# De profundis

## Part 8

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-profundis-13585/index.md

Een tweede ding waarvan een kind in de gevangenis te lijden heeft, is honger. Het voedsel dat het krijgt, bestaat uit een stuk gemeenlijk slecht gebakken gevangenisbrood en een kroes water als ontbijt om half acht. Om twaalf uur krijgt het middageten in den vorm van een portie grove maïsbrij; en om half zes krijgt het een stuk droog brood met een kroes water voor avondeten. Deze dagkost is bij een krachtig man altijd aanleiding tot een of andere ongesteldheid, voornamelijk, als in de rede ligt, buikloop met zijn verzwakkende gevolgen. In een groote gevangenis worden dan ook door de bewaarders geregeld stopmiddelen uitgereikt als iets dat van zelf spreekt. Maar een kind is in den regel onbekwaam om het voedsel ook maar te eten. Elk die iets van kinderen afweet, weet hoe licht de spijsvertering van een kind gestoord wordt door een huilbui, door alle soort verdriet en geestelijk lijden. Een kind dat den geheelen dag en misschien den halven nacht in een eenzame schemerlichte cel heeft gehuild en vervolgd wordt door angst, kan zulk grof afschuwelijk voedsel eenvoudig niet eten. Zoo huilde het kleine kind waaraan de bewaarder Martin de koekjes gaf, op Dinsdagmorgen van honger, en was volkomen onmachtig het brood en water dat het voor ontbijt gekregen had, te nuttigen. Nadat het ontbijt was uitgereikt, ging Martin uit en kocht de enkele koekjes voor het kind liever dan het te zien honger lijden. Het was een edele daad van hem, en werd als zoodanig erkend door het kind, dat, volkomen onbekend met de voorschriften van het gevangenisbestuur, een der oudere bewaarders vertelde hoe lief deze jongere bewaarder voor hem geweest was. Het gevolg was natuurlijk een rapport en ontslag.

Ik ken Martin buitengewoon goed en stond onder zijn toezicht gedurende de laatste zeven weken van mijn gevangenschap. Bij zijn aanstelling te Reading kreeg hij het toezicht over de zijgang C waarin ik opgesloten zat, en dus zag ik hem voortdurend. Ik werd getroffen door de uitzonderlijke vriendelijkheid en goedhartigheid in zijn wijze van spreken tot mij en de overige gevangenen. Vriendelijke woorden beduiden veel in de gevangenis, en met een aangenaam "goedenmorgen" of "goedenavond" maakt men iemand zoo gelukkig als hij dat in de gevangenis wezen kan. Hij was altijd toeschietelijk en welwillend. Ik weet bij toeval van een ander geval af, waarin hij zich zeer vriendelijk betoonde tegenover een der gevangenen, en ik aarzel niet het te vermelden. Een der meest afgrijselijke dingen in de gevangenis is de slechte inrichting op sanitaire gebied. Geen gevangene mag, onder welke omstandigheden ook, zijn cel verlaten na half zes in den namiddag. Indien hij derhalve aan buikloop lijdt, moet hij zijn cel gebruiken als privaat en den nacht doorbrengen in de meest vunze en ongezonde atmosfeer. Enkele dagen vóor mijn ontslag deed Martin met een der oudere bewaarders de ronde met het doel om het uitgeplozen touw en de gereedschappen der gevangenen in te zamelen. Een man die pas gevangen zat, en tengevolge van het voedsel, zooals steeds het geval is, aan hevigen buikloop leed, vroeg den ouderen bewaarder vergunning zijn vuilnisvat te mogen leêgmaken wegens den afgrijselijken stank der cel en de mogelijkheid van een nieuwen aanval in den nacht. De oudere bewaarder weigerde onverbiddelijk; het was tegen de voorschriften. De man zoû den nacht hebben moeten doorbrengen in dezen vreeselijken toestand. Martin echter kon dezen ongelukkige niet in zulk een walgelijken staat zien en zeide dat hij zelf het voor hem zoû doen en deed naar zijn woorden. Dat een bewaarder het vuilnisvat van een gevangene leêgmaakt, is natuurlijk in strijd met de voorschriften, maar Martin bewees deze daad van welwillendheid aan den man uit eenvoudige natuurlijke goedhartigheid, en de man, als van zelf spreekt, was hem er zeer dankbaar voor.

Met betrekking tot kinderen is er in den laatsten tijd heel wat gepraat en geschreven over den bezoedelenden invloed van de gevangenis op jonge kinderen. Wat men beweert, is volkomen waar. Een kind wordt op de ergste wijze bezoedeld door het leven in de gevangenis. Maar de bezoedelende invloed gaat niet uit van de gevangenen. Hij gaat uit van het gevangenisstelsel in zijn geheel: den directeur, den geestelijke, de bewaarders, de eenzame cel, de afzondering, het weêrzinwekkend voedsel, de voorschriften van de commissie van toezicht, de tuchtmatigheid, zooals men den term ijkt, van het leven. Geen voorzorg laat men achterwege om een kind af te zonderen zelfs van het gezicht van alle gevangenen boven de zestien. De kinderen zitten achter een gordijn in de kerk, en worden ter openluchtoefening gestuurd naar nauwe zonlooze binnenplaatsen--soms naar een steenen binnenplaats, soms naar een binnenplaats achter de molens--om te beletten dat zij de andere gevangenen in oefening zouden zien. Maar de eenige werkelijk vermenschelijkende invloed in de gevangenis is die der gevangenen. Hun blijmoedigheid in vreeselijke omstandigheden, hun onderling medegevoel, hun deemoed, hun zachtzinnigheid, de gulle glimlach waarmede zij elkaêr begroeten, hun volkomen berusting in hun straf zijn zonder uitzondering bewonderenswaardig, en ik zelf heb menige deugdelijke les van hen geleerd. Ik bedoel niet voor te stellen dat de kinderen niet achter een gordijn moeten zitten in de kerk, of dat zij lichaamsbeweging behooren te nemen in een hoek van de gemeene binnenplaats. Ik wil er enkel op wijzen dat de slechte invloed op kinderen niet is en nimmer zoû kunnen wezen die der gevangenen, maar is en altijd blijven zal die van het gevangenisstelsel zelf. Daar is geen enkel man in de gevangenis te Reading, die niet met vreugde den straftijd der drie kinderen voor hen zoû hebben uitgezeten. Den laatsten keer dat ik hen zag, was op Dinsdag na hun opneming. Ik was met misschien een dozijn anderen met de openluchtoefening bezig om half twaalf, toen de drie kinderen onder toezicht van een bewaarder vlak langs ons kwamen van de vochtige sombere steenen binnenplaats waar zij oefening hadden gehad. Ik zag het groote medelijden en medegevoel in de oogen mijner gezellen terwijl ze naar de kinderen keken. Gevangenen zijn als stand uiterst vriendelijk en medegevoelig voor elkander. Lijden en de gemeenschappelijkheid van lijden maakt de menschen vriendelijkgezind, en dag aan dag placht ik, terwijl ik de binnenplaats op en neêr stapte, met vreugde en vertroosting te gevoelen wat Carlyle ergens noemt "de stilzwijgende rhythmische bekoring van menschelijke kameraadschap". In dit punt zoo goed als in alle andere zijn philanthropen en menschen van dat slag in den dool. Niet de gevangenen hebben verbetering noodig, maar de gevangenissen.

Natuurlijk behoort geen kind onder de veertien ook maar thuis in de gevangenis. Een kind daarheen sturen is een ongerijmdheid en, evenals zoovele ongerijmdheden, volstrekt rampzalig in zijn gevolgen. Als zij toch naar de gevangenis moeten, behoorden zij overdag in een werkplaats of in een schoollokaal met een bewaarder. 's Nachts behoorden zij te slapen in een slaapzaal met een nachtbewaarder om op hen te passen. Lichaamsbeweging behooren zij minstens drie uur per dag te krijgen. De donkere, slecht geluchte, kwalijk riekende gevangeniscellen zijn verschrikkelijk voor een kind, eigenlijk voor iedereen. Men ademt altijd bedorven lucht in de gevangenis. Het voedsel voor kinderen moest bestaan in thee met boterhammen en soep. De gevangenissoep is zeer smakelijk en gezond. Een besluit van het Lagerhuis kon de behandeling der kinderen in een half uur regelen. Ik hoop dat U Uw invloed daartoe zult aanwenden. De huidige behandeling van kinderen is werkelijk een schimp voor menschelijkheid en gezond verstand. Zij komt voort uit stompzinnigheid.

Laat mij nu nog Uw aandacht mogen vestigen op een ander vreeselijk ding dat voorkomt in Engelsche gevangenissen of liever in de gevangenissen over de geheele wereld, waar het stelsel van stilzwijgendheid en cellulaire opsluiting wordt toegepast. Ik bedoel het groot aantal menschen die krankzinnig of zwakhoofdig worden in de gevangenis. In strafgevangenissen is dit natuurlijk heel gewoon, maar in gewone gevangenissen, als waarin ik opgesloten zat, komt het eveneens voor.

Ongeveer drie maanden geleden merkte ik onder de gevangenen die met mij lichaamsbeweging namen, een jongman op, die mij onnoozel of onwijs leek. Elke gevangenis natuurlijk heeft haar halfwijze patiënten, die telkens terugkomen en van wie men zeggen kan dat zij in de gevangenis wonen. Maar het trof mij dat deze jonge man erger onwijs leek dan gewoonlijk het geval is, als bleek uit zijn onnoozele grijns en zijn idiote manier van in zichzelf te lachen en de in 't oog vallende rusteloosheid van zijn eeuwig knijpwringende handen. Al de andere gevangenen merkten de vreemdheid van zijn gedrag op. Van tijd tot tijd verscheen hij niet op de oefening, waaruit ik begreep dat hij straf had en in zijn cel moest blijven. Ten slotte merkte ik dat hij onder voortdurend toezicht stond, en dag en nacht door bewaarders werd bewaakt. Als hij wel op de oefening verscheen, leek hij steeds een zenuwaanval te hebben, en liep geregeld te huilen en te lachen. In de kerk moest hij zitten onder onmiddellijk toezicht van twee bewaarders, die hem den geheelen tijd nauwlettend in 't oog hielden. Soms liet hij telkens het hoofd zakken in zijn open handen, een overtreding van de voorschriften in de kerk, en telkens werd zijn hoofd oogenblikkelijk omhoog geduwd door een der bewaarders, zoodat hij gedwongen werd zijn oogen onafgebroken gericht te houden op de avondmaalstafel. Een anderen keer zat hij te huilen--zonder de minste stoornis te veroorzaken--met de tranen stroomend langs zijn gezicht en een zenuwachtig snikken in zijn keel. Dan weêr grijnsde hij voor zichzelf als een idioot en trok gezichten. Meer dan eens werd hij de kerk uitgestuurd naar zijn cel, en natuurlijk kreeg hij voortdurend straf. Daar de bank waar ik gewoonlijk zat in de kerk, vlak achter de bank was, aan het eind waarvan deze ongelukkige zijn plaats had, had ik ruim gelegenheid hem gade te slaan. Ik zag hem vanzelf ook aanhoudend bij de oefening, en ik zag dat hij bezig was krankzinnig te worden, terwijl men hem behandelde alsof hij zich aanstelde.

Zaterdag vóor een week was ik omtrent éen uur in mijn cel bezig het tingerei dat ik voor mijn middageten gebruikt had, te reinigen en te poetsen. Plotseling werd ik opgeschrikt doordat de stilte van de gevangenis verbroken werd door het meest afgrijselijke en weêrzinwekkende gegil, of liever gehuil; want eerst dacht ik dat men bezig was een of ander dier, een stier of een koe, op onbedreven wijze te slachten buiten de gevangenismuren. Weldra echter bleek het mij dat het gehuil beneden uit de gevangenis kwam, en ik begreep dat men bezig was een of anderen ongelukkige af te ranselen. Ik behoef niet te zeggen hoe gruwelijk en schrikkelijk het mij aandeed, tot ik mij begon af te vragen wie het kon zijn, dien men op zoo weêrzinwekkende wijze afstrafte. Plotseling ging mij een licht op, dat zij waarschijnlijk dezen ongelukkigen waanzinnige aan 't ranselen waren. Mijn gevoelens dienomtrent behoef ik niet te boeken; zij hebben niets te maken met de zaak.

Den volgenden dag, Zondag den 16den, zag ik den armen vent bij de oefening; zijn ziekelijk, leelijk ellende-gezicht was bijna niet te herkennen, opgezwollen als het was van tranen en zenuwlijden. Hij liep in den binnensten kring met de oude mannen, de bedelaars en de kreupelen, zoodat ik hem den geheelen tijd kon waarnemen. Het was mijn laatste Zondag in de gevangenis, volmaakt heerlijk weder, het mooiste weêr van het gansche jaar, en daar in het schoone zonnelicht liep dit arme schepsel, eenmaal gemaakt naar het beeld van God, te grijnzen als een aap en met zijn handen de meest fantastische gebaren te maken alsof hij in de lucht een onzichtbaar snareninstrument bespeelde of bezig was fiches te schikken en uit te deelen in een of ander zeldzaam spel. Onderhand liepen in gore stralen de zenuwlijderstranen waarzonder niemand van ons hem ooit zag, voortdurend over zijn wit gezwollen gezicht. De afzichtelijke en bedachtzame manierlijkheid van zijn gebaren maakte hem gelijk aan een hansworst. Hij was een levend grotesk. Al de andere gevangenen keken naar hem, en niet éen van hen glimlachte. Ieder begreep wat hem overkomen was, en dat men bezig was hem krankzinnig te maken,--dat hij reeds krankzinnig was. Na een half uur werd hij door den bewaarder naar binnen geleid en denkelijk gestraft. Hij was tenminste Maandag niet op de oefening, hoewel ik meen hem even gezien te hebben in den hoek van de steenen binnenplaats onder toezicht van een bewaarder.

Dinsdag daarop, mijn laatsten dag in de gevangenis, zag ik hem bij de oefening. Hij was nog erger dan den vorigen keer, en werd weêr naar binnen gestuurd. Sindsdien weet ik niets van hem, maar van een der gevangenen, die op de oefening vlak bij mij liep, kwam ik te weten dat hij Zaterdagmiddag in het kookhuis vier-en-twintig slagen gekregen had op bevel van de rechters op bezoek en na rapport van den dokter. Het gehuil dat ons allen verschrikt had, was van hem geweest. Deze man is ongetwijfeld op weg krankzinnig te worden. De gevangenisdokters hebben geen verstand van eenige ziekte van den geest. Zij zijn in hun soort onwetende lieden. De pathologie van den geest is hun onbekend. Als iemand krankzinnig wordt, behandelen zij hem alsof hij zich aanstelde. Zij laten hem telkens weêr straffen. Natuurlijk wordt de man hoe langer hoe erger. Wanneer de gewone straffen zijn uitgeput, brengt de dokter rapport uit van het geval aan de rechters. Het gevolg is afranselen. Natuurlijk doet men dat niet met een karwats. Het is wat men "berken" noemt. Het werktuig is een berkeroede. Maar de uitwerking op den rampzaligen halfwijze kan men zich verbeelden.

Zijn nummer is, of was in elk geval, A.2.11. Het gelukte mij ook zijn naam uit te vinden. Hij heet Prince. Daar moet terstond iets voor hem gedaan worden. Hij is soldaat en veroordeeld door den krijgsraad. Zijn straftijd is zes maanden. Hij heeft nog drie maanden voor den boeg.

Mag ik U verzoeken Uw invloed te gebruiken om dit geval te doen onderzoeken en maatregelen te doen nemen dat de waanzinnige gevangene behoorlijk behandeld wordt?

Een rapport van de Medische Commissie baat niets. Men kan het niet vertrouwen. De mannen van het medisch toezicht schijnen het verschil niet te begrijpen tusschen idiootheid en waanzin, tusschen de volkomen afwezigheid van een functie of een orgaan en de ziekte van een functie of een orgaan. Deze man A.2.11 zal ongetwijfeld instaat zijn zijn naam op te geven, den aard van zijn misdrijf, den dag der maand, den datum van aanvang en einde van zijn straftijd, en zal antwoord kunnen geven op iedere gewone eenvoudige vraag. Maar dat zijn geest ziek is, lijdt geen twijfel. Op het oogenblik is een vreeselijk duel aan den gang tusschen hem en den dokter. De dokter vecht voor een theorie. De man vecht voor zijn leven. Ik zoû graag zien dat de man het won. Maar laat het geheele geval onderzocht worden door zaakkundigen die van hersenziekten verstand hebben, en door menschen van menschlievende gevoelens, die nog wat gezond verstand en wat medelijden hebben. Er bestaat geen reden de tusschenkomst in te roepen van de sentimenteelen. Zij schaden altijd.

Het geval is een bijzonder voorbeeld van de wreedheid die onafscheidelijk is van een stompzinnig stelsel; want de tegenwoordige directeur van Reading is een man van een zachtaardig en menschlievend karakter, en die bij al de gevangenen grootelijks bemind en geacht is. Hij werd verleden Juli aangesteld, en hoewel hij de voorschriften van het gevangenisstelsel niet kan wijzigen, heeft hij den geest gewijzigd, waarin zij onder zijn voorganger werden toegepast. Hij is zeer geliefd onder de gevangenen en onder de bewaarders. Hij heeft inderdaad den geheelen toon van het gevangenisleven veranderd. Aan den anderen kant ligt het systeem natuurlijk buiten zijn bereik, wat aangaat het wijzigen der voorschriften. Ik twijfel niet of hij moet dagelijks veel zien wat hij voor onrechtvaardig, stompzinnig en wreed houdt. Maar zijn handen zijn gebonden. Vanzelf weet ik niets af van zijn eigenlijken kijk op het geval van A.2.11, evenmin als van zijn opvattingen over ons tegenwoordig stelsel. Ik beoordeel hem enkel naar de volslagen verandering die hij te weeg bracht in de gevangenis te Reading. Onder zijn voorganger werd het stelsel toegepast met de grootste hardvochtigheid en stompzinnigheid.

Uw dienstwillige,

OSCAR WILDE.

27 Mei 1897.

II

VERBETERINGEN INZAKE DE GEVANGENIS

("Lees dit niet, als gij vandaag gelukkig wilt zijn.")

D.C. van 24 Maart 1898.

WelEdelgeboren Heer,

Ik verneem dat het wetsvoorstel van den minister van binnenlandsche zaken tot verbeteringen inzake de gevangenis deze week in eerste en tweede lezing gaat, en daar Uw dagblad het eenige blad in Engeland geweest is, dat van een werkelijke en levenskrachtige belangstelling in deze gewichtige zaak heeft blijk gegeven, hoop ik dat Gij mij, als iemand die een lange persoonlijke ervaring heeft opgedaan van het leven in een Engelsche gevangenis, vergunnen zult uiteen te zetten welke verbeteringen in ons tegenwoordig stompzinnig en barbaarsch stelsel dringend noodzakelijk zijn.

In een hoofdartikel dat ongeveer een week geleden in Uwe kolommen verscheen, lees ik dat de voornaamste verbetering die voorgesteld wordt, een vermeerdering bedoelt van het aantal toezieners en officiëele bezoekers die toegang zullen hebben tot onze Engelsche gevangenissen.

Zulk een hervorming is volkomen nutteloos. De reden is uiterst eenvoudig. De toezieners en vrederechters die de gevangenis bezoeken, komen daar met de bedoeling om na te gaan of de gevangenisvoorschriften behoorlijk worden uitgevoerd. Zij komen voor geen ander doel en hebben, zelfs als zij het zouden begeeren, volstrekt geen macht om éen enkele bepaling in de voorschriften te wijzigen. Geen gevangene heeft ooit de minste verlichting, of oplettendheid, of zorg van eenigen officiëelen bezoeker ondervonden. De bezoekers komen niet om de gevangenen te helpen, maar om na te gaan of de voorschriften worden uitgevoerd. Het doel van hun komst is de bevestiging te verzekeren van een dwaas en onmenschelijk wetsgeheel. En daar zij toch iets te doen moeten hebben, besteden zij daar zeer goede zorg aan. Een gevangene wien de geringste bevoorrechting is toegestaan, vreest de komst der toezieners. En zoovaak er een inspectie plaats heeft, zijn de beambten ruwer dan gewoonlijk voor de gevangenen. Hun bedoeling is natuurlijk te toonen welk een schitterende tucht zij handhaven.

De noodzakelijke hervormingen zijn zeer eenvoudig. Zij betreffen de lichamelijke en de geestelijke behoeften van iederen ongelukkigen gevangene afzonderlijk.

Wat de eerste aangaat, daar zijn in de Engelsche gevangenissen drie bestendige straffen, door de wet bekrachtigd:

1° honger, 2° slapeloosheid, 3° ziekte.

Het voedsel dat aan de gevangenen wordt verstrekt, is geheel en al onvoldoende. Het grootste deel ervan is van weêrzinwekkende hoedanigheid. Het geheel is ontoereikend. Elke gevangene lijdt dag en nacht aan honger. Een bepaalde hoeveelheid voedsel wordt zorgvuldig bij onsen afgewogen voor iederen gevangene. Het is juist genoeg, om niet bepaald het leven, maar het voortbestaan in stand te houden. Men wordt voortdurend gefolterd door het knagen en de weeheid van den honger.

Het gevolg van het voedsel--dat in de meeste gevallen bestaat uit slappe gruttenpap, varkensreuzel en water--is ongesteldheid in den vorm van onafgebroken buikloop. Deze ziekte die ten slotte bij de meeste gevangenen een chronische kwaal wordt, is een erkende instelling in iedere gevangenis. In de gevangenis te Wandsworth bijvoorbeeld--waar ik twee maanden zat opgesloten tot ik naar het hospitaal moest overgebracht worden, waar ik nog twee maanden verbleef--gaan de bewaarders twee- of driemaal daags rond met stopmiddelen die zij aan de gevangenen uitreiken als een ding dat vanzelf spreekt. Het is onnoodig te zeggen dat na een dusdanige behandeling van een week of zoo het geneesmiddel volstrekt geen uitwerking meer heeft. De rampzalige gevangene wordt dan ten prooi gelaten aan de meest verzwakkende, nederdrukkende en vernederende ziekte die men bedenken kan; en als hij, zooals vaak gebeurt, uit lichamelijke zwakte tekort schiet in het volbrengen van zijn voorgeschreven omwentelingen aan de kruk of den molen, wordt van hem rapport gemaakt als lui en wordt hij met de grootste strengheid en ruwheid gestraft. En dat is nog niet alles.

Niets is in zoo slechten toestand als de sanitaire inrichtingen in een Engelsche gevangenis. In vroeger dagen was iedere cel voorzien van een soort privaat. Deze privaten zijn nu afgeschaft. Zij komen nergens meer voor. Een klein tinnen vat wordt in plaats daarvan aan elken gevangene verstrekt. Drie keer daags mag de gevangene zijn vuil verwijderen. Maar de toegang tot de gevangenisprivaten wordt hem enkel toegestaan gedurende het éene uur der openluchtoefening En na vijf uur 's namiddags mag hij zijn cel onder geen enkel voorwendsel en om geen enkele reden verlaten. Dientengevolge bevindt zich iemand die aan buikloop lijdt, in een zoo walgelijken toestand dat het onnoodig is, of liever dat het onwelvoegelijk zoû zijn er bij stil te staan. De ellende en kwellingen die de gevangenen doormaken ten gevolge van de weêrzinwekkende inrichtingen op sanitaire gebied zijn volkomen onbeschrijfelijk. En de bedorven lucht in de gevangeniscellen, die nog verergerd wordt door een volslagen uitwerkingloos ventilatiesysteem, is zoo wee en ongezond, dat het geregeld voorkomt dat bewaarders, als zij 's morgens uit de frissche lucht komen en elke cel openen en inspecteeren, hevig onpasselijk worden. Ik zelf heb dit minstens drie maal bijgewoond, en verscheidene bewaarders hebben er mij over gesproken als een der vele tegenzinwekkende duigen die hun ambt meêbrengt.

Het voedsel dat den gevangenen verstrekt wordt, behoorde in allen deele voldoende en gezond te zijn. Het behoort niet van zulk een hoedanigheid te wezen, dat het voortdurenden buikloop ten gevolge heeft, die, eerst een ziekte, allengs een chronische kwaal wordt.

De inrichtingen op sanitaire gebied in de Engelsche gevangenissen behooren in den grond gewijzigd te worden. Elke gevangene moet toegang hebben tot de privaten zoovaak dat noodig is, en moet even vaak zijn vuil kunnen verwijderen. Het tegenwoordige ventilatiesysteem in elke cel afzonderlijk is geheel en al nutteloos. De versche lucht komt door dichtgesperd rasterwerk en dan door een kleinen ventilator in het smalle getraliede venster, die veel te klein is en te slecht geconstrueerd om eenige voldoende hoeveelheid versche lucht binnen te laten. Iemand wordt enkel gedurende éen uur van de vier-en-twintig die den langen dag uitmaken, uit zijn cel gelaten, en hij ademt dus gedurende drie-en-twintig uren de meest bedorven lucht in.

Slapeloosheid als straf bestaat slechts in Chineesche en in Engelsche gevangenissen. In China wordt zij toegepast doordat men den gevangene plaatst in een enge bamboekooi, in Engeland door middel van de houten brits. Het doel van de houten brits is het veroorzaken van slapeloosheid. Zij heeft geen enkel ander doel, en het doel dat zij heeft, wordt zonder uitzondering bereikt. En zelfs wanneer men naderhand een harde matras krijgt, zooals het gaat in den loop der gevangenschap, lijdt men nog steeds aan slapeloosheid. Want slaap is, evenals alle gezonde dingen, een gewoonte. Elke gevangene die een tijd lang op een houten brits heeft gelegen, lijdt aan slapeloosheid. Het is een weêrzinwekkende en domme straf.

Nu zoû ik gaarne wat in 't midden brengen over de geestelijke behoeften van den gevangene.

