De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 18
We mogen als een speciale variëteit van het ascetisch bezien van de sekse beschouwen,--want de asceten grondden vrijelijk, zooals we zien, maar niet geheel terecht, hun ascetisme voor een groot deel op æsthetische overwegingen--dat herhaalde wijzen op het bij elkaar liggen van de sexueele en de excretorische centra, hetgeen in de oude Kerk zijn uitdrukking vond in de geringschattende bewering van Augustinus: "Inter faeces et urinam nascimur", en dat blijft voortbestaan bij velen, die het in het geheel niet altijd in verband brengen met godsdienstig ascetisme [49]. "Als resultaat van welk een belachelijke zuinigheid, en van welk een Mephistopheles ironie", vraagt Tarde [50], "heeft de Natuur gemeend, dat een functie zoo verheven, zoo de poëtische en philosofische hymnen, die ze bezongen hebben, waardig, niet beter verdiende dan haar uitsluitend orgaan te hebben te zamen met dat van de minste lichamelijke functies?"
Wij mogen er echter op wijzen, dat deze beschouwing van de zaak, hoewel onbewust, zelf het gevolg is van de ascetische depreciatie van het lichaam. Van een wetenschappelijk standpunt zijn de processen van stofwisseling van het lichaam van a tot z, alle met elkander ineen geweven en van gelijke waardigheid, hetzij ze chemisch of psychologisch beschouwd worden. Wij kunnen niet eenig speciaal chemisch of biologisch proces afzonderen en verklaren: Dit is leelijk. Zelfs wat wij uitwerpsel noemen, helpt nog de stof opbouwen van onze levens. Eten is sommigen een walgelijke bezigheid toegeschenen. Maar toch is het mogelijk geweest te zeggen, met Thoreau, dat "de goden inderdaad bedoeld hebben, dat de menschen zich als de goden zouden voeden, evenals zij zelve, met hun eigen nectar en ambrosia ... Ik heb gevoeld, dat eten een sacrament werd, een middel tot gemeenschap, een extatische oefening, en een zitten aan de avondmaalstafel der wereld".
De sacramenten van de natuur zijn op deze wijze overal samengeweven in het weefsel van de lichamen van mannen en vrouwen. Lippen, goed om te kussen, zijn voor alles goed om mee te eten en te drinken. Zoo opeengehoopt en over elkaar heen geschoven zijn de centra van kracht langzamerhand geworden, in den langen loop der ontwikkeling, dat alle slijmvliezen van de natuurlijke lichaamsopeningen, door de gevoeligheid, die zij verkregen hebben bij hun speciale werkzaamheid, werktuigen zijn geworden, die de ziel in vervoering kunnen brengen bij de aanraking in liefde; het is nutteloos verschil te maken tusschen hoog en laag, rein of onrein; ze zijn alle gelijkelijk reeds geheiligd door de uiterste wijding der natuur. De neus ontvangt den levensadem; de vagina ontvangt het levenswater. Ten slotte moet de waarde en liefelijkheid van het leven afgemeten worden naar de waarde en liefelijkheid, die de werktuigen van het leven voor ons hebben. De zwellende borsten zijn zulke goddelijk mooie teekenen van vrouwelijkheid ter wille van het kind, dat er mogelijk aan hangen en zuigen zal; de groote lijnen van de heupen zijn zoo wellustig ter wille van het kind, dat zij mogelijk eens zullen bevatten; er kan hier geen onderscheid gemaakt worden, wij kunnen de wortels niet van den boom scheiden. Het is waar, dat de hoogste functie van de mannelijkheid--het overreiken van de levenslamp aan toekomstige rassen, ten uitvoer wordt gebracht door hetzelfde werktuig, dat tot dagelijkschen afvoer van de blaas dient. Er is honend gezegd, dat wij geboren worden tusschen urine en uitwerpselen; er kon ook, vol eerbied, gezegd worden, dat de doorgang door dit geboortekanaal een sacrament is der natuur, heiliger en van meer beteekenis dan menschen het ooit zouden kunnen bedenken.
Soms zijn deze verhoudingen opgemerkt en is hun beteekenis erkend door een soort van mystische intuïtie. Wij nemen nu en dan sporen van zulk een inzicht waar, eerst onder de dichters en later onder de medici van de Renaissance. In 1864 zet Rolfincius, in zijn Ordo et Methodus Generationi Partium etc. aan het begin van zijn tweede deel, gewijd aan de geslachtsdeelen der vrouw, uiteen, wat oude schrijvers gezegd hebben over de Eleusische en andere mysteriën en over de toewijding en reinheid, vereischt van hen, die de heilige riten naderden. "Zoo is het ook met ons," gaat hij voort, "bij de riten van het wetenschappelijk onderzoek. Ook wij werken met heilige dingen. De geslachtorganen moeten onder heilige dingen gerekend worden. Zij, die deze altaren naderen, moeten komen met vromen geest. Laat de profanen buiten staan, laat de deuren gesloten worden". In die dagen waren, zelfs voor de wetenschap, alleen geloof en intuïtie mogelijk. Het is eerst in de laatste jaren, dat de microscoop van den histoloog en het proefbuisje van den physiologischen chemicus hem van een verstandelijke basis voorzien hebben. Het is niet langer mogelijk, de natuur in tweeën te knippen en te verzekeren, dat ze hier rein is en daar onrein [51].
Er schijnt dus geen voldoende grond te zijn om het eens te zijn met hen, die het bij elkaar liggen van de voortbrengende en de excretorische centra beschouwen als "een dom knoeiwerk der natuur". Een associatie, die zoo oud en primitief is als de natuur, kan alleen stuitend toeschijnen aan hen, wier gevoelens ziekelijk onnatuurlijk geworden zijn. We mogen verder opmerken, dat de anus, die aesthetisch het minst aantrekkelijke is van de excretorische centra, betrekkelijk ver verwijderd is van de sexueele centra, en dat, zooals R. Hellmann vele jaren geleden opmerkte, toen hij deze kwestie besprak (Ueber Geschlechtsfreiheit, p. 82): "In de eerste plaats pas afgescheiden urine niets bijzonder onaangenaams in zich heeft, en in de tweede plaats, als ze dat al had, we dan wel mochten bedenken, dat een rozenroode mond in het geheel niet zijn bekoring verliest, alleen omdat hij niet aanlokkend is om te kussen op het oogenblik, dat zijn bezitter bezig is te braken".
Een geestelijke oppert zelfs in een zijner geschriften, dat wij verder mogen gaan en een positief voordeel vinden in deze nabijheid. "Ik ben blij, dat gij het niet eens zijt met den man, die vond, dat de natuur geknoeid had, toen ze de genitaliën gebruikte voor de doeleinden van het urineeren; afgezien van teleologische en theologische redenen zou ik die redeneeringslijn niet kunnen volgen. Ik vind, dat er geen reden is voor walging wat de organen voor het urineeren betreft, hoewel ik gevoel, dat de anus nooit aantrekkelijk kan zijn voor den normalen geest; maar de anus is geheel afgescheiden van de genitaliën. Mijn opinie is, dat het nabij elkaar liggen een goed doel heeft, doordat het de organen min of meer geheim maakt, behalve in tijden van sexueele opwinding of in die van liefde. Het resultaat is, dat die deelen in gewone tijden een zekere mate van weerzin wekken, maar een sterke aantrekking oefenen in tijden van sexueele werkzaamheid. Vandaar dat het gewone beschermen van de geslachtsdeelen, uit vrees afkeer te wekken, zeer hun aantrekkelijkheid verhoogt op andere tijden, wanneer de sexueele werkzaamheid onbeperkt is. Verder is het gevoel van afkeer zelf alleen het resultaat van gewoonte en gevoelen, hoe nuttig het ook is, en volgens de Schrift is alles rein en goed. Het ascetisch gevoel van tegenzin berust, als we terug gaan tot zijn oosprong, op anderen dan christelijken invloed. Het christendom kwam voort uit het Judaisme, dat geen gevoel had voor de onreinheid van het huwelijk, want "onrein" beteekent in het Oude Testament eenvoudig "heilig". De ascetische zijde van den godsdienst van het christendom is geen deel van den godsdienst van Christus, zooals hij kwam uit de handen van den stichter, en het moderne gevoel in deze zaak is een weifelend overblijfsel van de ketterij van de Manichaeërs". Ik mag er echter wel bijvoegen, dat er, zooals Northcote zegt (Christianity and Sex Problems, p. 14), naast de vrije erkenning van sexualiteit in het Oude Testament, een kring van denkbeelden is, die blijk geeft van een gevoel van onreinheid en schaamte wat de sekse betreft. Het christendom heeft deze gemengde gevoelens geërfd. Het is inderdaad onder de oude en primitieve volken een ver verspreid en bijna algemeen gevoelen geweest, dat er iets onreins en zondigs is in de dingen van het geslacht, zoodat zij, die een godsdienstig leven zouden willen leiden, sexueele verhoudingen moeten vermijden; zelfs in Indië heeft het coelibaat eerbied ingeboezemd (zie b.v. Westermarck, Marriage, pp. et seq.) Wat den oorspronkelijken grond van dit denkbeeld aangaat--dien we hier niet nauwkeuriger behoeven te bespreken--zijn vele theorieën op den voorgrond gebracht; de heilige Augustinus zet, in zijn De Civitate Dei het vernuftige idee uiteen, dat de penis, omdat hij onderhevig is aan spontane bewegingen en erecties, die niet door den wil beheerscht worden, een orgaan is om zich over te schamen, dat de geheele geslachtssfeer in zijn schande meetrekt. Westermarck beweert, dat er onder bijna alle volken gevoelens voorkomen tegen sexueele verhoudingen met leden van dezelfde familie of hetzelfde huishouden, en daar het geslacht zoo verbannen werd uit de sfeer van het huiselijk leven, ontstond er een opvatting over de onreinheid ervan; Northcote wijst op het feit, dat het van het begin af aan noodig is geweest verborgenheid te zoeken voor sexueelen omgang, omdat het paar op dat oogenblik een prooi zou zijn voor vijandelijke aanvallen, en dat door een gemakkelijken overgang de sekse beschouwd begon te worden als iets, dat verborgen behoort te worden en daarom als iets zondigs. (Diderot had reeds in zijn Supplément au Voyage de Bougainville gewezen op dit motief voor afzondering als "het eenige natuurlijke element voor kuischheid"). Crawley heeft een groot deel van zijn suggestief werk, The Mystic Rose, gewijd aan het aantoonen van het feit, dat voor den wilde de sekse een gevaarlijk en verzwakkend element in het leven is en daarom zondig.
Het zou echter een dwaling zijn te denken, dat zulke mannen als St. Bernard en de heilige Odo van Cluny, hoe bewonderenswaardig zij ook de ascetische en zelfs de algemeen Christelijke gezichtspunten van hun eigen tijd vertegenwoordigden, beschouwd moeten worden als geheel typische voorbeelden van het echt Christelijke en primitief Christelijke gezichtspunt. Voor zoover ik heb kunnen ontdekken, vinden wij deze geconcentreerde intellectueele en emotioneele woestheid van aanval op het lichaam niet tijdens de eerste duizend jaar van het Christendom; die ontwikkelde zich eerst op het oogenblik toen, met paus Gregorius VII, het middeleeuwsche Christendom de climax bereikte van zijn overwinning over de zielen van de Europeesche menschen, in de instelling van het coelibaat van de wereldlijke geestelijkheid en den groei van de groote, in kloosters verzamelde gemeenschappen van monniken in streng geregelde en afgezonderde orden [52]. Daarvoor deden de leeraars van het ascetisme meer hun best om aan te sporen tot kuischheid en zedigheid dan dat ze een aanval deden op het geheele lichaam; zij concentreerden hun aandacht liever op geestelijke deugden dan op physieke onvolkomenheden. En als wij tot de Evangeliën teruggaan, dan vinden we weinig van den middeleeuwschen ascetischen geest in de gezegden en daden, die van Jezus vermeld worden, waarvan we zelfs eerder mogen zeggen dat ze over het geheel, niettegenstaande het ascetisme dat er aan ten grondslag ligt, een zekere teerheid openbaren en een toegevendheid jegens het lichaam, terwijl zelfs Paulus, hoewel hij niet zacht is voor het lichaam, tot eerbied er voor aanspoort als voor een tempel van den Heiligen Geest.
Wij kunnen niet verwachten, dat wij de Kerkvaders sympathiek gezind zullen vinden tegenover het vertoonen van het naakte menschelijk lichaam, want hun positie was gegrond op een opstand tegen het heidendom en het heidendom had het lichaam gekoesterd. De naaktheid was meer speciaal verbonden geweest met het publieke bad, het gymnasium en het tooneel; en daar het van harte deze heidensche instellingen afkeurde, werkte het Christendom de naaktheid tegen. Het feit, dat gemeenzaamheid met de naaktheid eer gunstig dan ongunstig was voor de kuischheid, waaraan ze zooveel waarde hechtte, kon de Kerk--hoewel ze op zekeren tijd de naaktheid opnam in het ritueel van den doop--voor het grootste deel niet inzien, als deze kuischheid al werkelijk een feit was, hetwelk de speciale condities van het decadente klassieke leven neiging hadden gehad te verbergen. Maar in hun bepaalde voorkeur voor het aangekleede lichaam boven het naakte aarzelden de eerste Christenen dikwijls om den verderen stap te doen door te verzekeren, dat het lichaam een brandpunt is van onreinheid en dat de physieke sexueele organen een uitvindsel zijn van den duivel. Integendeel spraken sommige van de beroemdste Kerkvaders, vooral zij die tot de Grieksche kerk behoorden en die den levenwekkenden adem gevoeld hadden van het Grieksche denken, zich nu en dan uit over de onderwerpen natuur, sekse, en het lichaam in een geest, die de instemming verworven zou hebben van Goethe en Whitman.
Clemens van Alexandrië was, met al de excentriciteit van zijn overfijn intellect, de meest Grieksche van al de Kerkvaders en het is niet te verwonderen, dat de laatste glimp van klassiek licht, die van zijn geest uitstraalde, eenig licht wierp over deze kwestie van sekse. Hij protesteerde bv. tegen die preutschheid die, toen de zon van de klassieke wereld onderging, begonnen was het leven te overschaduwen. "Wij moeten ons niet schamen te noemen wat God zich niet geschaamd heeft te maken" [53]. Het was een merkwaardige verklaring omdat, terwijl ze het oude klassieke gevoel aannam van geen schaamte jegens de natuur, ze dat gevoel plaatste op een nieuwe en godsdienstige basis in overeenstemming met het Christendom. Over het geheel, hoewel niet altijd consequent, verdedigt Clemens van Alexandrië het lichaam en de sexueele functies tegen hen, die ze met verachting behandelden. En daar de zaak van het geslacht de zaak is der vrouwen, houdt hij de waardigheid der vrouwen altijd krachtig staande en verkondigt hij ook de heiligheid van het huwelijk, een staat, dien hij somtijds plaatst boven dien der maagdelijkheid? [54]
Ongelukkig, het moet gezegd worden, meende de heilige Augustinus--een andere Noord-Afrikaner, maar uit Romeinsch Carthago en niet uit Grieksch Alexandrië--dat hij een overtuigend antwoord had op het argument dat Clemens opperde, en zoo groot was de kracht van zijn hartstochtelijk en machtig genie, dat hij ten slotte zijn antwoord overheerschend kon maken. Voor Augustinus was de zonde erfelijk, en de zonde had haar specialen zetel in de sexueele organen; de daad der zonde had de oorspronkelijke goddelijke daad der schepping gewijzigd, en wij kunnen de sekse en de sexueele organen niet behandelen alsof er geen erfzonde was geweest. Onze genitaliën, verklaart hij, zijn schandelijk geworden omdat zij, door de zonde, nu in beweging gebracht worden door de wellust. Toch neemt Augustinus op verre na niet de middeleeuwsche ascetische houding aan van minachtenden haat jegens het lichaam. Niets kan verder van Odo van Cluny af zijn dan het enthusiasme van Augustinus over het lichaam, zelfs over de volkomen harmonie van de deelen onder de huid. "Ik geloof, dat wij tot het besluit kunnen komen", zegt hij zelfs, "dat bij het scheppen van het menschelijk lichaam de schoonheid meer in het oog gehouden is dan het nut. Waarlijk, nut is een voorbijgaand iets, en de tijd zal komen dat we elkanders schoonheid kunnen genieten zonder wellust" [55]. Zelfs in de sfeer van sekse zou hij geneigd zijn reinheid en schoonheid aan te nemen, afgescheiden van den erfelijken invloed van Adam's zonde. In het Paradijs, zegt hij, als het Paradijs was blijven bestaan, zou de daad van het voortbrengen even eenvoudig zijn geweest en vrij van schande als de daad van de hand bij het uitstrooien van het zaad op de aarde. "Sexueele vereeniging zou onder de heerschappij van den wil geweest zijn zonder eenig sexueel verlangen. Het zaad zou in de vagina gebracht worden op even eenvoudige wijze als de menstrueele vloeistof er nu uitgeworpen wordt. Er zouden geen woorden geweest zijn die obsceen genoemd konden worden, maar al wat van deze deelen kon gezegd worden, zou even rein geweest zijn als wat gezegd wordt van de andere deelen van het lichaam" [56]. Dat is echter voor Augustinus wat had kunnen wezen in het Paradijs, waar, naar hij meende, sexueel verlangen niet bestond. Zooals de dingen zijn, meende hij, is het juist dat wij ons schamen, doen wij goed te blozen. En het was natuurlijk dat, zooals Clemens van Alexandrië vermeldt, vele ketters verder gingen op dezen weg en geloofden dat, terwijl God den mensch maakte tot aan den navel, de rest door een andere macht gemaakt was; zulke ketters hebben zelfs nu nog hun aanhangers onder ons.
Evenzeer in de Oostersche als in de Westersche kerken echter, zoowel voor en na Augustinus, hoewel niet dikwijls er na, hebben groote Kerkvaders en leeraars meeningen geuit, die eer die van Clemens dan die van Augustinus herroepen. Wij kunnen niet veel waarde hechten aan de uiting van den buitensporigen en dikwijls zichzelf tegensprekenden Tertullianus, maar het is de moeite waard op te merken, dat, terwijl hij verklaarde dat de vrouw de poort is tot de hel, hij toch ook gezegd heeft, dat wij de natuur moeten naderen met eerbied en niet met een blos. "Natura veneranda est, non erubescenda". "Geen Christelijk schrijver", heeft men gezegd, "heeft zoo energiek gesproken tegen de kettersche verachting van het lichaam als Tertullianus. Lichaam en ziel zijn, volgens Tertullianus, ten nauwste verbonden. De ziel is het levensprincipe van het lichaam, maar er is geen werkzaamheid van de ziel, die zich niet openbaart door en invloed ondervindt van het vleesch" [57]. Van meer belang is Rufinus Tyrannius, de vriend en medeleerling van den heiligen Jeronimus, in de vierde eeuw, die een commentaar schreef op de Apostolische geloofsleer, die zeer in aanzien was bij de oude en middeleeuwsche kerk en die zelfs nu nog gewaardeerd wordt. Rufinus zegt, in antwoord aan hen, die verklaarden dat er obsceniteit was in het feit van de geboorte van Christus door de sexueele organen van een vrouw, dat God de sexueele organen geschapen heeft, en dat "het niet de natuur is, maar alleen de opinie der menschen, die ons leert dat deze deelen obsceen zijn. Verder zijn al de deelen van het lichaam gemaakt van dezelfde klei, welke verschillen er ook mogen zijn in hun gebruik en hun functies" [58]. Hij bekijkt de zaak zooals we zien, wel vroom, maar toch natuurlijk en eenvoudig, zooals Clemens, en niet zooals Augustinus door het verwringende medium van een theologisch systeem. Athanasius sprak in de Oostelijke Kerk in denzelfden geest als Rufinus in de Westelijke. Een zekere monnik, genaamd Amun, had veel verdriet ondervonden door het voorkomen van zaaduitstortingen in den slaap, en hij schreef aan Athanasius om te vragen of zulke uitstortingen zonde zijn. In den brief, dien hij tot antwoord schreef, tracht Athanasius Amun gerust te stellen. "Alle dingen", zegt hij tot hem, "zijn rein voor den reine. Want wat, vraag ik u, lieve en vrome vriend, kan er voor zondigs of van nature onreins zijn in een uitwerpsel? De mensch is het werk van Gods handen. Er is zeker niets in ons dat onrein is" [59]. Als wij deze uitingen lezen, gevoelen wij, dat de zaden van preutschheid en verhitheid reeds in den geest van het volk aanwezig zijn, maar toch zien wij ook dat sommige van de meest bekende denkers van de eerste Christelijke Kerk in opvallend contrast met de meer ziekelijke en kleingeestige middeleeuwsche asceten, duidelijk afgezonderd stonden van de populaire beweging. Over het geheel werden zij overstemd, omdat het Christendom, evenals het Boeddhisme, van het begin af aan een kiem in zich droeg, die zich leende tot ascetische onthouding, en het sexueele leven is altijd de eerste impuls, die opgeofferd moet worden aan den hartstocht voor onthouding. Maar er waren ook andere kiemen in het Christendom, en Luther, die op zijn eigen plebejische wijze opkwam voor de rechten van het lichaam, ofschoon hij brak met het middeleeuwsch ascetisme, stelde daardoor geenszins de tradities van de oudste Christelijke Kerk ter zijde.
Ik heb gemeend, dat het de moeite waard was dezen bewijsgrond aan te voeren, alhoewel ik zeer wel weet, dat de feiten der Natuur geen meerderen steun verkrijgen door het gezag van de Kerkvaders of zelfs van den Bijbel. De natuur en de menschheid hebben bestaan vóór den Bijbel en zouden voortgaan te bestaan al zou de Bijbel vergeten zijn. Maar de houding van het Christendom op dit punt is zoo dikwijls zonder voorbehoud veroordeeld geworden, dat het wel goed schijnt aan te toonen, dat in zijn beste oogenblikken, toen het een jonge en aangroeiende macht in de wereld was, de uitingen van het Christendom dikwijls gelijkluidend waren met die van de Natuur en van de rede. Er zijn vele menschen, mogen we er aan toevoegen, die het een troost vinden te weten, dat zij, als zij in deze zaak den natuurlijken en verstandelijken weg volgen, daardoor niet geheel en al breken met de godsdienstige tradities van hun ras.
Het is wel nauwelijks noodig op te merken, dat wij, als wij ons van het Christendom afwenden naar de andere groote wereldgodsdiensten, gewoonlijk zoo'n dubbelzinnige houding jegens de sekse niet ontmoeten. De Mohammedanen waren even nadrukkelijk in het beweren, dat de sekse heilig was, als zij waren in hun zorg voor de lichamelijke reinheid; zij waren bereid de sexueele functies in het leven hiernamaals mee te nemen, en zij hebben zich nooit, zooals Luther en zoo vele andere Christenen, vermoeid met peinzen over het gebrek aan bezigheid in den Hemel. In Indië, hoewel Indië het tehuis is van de uiterste vormen van godsdienstig ascetisme, is de sexueele liefde in een grootere mate, geheiligd en vergoddelijkt geworden dan in eenig ander deel van de wereld. "Het schijnt nooit in de hoofden van de Hindoe-wetgevers te zijn opgekomen", zeide Sir William Jones lang geleden (Works, vol. ii, p. 311), "dat iets natuurlijks hinderlijk obsceen zou kunnen zijn, een eigenaardigheid, die al hun geschriften doordringt, maar die geen bewijs is voor de verdorvenheid van hun zeden". De sexueele daad heeft in Indië dikwijls een godsdienstige beteekenis gehad, en de meest nauwkeurige bijzonderheden van het sexueele leven en de verscheidenheden ervan zijn in Indische erotische verhandelingen op ernstige wijze besproken, terwijl nergens anders de anatomische en physiologische sexueele eigenaardigheden van vrouwen met zulk een nauwkeurigen en devoten eerbied zijn bestudeerd. "Liefde heeft in Indië, zoowel in theorie als in de praktijk" merkt Richard Schmidt op (Beiträge zur Indischen Erotik, p. 2) "een belangrijkheid, zooals wij ons zelfs niet kunnen voorstellen".