De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 10
Met de puberteit komt er een nieuwe, machtige reden bij, waarom jongens en meisjes bepaalde inlichtingen moeten hebben over sexueele zaken. Vóor dien leeftijd is het mogelijk dat de dwaze ouder denkt, dat een kind bewaard kan worden in onwetende onschuld [26]. Met de puberteit is dat geloof niet langer mogelijk. Het uitbotten van de puberteit met zijn ontwikkeling van de sexueele organen, het voor den dag komen van haar op ongewone plaatsen, de algemeene organische veranderingen die er mee in verband staan, het spontaan en misschien verontrustende voorkomen bij jongens van zaaduitstortingen en bij meisjes van de menstruatie, het ongewone en soms acuut ondervinden van sexueel verlangen, vergezeld door nieuwe gevoelens in de sexueele organen, dikwijls misschien leidende tot onanie; deze alle wekken, zooals wij wel moeten erkennen, een nieuwe onrust in den geest van den jongen en van het meisje, en een nieuwe nieuwsgierigheid, die te meer acuut is in vele gevallen, omdat ze zoo zorgvuldig verborgen wordt als te intiem en zelfs te schandelijk om er tegen iemand over te spreken. Bij jongens, vooral als ze van een gevoelig temperament zijn, kan het lijden, dat aldus veroorzaakt wordt, hevig zijn en van langen duur.
Een doctor in de philosophie, die uitmunt in zijn beroep, schreef aan Stanley Hall (Adolescence, deel I, pag. 452): "Mijn geheele jeugd, van mijn zesde tot mijn achttiende jaar, is ellendig gemaakt door gebrek aan kennis, welke iedereen, die iets wist van den aard der puberteit, mij had kunnen geven; jarenlang dat gevoel van iets dat niet in orde is, die vrees voor werking der genitaliën, schaamte en angst, heeft een onuitwischbaar merkteeken achtergelaten". Er zijn zeker vele mannen, die hetzelfde zouden kunnen zeggen. Lancaster ("Psychology and Pedagogy of Adolescence", Pedagogical Seminary, July, 1897, pp. 123-5) spreekt met nadruk over de nadeelen van onwetendheid in sexueele hygiëne en het vreeselijke feit dat millioenen jonge mannen altijd in handen zijn van kwakzalvers die hen bedriegen, totdat ze gelooven, dat zij gedoemd zijn tot een ontzettend lot; alleen omdat zij nu en dan emissies hebben in den slaap. "Dit is geen geringe zaak", zegt Lancaster. "Zij raakt het diepste van ons innerlijk leven. Zij heeft te doen met het voortbrengend deel van onze natuur en moet een diepen, erfelijken invloed hebben. Het is een natuurlijk gevolg van de dwaze, valsche zedigheid, die betreffende alle sexueele inlichtingen in acht genomen wordt. Iedere jongen moest de eenvoudige physiologische feiten leeren kennen, eer zijn leven voor goed geschaad is door deze oorzaak". Lancaster heeft 1000 brieven in handen gehad, meest geschreven door jonge menschen die gewoonlijk normaal waren, gericht aan kwakzalvers die hen bedrogen. Van tijd tot tijd hoort men van zelfmoorden van jonge menschen om deze reden, en van veel geheimzinnige zelfmoorden is dit ongetwijfeld de werkelijke oorzaak geweest. "Week aan week", schrijft het British Medical Journal in een hoofdartikel ("Dangerous Quack Literature: The Moral of a Recent Suicide", Oct. 1, 1892), "krijgen wij wanhopige brieven van slachtoffers van die vuile roofvogels, welke hen, die zij berooven, kwellen en dikwijls ruïneeren, het eerst te pakken hebben gekregen door advertenties, opgenomen door couranten van een respectabel, ja zelfs van een achtbaar en geacht karakter". Er wordt aan toegevoegd, dat de rijke bezitters van zulke couranten, die dikwijls een reputatie hebben van welwillendheid, zelfs als de zaak hun onder de oogen gebracht wordt, weigeren tusschenbeide te komen, omdat zij daardoor een bron van inkomsten zouden verliezen. Er is een censuur op advertenties voorgesteld, doch dit is een moeilijke zaak en zou geheel onnoodig zijn, als jonge menschen behoorlijk inlichtingen kregen van hun natuurlijke voogden.
Onanie en de vrees dat zij door een nu en dan voorkomende en misschien al overwonnen gewoonte van onanie zichzelven onherstelbaar kwaad gedaan hebben, is een gewone bron van angst voor jongens. Het is lang een punt van kwestie geweest of een jongen tegen de onanie moest worden gewaarschuwd. Op een meeting van de Afdeeling voor Psychologie van de British Medical Association waren vier sprekers, daaronder de President (Dr. Blandford), er bepaald voor, dat ouders hun kinderen zouden waarschuwen tegen onanie, terwijl drie sprekers bepaald er tegen waren, voornamelijk op dezen grond, dat het mogelijk was zelfs door het schoolleven heen te komen zonder van onanie te hooren, en ook dat het waarschuwen er tegen, de gewoonte van onanie zou aanmoedigen. Het wordt meer en meer duidelijk erkend, dat onwetendheid, zelfs als ze bewaard kan worden, een gevaarlijk bezit is, terwijl de inlichting, die, als het goed is, bestaat in den raad van een liefhebbende moeder aan het kind, van zijn eerste jaren af, om zijn geslachtsdeelen met zorg en respect te behandelen, alleen tot onanie kan leiden bij een kind dat er reeds onweerstaanbaar toe getrokken wordt. De meeste handleidingen over geestelijke voorlichting voor jongens raken de onanie aan, soms overdrijven zij de bezwaren; zulk een overdrijving moet vermeden worden, want zij leidt tot erger kwaad dan zij tracht te voorkomen. Het schijnt niet wenschelijk, dat eenigerlei waarschuwing over onanie deel zou uitmaken van het schoolonderwijs, tenzij onder zeer bijzondere omstandigheden. De inlichtingen over sexueele zaken, op de school medegedeeld, moeten, zoowel over sexueele als over andere onderwerpen, volkomen onpersoonlijk en objectief zijn.
Op dit punt komen we aan een van de moeilijkheden bij de sexueele inlichting: de onwetendheid of het gebrek aan wijsheid van de zoogenaamde onderwijzers. Deze moeilijkheid bestaat op het oogenblik zoowel in huis als op school, terwijl zij de waarde teniet doet van vele handleidingen, geschreven tot sexueele inlichting van jonge menschen. De moeder, die de voornaamste vertrouwde en gids van het kind moest zijn in zaken van sexueele opvoeding en die dat van nature ook zou kunnen zijn als zij aan haar eigen gezonde instincten werd overgelaten, is gewoonlijk opgevoed onder valsche tradities, die een hooge mate van intelligentie en karakter vorderen om er aan te ontkomen; de schoolonderwijzer zelfs, als hij alleen maar geroepen wordt om inlichtingen te geven in natuurlijke historie, wordt gehinderd door dezelfde tradities, en door valsche schaamte ten opzichte van het geheele sexueele vraagstuk; de schrijver van handleidingen over geslachtszaken heeft zich dikwijls alleen maar bevrijd van deze banden om dogmatische, onwetenschappelijke en soms verkeerde opinies te verkondigen, die zich ontwikkeld hebben in volkomen onwetendheid omtrent de werkelijke feiten. Zooals Moll zegt (Das Sexualleben des Kindes, pag. 276) zoo noodig als sexueele opheldering is, voelen wij ons toch eenigszins sceptisch tegenover de resultaten ervan, zoolang als zij, die de inlichtingen geven, zelf dikwijls behoefte aan inlichting hebben. Hij wijst ook op het feit, dat zelfs onder bevoegde autoriteiten er verschil van opinie is over belangrijke feiten, zooals bv. of onanie physiologisch is bij de eerste ontwikkeling van den sexueelen impuls en in hoeverre sexueele abstinentie goed is. Maar het is duidelijk, dat de moeilijkheden, die voortvloeien uit valsche traditie en onwetendheid verminderen zullen, zoodra gezonde tradities en betere kennis in ruimer kring verspreid raken.
Het meisje is in de puberteit zich gewoonlijk minder scherp en bepaald bewust van haar sexueele natuur dan de jongen. Maar de gevaren, die zij loopt door onwetendheid op sexueel gebied, zijn, hoewel ze voor het grootste deel anders zijn, teerder en moeilijker te herstellen. Zij is dikwijls heel nieuwsgierig naar deze dingen; de gedachten van aankomende meisjes en dikwijls haar gesprekken als ze bij elkaar zijn, draaien veel om sexueele en daarmee verbonden geheimen. Zelfs in de zaak van bewusten sexueelen impuls is het meisje dikwijls niet zoo heel verschillend van haar broeder en heeft ook niet zooveel minder kans aan de besmetting van verkeerde mededeelingen te ontsnappen, zoodat de gewetensbezwaren van dwaze en onwetende personen, die vreezen "haar reinheid te bezoedelen" door gepaste inlichtingen, geheel misplaatst zijn.
Gesprekken, die loopen over de belangrijke geheimen van de menschelijke natuur zijn, naar aan Obici en Marchesini verhaald werd door dames, die vroeger leerlingen waren geweest van Italiaansche normaalscholen, aan de orde van den dag op scholen en universiteiten en draaien vooral om de voortplanting, het moeilijkste geheim van alle. In Engeland, zelfs op de beste en meest moderne universiteiten, waar aan spelen en lichaamsoefening veel wordt gedaan, zijn, zegt men mij, "de meerderheid van de meisjes geheel en al onwetend in sexueele zaken en zij begrijpen er niets van. Maar zij verwonderen zich er over en spreken er voortdurend over". "Het leven binnen enge perken en de aan banden gelegde geest van meisjes", schreef eenige jaren geleden een bekend dokter (J. Milner Fothergill, Adolescence, 1880, p.p. 20, 22) "geven haar minder gelegenheid haar gedachten werkzaam bezig te houden dan het geval is met jongens. Haar wordt ijverig geheimhouding geleerd, en een meisje kan een volmaakt model zijn van uiterlijk fatsoen en toch een heel vuilen geest hebben. De preutschheid, waarmee zij is opgevoed, laat haar niets anders over dan haar hartstochten te bezien van den leelijken kant van de menschelijke natuur. Iedere gezonde gedachte over het onderwerp wordt met kracht teruggedrongen. Alles wordt gedaan om haar geest te verduisteren en haar verbeelding te verontreinigen door haar over te laten aan haar eigen gedachten en aan een literatuur, waarvan zij zich schaamt te zeggen, dat zij ze kent. Het is tegen de beste belangen van een meisje, als men haar verhindert goede en juiste denkbeelden te hebben over zichzelf en haar natuur. Menig mooi jong meisje wordt reeds onherroepelijk in het verderf gestort op den drempel van het leven, zijzelf en haar familie wordt onteerd, evenzeer door onwetendheid als door misdaad. Als het oogenblik der verleiding komt, valt zij zonder eenigen merkbaren tegenstand; zij heeft geen geoefend, geschoold weerstandsvermogen in zichzelf; haar geheele toekomst hangt niet af van haarzelf, maar van de mate van volmaaktheid van de maatschappelijke bescherming, waardoor zij is ingesloten en omringd". Onder de vrije maatschappelijke orde van Amerika vindt men tegenwoordig voor een groot deel dezelfde resultaten. In een leerzaam artikel ("Why Girls Go Wrong", Ladies' Home Journal, Jan., 1907) levert B. B. Lindsey, die als rechter van het "Juvenile Court" te Denver met authoriteit kan spreken, ruim bewijsmateriaal op dit punt. Jongens en meisjes beide, heeft hij bevonden, bezaten dikwijls schriften, waarin zij de ruwste sexueele dingen neergeschreven hadden. Deze kinderen waren meestal lief om te zien, prettig om mee om te gaan, verfijnd en intelligent, en hadden achtbare ouders; maar niemand had ooit met hen over sexueele zaken gesproken, behalve de slechtste van hun schoolmakkertjes of de een of andere ruwe volwassene. Bij zorgvuldige navraag bevond Lindsey, dat slechts in één van de twintig gevallen de ouders eens met de kinderen hadden gesproken over sexueele zaken. In bijna alle gevallen erkenden de kinderen, dat het niet van hun ouders was, maar op straat of van oudere makkers, dat zij de sexueele feiten hoorden. De ouders meenden gewoonlijk, dat hun kinderen absoluut onwetend waren in deze dingen en waren verwonderd als zij hun vergissing bemerkten; "ouders kennen hun kinderen niet, en zij hebben niet het flauwste denkbeeld van wat hun kinderen weten of waar hun kinderen over spreken en wat ze doen als ze niet bij hen zijn". De ouders, die aan dit verzuim, hun kinderen niet in te lichten, schuldig zijn, zijn, zooals Lindsey verklaart, verraders van hun kinderen. Uit zijn eigen ondervinding oordeelt hij, dat negen tienden van de meisjes die "den verkeerden weg opgaan" hetzij zij achteruitgaan in de wereld of niet, daartoe komen door onoplettendheid van hun ouders, en dat in het geval van de meeste prostituées het kwaad in werkelijkheid gedaan wordt vóór den twaalfjarigen leeftijd; "ieder verloren meisje, waar ik mee gepraat heb, heeft mij van deze waarheid verzekerd". Hij houdt het er voor, dat negen tienden van de schooljongens en schoolmeisjes, in de stad zoowel als op het land, zeer nieuwsgierig zijn naar sexueele zaken en, tot zijn eigen verwondering, heeft hij bevonden, dat dit bij de meisjes even diepgaand is als bij de jongens.
Het is de taak van de moeder van het meisje evenzeer als van de moeder van den jongen, om over haar kind te waken van de vroegste jaren af en haar vertrouwen te winnen in al de intieme en persoonlijke zaken van sekse. In deze opzichten kan de school niet best tusschen beide komen. Maar in zaken van physische sexueele hygiëne, vooral van menstruatie, te welken opzicht alle meisjes gelijk staan, is het zeker de taak van den opvoeder, actief waakzaam te zijn en bovendien de geheele opvoeding in verband daarmee te leiden, en te zorgen dat de leerling rust krijgt steeds wanneer dat wenschelijk blijkt. Dit maakt deel uit van de allereerste grondslagen van de opvoeding van meisjes. Het niet letten hierop moest een onderwijzeres ongeschikt doen verklaren, verder deel te hebben aan opvoedkundig werk. Toch wordt het voortdurend en hardnekkig verwaarloosd. Een groot aantal meisjes zijn zelfs niet voorbereid door haar moeders en onderwijzeressen voor het eerste optreden van de menstruatie, soms met ongelukkige gevolgen voor haar lichamelijke en geestelijke gezondheid beide [27].
"Ik ken niet één groote meisjesschool", schreef een beroemd gynæcoloog, Sir W. S. Playfair ("Education and Training of Girls at Puberty", British Medical Journal, Dec. 7, 1895), "waar aan het absolute verschil dat er bestaat tusschen jongens en meisjes, aangaande de alles beheerschende menstrueele functie, systematisch gedacht en op gelet wordt. Inderdaad staan alle schooljuffrouwen beslist vijandig tegenover een dusdanig inzicht. De bewering is, dat er geen werkelijk verschil bestaat tusschen een jongen man en een jong meisje, dat wat goed is voor de een, ook goed is voor de ander, en dat het verschil dat er nu is, voortkomt uit de verkeerde gewoonten van het verleden, die aan vrouwen onthouden hebben de ambities en voordeelen, die voor mannen open stonden, en dat dit verdwijnen zal als een gelukkiger tijdperk begonnen is. Als dat zoo is, hoe komt het dan dat, terwijl iedere praktiseerende dokter van ondervinding veel gevallen heeft gezien van anæmia en chlorosis bij meisjes, vergezeld door amenorrhoea of menorrhagia, hoofdpijnen, hartkloppingen, vermagering en al de gewone verschijnselen van een instorting, dat een dergelijke toestand bij een schooljongen zóo zeldzaam is, dat we wel mogen betwijfelen of zij wel ooit gezien is?"
Echter zijn alleen de excuses voor deze bijna misdadige nalatigheid, zooals wij haar moeten betitelen, nieuw; de nalatigheid zelf is oud. Een halve eeuw geleden, vóór het nieuwe tijdperk in de opvoeding van vrouwen, zeide een ander beroemd gynæcoloog, Tilt, (Elements of Health and Principles of Female Hygiene, 1852, pag. 18) dat hij bij een statistisch onderzoek aangaande het begin van de menstruatie bij bijna duizend vrouwen bevond, dat "25 percent geheel onvoorbereid waren op het optreden ervan; dat dertien van de vijf en twintig zeer geschrikt waren, schreeuwden, of zenuwtoevallen kregen; en dat zes van de dertien dachten dat ze gewond waren en zich met koud water waschten. Van haar die geschrokken waren... was de algemeene gezondheid ernstig benadeeld".
Engelmann deelt, nadat hij gezegd heeft dat zijn ondervinding in Amerika gelijk was aan die van Tilt in Engeland, mede ("The Health of the American Girl", Transactions of the Southern Surgical and Gynæcological Society, 1890): "Aan onnoemelijk veel vrouwen heeft schrik, opwinding door zenuwen en emoties, blootstellen aan koude, kwaad gedaan in de puberteit. Wat is er natuurlijker dan dat het angstige meisje, verrast door het plotseling en onverwacht verlies van de kostbare levensvloeistof, tracht het bloeden van de wond--wat zij meent dat het is--te stelpen? Voor dit doel is het gebruik van koude afwasschingen en aanwenden van koud water gewoon, sommigen trachten zelfs het vloeien te doen ophouden door een koud bad, zooals gedaan werd door eene nu zorgvuldige moeder, die lang op den rand van den dood lag als resultaat van zulk een onbezonnenheid, en die maar langzaam, door jaren van zorg, haar gezondheid terugkreeg. De verschrikkelijke waarschuwing is niet verloren geweest, en gedachtig aan haar eigen ondervinding heeft zij haar kinderen een les geleerd, die maar weinigen zoo gelukkig zijn te leeren--de persoonlijke zorg gedurende de perioden van werkzaamheid der organen, die noodig is voor het behoud van de gezondheid der vrouw."
In een studie over honderd vijf en twintig meisjes van een Amerikaansche hoogeschool, vestigt Dr. Helen Kennedy de aandacht op de "kuischheid", die het onmogelijk maakt zelfs voor moeders en dochters om met elkaar te spreken over het doel der menstruatie. "Zes en dertig meisjes op deze hoogeschool werden vrouw zonder eenige kennis, uit zuivere bron, van alles wat haar tot vrouw maakt. Negen en dertig waren waarschijnlijk niet veel wijzer, want zij zeiden, dat zij wel eenige inlichting ontvingen, maar dat zij niet vrij uit over de zaak gesproken hadden. Uit het feit dat het nieuwsgierige meisje niet vrij uit sprak over wat haar natuurlijk interesseerde, blijkt, dat zij waarschijnlijk afgescheept werd met een paar woorden over persoonlijke zorg en met een vermaning over haar nieuwsgierigheid. Minder dan de helft van de meisjes voelde zich vrij om met haar moeders te praten over deze hoogst belangrijke zaak!" (Helen Kennedy, "Effects of High School Work upon Girls During Adolescence", Pedagogical Seminary, June, 1896).
Dezelfde staat van zaken is waarschijnlijk ook in andere landen overheerschend. Zoo beschreef, wat Frankrijk aangaat, Edmond de Goncourt in Chérie (pp. 137-139) de schrik van de jonge heldin bij het verschijnen van de eerste menstruatieperiode, waarop zij nooit voorbereid was geworden. Hij voegt er aan toe: "Het is maar heel zelden, dat vrouwen over deze mogelijkheid spreken. Moeders zijn bang haar dochters te waarschuwen, oudere zusters doen niet graag confidenties aan haar jongere zusters, gouvernantes zwijgen gewoonlijk tegenover meisjes, die geen moeders of zusters hebben".
Soms geeft dit aanleiding tot zelfmoord of tot pogingen tot zelfmoord. Zoo werd een paar jaar geleden een geval gemeld in de Fransche bladen van een jong meisje van vijftien jaar, dat zich te Saint-Ouen in de Seine geworpen had. Zij werd gered, en toen ze voor den commissaris van politie gebracht was, zeide ze, dat ze aangetast was door een "onbekende ziekte", die haar tot wanhoop gedreven had. Tactvol navragen bracht aan het licht, dat de geheimzinnige ziekte er een was, die alle vrouwen gemeen hebben, en het meisje werd teruggegeven aan haar niet voldoende gestrafte ouders.