De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 15
Het Christendom, dat het met zoo vele van Plato's ideeën eens was, wilde niets te doen hebben met zijn beschouwing van de naaktheid en zag de psychische juistheid ervan niet in. De reden was eenvoudig, en werkelijk onnoozel. De kerk was er hartstochtelijk op uit te vechten tegen wat zij "het vleesch" noemde, en zoo verviel zij in de dwaling, de subjectieve kwestie van sexueel verlangen te verwarren met het objectieve beschouwen van den naakten vorm. "Het vleesch" is slecht; dus moet "het vleesch" verborgen worden. En zij verborgen het, zonder te begrijpen, dat ze daarmee niet het verlangen naar de menschelijke gestalte onderdrukt hadden, maar dat ze dat integendeel aangewakkerd hadden door er de bekoring aan toe te voegen van een verboden mysterie.
Burton zegt, in zijn Anatomy of Melancholy (Deel III Sect. II, Mem II, Subs. IV), waar hij wijst op de raadgevingen van Plato: "Maar Eusebius en Theodoret geeselen hem er goed voor; en dat mogen ze ook wel doen: want, zooals de een zegt, het zien alleen van naakte deelen veroorzaakt enorme, hevige begeerten en prikkelt mannen en vrouwen beide tot brandenden lust". "Toch", voegt Burton er zelf verder in hetzelfde deel van zijn werk (Mem. V, Subs. III), zonder protest bij, "meenen sommigen, dat het zien van een naakte vrouw op zichzelf in staat is de genegenheid van een man te veranderen; en het verdient overweging, zegt de Franschman Montaigne, in zijn Essays, dat de kundigste meesters in liefdezaken als geneesmiddel voor liefdehartstochten aanraden een volledig beschouwen van het lichaam".
Er moest geen kwestie zijn over het feit, dat juist het versierde, gedeeltelijk verborgen lichaam en niet het volkomen naakte, werkt als een sexueele prikkel. Ik heb eenig bewijsmateriaal samengebracht over dit punt, in de studie over "The Evolution of Modesty". "In Madagascar, West-Afrika, en de Kaap", zegt F. G. F. Scott Elliot (A Naturalist in Mid-Africa, pag. 36), "heb ik altijd denzelfden regel gevonden. Kuischheid is omgekeerd evenredig aan de hoeveelheid kleeding". Men is nu inderdaad algemeen van opinie, dat een van de voornaamste bedoelingen van versiering en kleeding was: het sexueele verlangen aan te wakkeren, en schildersmodellen weten wel, dat als zij volkomen zonder kleeding zijn, zij het veiligst zijn voor ongewenschte toenadering van mannen. "Een van mijn geliefkoosde modellen vertelde mij", zegt Dr. Shufeldt (Medical Brief Oct. 1904), de beroemde schrijver van Studies of the Human Form, "dat zij gewoon was zich, zoo spoedig mogelijk, na het betreden van het atelier van den schilder te ontkleeden, want, daar mannen niet altijd verantwoordelijk zijn voor hun emoties, voelde zij, dat ze veel minder kans had ze op te wekken of te prikkelen, als ze geheel naakt was, dan wanneer ze maar half gekleed was". Dit feit is volkomen bekend aan schildersmodellen. Als het overwinnen van het geslachtsverlangen het eerste en laatste punt was waar het op aankwam in het leven, dan zou het verstandiger zijn om kleeding dan om naaktheid te verbieden.
Toen het Christendom de geheele Europeesche wereld beheerschte, kon dit strenge vermijden van zelfs het gezicht van "het vleesch", hoewel het in naam door allen aangenomen was als het wenschelijke ideaal, alleen geheel en volkomen doorgevoerd worden in het klooster. In de gewoonten van de wereld daarbuiten bleven, ofschoon de oorspronkelijke Christelijke idealen hun invloed behielden, verschillende heidensche en primitieve tradities, die aan de naaktheid gunstig waren, nog bestaan, en mochten zich, in zekere mate, uiten, evenzeer in het dagelijksch leven als bij bepaalde gelegenheden.
Hoe wijd verspreid de nu en dan voorkomende of algemeen gebruikelijke gewoonte van naaktheid in de wereld over het algemeen is, en hoe volkomen ze overeen te brengen is zelfs met de allergevoeligste zedigheid is uiteengezet in "The Evolution of Modesty", eveneens van mijne hand.
Zelfs tijdens het tijdperk van het Christendom is de impuls om naaktheid aan te nemen, dikwijls met het gevoel dat het een bijzonder geheiligde gewoonte was, blijven bestaan. De Adamieten van de tweede eeuw, die naakt lazen en baden en die naakt het sacrament vierden, volgens wat vermeld wordt door den heiligen Augustinus, schijnen weinig aanstoot gegeven te hebben, zoolang zij naaktheid alleen in praktijk brachten bij hun heilige ceremonies. De Duitsche Broeders van den Vrijen Geest, in de dertiende eeuw, verenigden zooveel kuischheid met algemeene naaktheid, dat orthodoxe Katholieken meenden, dat ze door den Duivel geholpen werden. De Fransche Picardiërs eischten, op een veel later tijd, openbare naaktheid, in het geloof, dat God, hun leider in de wereld gezonden had, om de wet der Natuur te herstellen; zij werden vervolgd en ze werden tenslotte uitgeroeid door de Hussieten.
In het dagelijksch leven werd echter tijdens de middeleeuwen een vrij groote mate van naaktheid toegestaan. Dit was vooral zoo in de openbare baden, die door mannen en vrouwen te zamen bezocht werden. Zoo maakt Alwin Schultz de opmerking (in zijn Höfische Leben zur Zeit der Minnesänger), dat de vrouwen van de aristocratische klassen, niet de mannen, dikwijls in deze baden naakt waren, behalve dat ze een hoed op hadden en een halssnoer om.
Er is somtijds gezegd, dat in de middeleeuwsche godsdienstige spelen Adam en Eva absoluut naakt waren. Chambers betwijfelt dit en meent dat zij vleeschkleurige tricots droegen, of dat ze evenals in een later spel van deze soort "gekleed waren in wit leder" (E. K. Chambers, The Mediæval Stage, deel I, p. 5). Het kan wel zoo zijn, maar het openlijk vertoonen zelfs van de sexueele organen was geoorloofd, en dat in aristocratische huizen, want John of Salisbury (in een passage, die aangehaald wordt door Buckle, Commonplace Book, 541) protesteert tegen deze gewoonte.
De vrouwen van de feministische zestiende eeuw in Frankrijk, zooals R. de Maulde la Clavière opmerkt (Revue de l'Art, Jan. 1898), hadden er geen bezwaar tegen haar aanbidders te beloonen, door hen tot haar toilet toe te laten, of zelfs tot haar bad. Op het einde der eeuw werden de dames nog minder preutsch, en vele welbekende dames lieten zich schilderen, naakt tot het middel, zooals we zien op het portret van "Gabrielle d'Estrées au Bain" in Chantilly. Vele van deze schilderijen echter zijn zeker geen werkelijke portretten.
Zelfs in het midden van de zeventiende eeuw was naaktheid in Engeland in het openbaar niet verboden, want Pepys vertelt ons, dat op den 29sten Juli 1667 een kwaker naar Westminster Hall kwam, roepende: "Hebt berouw! Hebt berouw!" geheel naakt, behalve dat hij "zeer netjes gedekt was om de geheime deelen, om schandaal te vermijden". (Dit was ongetwijfeld Solomon Eccles, die gewoon was in dit costuum rond te loopen, vóor en nà de Restoratie beide. Hij was een beroemd musicus geweest, en hoewel hij excentriek was, was hij blijkbaar niet krankzinnig).
In een hoofdstuk "De la Nudité" en in de appendices van zijn boek De l'Amour (deel I, p. 221) geeft Senancour voorbeelden van de nu en dan voorkomende gewoonte in Europa om zich naakt te vertoonen, en hij voegt er eenige belangwekkende opmerkingen van zichzelf bij; zoo ook Dulaure (Des Divinités génératives, hoofdst. XV). Als regel schijnt het dat, hoewel volkomen naaktheid in andere opzichten toegestaan was, het gewoonte was de geslachtsdeelen te bedekken.
Het verzet tegen de naaktheid heeft nooit geheel gezegevierd vóor de negentiende eeuw. Die eeuw vertegenwoordigde de triomf van al de krachten, die de naaktheid in het openbaar overal en geheel verboden. Als, zooals Pudor met nadruk zegt, naaktheid aristocratisch is en de slavernij van de kleeding een plebejische eigenaardigheid, aan de lagere klassen opgelegd door een hoogere klasse, die voor zichzelf het voorrecht behield van physieke beschaving, dan mogen we dit misschien in verband brengen met de uitbarsting van democratisch plebejerschap, die naar Nietzsche aantoonde, haar hoogtepunt bereikte in de negentiende eeuw. Het is in ieder geval zeker belangwekkend op te merken, dat de beweging te die tijde geheel van karakter veranderd was. Zij was algemeen geworden, maar terzelfder tijd waren de grondslagen ervan ondermijnd. Zij had in ruime mate haar godsdienstig en moreel karakter verloren en werd in plaats daarvan beschouwd als een zaak van conventie. De man van de negentiende eeuw, die het schouwspel zag van blanke ledematen, die in het zonlicht schitterden, voelde niet meer zooals de middeleeuwsche kluizenaar dat hij het heil van zijn onsterfelijke ziel in gevaar bracht of zelfs maar de achteruitgang van zijn moraal in de hand werkte; hij voelde alleen maar, dat het "onfatsoenlijk" was, of in het uiterste geval "walgelijk". Dat is te zeggen, hij beschouwde de zaak als eenvoudig een zaak van conventioneele etiquette, op zijn slechtst van smaak, van æsthetiek. Door zoo zijn tegenzin tegen naaktheid naar beneden te halen tot een zoo laag plan, had hij hem wel algemeen aannemelijk gemaakt, maar terzelfder tijd had hij hem beroofd van zijn hooge wijding. Zijn diepe afschuw van de naaktheid was buiten verhouding tot de lichtzinnige beweegredenen, waarop hij haar grondde.
Wij moeten echter niet de hardnekkigheid onderschatten, waarmee deze afschuw van de naaktheid werd vastgehouden. Niets geeft de diep ingewortelde haat, die de negentiende eeuw voor de naaktheid voelde, levendiger weer dan de woestheid--er is geen ander woord voor--waarmee Christelijke zendelingen naar wilden over de geheele wereld, zelfs in de tropen, er op aandrongen dat hun bekeerlingen de conventioneele kleeding van Noord-Europa zouden aannemen. Verhalen van reizigers loopen over van verwijzingen naar den nadruk, dien zendelingen legden op deze verandering in de gewoonte, die schadelijk was voor de gezondheid van het volk en tevens afbreuk deed aan hun waardigheid. Het is voldoende een getuige van gezag aan te halen, Lord Stanmore, vroeger Goeverneur van Fiji, die een lang stuk voorlas in de Anglikaansche Zendingsconferentie in 1894, over het onderwerp "Undue Introduction of Western Ways". "In het midden van het dorp", merkte hij op in een aanhaling van een typisch geval (en betrekking hebbende niet op Fiji maar op Tonga), "is de kerk, een houten gebouw, dat op een schuur gelijkt. Als het Zondag is, vinden wij den inboorling-voorzanger, gekleed in een groenzwarte pandjesjas, een das, die eens wit geweest is, en een bril, die hij waarschijnlijk niet noodig heeft, preeken voor een gemeente, waarvan het mannelijk gedeelte gekleed is op een wijze, die veel gelijkt op zijn kleeding, terwijl de vrouwen zijn opgetooid met oude hoeden en mutsen, en vormelooze japonnen als badcostumes, of misschien met ouderwetsche crinolines. Invloedrijke stamhoofden en vrouwen van hooge geboorte, die in de kleeding van hun stam er uit zouden zien en er ook werkelijk uitzien, als leden eener natuurlijke aristocratie, maken door hun Zondagsopschik den indruk van vogelverschrikkers. Als een bezoek gebracht wordt aan de huizen van de stad, nadat het huiswerk van de menschen gedaan is, vindt men de familie op stoelen zitten, lusteloos en ongezellig, in een kamer vol rommel. In de huizen van de hoogere geestelijkheid onder de inboorlingen ziet men nog grooter naäperij van de manieren van het Westen. Daar vindt men stoelen met afschuwelijke antimacassars, smakelooze ronde van wol gemaakte kleedjes voor niet aanwezige bloempotten, en een massa leelijke, goedkoope en ordinaire porseleinen schoorsteenmantelversieringen, die, omdat er geen haard is en daarom geen schoorsteenmantel, in het gelid uitgestald worden op een wankel houten tafeltje. Het geheele leven van deze dorpsmenschen is een doellooze comedie. Zij vragen zich voortdurend af of zij ook een van de straffen oploopen, die staan op het inbreuk maken op de lange lijst van verbodsbepalingen, en of ze wel zóo leven als het past bij de buitenlandsche kleeren, die zij dragen. Hun gezichten hebben voor het merendeel een uitdrukking van norsche ontevredenheid, zij bewegen zich stil en vreugdeloos, opstandelingen in hun hart tegen den dwang, die hen drukt, maar dien zij toch niet durven afwerpen, gedeeltelijk uit een vage angst voor mogelijke wereldsche gevolgen, en gedeeltelijk omdat zij meenen dat zij geen goede Christenen meer zijn, als zij dat doen. Zij hebben goede reden voor hun ontevredenheid. Op den tijd, toen ik de dorpen bezocht, waar ik bijzonder het oog op heb, was het strafbaar met geldboete en gevangenisstraf om kleederen van het land te dragen, strafbaar bij geldboete en gevangenisstraf om lang haar te dragen of een guirlande van bloemen; strafbaar met geldboete en gevangenisstraf om te worstelen of bal te spelen; strafbaar met geldboete en gevangenisstraf om huizen te bouwen op de wijze der inboorlingen; strafbaar om niet een hemd en broek te dragen, en op sommige plaatsen ook jas en schoenen; en als bijvoeging tot wetten, die een strikte puriteinsche inachtneming van den Zondag eischen, was het strafbaar met geldboete en gevangenisstraf op Zondag te baden. Op sommige andere plaatsen was het baden op Zondag strafbaar met geeselslagen en voor zoover ik weet zijn vrouwen gegeeseld om geen andere overtreding. In zulke omstandigheden zijn de menschen rijp voor opstand en soms komt het tot opstand".
Een in het oog springend resultaat van het terugbrengen van het gevoel voor naaktheid tot een dwaze, maar gebiedende conventie is de neiging tot preutschheid. Deze is, zooals we weten, een vorm van nagemaakte zedigheid, die, omdat ze een conventie is, vatbaar is voor onbegrensde uitbreiding. Zij beperkt zich in het geheel niet tot moderne tijden of tot Christelijk Europa. De oude Hebreërs waren niet geheel vrij van preutschheid, en we vinden in het Oude Testament, dat door een merkwaardig euphemisme de sexueele organen dikwijls vermeld werden als "de voeten". De Turken zijn in staat tot preutschheid. En ook de oude Grieken. "Dion, de philosoof, vertelt ons", merkt Clemens van Alexandrië op (Stromates, Bk. IV, hoofdst. XIV) "dat een vrouw, Lysidica, door overmaat van kuischheid, baadde in haar kleeren, en dat Philotera, als zij op het punt was in het bad te gaan, langzamerhand haar tunica naar boven trok, als het water haar naakte deelen bedekte; en dat ze haar dan, langzamerhand overeind komende, weer aantrok". Geaffecteerde preutsche vrouwen werden gevonden onder de eerste Christenen, en haar manieren zijn beschreven door den heiligen Jeronimus in een van zijn brieven aan Eustochius: "Deze vrouwen", zegt hij, "spreken tusschen haar tanden, of met bij elkaar getrokken lippen, en met een lispelende tong, en zij spreken haar woorden maar half uit, omdat zij alles wat natuurlijk is beschouwen als onbeschaafd. Zulke vrouwen", verklaart Jeronimus, en hier overwint de philoloog in hem den asceticus, "bederven zelfs de taal". Ieder keer wanneer een kunstmatige "zedigheid" aan natuurvolken opgedrongen wordt, is er kans dat er preutschheid optreedt. Haddon beschrijft dit voor de inboorlingen van Straat Torres, waar zelfs de kinderen nu nog lijden onder overdreven preutschheid, hoewel zij vroeger geheel naakt en zonder schaamte waren (Cambridge Anthropological Expedition to Torres Straits, vol. V, p. 271).
De negentiende eeuw, die den triomf gezien heeft van schuchterheid en preutschheid in deze zaak, heeft ook de eerste vruchtbare kiem voortgebracht van nieuwe opvattingen van naaktheid. Tot zekere hoogte waren die belichaamd in de groote romantische beweging. Rousseau had niet speciaal den nadruk gelegd op de naaktheid als een element van den terugkeer tot de natuur, dien hij met zooveel invloed predikte. Een nieuwe wijze van voelen in deze zaak ontstond echter met karakteristieke buitensporigheid in sommige van de tijdperken der revolutie, terwijl in Duitschland in het baanbrekende Lucinde van Friedrich Schlegel, een karakteristieke figuur in de romantische beweging, een nog ongewone opvatting van het lichaam werd uitgebeeld op ernstige en waardige wijze.
In Engeland verkondigde Blake, met zijn vreemd en vurig genie, een mystieke leer, die in zich sloot de geestelijke verheerlijking van het lichaam en verachting voor de kleederliefde van beschaafde menschen ("Wat een modernen mensch aangaat", schreef hij, "als hij van zijn kleerenlast ontdaan is, dan is hij als een lijk"); terwijl later in Amerika, Thoreau en Burroughs nòg meer bepaald, een niet ongelijke boodschap over het noodzakelijke van het terugkeeren tot de natuur verkondigden.
Wij vinden het belang van het zien van het lichaam--hoezeer ook binnen enge grenzen, tot het vermijden van bedrog bij de voorbereidselen tot het huwelijk--uiteengezet al in de zestiende eeuw door Sir Thomas More in zijn Utopia, dat zoo rijk is aan nieuwe en vruchtbare ideeën. In Utopia vertoont, volgens Sir Thomas More, een gezeten en eerbare matrone de vrouw, of zij een meisje is of een weduwe, naakt aan den minnaar. En evenzoo vertoont een wijs en betrouwbaar man den minnaar naakt aan de vrouw. Over deze gewoonte lachten wij en keurden haar af als dwaas. Maar zij, van hun kant, verwonderen zich zeer over de dwaasheid van alle andere volken, die, als ze een paard koopen, waar een beetje geld op het spel staat, zoo zorgvuldig en voorzichtig zijn dat, al is het bijna naakt, zij het niet koopen willen tenzij het zadel en het geheele harnas afgenomen is, uit angst dat onder deze bedekkingen een of ander galgezwel of wonde verborgen zal zijn. En toch, bij het kiezen van een vrouw, die voor hen hun geheel verdere leven tot een genoegen of tot een verdriet zal zijn, zijn zij zoo roekeloos, dat, terwijl de geheele rest van het lichaam der vrouw bedekt is met kleeren, zij haar schatten naar nauwelijks een handbreedte (want zij kunnen niet meer zien dan haar gezicht) en haar zoo aan zich verbinden, niet zonder gevaar te loopen van veel ellende, als misschien later iets aan haar lichaam hen mocht hinderen of onaangenaam aandoen. Onder deze bedekking kan vreeselijke mismaaktheid verborgen zijn, zóo, dat het den man geheel van zijn vrouw kan vervreemden, en zijn liefde van haar afwenden als hun lichamen niet meer zullen mogen scheiden. Als zulk een misvorming door eenig toeval voorkomt, nadat het huwelijk voltrokken is, nu, dan is er geen ander middel dan geduld. Maar het zou goed zijn als er een wet werd gemaakt, waardoor al zulke bedriegerijen van tevoren vermeden werden.
De duidelijke opvatting van wat men noemen mag de geestelijke waarde van de naaktheid--geenszins van More's standpunt, maar als een deel van natuurlijke hygiëne in den ruimsten zin, en als een hooge en bijzondere wijze van beschouwen van de zuiverende en veredelende functie der schoonheid--is van veel later datum. Zij is niet duidelijk uitgedrukt vóór den tijd der Romantiek. Wij vinden haar uitmuntend uiteengezet in De l'Amour van Senancour (eerste uitgave, 1806; vierde en vermeerderde uitgave, 1834), dat nog een van de beste boeken blijft over de moraal der liefde. Na de opmerking gemaakt te hebben, dat naaktheid in het geheel niet kuischheid uitsluit, gaat hij voort nu en dan bij bepaalde gelegenheden gedeeltelijke of geheele naaktheid aan te raden. "Laten we ons eens voorstellen", zegt hij, eenigszins in den geest van Plato, "een land, waar bij zekere algemeene feesten de vrouwen absoluut vrij waren om bijna of geheel naakt te zijn. Dat bij het zwemmen, walzen, wandelen, zij, die dat wilden, ongekleed mochten blijven in de tegenwoordigheid van mannen. Zonder twijfel zouden de illusies van de liefde weinig gekend worden, en de hartstocht zou een vermindering van zijn hevigheid ondervinden. Maar is het de hartstocht, die in het algemeen de menschelijke dingen veredelt? Wij hebben behoefte aan eerlijke gehechtheid en teere genoegens, en die kunnen we allemaal krijgen, terwijl we toch nog ons gezond verstand bewaren.... Zulk een naaktheid zou daarmee overeenkomende instellingen eischen, streng en eenvoudig, en een grooten eerbied voor die conventies, die voor alle tijden gelden". (Senancour, De l'Amour, vol. 1, p. 314).
Van dien tijd af worden verwijzingen naar de waarde en wenschelijkheid van de naaktheid meer en meer veelvuldig in alle beschaafde landen, soms vermengd met sarcastische toespelingen op de valsche conventies, die wij in deze zaak geërfd hebben. Zoo schrijft Thoreau in zijn dagboek op den 12den Juni 1852, als hij kijkt naar de jongens, die in de rivier baden: "De kleur van hun lichamen in de verte is aangenaam om te zien. Ik hoor het geluid van hun geplas over het water klinken. Tot nu toe bestaat de mensch in de Natuur niet. Wat een eigenaardig feit zou het zijn voor een engel, die deze aarde bezocht, om op te teekenen in zijn notitieboekje, dat den menschen bij de strengste straffen verboden was hun lichamen te vertoonen".
Iwan Bloch bespreekt, in hoofdstuk VII van zijn Sexual Life of Our Time, deze kwestie van de naaktheid uit het moderne gezichtspunt en komt tot de conclusie: "Een natuurlijke opvatting van de naaktheid: dat is het wachtwoord van de toekomst. Al de hygiënische, aesthetische en moreele pogingen van onzen tijd wijzen in die richting".
Stratz, zooals iemand betaamt die zoo ijverig gewerkt heeft in de zaak van menschelijke gezondheid en schoonheid, zet prachtig het standpunt uiteen, waarop we tegenwoordig, wat deze zaak betreft, staan. Nadat hij er op gewezen heeft (Die Frauenkleidung, derde uitgave, 1904, p. 30) dat, in tegenstelling met de heidensche wereld, die naakte goden vereerde, het Christendom de idee ontwikkelde, dat naaktheid enkel sexueel was, en daarom immoreel, gaat hij voort: "Maar boven alles uit, schitterde op de hemelsche hoogten van het Kruis, het naakte lichaam van den Heiland. Onder deze bescherming heeft zich langzamerhand uit de verwarring van ideeën een nieuwe veranderde vorm van naaktheid losgemaakt na een langen strijd. Ik zou dit willen noemen artistieke naaktheid, want, evenals ze onsterfelijk gemaakt is door de oude Grieken door de kunst, zoo is ze ook onder ons tot nieuw leven gewekt door de kunst. Artistieke naaktheid is, in haar aard, veel hooger dan hetzij de natuurlijke of de sexueele opvatting van de naaktheid. Het eenvoudige natuurkind ziet in naaktheid niets bijzonders, de met kleeren gekleede mensch ziet in het ongedekte lichaam slechts een sexueele prikkeling. Maar op het hoogste standpunt keert de mensch bewust tot de natuur terug, en erkent hij, dat onder de vele bedekkingen van menschelijk maaksel verborgen is het mooiste schepsel, dat God gemaakt heeft. Het kan zijn, dat de een blijft staan in stille, eerbiedige bewondering voor den aanblik; en dat een ander zich gedrongen voelt om het na te bootsen en om aan zijn medemenschen te toonen, wat hij in dat heilig oogenblik gezien heeft. Maar beide genieten het zien van menschelijke schoonheid met volle bewustheid en verheven reinheid van gedachte".