïstische zijde van het leven. "Het optreden van sekse", tracht Professor Woods Hutchinson aan te toonen ("Love as a Factor in Evolution", Monist, 1898), "de ontwikkeling van mannelijkheid en vrouwelijkheid, was niet alleen de grondslag voor genegenheid, de bron van alle moraal, maar een enorm economisch voordeel voor het ras en een absolute noodzakelijkheid voor den vooruitgang. Daarin vinden we het eerst eenig bewust verlangen naar een actieven impuls jegens een medeschepsel". "Als de mensch beroofd werd van het voortplantingsinstinct, en van alles wat daar geestelijk uit voortkomt", riep Maudsley uit in zijn Physiology of Mind, "dan zou op dat oogenblik alle poëzie en misschien ook alle zin voor moraal uit zijn leven verdwijnen". "We schijnen onszelf verheerlijkt, sterker, rijker, meer volkomen toe; we zijn meer volkomen", zegt Nietzsche (Der Wille zur Macht, p. 389), "we vinden hier de kunst als een organische functie: we vinden ze gelegd in het meest engelachtig instinct der "liefde": we vinden ze als de grootste prikkel van het leven... Het is niet alleen, dat ze het gevoel voor woorden verandert: hij, die liefheeft, is meer waard, is sterker. Bij dieren brengt deze toestand nieuwe wapens tot stand, kleuren en vormen, vooral nieuwe bewegingen, nieuwe rhythmen, een nieuwe verlokkende muziek. Het is niet anders met den mensch... Zelfs in de kunst is de deur voor hem geopend. Als wij uit de lyrische werken in woorden en geluiden datgene verwijderen, wat door dat inwendige vuur wordt ingegeven, wat blijft er dan over in de poëzie en de muziek? L'Art pour l'art misschien, de bluffende virtuositeit van oude kikkers, die in hun moeras omkomen. De geheele rest is door de liefde in het leven geroepen".
Het zou gemakkelijk zijn meerdere aanhalingen te geven, die aantoonen hoeveel verschillende denkers tot de conclusie zijn gekomen, dat de sexueele liefde (daarbij ingesloten de vader- en vooral de moederliefde) de bron is van de voornaamste uitingen in het leven. In hoeverre zij gerechtvaardigd zijn in die conclusie, het is niet onze zaak er navraag naar te doen.
Het is ongetwijfeld waar, dat, zooals we gezien hebben toen we de excentrieke en onvolkomene verdeeling van het begrip liefde, en zelfs van woorden voor liefde, over de geheele wereld, bespraken, volstrekt niet alle menschen even geschikt zijn om, in welken tijd van hun leven ook, de aandoeningen van sexueele exaltatie te ondervinden. Het verschil tusschen den ridder en den boer bestaat nog en beiden kunnen soms in alle maatschappelijke lagen gevonden worden. Zelfs de uitingen van sexueel genot, het is onnoodig er op te wijzen, berusten gewoonlijk op een zuiver physieken basis en hebben weinig uitwerking op het intellectueele deel der natuur [69]. Maar dit is niet het geval met de menschen, die het krachtigst invloed hebben uitgeoefend op de gedachte en de gevoelens van de wereld. De persoonlijke realiteit van de liefde, het belang ervan voor het leven van het individu, dat zijn feiten, waarvan getuigenis afgelegd is door eenige van de grootste denkers, na levens gewijd aan intellectueelen arbeid. De ondervinding van Renan, die tegen het einde van zijn leven in zijn merkwaardig drama L'Abbesse de Jouarre aan zijn overtuiging uitdrukking gaf, dat, zelfs van het standpunt van kuischheid, de liefde tenslotte het hoogste is in de wereld, staat in het geheel niet alleen. "Liefde is altijd beschouwd geweest als een mindere uiting van menschelijke muziek, de eerzucht als de hoogere", schreef Tarde, de beroemde socioloog, op het einde van zijn leven. "Maar zal het altijd zoo zijn? Zijn er geen redenen om te denken, dat de toekomst misschien voor ons in bewaring heeft de onuitsprekelijke verrassing van een omkeering van die wereldorde?" Laplace nam, een half uur voor zijn dood, een deel op van zijn eigen Mécanique Céleste, en zeide: "Dat is allemaal waardeloos, er is niets waar dan de liefde". Comte, die zijn leven besteed had aan het opbouwen van een positieve philosophie, die absoluut werkelijk zou zijn, vond (zooals we wel kunnen zeggen, dat de groote Engelsche positivist Mill ook vond) het toppunt van al zijn idealen in een vrouw, die zooals hij zeide, was Egeria en Beatrice en Laura in éen persoon, en hij schreef: "Er is niets werkelijk in de wereld dan de liefde. Men krijgt genoeg van denken en zelfs van handelen; men krijgt nooit genoeg van liefhebben en ook niet van het te zeggen. Bij de ergste kwellingen van de liefde heb ik nooit opgehouden te voelen, dat de hoofdzaak voor geluk is, dat het hart op waardige wijze gevuld zal zijn--zelfs met pijn, de bitterste pijn". En Sophie Kowalewsky schreef pathetisch, na intellectueele successen, die haar onder de meest beroemden van haar geslacht geplaatst hebben: "Waarom kan niemand mij liefhebben? Ik zou meer kunnen geven dan de meeste vrouwen, en toch worden de meest onbeteekenende vrouwen bemind en ik niet". Liefde, schijnen ze allen te zeggen, is het eenige ding, dat in hoogste instantie de moeite waard is. De grootste en schitterendste van de intellectueele reuzen der wereld bereiken blijkbaar, in hun oogenblikken van hoogste inzicht, het gewone niveau van de nederige en bijna anonieme personen, die, afgesloten van de wereld, schreven The Imitation of Christ of The Letters of a Portuguese Nun. En hoeveel anderen!
HOOFDSTUK V
HET WEZEN DER KUISCHHEID
Kuischheid is een wezenlijk bestanddeel van de waardigheid der liefde.--Het verzet van de achttiende eeuw tegen het kuischheidsideaal.--Onnatuurlijke vormen van kuischheid.--De psychologische basis van ascetisme.--Ascetisme en kuischheid als deugden onder natuurvolken.--De beteekenis van Tahiti.--Kuischheid onder barbaarsche volken.--Kuischheid onder de eerste Christenen.--Worstelingen van de heiligen tegen het vleesch.--De legende van de Christelijke kuischheid.--Het verval ervan in middeleeuwsche tijden.--Aucassin et Nicolette en de nieuwe legende van kuische liefde.--De onkuischheid van de Noordelijke barbaren.--De poenitentialia.--Invloed van de renaissance en de hervorming.--Het verzet tegen maagdelijkheid als een deugd.--De moderne opvatting van kuischheid als een deugd.--De invloeden, die de deugd der kuischheid bevorderen.--Kuischheid als een tucht.--De waarde van kuischheid voor den kunstenaar.--Potentie en impotentie in de algemeene schatting.--De juiste definities van ascetisme en kuischheid.
Het hooge belang van kuischheid, en zelfs van ascetisme, is nooit te eeniger tijd, of in een van levenskracht tintelende menschenmaatschappij, geheel zonder erkenning gebleven. Soms is de kuischheid in de schatting der menschen verheerlijkt en soms is ze naar beneden gehaald; ze heeft herhaaldelijk den aard van haar uitingen gewijzigd; maar ze is er altijd geweest. Wat meer zegt: zonder haar kan niemand een mooien, zelfs een deel van een mooien kijk op de Natuur hebben. "De glorie van de wereld wordt alleen gezien door een kuischen geest", zeide Thoreau met zijn fijne overdrijving. "Voor een ieder, voor wien dit feit geen ontzagwekkend, maar toch mooi mysterie is, bestaan er geen bloemen in de Natuur". Zonder kuischheid is het onmogelijk de waardigheid van sexueele liefde staande te houden. De maatschappij, waarin de waardeering daarvan tot een minimum daalt, is in de laatste stadia van ontaarding. Kuischheid heeft voor sexueele liefde een belang, dat ze nooit verliezen kan, en het allerminst tegenwoordig.
Het is volkomen waar, dat gedurende de achttiende en negentiende eeuw vele moreel en intellectueel zeer hoogstaande mannen het ideaal van kuischheid uitdrukkelijk veroordeeld hebben. De groote Buffon weigerde kuischheid als een ideaal te erkennen en verwees toornig naar "die soort van krankzinnigheid, die de maagdelijkheid van een meisje tot iets wezenlijks gemaakt heeft", terwijl William Morris eens, op de hem eigen openhartige wijze, in een bijeenkomst van de Fellowship of the New Life verklaarde, dat het "ascetisme de meest weerzinwekkende ondeugd is, die de menschelijke natuur bezocht heeft". Blake, hoewel hij in den meest conventioneelen zin een strikt moreel man was, voelt niets dan minachting voor kuischheid en voedt soms een soort van godsdienstigen eerbied voor het denkbeeld van onkuischheid. Ook Shelley, die in sexueele zaken misschien niet verstandig geweest is, maar die toch nauwelijks onkuisch genoemd kan worden, schijnt dikwijls godsdienst en moraal te verbinden niet met kuischheid, maar met onkuischheid, en ongeveer hetzelfde kan van James Hinton [70] gezegd worden. Maar al deze mannen--mèt andere mannen van een hoog karakter, die soortgelijke meeningen hebben uitgesproken--waren in opstand tegen valsche, decadente en conventioneele vormen van kuischheid. Zij kantten zich niet tegen een ideaal; zij trachtten een ideaal te stellen op de plaats waar zij bemerkten, dat een schadelijk voorwendsel prijkte als een moreele werkelijkheid.
Wij kunnen geen ideaal van kuischheid aannemen, als we niet onbarmhartig alle onnatuurlijke en ledige vormen van kuischheid verwerpen. Als kuischheid alleen maar is een vermoeiende poging om in de sexueele sfeer te wedijveren met de prestaties van mannen, die voor hun beroep vasten, een poging, die al de krachten van het organisme verbruikt, en op geen grooter succes uitloopt dan de abstinentie die ze in zich heeft, dan is ze zeker een onwaardig ideaal. Als ze is een zwak zich onderwerpen aan een uiterlijke wet der conventie, omdat men geen moed heeft er mee te breken, dan is ze in het geheel geen ideaal. Als ze een moreel voorschrift is, dat door de eene sekse opgedrongen wordt aan de andere, dan is ze een onrechtvaardigheid en prikkelt tot verzet. Als ze is een zich onthouden van de gebruikelijke vormen van sexualiteit, die dan vervangen worden door meer abnormale of meer geheime vormen, dan is ze eenvoudig een onwerkelijkheid, gebaseerd op een verkeerde voorstelling. En als ze alleen is een uiterlijk aannemen van conventies zonder eenige verdere aanname, zelfs in de daad, dan is ze een verachtelijke klucht. Dit zijn de vormen van kuischheid, die, in de laatste twee eeuwen, vele fijngevoelige mannen met kracht hebben verworpen.
Het feit, dat kuischheid of ascetisme een werkelijke deugd is, die aanleiding geeft tot mooie gebruiken, wordt duidelijk, als we ons voor oogen stellen, dat ze gebloeid heeft in alle tijden, in verband met alle soorten van godsdiensten en de meest verschillende moreele wetboeken. Wij vinden ze geldend onder natuurvolken, en de speciale deugden dier natuurvolken--harding, weerstandsvermogen en doodsverachting--zijn innig verbonden met het kweeken van kuischheid en ascetisme [71]. Het is waar, dat natuurvolken zelden een ideaal van kuischheid hebben in de lagere moderne beteekenis als een toestand van doorloopende abstinentie van sexueele verhoudingen, die dan op zichzelf verdienstelijk zou zijn, afgezien van ieder nut. Zij eeren kuischheid om de magische of werkelijke waarde ervan, als een methode van zelfbeheersching, die medewerkt tot het bereiken van belangrijke doeleinden. Het vermogen om pijn en dwang te verdragen is bijna altijd een hoofdbestanddeel bij het inwijden van jonge menschen tijdens de puberteit. De gewoonte, zich te onthouden van sexueelen omgang vóor oorlogs- of jachtexpedities en andere ernstige ondernemingen, die groote inspanning van spieren en hersenen vereischen is, welke de motieven ook zijn waar ze aan toegeschreven wordt, een wijze methode om kracht te sparen. De zeer ver verspreide gewoonte omgang te vermijden tijdens de zwangerschap en het zoogen, is weer een uitmuntende voorzorgsmaatregel in de sexueele hygiëne, die het onder de meer beschaafde volken zeer moeilijk is te blijven in acht nemen. Natuurvolken weten ook zeer wel hoe waardevol sexueele matigheid, te zamen met vasten en eenzaamheid is, om de geschiktheid te verkrijgen voor buitengewone geestelijke krachten.
Zoo geeft C. Hill Tout (Journal Anthropological Institute, Jan.-Juni 1905, pp. 143-145) een belangwekkend verslag van de zelftucht, waaraan diegenen onder de Salische Indianen van Britsch Columbia zich onderwerpen, die shamanistische krachten trachten te verkrijgen. De psychische uitwerking van zulk oefenen op deze menschen is, naar Hill Tout zegt, boven allen twijfel verheven. "Ze stelt hen in staat daden van buitengewone kracht, behendigheid en uithoudingsvermogen te ondernemen en te volbrengen; en ze geeft hun nu en dan, behalve een algemeene verheffing van de zinnen, ontwijfelbaar clairvoyante en andere bovennatuurlijke geestelijke en lichamelijke krachten". Ook aan de andere zijde van de wereld zijn, zooals aangetoond wordt door de Reports of the Anthropological Expedition to Torres Straits (vol. V, p. 321), dergelijke gewoonten gebruikelijk om bovennatuurlijke krachten te verkrijgen.
Er zijn fundamenteele psychologische redenen voor het veel voorkomen van het ascetisme en voor de opmerkelijke wijze, waarop het zelfvernietiging in zich sluit, zelfs acuut physiek lijden. Zulke pijn is een werkelijke psychische prikkel, vooral bij licht neurotische personen. Het bewijs hiervoor gaf een jonge vrouw, een patient van Janet, die leed aan geestelijke depressie en die gewoon was verlichting te vinden door even haar handen en voeten te branden. Zij begreep zelf duidelijk den aard van haar daden. "Ik voel", zeide zij, "dat ik een krachtsinspanning doe, als ik mijn handen op de kachel houd, of als ik kokend water op mijn voeten giet; het is een daad van geweld en ze maakt mij wakker: ik voel, dat ze werkelijk door mijzelf gedaan wordt en niet door een ander... Een geestelijke inspanning op zichzelf is mij te moeilijk; ik moet er physieke krachtsinspanningen voor in de plaats stellen. Ik heb op geen andere wijze succes gehad; dat is alles; als ik mijzelf er toe breng mij te branden, maak ik mijn geest voor verscheidene dagen vrijer, lichter en actiever. Waarom spreekt gij van mijn behoefte aan zelfkastijding? Mijn ouders gelooven hieraan, maar het is belachelijk. Het zou een zelfkastijding zijn als het lijden aanbracht, maar ik geniet van dit lijden, het geeft mij mijn geestvermogens terug; het verhindert, dat mijn gedachten stilstaan; wat zou men niet doen om zulk een geluk te bereiken?" (P. Janet, "The Pathogenesis of Some Impulsions", Journal of Abnormal Psychology, April 1906). Als wij dit psychologisch proces begrijpen, dan kunnen we beseffen hoe het komt, dat zelfs bij de hoogere godsdiensten, hoeveel ze overigens ook mogen verschillen, de praktische waarde van ascetisme en zelfkastijding bijna algemeen erkend is als noodzakelijk ter bereiking van den meest verheven godsdienstigen staat en met volkomen opgewektheid. "Ascetisme en extase zijn onafscheidelijk", zooals Probst-Biraben aan het begin van een belangwekkend geschrift over het Mohammedaansche mysticisme opmerkt ("L'Extase dans le Mysticisme Musulman", Revue Philosophique, Nov. 1906). Slechts door ascetisme bereikt men de geestelijke volmaking.
Zoo komt het, dat natuurvolken in ruime mate hun dikwijls bewonderenswaardige handhaving van ascetisme niet gronden op den praktischen basis, die het zou rechtvaardigen, maar op den godsdienstigen grondslag, die in discrediet komt met het aangroeien van het verstand [72]. Maar zelfs als de nauwgezette voorschriften van natuurvolken, zoowel in sexueele als in niet-sexueele zaken zonder eenigen merkbaren gezonden basis zijn, dan kan toch niet gezegd worden dat ze volkomen nutteloos zijn, als zij er toe leiden zelfbeheersching en het gevoel van eerbied aan te moedigen [73]. De zoogenaamde intelligente en praktische volken, die oorspronkelijke gebruiken opgeven, omdat die hun doelloos toeschijnen of zelfs belachelijk, moesten een nog fijner practischen zin hebben en een nog grooter verstand om te begrijpen dat, al zijn de redenen voor de gebruiken verkeerd geweest, toch de gebruiken zelf noodzakelijke methoden kunnen geweest zijn om persoonlijke en maatschappelijke capaciteiten te verkrijgen. Het gebeurt voortdurend in den loop van de beschaving, dat wij oude gebruiken moeten doen herleven, en dat wij ze moeten voorzien van nieuwe redenen.