# De profundis

## Part 3

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-profundis-13585/index.md

Vroeger leefde ik uitsluitend voor genot. Ik schuwde lijden en smart van welken aard ook. Ik haatte beide. Ik besloot, voor zoover dat mogelijk was, geen acht op hen te geven, om hen, wil ik zeggen, te behandelen als vormen van gebrekkigheid. Zij maakten geen deel uit van mijn levensplan. Zij hadden geen plaats in mijn wijsbegeerte. Mijn moeder die het leven in zijn geheel kende, placht mij vaak enkele regels van Goethe aan te halen, die door Carlyle geschreven waren in een boek dat hij haar jaren geleden gegeven had, en die door hem, als ik het goed heb, als volgt vertaald waren:

"Who never ate his bread in sorrow, Who never spent the midnight hours Weeping and waiting for the morrow,-- He knows you not, ye heavenly powers."

Deze regels placht die edele koningin van Pruisen, welke Napoleon met zoo grove ruwheid behandelde, aan te halen in haar vernedering en ballingschap. Deze regels haalde mijne moeder vaak aan in de moeilijkheden van haar meergevorderd leven. Ik weigerde volstrekt de ontzaggelijke waarheid die er in geborgen ligt, aan te nemen of toe te geven. Ik kon ze niet bevatten. Ik herinner mij zeer wel, hoe ik haar placht te zeggen dat ik geen lust had mijn brood in smart te eten of éen enkelen nacht door te brengen in weenen en wachten op een bitterder dageraad.

Ik kon niet denken dat dit een der bijzondere dingen was, die het lot voor mij had weggelegd, dat ik inderdaad een heel jaar lang van mijn leven bestemd was weinig anders te doen. Doch zoo is mijn deel mij toegemeten, en pas in de laatste maanden na verschrikkelijke moeilijkheden en worstelingen is het mij gelukt enkele der lessen te verstaan, die verscholen liggen in het hart van het leed. Geestelijken en menschen die zegswijzen gebruiken zonder wijsheid, spreken soms van lijden als van een geheimenis. In werkelijkheid is het een openbaring. Men nadert de wereldgeschiedenis van een gansch anderen kant. Wat men vroeger bij instinkt duister had gevoeld omtrent kunst, wordt door verstand en gemoed beleefd met volmaakte helderheid van aanschouwing en hoogste spanning van waarneming.

Ik zie nu in dat smart de opperste aandoening is, waarvoor een mensch vatbaar is, en dat zij daarom tegelijk de grondvorm en de toetssteen van alle kunst is. Waar de kunstenaar altijd op uit is, is de bestaansvorm waarin ziel en lichaam éen en ondeelbaar zijn, waarin het uitwendige uitdrukking geeft aan het inwendige, waarin de stof openbaring wordt. Zulke bestaansvormen zijn er verscheidene. Het éene oogenblik kan de jeugd en de kunsten die zich uitsluitend met de jeugd bezighouden, ons als voorbeeld dienen. Het andere oogenblik zijn wij geneigd te denken dat de moderne landschapkunst met haar verfijndheid en gevoeligheid voor indrukken, met hare suggestie als van een geest die in de uitwendige dingen woont en gelijkelijk van aarde en lucht, van mist en stad zijn kleed maakt, met haar ziekelijk gevoelige harmonie van stemmingen, tonen en kleuren, voor ons schilderkunstig verwezenlijkt wat zoo volmaakt plastisch verwezenlijkt werd door de Grieken. De muziek waarin alle onderwerp wordt opgelost in de uitdrukking, zoodat het er niet meer van gescheiden kan worden, is een ingewikkeld, en een bloem of een kind een eenvoudig voorbeeld van wat ik bedoel. Maar smart is de uiterst bereikbare grondvorm zoowel in het leven als in de kunst.

Achter vreugde en lach kan zich een gemoed verschuilen, grof, hard en ongevoelig. Maar achter smart schuilt altijd smart. Leed, in tegenstelling met vreugde, draagt geen masker. Waarheid in kunst is volstrekt niet overeenstemming tusschen de ideëele werkelijkheid en den toevalligen bestaansvorm, het is niet de gelijkenis van de gestalte met haar schaduw, of van het spiegelbeeld in het kristal met de gedaante zelf, het is niet een echo die antwoordt uit de holling van den heuvel, evenmin als het een zilveren waterspiegel in de vallei is, die de maan toont aan de maan en Narkissos aan Narkissos. Waarheid in kunst is de eenheid van een ding met zichzelf, het uitwendige gemaakt tot de uitdrukking van het inwendige, de vleeschwording der ziel, het lichaam doordrongen van den geest. Daarom is geen waarheid te vergelijken met smart. Er zijn oogenblikken dat smart mij voorkomt de eenige waarheid te zijn. Andere dingen zijn misschien begoochelingen van het oog of van de begeerte, dingen die enkel bestaan om het oog te verblinden of de begeerte te verzadigen, maar uit smart zijn de werelden opgebouwd, en geen kind of ster wordt geboren zonder pijn.

Buitendien nog heeft smart een felle, geheel eigen werkelijkheid. Ik heb van mijzelf gezegd dat ik iemand was, die in symbolische betrekking stond met de kunst en de beschaving van mijn tijd. Geen enkel ellendig man is hier saam met mij op deze ellendige plaats, die niet in symbolische betrekking staat met de geheimenis zelf des levens. Want de geheimenis des levens is lijden. Dat is liet wat verscholen is achter alles. Wanneer wij beginnen te leven, is het zoete ons zoo zeer zoet, en het bittere zoo zeer bitter, dat wij onvermijdelijk al onze verlangens richten naar genietingen, en er op uit zijn niet enkel "voor een maand of twee op honing te teren", maar al onze jaren lang geen ander voedsel te proeven, zonder onderwijl te beseffen, dat wij eigenlijk bezig zijn de ziel te laten verhongeren.

Ik herinner mij hoe ik eens over dit onderwerp sprak met een der schoonste persoonlijkheden die ik ooit gekend heb: een vrouw wier medegevoel en edele goedheid jegens mij, zoowel vóor als na de ramp van mijn gevangenisschap, alle macht van beschrijving te boven zijn gegaan, eene die mij, hoewel zij het niet weet, meer dan iemand anders ui de gansche wereld werkelijk bijstand gegeven heeft bij het dragen van den last mijner kwellingen, en dat alleen door het enkele feit van haar bestaan, doordat zij is wat zij is: een ideaal zoowel als een invloed: een wezen dat niet alleen de gedachte ingeeft aan wat men zoû kunnen worden, maar ook feitelijke hulp verleent om het te worden, een ziel die de gemeene lucht zoet maakt, en al wat geestelijk is, zoo eenvoudig en natuurlijk doet schijnen als het zonlicht of de zee: eene voor wie schoonheid en smart hand in hand gaan en dezelfde zending hebben. Bij de gelegenheid die ik bedoel, zeide ik tot haar--ik herinner het mij zeer duidelijk,--dat er genoeg lijden was in éen nauwe Londensche steeg om aan te toonen dat God de menschen niet liefhad, en dat, als ergens eenige smart heerschte, al was het slechts het verdriet van een kind dat in zijn stadstuintje zit te weenen om iets dat het al of niet misdreven heeft, het gelaat der gansche schepping geschonden was. Ik had geheel en al ongelijk. Zij zeide het mij, maar ik kon haar niet gelooven. Ik was niet in de sfeer waarin men dat geloof behalen kan. Nu komt het mij voor dat de éene liefde of de andere de eenig mogelijke verklaring is van de buitengewoon groote som van lijden op de wereld. Ik kan geen andere verklaring beseffen. Ik ben overtuigd dat er geen andere is, en dat, als de wereld wezenlijk, zooals ik zeide, opgebouwd is uit smart, zij opgebouwd is door de handen der liefde, omdat op geen andere wijze de ziel des menschen, voor wie de wereld geschapen werd, de volle gestalte van hare volmaaktheid kon bereiken. Genot voor het schoone lichaam, maar leed voor de schoone ziel.

Wanneer ik zeg dat ik hiervan overtuigd ben, spreek ik met te veel hoovaardij. Veraf, als een volkomen parel, kan men de stad Gods zien liggen. Het is zoo'n wonderbaarlijk gezicht, dat het lijkt als kon een kind haar bereiken binnen een zomerdag. En een kind kan dat ook. Maar voor mij en mijns gelijken gaat het niet zoo gemakkelijk. Wat wij ons éen enkel oogenblik misschien eigen maken, verliezen wij weêr in de lange uren die volgen met haar looden voeten. Het is zoo moeilijk de ziel te houden op "de hoogten die zij machtig is te winnen". Wij denken in de eeuwigheid, maar wij bewegen traag door den tijd; en hoe traag de tijd gaat voor ons die gevangen zitten, behoef ik niet nog eens te vertellen, evenmin als van de loomheid en de wanhoop die komen terugkruipen in onze cel en in de cel van ons hart met zulk een vreemdsoortige volharding dat wij om zoo te zeggen ons huis voor haar komst moeten sieren en bezemen als voor een onwelkom gast of voor een bitsen meester of voor een slaaf wiens slaaf het ons lot of onze keus is te zijn.

En, al kunnen op het oogenblik mijn vrienden, dit slecht gelooven, toch is het niet minder waar dat voor hen die leven in vrijheid, ledigheid en gerief, het gemakkelijker is de lessen van den deemoed te leeren dan voor mij die den dag begin met neder te knielen om den vloer mijner cel te reinigen. Want het leven in de gevangenis met zijn eindelooze onthoudingen en beperkingen maakt ons opstandig. Het schrikkelijkste er van is niet dat het iemands hart breekt--harten zijn er voor om gebroken te worden--maar dat het iemands hart tot een steen maakt. Van tijd tot tijd heeft men het gevoel dat men enkel met een bronshard voorhoofd en hoonstarre lippen door den dag kan heen komen. En hij die in den staat der weêrspannigheid is, kan de genade niet ontvangen, om de uitdrukking te gebruiken, die de Kerk zoo zeer bemint,--zoo zeer te recht bemint, dunkt mij--; want in het leven zoowel als in de kunst stopt de opstandige gestemdheid de toegangen der ziel en sluit de ademen des hemels buiten. Toch moet ik deze lessen hier leeren, als ik ze ergens zal leeren, en moet vervuld worden van vreugde, indien mijn voeten op den rechten weg zijn en mijn gelaat gekeerd is naar "de poort die de Schoone genaamd wordt", al val ik ook vaak neder in het slijk en verdool ik dikwijls in den mist.

Dit "Nieuwe Leven", zooals ik het soms om mijn liefde voor Dante gaarne noem, is natuurlijk volstrekt geen nieuw leven, maar eenvoudig bijwege van ontwikkeling en evolutie, de voortzetting van mijn vroeger leven. Ik herinner mij hoe ik eens in Oxford, het jaar vóor ik afstudeerde, tot een van mijn vrienden zeide op een morgen qat wij ronddwaalden door de nauwe vogelendoorkwetterde wandelpaden van Magdalen College, dat ik begeerde te eten van de vrucht van al de boomen in den tuin der wereld, en dat ik de wereld inging met dien hartstocht in mijn ziel. En zoo ging ik werkelijk het leven in, en zoo heb ik geleefd. Mijn eenige fout was dat ik mij uitsluitend beperkte tot de boomen van wat mij de bezonde kant van den tuin leek, en de andere zijde schuwde om haar schaduw en mistroostigheid. Mislukking, schande, armoede, smart, wanhoop, lijden, tranen zelfs, de gebroken woorden die over lippen in leed komen, wroeging die den mensch op doornen doet wandelen, schuldbesef dat veroordeelt, zelfverlaging die zich wreekt, ellende die asch op haar hoofd strooit, benauwing die een zak kiest voor haar kleedij en gal stort in haar eigen drinkwater,--voor al deze dingen was ik bevreesd. En terwijl ik besloten had daarvan niets te willen weten, werd ik gedwongen elk van hen op de beurt te proeven, op hen te teren, voor een bestemden tijd in waarheid geen ander voedsel te hebben.

Geen enkel oogenblik heb ik spijt dat ik geleefd heb voor genot. Ik deed het tenvolle, zooals men alles wat men doet, behoort te doen. Daar was geen genot waarvan ik geen ervaring maakte. Ik wierp de parel mijner ziel in een beker wijn. Het pad der, vroege-lentebloemen ging ik onder den klank der fluiten. Ik leefde van honing en honingzeem, Maar als ik hetzelfde leven had voortgezet, zoû dat verkeerd geweest zijn, daar het beperkend zoû gewerkt hebben. Ik moest verder. De andere helft van den hof had ook hare geheimen voor mij. Natuurlijk ligt van dit alles de voorschaduwing en voorbeelding in mijn boeken. Iets er van vindt men in "De Gelukkige Prins", iets ook in "De Jonge Koning", voornamelijk waar onder andere de bisschop zegt tot den knielenden knaap: "Is Hij die de ellende schiep, niet wijzer dan gij zijt?", een volzin, die, toen ik hem neerschreef, mij niet veel meer dan een fraze leek; veel er van ligt verholen in den doemdreigenden ondertoon die als een purperen draad loopt door het weefsel van "Dorian Gray"; in "De Kritikus als kunstenaar" is het uitgewerkt in vele kleuren; in "De Ziel des Menschen" is het neêrgeschreven, en dat in letterteekens meer dan gemakkelijk om te lezen; het is een der refereinen wier terugkeerende motieven "Salome" zoo zeer gelijk aan een muziekstuk maken en het tezamen binden als een ballade; in het prozagedicht van den man die uit het brons van het beeld van "Genot dat een oogenblik leeft" maken moet het beeld van "Smart die eeuwig duurt", is het lichaam geworden. Het had niet anders gekund. Ieder afzonderlijk oogenblik van zijn leven is men wat men zal zijn evenzeer als wat men geweest is. De kunst is een symbool, omdat de mensch een symbool is.

Als ik het volkomen bereiken kan, is dit Nieuwe Leven de uiterste verwezenlijking van het kunstenaarsbestaan. Immers het leven van den kunstenaar is eenvoudig zelfontwikkeling. De deemoed bij den kunstenaar bestaat in zijn onvoorwaardelijk aannemen van alle ervaringen, volkomen als de liefde bij den kunstenaar eenvoudig de zin der schoonheid is, die der wereld haar lichaam en ziel openbaart. In "Marius the Epicurean" tracht Pater het kunstenaarsleven te verzoenen met het godsdienstige leven in de diepe, zoete en gestrenge beteekenis van het woord. Maar Marius is niet veel meer dan een toeschouwer, zeker een ideaal toeschouwer en een aan wien het gegeven is "het schouwspel des levens gade te slaan met geëigende ontroeringen", wat Wordsworth bepaalt als het waarachtige doel des dichters; toch is hij uitsluitend toeschouwer, en misschien een weinig te beziggehouden met de sierlijkheid der banken van het heiligdom om op te merken dat het het heiligdom der smart is, dat hij voor oogen heeft.

Ik zie een veel inniger en onmiddellijker verband tusschen het werkelijke leven van Christus en het werkelijke leven van den kunstenaar; en het is een ongemeene verheuging voor mij te bedenken dat ik, lang vóor smart mijn dagen haar eigendom had gemaakt en mij gebonden aan haar rad, geschreven had in "De Ziel des Menschen" dat hij die een leven gelijk aan dat van Christus wil leiden, geheel en volstrekt zichzelf moet zijn, terwijl ik als voorbeelden niet enkel den schaapherder aan den heuvelkant en den gevangene in zijn cel had genomen, maar ook den schilder voor wien de wereld een kleurige optocht, en den dichter voor wien de wereld een lied is. Ik herinner mij hoe ik eens zeide tot André Gide, toen wij samen in een of ander Parijsch café zaten, dat, terwijl metaphysica maar weinig wezenlijk belang voor mij had en zedeleer volstrekt geen, er niets was, dat hetzij Platoon of Christus gezegd hadden, dat niet onmiddellijk kon worden overgebracht op het gebied der kunst en daar zijn volledige vervulling vinden.

Ook onderscheiden wij in Christus niet alleen die nauwe vereeniging van persoonlijkheid met volmaaktheid, die het feitelijke onderscheid uitmaakt tusschen de classieke en de romantieke strooming in het leven, maar de grondslag zelf van zijn natuur was dezelfde als bij de natuur van den kunstenaar--een felle en vlamgelijke verbeelding. Hij bracht in toepassing op het geheele gebied der menschelijke verhoudingen dat medegevoel der verbeelding, dat op het gebied der kunst het eenige geheim van scheppen is. Hij verstond de melaatschheid der melaatschen, de duisternis der blinden, de grimmige ellende van hen die leven voor genot, de vreemde armoede der rijken. Iemand schreef mij in mijn ongeluk: "Wanneer gij niet op uw voetstuk staat, zijt gij niet belangwekkend." Hoe ver stond de schrijver van wat Matthew Arnold noemt "het geheim van Jezus". Van beiden had hij kunnen leeren dat al wat onzen naaste overkomt, onszelf overkomt, en als gij een spreuk begeert, om te lezen bij den dageraad en in den avond, een voor vreugde en voor leed, schrijf op de wanden van uw huis in letters die de zon verguldt en de maan verzilvert: "Al wat onszelf overkomt, overkomt onzen naaste."

Christus' plaats is inderdaad bij de dichters. Zijn geheele opvatting der menschheid kwam rechtstreeks voort uit de verbeelding, en kan alleen door haar worden begrepen. Wat God was voor den pantheïst, was de mensch voor hem. Hij was de eerste die de verdeelde rassen als een eenheid opvatte. Vóor zijn tijd waren er goden en menschen geweest, en daar hij door de mystiek van het medegevoel erkende dat elk van beiden in hemzelf vleesch-geworden was, noemt hij zich, naar zijn oogenblikkelijke stemming, den Zoon van God en den Zoon des menschen. Meer dan wie ook in de wereldgeschiedenis wekt hij in ons de ontvankelijkheid voor het wonder, waartoe het romantieke zich altijd richt. Daar blijft voor mij iets bijna ongeloofelijks in het denkbeeld van een jong Gallilaiër van het land, die zich voorstelt dat hij op zijn eigen schouders zoû kunnen dragen den last der geheele wereld, al wat reeds gedaan en geleden was, en alles wat nog gedaan en geleden moest worden: de zonden van Nero, van Cesare Borgia, van Alexander VI, van hem die keizer van Rome was en priester van de Zon; het lijden van hen wier namen legio zijn en wier woning is tusschen de graven, onderdrukte volkeren, fabriekskinderen, dieven, gevangenen, uitgeworpenen, diegenen die stom zijn onder de verdrukking en wier stilte gehoord wordt alleen door God--, en die zich dat niet enkel voorstelt, maar het in werkelijkheid volvoert, zoodat nog op dit oogenblik al wie in aanraking komen met zijn persoonlijkheid, zelfs al buigen zij zich niet voor zijn altaar noch knielen voor zijn priester, meer of min ervaren dat het terugstootende van hun zonde is weggenomen, en de schoonheid van hun smart hun is geopenbaard.

Ik had van Christus gezegd dat hij in de rij der dichters behoort. Dat is zoo. Shelley en Sophokles zijn van zijn broederschap. Maar ook zijn geheele leven is het wonderbaarlijkste aller gedichten. Wil men "medelijden en vrees"--, daar is niets in den geheelen kring van het Grieksche treurspel, dat dit gedicht raakt. De volstrekte reinheid van den protagonist verheft het geheele plan tot een hoogte van romantieke kunst, vanwaar de rampen van Thebai en van Pelops' huis door haar gruwelijkheid zelf zijn uitgesloten, en bewijst hoezeer Aristoteles ongelijk had toen hij in zijn verhandeling over het drama zeide dat het onmogelijk zoû zijn het schouwspel te verduren van den vlekkelooze in lijden. Noch in Aischylos, noch in Dante, die stroeve meesters der teederheid, noch in Shakespeare, den zuiverst menschelijken van alle groote kunstenaars, noch in de gezamenlijke Celtische mythen en legenden waar de liefelijkheid der wereld zich vertoont door een mist van tranen, en het leven van een mensch niet meer is dan het leven van een bloem, is er iets dat, om zuiveren eenvoud van ontroerendheid, vereend en vereenzelvigd met verhevenheid van tragische werking, kan gezegd worden te evenaren of ook maar te benaderen het laatste bedrijf van Christus' lijden. Het eenvoudige avondmaal met zijn gezellen, van wie een hem reeds voor een som gelds verkocht heeft; zijn zielsangst in den rustigen maanverlichten hof; de valsche vriend die hem nadert om hem te verraden met een kus; de vriend die nog in hem geloofde en op wien hij als op een rots gehoopt had een huis van toevlucht voor den mensch te bouwen, die hem verloochent op het oogenblik dat de haan kraaide naar den dageraad; zijn eigen volstrekte verlatenheid, zijn onderworpenheid, zijn berusting in alles; en daartusschendoor zulke tooneelen als de hoogepriester der orthodoxie, die in toorn zijn kleed verscheurt, en de ambtenaar der wereldlijke rechtspraak, die om water roept in de ijdele hoop zich te reinigen van dien vlek onschuldig bloed, die hem tot de scharlaken figuur der geschiedenis maakt; de kroningsplechtigheid der smart, een der wonderbaarlijkste dingen in de kronieken der tijden; de kruisiging van den Gerechte voor de oogen van zijn moeder en van den discipel dien hij liefhad; de soldaten die het lot werpen om zijne kleederen; de vreeselijke dood waardoor hij der wereld haar eeuwigste symbool schonk; en ten laatste zijn bijzetting in het graf van den rijken man, zijn lijk gezwachteld in Aigyptisch lijnwaad met kostbare specerijen en reukwerken als ware hij een koningszoon geweest.... Wanneer men dit alles enkel uit het gezichtspunt der kunst beschouwt, kan men niet dan dankbaar zijn dat de hoogdienst der Kerk de opvoering van het treurspel is zonder vergieten van bloed, de mystieke voorstelling van het lijden van haren Heer door middel van dialoog en gewaad en zelfs van gebaar; en het is steeds een bron van vreugde en ontzag voor mij te bedenken dat men het Grieksche koor dat elders voor de kunst verloren is gegaan, in zijn laatsten overlevenden vorm kan vinden in den dienaar die den priester antwoordt bij de bediening der mis.

Toch is het geheele leven van Christus--zoo geheel en al kan smart en schoonheid eengemaakt worden in haar beteekenis en openbaring--in werkelijkheid een idylle, al is de afloop dat het voorhangsel van den tempel in tweeë scheurt, en de duisternis het gelaat der aarde bedekt, en de steen gewenteld wordt voor de deur van het graf. Men denkt altijd aan hem als aan een jongen bruidegom met zijn gezellen, zooals hij zelf inderdaad zich ergens beschrijft; als aan een schaapherder die met zijn schapen door de vallei dwaalt op zoek naar groene weide of koelen stroom; als aan een zanger die tracht op te bouwen uit muziek de muren van de Stad Gods; of als aan een minnaar voor wiens liefde de geheele wereld te klein was. Zijne wonderen lijken mij even kostelijk als de komst der lente, en even natuurlijk. Ik zie geen bezwaar te gelooven dat de bekoring zijner persoonlijkheid een zoodanige was, dat zijn enkele aanwezigheid vrede kon brengen aan beangste zielen, en dat zij die zijn kleederen of zijn handen aanraakten, hun pijnen vergaten, of dat als hij voorbijkwam langs de heirbaan des levens, menschen die nooit iets hadden gezien van levens geheimenis, die helder zagen, en anderen die doof waren geweest voor elke andere stem dan die van het genot, voor het eerst de stem der liefde hoorden en haar vonden "zoetluidig als Apolloons lier"; of dat booze hartstochten vluchtten bij zijn naderen en menschen wier stompzinnige verbeeldinglooze levens slechts een wijze van doodzijn waren geweest, als het ware uit hun graven opstonden wanneer hij hen riep; of dat wanneer hij leerde aan de berghelling, de schare haar honger en dorst en de zorgen der wereld vergat; en dat als zijn vrienden naar hem luisterden terwijl hij met hen aanzat, het gemeene voedsel hun kostelijk scheen en het water hun smaakte als uitgelezen wijn en bet geheele huis vervuld werd met de reuk en de zoetheid van nardus.

In zijn Leven van Jezus--dat bevallige vijfde evangelie, het evangelie naar den Heiligen Thomas, zoû men het kunnen noemen--zegt Renan ergens dat de grootste levensdaad die Christus tot stand bracht, was dat hij na zijn dood even bemind bleef als hij bij zijn leven was geweest. En als zijn plaats onder de dichters is, is hij zeker de voorganger van alle minnaren. Hij zag dat de liefde het hoofdgeheim der wereld was, waarnaar de wijzen hadden gezocht, en dat men alleen door liefde kon naderen hetzij tot het hart van den melaatsche hetzij tot de voeten van God.

En bovenal is Christus de opperste der individualisten. Zijn godsleer is, evenals het aannemen van alle levenservaringen door den kunstenaar, enkel een wijze van openbaring. De ziel des menschen is het, die Christus altijd zoekt. Hij noemt haar het "Koninkrijk Gods" en vindt haar in iedereen. Hij vergelijkt haar bij luttele dingen, bij een nietig zaad, een handvol zuurdeesem, een parel. Dat komt omdat men het bestaan der ziel enkel bewust wordt door zich los te maken van alle vreemde hartstochten, alle aangeleerde beschaving, alle uitwendige bezittingen, zoo goed als kwaad.

