De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 17

Chapter 173,669 wordsPublic domain

Naaktheid heeft echter een hygiënische waarde, zoowel als een specifiek geestelijke beteekenis, zich uitstrekkende ver over den invloed ervan om de natuurlijke nieuwsgierigheid te doen bedaren van jonge menschen of om te werken als een voorbehoedmiddel tegen ziekelijke emotie. Zij is een inspiratie voor volwassenen, die al lang iedere jeugdnieuwsgierigheid zijn ontgroeid. Het zien van den essentieelen en eeuwigen menschelijken vorm, het ding dat ons het naast is in de geheele wereld, met zijn kracht en zijn schoonheid en zijn bevalligheid, is een van de machtigste opwekkingsmiddelen van het leven. "De macht van een vrouwenlichaam is niet méer lichamelijk", zeide James Hinton, "dan de macht van muziek een macht is van trillingen van de atmosfeer. Het is meer dan al de mooie en opwekkende dingen in de wereld, dan bloemen of sterren of de zee. De geschiedenis en de legende en de mythe openbaren ons den heiligen en ontzagwekkenden invloed van de naaktheid, want, zooals Stanley Hall zegt, naaktheid is altijd een talisman geweest van wonderbare macht bij menschen en goden". Hoe hevig verlangen de menschen naar het gezicht van het naakte lichaam--zelfs nu nog, nu geslachten achtereen ons het begrip ingeprent hebben, dat het onfatsoenlijk en zelfs walgelijk is--ziet men uit de begeerigheid, waarmee zij den aanblik zoeken van zelfs haar onvolkomen en bedriegelijke vormen, ofschoon deze zeker een koppige en prikkelende eigenschap hebben, die nooit kan gevonden worden in de pathetische eenvoud van naakte schoonheid. Het was een ander schouwspel, toen de koninginnen van het oude Madagascar op het jaarlijksche Fandroon, of badfeest, haar koninklijke kleeren ter zijde legden en terwijl haar onderdanen het voorplein van het paleis vulden, de marmeren trappen naar het bad afdaalden in volkomen naaktheid. Als wij onze conventies wat kleeding betreft streng maken, dan maken wij meteen open hof voor de wellust en wij ontzeggen ons een van de voornaamste opwekkingsmiddelen van het leven.

"Ik had eens een wanhopig gevoel en wandelde somber langs een straat in Melbourne", schrijft de Australische schrijver van een nog onuitgegeven autobiographie, "toen er drie kinderen uit een steeg kwamen loopen en in het volle daglicht den weg overstaken. De schoonheid en het weefsel van hun beenen in de open lucht vervulden mij met vreugde, zoodat ik al mijn ellenden vergat bij het kijken naar hen. Het was een lichtende openbaring, een onverwachte glimp van het paradijs, en ik heb nooit opgehouden dankbaar te zijn voor de gelukkige combinatie van vorm, zuiver bloed en fijne huid van deze arme kinderen, want de wind scheen hun gouden schoonheid te verhoogen, en ik behield het rozeroode visioen van hun natuurlijke ledematen die zooveel goddelijker zijn dan wanneer ze altijd onder bedekking gehouden worden. Een andere gelegenheid, waarbij naakte jonge ledematen mij al mijn somberheid en mijn gedruktheid deden vergeten, was bij mijn eerste bezoek aan Adelaide. Ik kwam een naakten jongen tegen, die bij het bad tegen het hekwerk leunde en de schoonheid van zijn gezicht, zijn romp en zijn mooie jonge ledematen en prachtige voeten vervulde mij met vreugde en vernieuwde hoop. De tranen kwamen mij in de oogen, en ik zeide tot mij zelf: "Zoolang er schoonheid in de wereld is, zal ik voortgaan te strijden"."

Wij moeten, zooals Bölsche verklaart (loc. cit.), ons gewennen het menschelijk lichaam te beschouwen precies zooals wij een mooie bloem beschouwen, niet alleen met het medelijden, waarmee de dokter het lichaam beziet, maar met vreugde in zijn kracht en gezondheid en schoonheid. Want een bloem, zooals Bölsche er naar waarheid bijvoegt, is niet alleen "naakt lichaam", zij is het heiligste deel van het lichaam, het sexueele orgaan van de plant.

"Voor meisjes is de eenige, waarlijk reine vorm van dansen, naakt te dansen", zegt Hinton, "en te zijner tijd zal het dus zoover komen. Dit is zeker: meisjes zullen naakt dansen en mannen zullen rein genoeg zijn om er naar te kijken". Het is al zoo geweest in Griekenland, merkt hij elders op, zooals het nu in Japan is (zooals onlangs beschreven is door Stratz). Het is bijna veertig jaar geleden sedert deze prophetische woorden geschreven werden, maar Hinton zelf zou waarschijnlijk verwonderd zijn over de vorderingen, die al gemaakt zijn, langzaam (want alle ware vorderingen moeten langzaam zijn) naar dit doel. Zelfs op het tooneel beginnen nieuwe en natuurlijker tradities in Europa overheerschend te worden. Het is nog niet vele jaren geleden, dat een Engelsche actrice als laster beschouwde het zeggen dat zij op het tooneel verscheen met bloote voeten, en dat zij een aanklacht uitbracht wegens laster, waarmee ze groote schadevergoeding kreeg. Zulk een resultaat zou nu niet wel mogelijk wezen. De beweging, waarin Isidora Duncan een pionier geweest is, heeft geleid tot een gedeeltelijk in onbruik geraken onder danseressen van de hinderlijke vinding van tricots, en het wordt niet langer als onfatsoenlijk beschouwd vele deelen van het lichaam te vertoonen, die het vroeger gewoonte was te bedekken.

We moeten hier echter meteen aan toevoegen dat danseressen, voor zoover zij echte artiesten zijn, recht hebben de voorwaarden te bepalen die het gunstigst zijn voor haar kunst, maar dat er niets hoegenaamd gewonnen wordt voor de zaak van een gezonde naakt-cultuur door de "levende beelden" en "levende schilderijen" die in de laatste jaren in alle landen in de mode zijn geweest. Het kan zijn dat ze gewettigd zijn, als vertooningen in Cafés Chantants, maar zij hebben niets hoegenaamd uit te staan met natuur noch met kunst. Dr. Pudor, die schrijft als een van de eerste apostels van de naakt-cultuur, heeft energiek tegen deze vertooningen geprotesteerd (Sexual-Probleme, Dec. 1908, p. 828). Hij wijst er terecht op dat naaktheid, om gezond te zijn, behoefte heeft aan open lucht, aan weiden en zonlicht, en dat naaktheid bij avond, in een café-chantant bij kunstlicht, in tegenwoordigheid van toeschouwers, die zelf gekleed zijn, geen element van moraal in zich heeft. Hier en daar zijn rustig pogingen gedaan om een zekere mate van wederzijdsche naaktheid aan te kweeken, zooals tusschen de seksen op afgelegen landelijke uitstapjes. Het is van beteekenis een verslag van zulk een proef te vinden in Die Nacktheit van Ungewitter. In dit geval ging een gezelschap menschen, mannen en vrouwen, geregeld elken Zondag afgelegen plaatsen in het bosch opzoeken of weilanden, waar ze zich dan legerden, picnicten en spellen deden. "Zij maakten het zich zoo gemakkelijk als ze konden, de mannen deden hun jassen uit, hun vesten, schoenen en sokken; de vrouwen haar blouses, rokken, schoenen en kousen. Langzamerhand, naarmate de moreele opvatting van naaktheid zich ontwikkelde in hun geest, viel meer en meer kleeding weg, totdat de mannen niets meer droegen dan een zwembroek en de vrouwen alleen maar haar hemd. In deze kleeding werden gezamenlijk spelen gehouden en een echt kampleven werd geleid. De dames (waarvan sommige ongetrouwd waren) lagen dan in hangmatten en de mannen op het gras en het gesprek was heerlijk. Wij voelden ons als leden van een familie en gedroegen ons als zoodanig. Op een geheel natuurlijke en onbelemmerde wijze gaven wij ons geheel over aan de vrijmakende gevoelens, die opgewekt werden door dit licht- en luchtbad, en wij brachten deze heerlijke uren door met vroolijk zingen en dansen, op lichtzinnig kinderlijke wijze, bevrijd van den last van een valsche beschaving. Het was natuurlijk noodig plaatsen te zoeken, die zoo ver mogelijk verwijderd waren van de hoofdwegen, uit angst van gestoord te worden. Terzelfder tijd schoten wij geenszins tekort in natuurlijke zedigheid en égards voor elkander. Kinderen, die geheel naakt kunnen loopen, kunnen permissie krijgen deel te nemen aan zulke bijeenkomsten van volwassenen, en zullen zoodoende opgevoed worden, vrij van ziekelijke preutschheid". (R. Ungewitter, Die Nacktheit, p. 58).

Ongetwijfeld is het ideaal in deze zaak, de mogelijkheid volkomen naaktheid toe te staan. Dit kunnen we wel toegeven, en het is ongetwijfeld waar, dat onze strenge politie-verordeningen er veel toe bijdragen om kunstmatig een verbergen te bevorderen in deze zaak, dat niet gegrond is op eenig natuurlijk instinct. Dr. Shufeldt vertelt in zijn Studies of the Human Form, dat hij eens bij een tocht, ondernomen om te photografeeren, in de bosschen twee jongens tegenkwam, die naakt waren op een zwembroek na, en die bezig waren in een vijver waterlelies te plukken. Hij vond hen een goed onderwerp voor zijn photografietoestel, maar zij konden er niet toe gebracht worden om hun broek uit te trekken, in het geheel niet uit zedigheid of nagemaakte zedigheid, maar eenvoudig omdat ze bang waren, dat ze mogelijk zouden worden gepakt en gearresteerd. Wij moeten erkennen, dat op het tegenwoordig oogenblik het algemeene gevoelen nog niet voldoende opgevoed is om publieke veronachtzaming toe te staan van de conventie de sexueele centra te bedekken, en alle pogingen om de grenzen van de naaktheid te verwijden moeten voldoende eerbied toonen voor dezen eisch. Wat vrouwen aangaat, heeft Valentine Lehr van Freiburg in Bresgau een kleeding uitgevonden (uitgebeeld in Die Nacktheit van Ungewitter) die geschikt is voor publieke waterbaden of luchtbaden beide, omdat ze tegemoet komt aan den eisch van hen wier minimum-eisch is, dat de voornaamste sexueele centra van het lichaam in het publiek bedekt moeten zijn, terwijl er overigens nog al bezwaren tegen aan te voeren zijn. Ze bestaat uit twee deelen, gemaakt van poreuze stof, een deel dat de borst bedekt met een band over de schouders, en het andere, dat het onderlijf bedekt onder den navel en tusschen de beenen getrokken is. Dit minimale costuum, dat noch ideaal, noch æsthetisch is, bedekt voldoende de sexueele deelen van het lichaam, terwijl het de armen, het middel, de heupen en de beenen geheel vrij laat.

Dan blijft er ten slotte de moreele beschouwing van de naaktheid. Hoewel hierop door velen gedurende de laatste halve eeuw de nadruk is gelegd, is zij nog vreemd aan de meerderheid. Het menschelijk lichaam kan nooit een zaak zonder beteekenis zijn. De wijze opvoeder moge toezien, dat jongens en meisjes opgevoed worden in een natuurlijke en gezonde gemeenzaamheid met elkaar, maar een zekere angst en schoonheid moeten altijd verbonden zijn met de beschouwing van het lichaam, een gemengde aantrekking en afstooting. Omdat het deze kracht heeft, roept het natuurlijk de deugd te voorschijn van hen, die deelnemen aan het schouwspel en maakt ieder week toegeven aan gemoedsbeweging onmogelijk. Zelfs als wij toegeven, dat het zien van naaktheid den hartstocht oproept, dan is het nog een oproep, die de veredelende hoedanigheden van zelfbeheersching te voorschijn brengt. Het is maar een armoedig soort van deugd, die gelegen is in het vluchten in de woestijn voor dingen, waarvan we vreezen, dat ze verleiding in zich hebben. Wij moeten leeren, dat het zelfs nog erger is te trachten een woestijn om ons heen te scheppen in de beschaving. Wij zouden niets zonder hartstochten kunnen doen, zelfs al wilden we dat; de rede, zegt Holbach, is de kunst de juiste hartstochten te kiezen, en opvoeding de kunst die te zaaien en te kweeken in de harten der menschen. Het zien van de naaktheid heeft zijn moreele waarde daarin, dat het ons leert te genieten van wat we niet kunnen bezitten, een les, die een hoofdbestanddeel is van het trainen voor iedere soort van mooi maatschappelijk leven. Het kind moet leeren naar bloemen te kijken en ze niet te plukken; de man moet leeren naar de schoonheid van een vrouw te kijken en niet te begeeren ze te bezitten. De vreugdevolle overwinning over die "erotische kleptomanie", zooals Ellen Key terecht gezegd heeft, geeft blijk van het bloeien van een mooie beschaving. Wij denken dat de overwinning moeilijk, zelfs onmogelijk is. Maar dat is niet waar. Deze aandrift heeft, evenals andere menschelijke aandriften, neiging zich onder natuurlijke omstandigheden matig en gezond te ontwikkelen. Wij drukken ze dom en ruw naar beneden, en dan wordt ze gedreven in de twee onnatuurlijke uitersten van onderdrukking en uitspatting, waarvan het eene uiterste even verkeerd is als het andere.

Voor hen, die opgevoed zijn onder slechte condities, mag het inderdaad hopeloos schijnen te trachten op te klimmen tot de hoogte van de Grieken en de andere fijner aangelegde volken van de oudheid, in het erkennen van de moreele, zoowel als de paedagogische, hygiënische en aesthetische voordeelen [45] van het toelaten in het leven van het schouwspel van het naakte lichaam. Maar als we dat niet doen, dan binden we ons zelf hopeloos vast op den weg van de beschaving, wij berooven ons tegelijk van een bron van moreele kracht en van vreugdevolle inspiratie. Juist zooals Wesley eens vroeg waarom de duivel al de beste melodieën moest hebben, zoo beginnen de menschen zich af te vragen, waarom het menschelijk lichaam, de goddelijkste melodie in de beste oogenblikken die de schepping heeft opgeleverd, het deel zou mogen worden van hen, die pleizier hebben in het obscene. En sommigen zijn er voorts van overtuigd, dat zij door ze in te brengen aan den kant van reinheid en kracht een zeer machtig bolwerk oprichten tegen het indringen van een slechte opvatting van het leven en de daarop volgende verlaging van het geslacht. Dit zijn overwegingen, die we niet langer buiten beschouwing kunnen laten, hoe groot de tegenstand ook zij, die zij verwekken onder hen die niet nadenken.

"De menschen zijn bang, dat zulke dingen de hartstochten zullen opwekken", merkt Edward Carpenter op. "Er is geen twijfel aan, dat ze dien kant uit kunnen werken. Maar waarom, mogen we vragen, moeten de menschen zoo bang zijn hartstochten op te wekken, die toch ten slotte de groote drijfkrachten zijn van het menschelijk leven?" Het is waar, gaat dezelfde schrijver voort, dat onze conventioneele moreele formules niet langer voldoende sterk zijn om den hartstocht voldoende te beteugelen, en dat we bezig zijn stoom te maken in een ketel, die weggevreten is van de roest. "Het remedie is niet de hartstochten af te snijden, of zwakkelijk ze te vreezen, maar een nieuwe, gezonde machine te vinden van algemeene moraal en gezond verstand waarin zij kunnen werken". (Edward Carpenter Albany Review, Sept., 1907).

Zoo ver ik weet echter was het James Hinton, die voornamelijk trachtte de mogelijkheid uiteen te zetten van een positieve moraal op de basis van naaktheid, schoonheid en sexueelen invloed, beschouwd als dynamische krachten die, als ze onderdrukt worden, verderf brengen, en als ze wijs gebruikt worden, er toe dienen het leven te inspireeren en te veredelen. Hij werkte zijn gedachten over deze zaak uit in manuscripten, geschreven van omstreeks 1870 tot zijn dood twee jaar later, die, omdat ze nooit in orde gemaakt waren om uitgegeven te worden, in een onsamenhangenden staat gebleven en niet gepubliceerd zijn. Ik haal een paar korte karakteristieke passages aan: "Is niet", schrijft hij, "de weigering van een Hindoe om een vrouw te zien eten, vreemdsoortig gelijk aan de onze om er een naakt te zien? De werkelijke zinnelijkheid van de gedachte is klaarblijkelijk dezelfde.... Stel dat ananassen, omdat zij lekker zijn om te eten, niet mochten gezien worden, behalve op schilderijen en dat men het daarover zelfs nog niet eens was. Stel dat niemand een ananas zien mocht, tenzij hij rijk genoeg was om er een te koopen voor zijn eigen maal, daar het zien en het eten onverbreekbaar verbonden was. Wat een begeerigheid zou er dan naar zijn, wat een voortdurend verlangen, wat een diefstal!... Miss ---- vertelde ons van haar Syrische avonturen, hoe zij in den winkel ging van een houtsnijder en hoe hij niet naar haar wilde kijken; en hoe zij een instrument opnam en werkte, tot hij ten laatste naar naar keek en zij beiden in lachen uitbarstten. Zal het niet zoo zijn met ons kijken naar vrouwen over het algemeen? Er zal een werk komen--en ten laatste zullen wij opkijken en in lachen uitbarsten.... Als mannen zien wat waarlijk verkeerd is en als zij met verstand en met voorzorg handelen wat de sexueele verhoudingen betreft, zullen zij er dan niet op staan, dat vrouwelijk schoon genoten wordt door jonge menschen, en van de eerste jeugd af, opdat het eerste gevoel dat moge zijn van schoonheid? Zullen zij niet zeggen: "Wij moeten de valsche reinheid niet toelaten, wij moeten de echte hebben". Wij hebben valsche beproefd en zij is niet goed genoeg; de macht moet verkregen worden om rein schoonheid te genieten; het is noodlottig te trachten het met minder te doen. Ieder leeraar van de jeugd moet zeggen: "Deze schoonheid van de vrouw, Gods voornaamste werk van schoonheid, het is goed, dat gij ze ziet; het is een genoegen, dat het goede dient; alle schoonheid dient het goede en deze meer dan alle, want de taak ervan is u rein te maken. Kom er heen, zooals gij komt naar uw dagelijksch brood, of naar zuivere lucht, of naar het reinigingsbad: dit is rein voor u, als gij rein zijt, het zal u helpen in uw pogen om het te zijn. Maar als iemand van u onrein is, en er voedsel der onreinheid uit maakt, dan moest gij u schamen en bidden; het is niet voor u, dat ons leven ingericht kan worden; het is voor menschen en niet voor beesten". Dit moet komen als de menschen hun oogen openen, en koel handelen, en met verstand en voorzorg en niet alleen in paniek als er kwestie is van sexueelen hartstocht in zijn moreele verhoudingen."

HOOFDSTUK IV

HET WAARDEEREN VAN DE GESLACHTSLIEFDE

Het begrip geslachtsliefde.--De houding van het middeleeuwsch ascetisme.--St. Bernard en St. Udo van Cluny.--Het wijzen van de asceten op het bij elkaar liggen van de sexueele en de excretie-organen.--De liefde als een sacrament der natuur.--De voorstelling van de onreinheid van wat betrekking heeft op het geslacht in de primitieve godsdiensten in het algemeen.--Theorieën over den oorsprong van deze voorstelling.--Het anti-ascetische element in den bijbel en het oudste Christendom.--Clemens van Alexandrië.--De houding van den heiligen Augustinus.--De erkenning van de heiligheid van het lichaam door Tertullianus, Rufinus en Athanasius.--De hervorming.--Het sexueele instinct beschouwd als dierlijk.--Het menschelijk sexueele instinct gelijkt niet op dat van het dier.--Wellust en liefde.--De definitie van liefde.--Liefde en namen voor liefde zijn onbekend in sommige deelen van de wereld.--De romantische liefde heeft zich eerst laat ontwikkeld bij het blanke ras.--Het mysterie van het sexueel verlangen. De kwestie of liefde een begoocheling is.--De geestelijke zoowel als de physieke bouw van de wereld berust voor een deel op sexueele liefde.--Het getuigenis van mannen van intellect voor de alléén-heerschappij van de liefde.

Het zal blijken, dat de gehouden bespreking over de naaktheid een diepere beteekenis heeft dan men uit het voorafgaande zou afleiden. De hygiënische waarde, zoowel physiek als geestelijk, van gemeenzaamheid met de naaktheid gedurende de eerste jaren van het leven, hoe groot ze ook wezen mag, is niet de eenige waarde, die zulk een gemeenzaamheid bezit. Behalve haar æsthetische waarde ligt er ook een moreele waarde in, een bron van dynamische kracht. En nog een stap verder gaande, mogen we wel zeggen dat ze een geestelijke waarde heeft met betrekking tot onze geheele opvatting van de sexueele aandrift. Onze houding tegenover het naakte lichaam is de toetssteen van onze houding tegenover het geslachts-instinct. Als ons eigen lichaam en dat van onze medemenschen ons in ons binnenste schandelijk of walgelijk toeschijnt, dan zal niets ooit in werkelijkheid onze opvattingen over sexueele liefde veredelen of louteren. Liefde verlangt naar het vleesch, en als het vleesch schandelijk is, dan moet hij, die liefheeft, schandelijk zijn. "Se la cosa amata è vile", zooals Leonardo da Vinci vol diepe wijsheid opmerkte, "l'amante se fa vile". Hoe onlogisch ze ook geweest mag zijn, er was inderdaad eenige rechtvaardiging voor de oude Christelijke identificatie van het vleesch met het sexueele instinct. Zij staan of vallen te zamen; wij kunnen niet het eene verlagen en het andere verheerlijken. Zooals onze gevoelens zijn tegenover de naaktheid, zoo zullen onze gevoelens zijn tegenover de liefde.

"De mensch is niets dan vuil sperma, een zak vol mest, het voedsel voor wormen.... Gij hebt nooit een vuiler mesthoop gezien". Dat was het resultaat van de Meditationes Piissimae [46] van St. Bernardus in het klooster. Soms wilden die middeleeuwsche monniken inderdaad wel toegeven, dat de huid een zekere oppervlakkige schoonheid bezat, maar zij gaven dat alleen toe om met meer nadruk te wijzen op de leelijkheid van het lichaam, als het ontdaan was van dezen schijn van schoonheid, en spanden al hun perverse intellectueele scherpzinnigheid en hun woeste ironie in, om met begeerigen spot te wijzen op ieder onderdeel van wat hun de armzalige menschelijke figuur toescheen. De heilige Odo van Cluny, de beminnelijke heilige, een pionier in zijn appreciatie van de wilde schoonheid der Alpen, die hij dikwijls was doorgetrokken, was er bijzonder ver in, de schoonheid van het menschelijk lichaam naar beneden te halen. Hij zegt met nadruk, dat schoonheid alleen in de huid ligt; als wij onder de huid konden zien, dan zouden vrouwen niets dan walging opwekken. Haar bekoorlijkheden zijn slechts bloed, slijm en gal. Als wij weigeren vuil en slijm aan te raken, zelfs maar met de toppen van onze vingers, hoe kunnen we dan begeeren een zak met vuil te omarmen? [47] De middeleeuwsche monniken van de meer beschouwende soort vonden hier dikwijls een heerlijk veld van meditatie, en de Christelijke wereld in het algemeen was er tevreden mee hun opinies in meer of minder verdunde lezing aan te nemen, of protesteerde er tenminste nooit bepaald tegen.

Zelfs mannen van de wetenschap namen deze opvattingen aan en beginnen zich eerst nu los te maken van dat oude bijgeloof. R. de Graef vond het noodig in de Voorrede van zijn beroemde verhandeling over de voortbrengingsorganen van vrouwen, De Mulierum Organis Generatione Inservientibus, opgedragen aan Cosmo III de Medici in 1672, zich over het onderwerp van zijn werk te verontschuldigen. Zelfs een eeuw later veroordeelde Linnaeus in zijn groote werk, The System of Nature, als "afschuwelijk" de nauwkeurige studie der vrouwelijke genitaliën, hoewel hij het wetenschappelijk belang van zulke nasporingen toegaf. En als mannen van de wetenschap het moeilijk gevonden hebben tot een objectief standpunt te komen over vrouwen, dan kunnen we ons niet verwonderen, dat middeleeuwsche en nog oudere opvattingen dikwijls fijn doorweven zijn geweest met de ideeën van philosofische en half philosofische schrijvers [48].