# De profundis

## Part 7

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-profundis-13585/index.md

.... Laat overigens niemand veronderstellen, dat ik anderen onwaardige beweegredenen toeschrijf. In waarheid waren zij in het leven beweegredenen rijk. Beweegredenen zijn intellectueele dingen. Zij hadden enkel hartstochten, en dergelijke hartstochten zijn valsche goden die slachtoffers eischen tot elken prijs, en in dit geval een slachtoffer hebben gehad, bekranst met laurier.

Nu heb ik den doorn uitgetrokken. Die weinige neêrgekrabbelde woorden van U woekerden vreeselijk. Nu denk ik enkel aan Uw ophanden herstel en hoe gij mij eindelijk het wonderbaarlijke verhaal van.... schrijven zult.

Breng mijne dankbare groeten over aan Uw lieve moeder en ook aan Aleck. De "Vergulde Sphinx"[3] is, denk ik, even bewonderenswaardig als ooit. En zend uit mijn naam al wat er goeds is in mijn gedachten en gevoelens en alle herdenken en vereering die zij wil aannemen, aan de dame te Wimbledon, wier ziel een heiligdom is voor de gewonden en een huis van toevlucht voor de lijdenden. Laat dezen brief niet zien aan anderen, en kom in Uw antwoord niet weêr terug op wat ik geschreven heb. Vertel mij van die wereld van schimmen, waar ik zooveel van gehouden heb. En ook van het leven en van de ziel. Ik ben benieuwd naar de angels die mij hebben, en in mijn smart is medelijden.

De Uwe,

Oscar.

Noten:

[3] Bijnaam van de knappe schrijfster van "_The Twelfth Hour_." Zij maakte kennis met Wilde naar aanleiding van haar vermakelijke parodieën van zijn werk in _Punch_. Zij ontving hem in haar huis in 1895, toen hij in den loop van zijn proces vrijgelaten was tegen borgtocht.

III

1 April 1897.

Mijn waarde Robbie,

Tegelijk met dezen zend ik U afzonderlijk een handschrift waarvan ik hoop dat het U behouden zal bereiken. Ik zag graag dat Gij, zoodra Gij het gelezen hebt, het zorgvuldig liet copiëeren. Om verschillende redenen wensch ik dit. Het zal voldoende zijn er éene aan te geven. Mijn verlangen is dat Gij, voor het geval dat ik kom te sterven, mijn letterkundige boedelredder zijt en volledig toezicht uitoefent over mijn tooneelstukken, boeken en geschriften. Zoodra ik wettelijk het recht zal hebben een testament te maken, zal ik dat doen. Mijn vrouw begrijpt mijn kunst niet, en men kan van haar geen belangstelling daarvoor verwachten, en Cyril is nog een kind. Daarom wend ik mij natuurlijk tot U, zooals ik om de waarheid te zeggen in alle dingen doe, en ik zoû gaarne hebben dat Gij al mijn werken onder U hadt. Het tekort dat hun verkoop oplevert, kan op rekening van Cyril en Vivian geplaatst worden. Welnu, als Gij mijn letterkundige boedelredder zijt, moet Gij in bezit zijn van het eenige document dat eenige verklaring geeft van mijn buitensporig gedrag.... Wanneer Gij den brief gelezen hebt, zult Gij de psychologische verklaring inzien van een gedragslijn die van buiten af een verbinding van volstrekte zwakhoofdigheid en gemeenen bluf lijkt. Eéns moet de waarheid bekend worden--niet noodzakelijk bij mijn leven. Maar het is mijn bedoeling niet om voor altijd aan den bespottelijken schandpaal te staan, waar men mij stelde, om de eenvoudige reden dat ik van mijn vader en moeder een naam van hooge onderscheiding in letterkunde en kunst geërfd heb, en ik kan niet gedoogen dat die naam voor de eeuwigheid zoû zijn omlaaggehaald. Ik verdedig mijn gedrag niet. Ik verklaar het. Ook zijn er in mijn brief enkele passages die loopen over mijn geestelijke ontwikkeling in de gevangenis en de onvermijdelijke evolutie die plaats gehad heeft in mijn karakter en mijn intellectueele houding tegenover het leven. Ik wensch dat Gij en anderen die mij trouw gebleven zijt en Uw genegenheid voor mij hebt bewaard, nauwkeurig weet in wat geest en wijze ik de wereld hoop tegemoet te treden. Van den éenen kant gezien, weet ik natuurlijk dat ik op den dag van mijn ontslag enkel van de éene gevangenis in de andere zal overgaan, en daar zijn oogenblikken dat de geheele wereld mij niet ruimer voorkomt dan mijn cel en even vol verschrikking voor mij. Toch geloof ik dat God in den beginne een wereld schiep voor ieder afzonderlijk mensch, en in die wereld die binnen in ons is, moeten wij trachten te leven. In elk geval zult Gij die gedeelten van mijn brief met minder leed lezen dan de andere. Natuurlijk behoef ik U niet te herinneren welk een onvast ding bij mij, en bij ons allen, de gedachte is, en van welk een vluchtige stof onze aandoeningen zijn gemaakt. Toch zie ik een soort van mogelijk doel waarop ik langs den weg der kunst zoû kunnen afgaan. Het is niet onwaarschijnlijk dat Gij mij daarbij zult kunnen helpen.

Wat de wijze van copiëeren aangaat: de brief is natuurlijk te lang om hem door een of anderen klerk te laten overschrijven, en Uw eigen schrift, waarde Robbie, in uw laatsten brief schijnt bij voorkeur aangewezen om mij te waarschuwen dat de taak niet aan U mag worden opgedragen. Het eenige wat overblijft, lijkt mij, is door en door modern te werk te gaan en de copie te laten maken op de schrijfmachine. Natuurlijk moet het handschrift onder Uw toezicht blijven, maar zoudt Gij Mevrouw Marshall niet kunnen bewegen een harer meisjes-typisten--op vrouwen kan men het meest aan, daar zij geen geheugen hebben voor wat belangrijk is--naar Hornton Street of Phillimore Gardens te sturen om het onder Uw leiding te doen? Ik kan U verzekeren dat de schrijfmachine wanneer zij met gevoel wordt bespeeld, niet onaangenamer is dan het pianospel van een zuster of een naverwante. Ja zelfs geven velen onder hen die dwepen met het familieleven, aan haar de voorkeur. Ik zoû de copie willen hebben niet op satijnpapier, maar op kloek papier zooals gebruikt wordt voor de rollen van tooneelstukken, met een breeden roodafgezetten rand voor verbeteringen.... Indien de copie in Hornton Street gemaakt wordt, zou men de typiste eten kunnen geven door een schuif in de deur, zooals de Cardinalen het krijgen, wanneer zij bezig zijn een Paus te kiezen, tot zij op het balkon zoû kunnen verschijnen om de wereld te verkondigen: "Habet Mundus Epistolam"; want de brief is inderdaad een Encycliek, en evenals de bullen van den Heiligen Vader genoemd worden naar haar beginwoorden, zou men er van kunnen spreken als: "_Epistola in Carcere et Vinculis_"....

Het is maar al te waar, Robbie, het leven in de gevangenis doet ons de menschen en de dingen zien zooals zij in werkelijkheid zijn. Daarom verandert het iemand in steen. De menschen buiten worden misleid door de schijnverbeeldingen van een leven in voortdurende beweging. Zij draaien mede met het leven en dragen bij tot zijn onwerkelijkheid. Wij die onbewegelijk zijn, zien en weten. Laat de brief deugen of niet voor enge naturen en koortsige hersenen, mij heeft hij deugd gedaan. Ik heb "mijn borst verlucht van veel gevaarlijk tuig" om een zegswijze te borgen bij den dichter dien Gij en ik indertijd wilden redden uit de handen der Philistijnen. Ik behoef U niet te herinneren dat uiting op zichzelf voor een kunstnaar de opperste en eenige wijze van leven is. Van uiting leven wij. Onder de oneindig vele dingen waarvoor ik den Directeur te danken heb, is er geen waarvoor ik dankbaarder ben dan voor zijn verlof om naar hartelust te schrijven en zoo lang als ik wensch. Gedurende bijna twee jaar droeg ik binnen in mij een toenemenden last van bitterheid waarvan ik mij nu grootendeels heb verlicht. Aan den anderen kant van den gevangenismuur staan een paar arme zwarte roetberookte boomen die op het oogenblik uitloopen in knoppen van bijna schel groen. Ik weet heel goed wat zij ondergaan. Zij vinden hun uiting.

Steeds de Uwe,

Oscar.

IV

6 April 1897.

Overweeg thans, mijn waarde Robbie, mijn voorstel. Ik denk dat mijn vrouw die in geldzaken zeer eergevoelig en hooghartig is, de £75, gestort voor mijn aandeel, zal terugbetalen. Zij zal het ongetwijfeld doen. Maar ik vind dat het van mijne zijde behoort te worden aangeboden, en dat ik niets bij wijze van inkomen van haar mag aannemen. Ik kan aannemen wat in liefde en genegenheid voor mij gegeven wordt, maar ik zoû niet kunnen aannemen wat mij met tegenzin of met voorwaarden wordt uitgekeerd. Eer zoû ik mijn vrouw haar volkomen vrijheid geven. Zij kan dan hertrouwen. In elk geval vertrouw ik dat zij, als zij vrij was, mij vergunnen zoû van tijd tot tijd mijn kinderen te zien. Daar heb ik behoefte aan. Maar eerst moet ik haar haar vrijheid geven, en het is het beste, dit als een man van eer te doen door met gebogen hoofd in alles te berusten. Overweeg de zaak nog eens in haar geheel; want door U en Uw slecht overlegd optreden is de moeilijkheid ontstaan. En laat mij weten hoe Gij en anderen er over denkt. Natuurlijk hebt Gij uit bestwil gehandeld. Maar Uw kijk op de zaak was verkeerd. Ik kan in alle oprechtheid zeggen dat ik geleidelijk kom tot den geestesstand van te denken dat al wat gebeurt, om bestwil gebeurt. Mogelijk is het wijsgeerig inzicht of een gebroken hart of godsdienst of de stompe gevoelloosheid van de wanhoop. Maar, wat er de oorsprong van zij, dit gevoel is machtig in mij. Mijn vrouw aan mij te binden tegen haar wil zoû verkeerd zijn. Zij heeft volkomen recht op haar vrijheid. En dan zoû het mij een genoegen zijn, niet door haar ondersteund te worden. Door haar onderhouden te worden is vernederend. Bespreek deze zaak met More Adey. Verzoek hem U den brief te laten zien, dien ik hem geschreven heb. Vraag uw broeder Aleck mij zijn raad te willen geven. Hij heeft een uitnemend oordeel.

Maar nu wat anders. Ik heb nooit gelegenheid gevonden U te bedanken voor de boeken. Zij waren allerwelkomst. Dat men mij de tijdschriften niet toestond, was een slag voor mij, maar Meredith's roman was verrukkelijk. Welk een gezonde kunstenaarsnatuur! Hij heeft volkomen gelijk met zijn betoog dat het gezonde het meest wezenlijke bestanddeel in de romankunst is. Toch heeft tot op dezen dag alleen het abnormale uitdrukking gevonden in het leven en de litteratuur. Rossetti's brieven zijn afgrijselijk, in-'t-oog-loopend vervalscht door zijn broeder. Toch wekte het mijn belangstelling te zien hoe mijn oudooms _Melmoth_ en mijn moeders _Sidonia_ twee van de boeken waren, die zijn jeugd boeiden. Wat de samenzwering tegen hem betreft in later jaren, ik geloof dat die werkelijk bestond, en dat de fondsen verschaft werden door Hake's Bank.[4] Het gedrag van een merel in Cheyne Walk lijkt mij zeer verdacht, al zegt William Rossetti: "Ik kon niets buitengewoons in het zingen van den merel ontdekken." Stevensons brieven zijn ook een groote teleurstelling. Ik zie dat een romantische omgeving de slechtst mogelijke omgeving is voor een romantisch schrijver. In Gower Street had Stevenson een nieuwen _Trois Mousquetaires_ kunnen schrijven. Op Samoa schreef hij brieven aan de _Times_ over de Duitschers. Ik zie ook de sporen van een vreeselijke inspanning om een natuurlijk leven te leiden. Om hout te hakken tot eenig nut voor zichzelf of voordeel voor anderen, moet men niet instaat zijn te beschrijven hoe men het doet. Feitelijk is het natuurlijke leven het onbewuste leven. Stevenson verruimde enkel den kring van het kunstmatige leven door zich aan het delven te zetten. Uit het geheele onverkwikkelijke boek heb ik éen les gehaald. Als ik mijn toekomstig leven doorbreng met Baudelaire te lezen in een koffiehuis, zal ik een natuurlijker leven leiden dan wanneer ik heggen zoû gaan knippen of cacao planten in slijkpoelen. _En Route_ wordt erg overschat.

Het is simpel journalisme. Het doet iemand nooit éen noot hooren van de muziek die het beschrijft. Het onderwerp is natuurlijk kostelijk, maar de stijl is waardeloos, slofferig, slap. Het is slechter Fransch dan dat van Ohnet. Ohnet wil afgezaagd zijn en het gelukt hem. Huysmans wil het niet zijn en is het toch. Hardy's roman is een aangenaam boek, en de stijl volmaakt, en die van Harold Frederic is zeer belangwekkend om zijn inhoud. Daar er zoo goed als geen romans in de gevangenisbibliotheek zijn voor de arme opgesloten kerels met wie ik leef, denk ik later eens de bibliotheek te beschenken met bijvoorbeeld een dozijn goede romans: die van Stevenson (geen aanwezig dan _The Black Arrow_), enkele van Thackeray (geen aanwezig), van Jane Austen (geen aanwezig), en enkele goede boeken in den trant van Dumas père, door Stanley Weyman bijvoorbeeld of eenig ander modern jong schrijver. Gij noemdet een protégé van Henley[5], nietwaar? Ook den beschermeling van Anthony Hope zouden wij kunnen nemen. Na Paschen zoudt Gij een lijst van zoowat veertien boeken kunnen opmaken en aanvragen ze mij te mogen zenden. Zij zouden goed bevallen aan de enkelen die niet geven om het _Journal des Goncourt_.[6] Denk er aan dat ik ze zelf wil betalen. Ik zelf vind het afschuwelijk om in de wereld terug te komen zonder een enkel boek in mijn bezit. Zouden er niet onder mijn vrienden zijn, als Cosmo Lennox, Reggie Turner, Gilbert Burgers, Max en anderen, die mij enkele boeken zouden willen geven? Gij weet wat soort boeken ik wensch: Flaubert, Stevenson, Baudelaire, Maeterlinck, Dumas père, Keats, Marlowe, Chatterton, Coleridge, Anatole France, Gautier, Dante en de geheele Dante-literatuur, Goethe en de Goethe-literatuur, enzoovoort. Ik zoû het als een bijzondere vriendelijkheid waardeeren als boeken mij wachtten, en daar zijn misschien wel onder mijn vrienden enkele die het op prijs stellen iets voor mij te doen. Ik ben werkelijk heel dankbaar, al vrees ik dat het dikwijls lijkt van niet. Maar bedenk dat ik naast het gevangenisleven nog onophoudelijke kwellingen heb gehad.

In antwoord op dezen moogt Gij mij een langen brief schrijven enkel over tooneelstukken en boeken. Uw schrift, in Uw laatsten, was zoo verfoeilijk slecht dat het leek of Gij een roman in drie deelen aan 't schrijven waart over de vreeswekkende uitbreiding der communistische denkbeelden onder den gegoeden stand, of U op eenige andere wijze bezig hieldt met het verkwisten van een jeugd die altijd rijk aan beloften is geweest en blijven zal. Als ik U grief door het aan zulk een oorzaak toe te schrijven, stel het op rekening van de overprikkeldheid eener lange gevangenis. Maar schrijf werkelijk duidelijk. Anders lijkt het alsof Gij iets te verbergen hadt.

Daar staat heel wat afschuwelijks in dezen brief, geloof ik. Maar ik moest mij over U beklagen bij Uzelf en niet bij anderen. Lees mijn brief aan More voor. Harris komt mij aanstaanden Zaterdag bezoeken, hoop ik. Groet Arthur Clifton van mij, en zijn vrouw die, vind ik, zoo zeer lijkt op Rossetti's vrouw--hetzelfde prachtige haar--maar natuurlijk een liever natuur is, hoewel Miss Siddal bekorend is en haar gedicht prima.

Steeds de Uwe,

Oscar.

Noten:

[4] Egmont Hake, schrijver van _Free Trade_ in _Capital_ en voorvechter van een nieuw systeem van bankwezen, waarover Wilde zich zeer scheen te vermaken.

[5] Bedoeld is de bekende schrijver H. G. Wells.

[6] Een nieuw deel van het Journal des Goncourt, waarin ook Wilde besproken werd, was hem toegezonden in de gevangenis.

TWEE BRIEVEN, OVER HET LEVEN IN DE GEVANGENIS, AAN DE "DAILY CHRONICLE."

I

HET ONTSLAG VAN DEN GEVANGENBEWAARDER MARTIN

D. C. van 28 Mei 1897.

WelEdelgeboren Heer,

Met groot leedwezen lees ik in Uw blad dat de gevangenbewaarder Martin van de gevangenis te Reading ontslagen is door de Commissie van Toezicht omdat hij aan een klein kind dat honger had, enkele koekjes heeft gegeven. Op den Maandag voorafgaande aan mijn ontslag zag ik zelf de drie bedoelde kinderen. Zij waren juist gevonnist en stonden in de groote hal op een rij in hun gevangeniskleêren met hun beddelakens onder hun arm op het punt om weggebracht te worden naar de voor hen bestemde cellen. Op dat oogenblik kwam ik door een der zijgangen op weg naar de ontvangkamer om daar een onderhoud met een vriend te hebben. Het waren heel kleine kinderen, de jongste--aan wien de gevangenbewaarder de koekjes gafwas een tenger kereltje waarvoor men klaarblijkelijk geen kleêren had kunnen vinden klein genoeg om te passen. Ik had natuurlijk veel kinderen in de gevangenis gezien in de twee jaar dat ik zelf opgesloten was. Vooral de gevangenis te Wandsworth bevatte steeds een groot aantal kinderen. Maar het kind dat ik in den namiddag van Maandag 17 dezer te Reading zag, was kleiner en tengerder dan een van hen. Ik behoef U niet te zeggen hoezeer ontdaan ik was over het zien dezer kinderen daar; want ik wist welke behandeling hen wachtte. De wreedheid waarmede dag en nacht kinderen in Engelsche gevangenissen worden behandeld, is ongeloofelijk behalve voor hen die haar hebben bijgewoond en de onmenschelijkheid van het stelsel beseffen.

De menschen van tegenwoordig begrijpen niet wat wreedheid is. Zij beschouwen haar als een soort schrikkelijken middeleeuwschen hartstocht, en denken haar verbonden met mannen als Eccelino da Romano en zijnsgelijken, wien het doordacht pijnigen van anderen een feilen roes van genot gaf. Maar menschen van het allooi van Eccelino zijn enkel abnormale typen van een verdorven individualisme. De alledaagsche wreedheid is eenvoudig stompzinnigheid. Het is volslagen gebrek aan verbeelding. Zij is in onze dagen het gevolg van vastgelegde stelselen, van hartvochtig-onwrikbare regelen, en van stompzinnigheid. Overal waar centralisatie is, is stompzinnigheid. Het onmenschelijke in het moderne leven is de ambtelijkheid. Gezag is even afbrekend voor hen die het uitoefenen, als voor hen over wie het wordt uitgeoefend. Van het gevangenisbestuur en van het stelsel dat het toepast, gaat in de eerste plaats de wreedheid uit, waarmeê een kind in de gevangenis behandeld wordt. De menschen die het stelsel handhaven, hebben uitmuntende bedoelingen. Zij die het toepassen zijn eveneens menschlievend in bedoeling. De verantwoordelijkheid wordt geschoven op de verordeningen van tucht. Men gaat van de veronderstelling uit dat een ding dat eenmaal voorschrift is, daarom rechtvaardig is.

De huidige behandeling der kinderen is verschrikkelijk, voornamelijk van de zijde van menschen die de bijzondere zielkunde van de kindernatuur niet verstaan. Een kind kan een straf begrijpen, die hem opgelegd wordt door een persoon, bijvoorbeeld een ouder of voogd, en haar met een zekere berusting dragen. Wat het niet kan begrijpen, is een straf opgelegd door de maatschappij. Het kan niet beseffen wat de maatschappij is. Bij volwassenen is het natuurlijk juist andersom. Diegenen van ons, die in de gevangenis zijn of geweest zijn, kunnen begrijpen, en doen dat inderdaad, wat die collectieve macht die men maatschappij noemt, beduidt; en wat wij ook denken over haar wijze van doen en haar eischen, wij kunnen ons er toe brengen haar te aanvaarden. Straf, aan den anderen kant, die ons opgelegd wordt door een persoon, is iets dat geen volwassene verdraagt of verwacht wordt te verdragen.

Dientengevolge wordt het kind dat van zijn ouders wordt weggenomen door menschen die het nooit gezien heeft en van wie het niets afweet, en dat te zitten komt in een eenzame onbekende cel, bewaakt door vreemde gezichten, onder voordurende bevelen en bestraffingen van de vertegenwoordigers van een stelsel dat het niet kan begrijpen, een onmiddellijke prooi van de eerste en meest voor de hand liggende aandoening die het moderne gevangenisleven veroorzaakt: angst. De angst van een kind in de gevangenis is volkomen mateloos. Ik herinner mij hoe ik eens te Reading, op weg naar buiten ter dagelijksche oefening, in de schemerlichte cel vlak tegenover mijn eigene een kleinen jongen zag. Twee bewaarders--geen onwelwillende menschen--spraken met hem, klaarblijkelijk eenigszins streng, of misschien ook gaven zij hem een of andere nuttige vermaning omtrent zijn gedrag. De éene was bij hem in de cel, de ander stond buiten. Het gezicht van het kind was zoo wit als een doek van louter angst. In zijn oogen was de angst van een gejaagd dier. Den volgenden ochtend hoorde ik onder het morgeneten hem huilen en roepen om naar buiten gelaten te worden. Hij riep om zijn ouders. Van tijd tot tijd hoorde ik de zware stem van den bewaarder die dienst had, hem zeggen dat hij zich stil moest houden. Toch was hij zelfs nog niet gevonnist voor het kleine misdrijf, wat het ook geweest moge zijn, dat men hem ten laste had gelegd. Hij was eenvoudig in arrest. Dat wist ik, omdat hij zijn eigen kleêren droeg, die er vrij netjes uitzagen. Toch droeg hij gevangenissokken en -schoenen. Hieruit bleek dat hij een heel arme jongen was, wiens eigen schoenen, als hij er had, in slechten staat waren. Rechters en overheden, door de bank een volslagen onwetende classe, geven kinderen vaak een week arrest, en schelden hun dan mogelijk een of ander vonnis kwijt, dat zij recht hebben over hen te spreken. Zij noemen dat "een kind niet naar de gevangenis sturen". Het is natuurlijk een domme kijk op de zaak. De fijne onderscheiding in maatschappelijke positie, of hij in de gevangenis is in arrest of gevonnist, kan een klein kind niet vatten. Enkel daar te zijn is voor hem een afgrijselijk ding. Enkel dat hij daar is, behoort een afgrijselijk ding te zijn in de oogen der menschelijkheid.

Deze angst die het kind, evengoed als den volwassene, aangrijpt en beheerscht, wordt natuurlijk nog op onbeschrijfelijke wijze versterkt door het systeem der afzonderlijke cellen in onze gevangenissen. Een kind gedurende drie-en-twintig van de vier-en-twintig uren op te sluiten in een schemerlichte cel is een voorbeeld van de wreedheid der stompzinnigheid. Als een gewoon mensch, een ouder of een voogd, dit met een kind deed, zoû hij streng gestraft worden. Het Genootschap ter voorkoming van mishandeling van kinderen zoû de zaak terstond ter hand nemen. Van alle kanten zoû de grootste afschuw blijken voor iemand die zich aan zulk een wreedheid had schuldig gemaakt. Een zware straf zoû ongetwijfeld volgen op de gebleken schuld. Maar onze huidige maatschappij doet zelf erger, en voor een kind is het veel erger zoo behandeld te worden door een vreemde onpersoonlijke macht, van wier eischen het geen begrip heeft, dan het zoû wezen om dezelfde behandeling te ondergaan van zijn vader of moeder of iemand dien het kende. De onmenschelijke behandeling van een kind is altijd onmenschelijk, wie haar ook aandoet. Maar onmenschelijke behandeling door de maatschappij is voor een kind des te schrikkelijker omdat geen beroep mogelijk is. Een ouder of voogd kunnen vermurwd worden om het kind uit de donkere eenzame kamer te laten, waarin het opgesloten zit. Maar een bewaarder kan dat niet. De meeste bewaarders houden veel van kinderen. Maar het stelsel verhindert hen het kind eenigen bijstand te geven. Als zij het zouden doen, getuige Martin, worden zij ontslagen.

