De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 19
In Protestantsche landen heeft de invloed van de Hervorming, door de sekse als iets natuurlijks in eere te herstellen, indirect er toe geleid, in het populaire voelen jegens de sekse den smaad van zondigheid te vervangen door den smaad van dierlijkheid. Voortaan moet de sexueele impuls worden verborgen of opgetooid, om fatsoenlijk menschelijk te worden. Dit blijkt duidelijk uit een passage in het dagboek van Pepys, in de zeventiende eeuw. Op den morgen na den huwelijksdag was het gewoonte pas getrouwde menschen met muziek wakker te maken; de afwezigheid van deze muziek bij een bepaalde gelegenheid (in 1667), maakte op Pepys den indruk "alsof zij zoo maar als een paar honden bij elkaar waren gekomen". Wij geven niet langer om de muziek, maar hetzelfde gevoelen bestaat nog in den wensch naar andere vermommingen en versieringen voor den sexueelen impuls. Wij stellen ons niet altijd duidelijk voor oogen, dat liefde haar eigen heiliging met zich brengt.
Als tegenwoordig de tegenzin tegen de sexueele zijde van het leven zich vertoont, wordt bijna altijd beweerd niet zoozeer, dat ze "zondig" is als wel dat ze "dierlijk" is. Ze wordt beschouwd als dat deel van den mensch, dat hem het nauwste verbindt met de lagere dieren. Het moest nauwelijks noodig zijn er op te wijzen, dat dit een dwaling is. Van wat voor zijde we ze ook naderen, de bewering, dat sekse bij den mensch en bij de dieren hetzelfde is kan niet volgehouden worden. Van het standpunt van hen, die deze identiteit aannemen, zou het juister zijn te zeggen, dat de menschen inferieur zijn aan de dieren, dan dat ze gelijk zijn met de dieren, want bij dieren is onder natuurlijke omstandigheden het sexueele instinct strikt ondergeschikt aan de voortplanting en zeer weinig onderhevig aan afwijking, zoo dat van het standpunt van hen, die de sekse willen kleineeren, de dieren dichter bij het ideaal zijn, en zulke menschen moeten met Woods Hutchinson zeggen: "Alles te zamen genomen hebben onze dier-voorouders evenveel reden zich over ons te schamen, als wij over hen". Maar als we de zaak bezien van een ruimer biologisch standpunt van ontwikkeling, dan moet onze conclusie geheel verschillend zijn.
Wel verre van aan de dieren gelijk te zijn, behooren de menschelijke sexueele impulsen onder de minst op de dieren gelijkende aanwinsten van den mensch. De menschelijke sexueele sfeer verschilt in een buitengewoon groote mate van de dierlijke sexueele sfeer [60]. Ademhalen is een dierlijke functie en hierin kunnen we niet wedijveren met de vogels; beweging is een dierlijke functie en hier kunnen wij de viervoeters niet evenaren; wij zijn niet merkbaar vooruit gegaan wat onze circuleerende, verteringbevorderende, nier- of leverfuncties betreft. Zelfs wat het gezicht en het gehoor betreft, zijn er veel dieren, die scherper van gezicht zijn dan de mensch, en vele, die in staat zijn geluiden te hooren, die voor hem onhoorbaar zijn. Maar er zijn geen dieren, waarbij het sexueele instinct zoo gevoelig is, zoo hoog ontwikkeld, zoo verscheiden in zijn uitingen, zoo voortdurend waakzaam, zoo in staat om uit te stralen naar de hoogste en de verst verwijderde deelen van het organisme. De sexueele werkzaamheden van den man en van de vrouw behooren niet tot dat lagere deel van onze natuur, dat ons degradeert tot het niveau van het "dier", maar tot het hoogere deel, dat ons opheft tot al de hoogste werkzaamheden en idealen, waartoe we in staat zijn. Het is waar, dat er voornamelijk in den mond van enkele onwetende en slecht opgevoede vrouwen over sekse gesproken wordt als "dierlijk" of als "het dierlijke deel van onze natuur" [61]. Maar daar vrouwen de moeders en de onderwijzeressen zijn van het menschelijk ras is dit een onwetendheid en een blijk van slechte opvoeding, die niet te spoedig met wortel en tak kunnen uitgeroeid worden.
Er zijn sommigen, die schijnen te denken, dat zij de weegschaal in evenwicht hebben gehouden en de zaak voor goed opgelost, als zij erkennen, dat sexueele liefde zoowel mooi kan zijn als walgelijk, en dat beide beschouwingen even normaal en wettig zijn. "Luister om de beurt", merkt Tarde op, "naar twee mannen, die de een koud, de ander vurig, de een kuisch, de ander verliefd, beiden even welopgevoed en ruim van geest, de waarde van hetzelfde ding bepalen: de een noemt walgelijk, leelijk, weerzinwekkend en dierlijk, wat de ander heerlijk, verrukkelijk, onuitsprekelijk, goddelijk noemt. Wat voor den een, in de Christelijke phraseologie, een onvergeeflijke zonde is, dat is voor den ander de staat van ware genade. Daden, die voor den een een treurige en nu en dan voorkomende noodzakelijkheid schijnen te zijn, vlekken die zorgvuldig uitgewischt moeten worden door lange tusschenpoozen van zelfbeheersching, zijn voor den ander de gouden spijkers, waar het geheele overige levensgedrag en bestaan van afhangt, de dingen, die alleen aan het menschelijk leven zijn waarde geven" [62]. Toch mogen we wel betwijfelen of deze beide personen "even welopgevoed en ruim van geest" zijn. De wilde gevoelt, dat sekse gevaarlijk is en hij heeft gelijk. Maar de mensch, die gevoelt dat de sexueele impuls slecht is, of zelfs maar laag bij den grond en vulgair, is een absurditeit in het heelal, een afwijking. Hij is evenals die menschen in onze krankzinnigengestichten, die gevoelen, dat het instinct om zich te voeden slecht is en zoo er toe overgaan om zich uit te hongeren. Zij zijn evenzeer geestelijke verworpelingen in het heelal, welks kinderen zij zijn. Het is een andere zaak, als een mensch verklaart, dat hij persoonlijk in zijn geval een ascetisch ideaal heeft, dat hem er toe brengt zich zooveel mogelijk te onthouden van een van beide of van beide impulsen. De mensch, die gezond ascetisch is, streeft naar een discipline, die te hulp komt aan het ideaal, dat hij zich persoonlijk gesteld heeft. Hij kan theoretisch nog in harmonie blijven met het heelal, waartoe hij behoort. Maar verachting uit te spreken over het sexueele leven, den sluier der "onreinheid" er over uit te spreiden, dat is, zooals Nietzsche verklaarde, de onvergeeflijke zonde tegen den Heiligen Geest van het Leven.
Er zijn veel menschen, die vooroordeel en rede trachten te verzoenen in hun waardeering van de liefde door een scherpe scheidingslijn te trekken tusschen "lust" en "liefde", de eene verwerpend en de andere goedkeurend. Het is zeer juist zulk een onderscheid te maken, maar de wijze waarop het gemaakt wordt, kan gewoonlijk in het geheel geen onderzoek verdragen. Wij moeten uitmaken, wat we meenen met "wellust" en wat we meenen met "liefde", en dat is niet gemakkelijk, als zij beschouwd moeten worden alsof ze elkaar uitsluiten. Soms wordt gezegd, dat we onder "lust" moeten verstaan een roekeloos toegeven aan den sexueelen impuls zonder op andere overwegingen te letten. Als we hem zoo verstaan, kunnen we hem veilig verwerpen. Maar dat is een volkomen willekeurige definitie van het woord. "Lust" is inderdaad een zeer dubbelzinnig woord; het is een goed woord, dat zijn moreele waarde veranderd heeft, en daarom moeten wij het zeer zorgvuldig verklaren, eer wij het durven gebruiken. Eigenlijk gezegd, is "lust" een volkomen kleurloos woord [63] en beteekent eenvoudig verlangen in het algemeen en sexueel verlangen in het bijzonder; het komt overeen met "honger" of "dorst"; het in een beleedigende beteekenis te gebruiken is ongeveer hetzelfde als aan te nemen, dat het woord "hongerig" dezelfde beleedigende beteekenis heeft als "begeerig". Het resultaat is geweest, dat gevoelige geesten verontwaardigd het woord "lust" in verband met de liefde verwerpen [64]. In het vroegste gebruik van onze taal, had "lust" den zin van gezonde en normale sexueele kracht; nu is het woord zoo zeer naar beneden gehaald, dat, hoewel het gemakkelijk zou zijn het weer op zijn juiste plaats, die nog open blijft, te brengen, de poging hiertoe welhaast een hopelooze taak lijkt. Wij hebben de bronnen van gevoel in deze zaken zoozeer vergiftigd met middeleeuwsche ascetische ruwheden, dat al onze woorden voor sekse spoedig neiging-hebben met modder bespat te geraken; we kunnen ze oprapen uit de modder, waarin ze gevallen zijn en trachten ze te reinigen, maar aan vele oogen zullen ze toch nog vuil toeschijnen. Een gevolg van deze neiging is, dat wij geen eenvoudig, precies, natuurlijk woord hebben voor de liefde van de seksen, en we gedwongen worden onze toevlucht te nemen tot den algemeenen term, die zoo veelomvattend is, dat men in Engeland en in de meeste andere landen die den toon aangeven, met hetzelfde woord spreekt van God "liefhebben" of van eten "houden".
Liefde, in de sexueele beteekenis, is in het kort beschouwd, een samenstelling van lust (in den primitieven en ongekleurden zin van sexueele aandoening) en vriendschap. Er kan geen sexueele liefde zijn zonder lust; maar, aan den anderen kant, niet voordat stroomen van lust in het organisme zijn uitgestraald, zoo, dat zij andere deelen van het psychische organisme raken--ten minste de aandoeningen en de maatschappelijke gevoelens--is het sexueele liefde. Lust, de specifieke sexueele impuls, is wel het eerste en meest essentieele element in deze samenstelling, want die alleen is geschikt voor het doel van de reproductie, niet alleen bij dieren maar ook bij menschen. Maar niet voordat lust zich uitgezet heeft en uitgestraald is, ontwikkelt hij zich tot de heerlijke en betooverende bloem der liefde. Wij mogen ons voor den geest halen, wat onder de planten gebeurt: aan den eenen kant hebben wij de lagere organismen, waarbij het sexueele leven beknopt en cryptogamisch voortgaat zonder ooit eenigen overvloed van schitterende bloemen over de wereld uit te storten, en aan den anderen kant de hoogere planten, waar sekse zich geopenbaard vertoont en zich aanmerkelijk uitgezet heeft in vorm en kleur en geur.
Terwijl "lust" natuurlijk over de geheele wereld bekend is, en er overal woorden zijn om hem aan te duiden, is "liefde" niet algemeen bekend, en in vele talen zijn er geen woorden voor "liefde". De mislukte pogingen om liefde te vinden, zijn dikwijls opmerkelijk en onverwacht. We kunnen ze soms vinden, waar we ze het minst verwachten. Het sexueele verlangen raakte zelfs bij sommige dieren geïdealiseerd, (zooals Sergi opgemerkt heeft), voornamelijk bij vogels, want als een vogel zich dood treurt over zijn wijfje, kan dat niet voortkomen uit het ongecompliceerde sexueele instinct, maar moet het de combinatie in zich sluiten van dat instinct met de andere levenselementen in een mate, die zeldzaam is zelfs onder de meest beschaafde menschen. Sommige wilde stammen schijnen geen fundamenteele voorstelling te hebben over liefde, en (zooals de Amerikaansche Nahua's) geen elementair woord er voor, terwijl er, aan den anderen kant, in Quichua, in de taal van de oude Peruvianen, bijna zeshonderd combinaties zijn van het werkwoord munay, liefhebben. Bij sommige volken schijnt de liefde beperkt te zijn tot de vrouwen. Letourneau (L'Evolution Littéraire, p. 529) wijst er op, dat in verschillende deelen van de wereld vrouwen de leiding genomen hebben in het scheppen van erotische poëzie. In dit verband mogen we de opmerking maken, dat zelfmoorden uit erotische overwegingen bij primitieve volken voornamelijk voorkomen onder vrouwen (Zeitschrift für Sozialwissenschaft, 1899, P. 578). Verscheidene natuurvolken hebben liefdeliederen, b.v. de Suaheli (Velten, in zijn Prosa und Poesie der Suaheli, wijdt een deel aan liefdeliederen, geschreven in de taal der Suaheli). D. G. Brinton zegt, in een belangwekkend geschrift over "The Conception of Love in Some American Languages" (Proceedings American Philosophical Society, vol. XXIII, p. 546; 1886), dat de woorden voor liefde in deze taal blijk geven van vier hoofdwijzen om het begrip uit te drukken: (1) ongearticuleerde uitroepen van emotie; (2) betuigingen van hetzelfde te zijn of op elkaar te gelijken; (3) betuigingen van samen te hooren en verbonden te zijn; (4) betuigingen van een wensch, verlangen of een begeerte. Brinton voegt er bij, dat "deze zelfde denkbeelden ten grondslag liggen aan de meeste woorden voor liefde in de groote Arische taalgroep". Het opmerkelijke feit doet zich echter voor, dat de menschen, die de Arische taal spraken, langzaam waren in het ontwikkelen van hun opvatting van sexueele liefde. Brinton merkt op, dat de Amerikaansche Mayas gesteld moeten worden boven de volken van oude Arische beschaving, in dit opzicht, dat zij een grondwoord bezitten voor de vreugde der liefde, dat naar zijn beteekenis zuiver psychisch was en strikt betrekking had op den geestelijken toestand, en niet op gelijkheid noch op verlangen. Zelfs de Grieken waren laat met het vormen van eenig ideaal van sexueele liefde. Dit is duidelijk aangetoond door E. F. M. Benecke in zijn Antimachus of Colophon and the Position of Women in Greek Poetry, een boek, dat eenige gewaagde stellingen bevat, maar dat van het tegenwoordige standpunt uit zeer leerzaam is. De Grieksche lyrische dichters schreven om zoo te zeggen geen liefdeliederen aan vrouwen vóor Anacreon, en de zijne werden eerst geschreven toen hij oud was. Ware liefde was voor de Grieken bijna altijd homosexueel. De Ionische lyrische dichters van het oude Griekenland beschouwden de vrouw alleen als speelgoed en als de stichtster van de familie. Theognis vergelijkt het huwelijk bij het fokken van vee; Alcman spreekt, als hij complimenteus wil zijn voor de Spartaansche meisjes, van haar als van zijn "vrouwelijke vrienden". Aeschylus laat zelfs een vader zeggen, dat zijn dochters zich zullen misdragen als zij aan zichzelf zijn overgelaten. Er is geen sexueele liefde bij Sophocles, en bij Euripides zijn het alleen de vrouwen die verliefd worden. Benecke komt tot het besluit (p. 67), dat in Griekenland sexueele liefde tot een tamelijk laat tijdstip in minachting was, en dat ze beschouwd werd als niet waardig om in het publiek besproken of voorgesteld te worden. Het was in Groot-Griekenland eerder dan in Griekenland zelf, dat mannen belangstelling hadden voor vrouwen, en het was niet eerder dan in den tijd van Alexander, en vooral bij Asclepiades, zegt Benecke, dat de liefde van vrouwen beschouwd werd als een zaak van leven en dood. Daarna komt de opvatting van de sexueele liefde, van het romantisch gezichtspunt, in het Europeesche leven. Met de Keltische geschiedenis van Tristam verschijnt ze, naar Gaston Paris opmerkt, eindelijk in de Christelijke Europeesche wereld der poëzie als het voornaamste punt in het menschelijk leven, de groote drijfkracht voor het gedrag der menschen.
Romantische liefde is echter tot de massa in Europa niet doorgedrongen. In de zestiende eeuw, of in den tijd dat de ballade van "Glasgerion" geschreven werd, zien wij aangenomen, dat de verhouding van een boer tot zijn meisje beperkt is tot de enkele daad van sexueelen omgang; hij kust haar niet bij het komen of bij het weggaan; alleen de ridder, de man van de hoogere klasse denkt er aan, die teedere beleefdheid aan te bieden. En heden ten dage is, bijvoorbeeld in de streek tusschen Oost-Friesland en de Alpen, naar Bloch meedeelt (Sexualleben unserer Zeit, p. 29) in navolging van E. H. Meyer, het woord "liefde" bij de groote massa onbekend en erkent men alleen den ruwen tegenhanger ervan.
Aan de andere zijde van de wereld, in Japan, schijnt sexueele liefde evenzeer in discrediet te zijn als het was in het oude Griekenland; zoo merkt Miss Tsuda, het hoofd van een Japansche school en zelf een Christin, op (zooals aangehaald wordt door Mrs. Fraser in World's Work and Play, Dec. 1906): "Dat woord "liefde" is tot nog toe een woord geweest, dat niet bekend was onder onze meisjes, in de buitenlandsche beteekenis. Plicht, onderwerping, vriendelijkheid--dat waren de gevoelens, die een meisje voor den echtgenoot moest hebben, die voor haar gekozen was--en vele gelukkige, harmonische huwelijken waren hiervan het resultaat. Nu zeggen uwe lieve, sentimenteele buitenlandsche vrouwen tot onze meisjes: "Het is slecht te trouwen zonder liefde; de gehoorzaamheid aan ouders voert in zulk een geval tot geweld aandoen aan de natuur en aan het Christendom. Als je van een man houdt, moet je alles opofferen om hem te trouwen"."
Als liefde echter volledig ontwikkeld is, wordt ze een aandoening van een enorme uitgebreidheid en zeer samengesteld, en lust wordt, zelfs in de beste beteekenis van dat woord, een element, dat staat naast vele andere elementen. Herbert Spencer heeft, in een belangwekkende passage van zijn Principles of Psychology (Deel IV, hoofdst. VIII), liefde ontleed in negen onderscheiden en belangrijke elementen: (1) de physieke sexueele impuls; (2) het gevoel voor schoonheid; (3) genegenheid; (4) bewondering en eerbied; (5) behoefte aan goedkeuring; (6) gevoel van eigenwaarde; (7) gevoel van eigendomsrecht; (8) grooter vrijheid van handelen door de afwezigheid van persoonlijke hinderpalen; (9) verheffing van de sympathieën. "Deze hartstocht", zegt hij ten slotte, "smelt de meeste van de elementaire opwindingen, waartoe we in staat zijn, tot een enorm groote massa samen".
Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat het definieeren van de sexueele liefde, of zelfs het ontleden van de samenstellingen ervan, in het geheel niet hetzelfde is als het verklaren van het mysterie. Wij trachten ons verstand te bevredigen door middel van een samenhangend beeld der liefde, maar de afstand tusschen dat beeld en de werkelijkheid van de aandoening, die we ondervinden, moet altijd onmeetbaar en niet te overbruggen zijn. "Er is geen woord dat meer uitgesproken wordt dan dat van liefde", schreef Bonstetten vele jaren geleden, "en toch is er geen onderwerp, dat geheimzinniger is. Van dat, wat ons het naaste raakt, weten we het minste. Wij kunnen den loop van de sterren en we weten niet, hoe we liefhebben". En hoe bedreven we ook geworden zijn in het ontdekken en ontleden van de oorzaken, de bijkomstigheden en de resultaten van de liefde, moeten we toch nog heden dezelfde bekentenis doen. Wij kunnen trachten, zooals sommigen gedaan hebben, liefde te verklaren als een vorm van honger en dorst, of als een kracht, die overeenkomt met electriciteit, of als een soort van magnetisme, of als een soort van chemische affiniteit, of als een reflexwerking, maar deze verklaringen zijn niets meer dan pogingen om voor onszelf de grootheid van het verschijnsel, waarmee we te doen hebben, tot uitdrukking te brengen.
Wat altijd de menschen bij het denken over de sexueele liefde verbluft heeft, is de schijnbare onevenredigheid van de oorzaak ervan, het enorme verschil tusschen het noodzakelijk beperkte deel slijmvlies, dat het einddoel van zulke liefde is en de oceaan van wereld-omvattende gevoelens, waartoe het de toegang verleent, zoodat, naar Remy de Gourmont gezegd heeft, "de slijmvliezen, krachtens een onoplosbaar mysterie, in hun donkere plooien al de rijkdommen besloten houden van het oneindige". Het is een mysterie, waardoor de denker en de kunstenaar gelijkelijk overweldigd worden. Donnay beeldt, in zijn spel L'Escalade, een koud en streng man van de wetenschap uit, die liefde alleen beschouwt als een geestelijke ongesteldheid, die genezen kan worden evenals andere ongesteldheden en die tenslotte zelf wanhopig verliefd wordt. Hij dringt in de kamer van het meisje binnen op een ladder, midden in den nacht, en breekt los in een langen en hartstochtelijken woordenvloed: "Alles wat met je in aanraking komt, wordt voor mij geheimzinnig en heilig. O! te denken, dat iets zoo wel bekends als een vrouwenlichaam, dat beeldhouwers gemodelleerd hebben, waar dichters over gezongen hebben, dat mannen van de wetenschap, zooals ik, hebben ontleed, dat dit plotseling een onbekend mysterie moet worden en een oneindige vreugde, alleen omdat het 't lichaam is van een bepaalde vrouw--wat een waanzin! En toch, dat is, wat ik gevoel" [65].
Dat de liefde een natuurlijke waanzin is, een tijdelijke begoocheling, die het individu gedwongen is te lijden ter wille van het ras, is een uitleg, die menigeen, die door dit mysterie in verwarring is geraakt, in de gedachte is gekomen. Dat was, zooals wij weten, de uitleg, door Schopenhauer gegeven. Als een jonge man en een meisje elkaar in de armen vallen in liefdesextase, dan verbeelden zij zich, dat zij hun eigen geluk zoeken. Maar dat is zoo niet, zeide Schopenhauer; zij worden bedrogen door den genius van het ras tot zij meenen, dat zij een persoonlijk doel nastreven, opdat zij er toe gebracht zouden worden een veel grooter onpersoonlijk doel te bereiken: het scheppen van het toekomstige ras. De hevigheid van hun hartstocht is niet de maatstaf voor het persoonlijk geluk, dat zij verkrijgen zullen, maar de maatstaf voor hun geschiktheid om nakomelingschap voort te brengen. Als zij den hartstocht volgen en de raadgevingen van zorgvuldige voorzichtigheid in den wind slaan, dan offeren de jonge man en het meisje in werkelijkheid hun kansen op zelfzuchtig geluk op en vervullen zij de grootere doeleinden der Natuur. Zooals Schopenhauer de zaak zag, was er geen vulgaire illusie. De minnenden dachten, dat zij een grenzenloos persoonlijk geluk bereikten; zij bedrogen zich waarschijnlijk. Maar zij bedrogen zich, niet omdat de werkelijkheid minder was dan hun voorstelling, maar omdat ze meer was; inplaats van alleen maar een persoonlijk doel na te streven, zooals zij meenden, volbrengen zij het scheppingswerk van de wereld, een taak, die beter ongedaan was gebleven, zooals Schopenhauer het beschouwde, maar een taak waarvan hij de grootschheid volkomen erkende [66].
We moeten er aan denken, dat in de lagere beteekenis van het woord, liefde een ontgoocheling zijn kan en dat dikwijls ook is. Een man kan zich vergissen, of bedrogen worden door het voorwerp, dat hem aantrekt, in de eigenschappen die zij bezit of die ze niet bezit. Bij de eerste liefde, als ze in de jeugd voorkomt, is zulke teleurstelling zeker volkomen normaal, en bij zekere typen, die vatbaar voor indrukken en ontvlambaar zijn, heeft dit veel kans voor te komen. Deze soort van teleurstelling, hoewel ze veel meer voorkomt en veel meer in het oog valt in liefdezaken--en ernstiger is, omdat de huwelijksband zoo strak is--heeft neiging in iedere verhouding van het leven voor te komen. Voor de meeste menschen echter, en dat wel niet voor de minst verstandige of de minst wijze, blijft de herinnering aan de liefdeverrukking, zelfs als de tijd van die verrukking voorbij is, toch bestaan als, op zijn minst, de herinnering aan een van de meest werkelijke en essentieele feiten van het leven [67].