Part 9
Het tegenwoordige gevangenisstelsel lijkt bijna als doel te hebben het te gronde richten en vernietigen der verstandelijke vermogens. Of indien het veroorzaken van krankzinnigheid hier niet het doel is, het is zeker het gevolg. Dat is een welbewezen feit. De oorzaken liggen voor de hand. Verstoken van boeken, van alle menschelijke omgeving, afgezonderd van elken menschelijken en vermenschelijkenden invloed, veroordeeld tot eeuwigdurend stilzwijgen, beroofd van alle verkeer met de buitenwereld, behandeld als een verstandeloos dier, verredeloosd onder het peil van welk redeloos schepsel ook, kan de ongelukkige die opgesloten zit in een Engelsche gevangenis, nauwelijks aan krankzinnigheid ontkomen. Het is mijn wensch niet lang bij deze afgrijselijkheden stil te staan, nog veel minder eenige voorbijgaande sentimenteele belangstelling er voor te wekken. Dus zal ik enkel, met Uw goedvinden, aangeven wat men behoorde te doen.
Elke gevangene behoort een voldoende hoeveelheid boeken tot zijn beschikking te hebben. Op het oogenblik krijgt men in de eerste drie weken van zijn gevangenschap volstrekt geen boeken behalve een bijbel, een gebeden- en een gezangboek. Daarna krijgt men éen boek per week. Dat is niet alleen onvoldoende, maar de boeken die een gewone gevangenisbibliotheek vormen, zijn volmaakt nutteloos. Zij bestaan hoofdzakelijk uit derderangsche, slecht geschreven, zoo-genaamd godsdienstige boeken, klaarblijkelijk geschreven voor kinderen en volkomen ongeschikt voor kinderen of voor iemand anders. De gevangenen behoorden aangemoedigd te worden tot lezen, en alle boeken te krijgen die zij noodig hebben, en de boeken behoorden goed gekozen te zijn. Thans geschiedt de keuze der boeken door den aan de gevangenis verbonden geestelijke.
Onder het huidige stelsel staat men een gevangene toe zijn vrienden slechts vier keer in 't jaar te zien, telkens gedurende twintig minuten. Dit is geheel verkeerd. Een gevangene behoort zijn vrienden eens per maand te zien en gedurenden een redelijken tijd. In de thans gebruikelijke wijze van een gevangene voor zijn vrienden ten toon te stellen behoort verandering gebracht te worden. Onder het tegenwoordige stelsel wordt de gevangene opgesloten hetzij in een groote ijzeren kooi of in een groote houten kast met een kleine opening, bedekt met ijzergaas, waardoor men hem toestaat te gluren. Zijn vrienden worden in een gelijke kooi gezet op een afstand van drie of vier voet, en twee bewaarders staan in de tusschenruimte om toe te luisteren en, als het hun goeddunkt, het gesprek te doen ophouden of afbreken, naar het uitkomt. De nu gebruikelijke regeling is onuitsprekelijk weêrzinwekkend en kwellend. Een bezoek van zijn verwanten of vrienden beduidt voor elken gevangene dieper vernedering, feller geestelijke ellende. Vele gevangenen willen hun vrienden volstrekt niet ontvangen, liever dan zulk een kruisgang te doorstaan. En dit verwondert mij niet. Wanneer iemand bezoek krijgt van zijn advocaat, spreekt men hem in een kamer met een glazen deur, aan de andere zijde waarvan de bewaarder staat. Wanneer iemand bezoek krijgt van zijn vrouw en kinderen, of zijn ouders of zijn vrienden, behoort hem hetzelfde voorrecht te worden toegestaan. Om als een aap in een kooi tentoongesteld te worden voor menschen die van ons houden en van wie wij houden, is een noodelooze en afgrijselijke vernedering. Iedere gevangene behoorde tenminste eens in de maand te mogen schrijven en een brief ontvangen. Op 't oogenblik mag men maar vier maal in 't jaar schrijven. Dit is geheel onvoldoende. Éen van de rampen van het leven in de gevangenis is dat het iemands hart versteent. De gevoelens der natuurlijke genegenheid hebben evenals andere gevoelens behoefte aan voeding. Zij sterven licht aan gebrek. Een korte brief vier keer in 't jaar is niet voldoende om de meer zachtzinnige en menschelijke genegenheden in 't leven te bewaren, die ten slotte onze natuur gevoelig houden voor goede en schoone invloeden, het eenige dat een verbrijzeld en gebroken leven kan heelen.
Aan de gewoonte om de brieven der gevangenen te verminken en te besnoeien behoort een eind te worden gemaakt. Wanneer tegenwoordig een gevangene in een brief eenige klacht uit tegen het gevangenisstelsel, wordt dat gedeelte van zijn brief met een schaar uitgeknipt. Als hij, aan den anderen kant, eenige klacht uit bij het spreken met zijn vrienden door de traliën der kooi of de opening in de houten kast, wordt hij op ruwe wijze tot de orde geroepen door de bewaarders en krijgt rapport en straf die wekelijks terugkeert totdat hij weêr een volgenden keer bezoek mag ontvangen, in welken tusschentijd men verwacht dat hij niet verstandig, maar listig zal zijn geworden; en listigheid leert iemand altijd. Het is een van de weinige dingen die men in de gevangenis leert. Gelukkig zijn in een enkel geval die andere weinige dingen van hooger waarde.
Mag ik nog een oogenblik van Uw geduld gebruik maken voor het volgende? In Uw hoofdartikel deedt Gij het denkbeeld aan de hand dat geen aan de gevangenis verbonden geestelijke tegelijk eenige bemoeiïng of bezigheid zoû mogen hebben buiten de gevangenis zelf. Maar dit is een zaak van geen gewicht. Die geestelijken hebben volstrekt geen nut. Zij zijn in hun soort welmeenende, maar dwaze, ja onnoozele menschen. Geen enkele gevangene ondervindt van hen eenige hulp. Eens in de zes weken of zoo gaat de sleutel in het slot van iemands celdeur over, en de geestelijke komt binnen. De gevangene gaat natuurlijk in de houding staan. De geestelijke vraagt hem of hij in zijn bijbel gelezen heeft. Hij antwoordt "ja" of "neen", naar het geval is. De geestelijke haalt een paar bijbelteksten aan en gaat weg en sluit de deur. Van tijd tot tijd laat hij een traktaatje achter.
De beambten die geen betrekking buiten de gevangenis behoorden te mogen aanhouden, en geen burgerpraktijk te hebben, zijn de gevangenisdokters. Thans hebben de gevangenisdokters, zoo al niet altijd, toch geregeld een uitgebreide burgerpraktijk en zijn tegelijk aangesteld in andere inrichtingen. Het gevolg is dat de gezondheidstoestand der gevangenen geheel verwaarloosd wordt, en de sanitaire staat der gevangenis volkomen onverzorgd gelaten. In zijn soort beschouw ik--en ik heb dat altijd gedaan van kindsbeen af--het beroep van dokter als het meest menschelijke beroep in de gemeenschap. Maar gevangenisdoktoren moet ik uitzonderen. Voorzoover ik hen ontmoet heb en naar wat ik in het hospitaal en elders van hen zag, zijn zij ruw in hun optreden, van grove ongevoeligheid en volslagen onverschillig voor de gezondheid der gevangenen en hun goede verpleging. Indien den gevangenisdokters burgerpraktijk verboden was, zouden zij genoodzaakt worden eenige belangstelling te hebben in den gezondheidstoestand en de sanitaire omstandigheden van de menschen die onder hun behandeling zijn.
Ik heb in dit schrijven getracht enkele der hervormingen aan te wijzen, die in ons Engelsch gevangenisstelsel noodzakelijk zijn. Zij zijn eenvoudig, praktisch en menschelijk. Natuurlijk zijn zij maar een begin. Maar het wordt tijd dat er een begin gemaakt wordt, en hiertoe kan alleen de stoot gegeven worden door den sterken druk der openbare meening, verwoord in en aangekweekt door Uw machtig blad.
Maar om te maken dat zelfs deze hervormingen iets uitwerken, moet eerst heel wat gedaan worden. En de eerste en misschien moeilijkste taak is van de directeurs beter menschen, van de bewaarders beschaafde lieden en van de geestelijken beter Christenen te maken.
Uw dienstwillige dienaar,
de schrijver van "The Ballad of Reading Gaol".
23 Maart 1898.