De profundis

Part 2

Chapter 2 4,052 words Public domain Markdown

Ik was een man die in symbolische betrekking stond tot de kunst en de geestesbeschaving van mijn tijd. Ik had dit zelf in den vroegen dageraad van den mannelijken leeftijd ingezien en had daarna mijne tijdgenooten gedwongen het in te zien. Weinigen nemen zulk een stelling in tijdens hun eigen leven en zien die stelling op zulk een wijze erkend. Gewoonlijk wordt zij, indien ooit, bepaald door den geschiedschrijver of den criticus lang nadat zoowel de man als zijn tijd zijn voorbijgegaan. Met mij ging het anders. Ik heb het zelf gevoeld, en heb het anderen doen gevoelen. Byron was eene symbolische figuur, maar hij stond in betrekking met den hartstocht van zijn tijd en diens uitputting van hartstocht. Ik stond in betrekking met iets edelers en duurzamers, iets van meer levenskrachtige gevolgen, van wijder doeleinden.

De goden hadden mij bijna alleding geschonken. Ik had genie, een klinkenden naam, een hooge maatschappelijke stelling, de gave van te kunnen schitteren, intellectueelen durf. Ik maakte kunst tot een wijsbegeerte en wijsbegeerte tot een kunst. Ik wijzigde den geest der menschen en de kleur der dingen. Daar was niets wat ik zeide of deed, dat de menschen niet in verwondering bracht. Ik nam het drama, den meest objectieven vorm dien de kunst kent, en maakte het tot een even persoonlijke wijze van uiting als het lyrisch vers of het sonnet. Tegelijkertijd verruimde ik zijn gebied en verrijkte zijn karakterbeelding. Het drama, de novelle, het gedicht in proza, het gedicht op rijm, den subtiel realistischen of fantastischen dialoog, al wat ik aanraakte, maakte ik schoon in een nieuwen aard van schoonheid. Aan de waarheid zelf gaf ik wat onwaar is evenzeer als wat waar is, tot haar rechtmatig rijksgebied, en toonde aan dat het onware en het ware enkel intellectueele bestaansvormen zijn. Ik behandelde de kunst als de opperste werkelijkheid en het leven als niets meer dan een soort verdichtsel. Ik maakte de verbeelding mijner eeuw wakker, zoodat zij mythe en legende om mij heen schiep. Ik vatte alle wijsgeerige systemen samen in een zinsnede en alle bestaan in een epigram. Daarnaast hield ik mij met andere dingen bezig. Ik liet mij verlokken tot de langdurige begoochelingen van zinneloos en zinlijk welbehagen. Ik vermaakte mij er mede een flaneur te zijn, een dandy, een man van den dag. Ik omringde mij met kleine naturen en minderwaardige geesten. Ik werd de verzwendelaar van mijn eigen genie, en het schonk mij een bijzondere vreugde een eeuwigdurende jeugd te verkwisten. Vermoeid van op de hoogten te verkeeren, daalde ik opzettelijk af naar de laagten op zoek naar nieuwe zinnenprikkeling. Wat de paradox voor mij was in de sfeer der gedachte, werd het perverse voor mij in de sfeer van den hartstocht. Ten laatste was begeerte een ziekte of een waanzin of wel beide. Onverschillig werd mij het leven van een ander. Ik bevredigde mijn genotzucht waar het mij behaagde, en ging verder. Ik vergat dat iedere kleine daad van het dagelijksch leven vormend of vernietigend op het karakter inwerkt, en dat men daarom wat men in zijn binnenkamer heeft gedaan, eenmaal zal moeten verkondigen van de daken. Ik hield op meester over mijzelf te zijn. Ik stond niet langer aan het roer mijner ziel, en wist het niet. Ik liet mij door genot beheerschen. Ik eindigde in afgrijselijke schande. Nu blijft er slechts éen ding voor mij over, volstrekte deemoed.

Bijna twee jaar heb ik nu in de gevangenis gezeten. De natuurlijke mensch in mij verviel tot woeste wanhoop, tot een verslagenheid van leed, die deerniswaardig was ook maar om aan te zien, tot schrikkelijke en onmachtige woede, tot bitterheid en haat, tot benauwdheid die luid weende, tot ellende die geen stem kon vinden, tot smart die stom bleef. Iedere mogelijke stemming van lijden heb ik doorgemaakt. Beter dan Wordsworth zelf weet ik wat Wordsworth bedoelde toen hij zeide:

"Leed is bestendig, lichteloos en donker, En draagt de trekken der oneindigheid."

Maar terwijl er oogenblikken waren dat ik vreugde vond in het denkbeeld dat mijn lijden eindeloos wezen zoû, kon ik toch niet dragen dat het zonder bedoeling was. Nu vind ik ergens verweg in mijn natuur een verborgen ding dat mij zegt dat niets in de geheele wereld zonder bedoeling is, en lijden allerminst. Dat ding diep in mij begraven als een schat in een akker, is Deemoed.

Het is het laatste wat in mij overgebleven is, en het beste: de uiterste ontdekking waartoe ik geraakt ben, het uitgangspunt voor eene vernieuwde ontwikkeling. Het is tot mij gekomen rechtstreeks uit mijzelf, daarom weet ik dat het op het juiste oogenblik gekomen is. Het kon niet eerder gekomen zijn, en ook niet later. Indien iemand er mij over gesproken had, zoû ik het verworpen hebben. Als het tot mij gebracht was, zoû ik het geweigerd hebben. Nu ik het zelf gevonden heb, wensch ik het te behouden. Ik moet wel. Het is het eenige wat in zich de grondstoffen heeft ten leven, tot een nieuw leven, een "Vita Nuova" voor mij. Van alle dingen is het het wonderbaarste: men kan het niet weggeven, en een ander zoû het ons niet kunnen geven. Men kan het niet verwerven dan door alles op te geven wat men bezit. Slechts wanneer men alles verloren heeft, weet men dat men het bezit.

Nu ik tot de zekerheid ben gekomen dat het in mij is, zie ik volkomen helder wat ik behoor te doen, of beter, moet doen. En wanneer ik zulk een uitdrukking gebruik, behoef ik niet te zeggen dat ik niet zinspeel op eenige wet of gebod van buiten af. Ik erken er geen. Ik ben veel meer individualist dan ooit te voren. Niets komt mij van de geringste waarde voor dan wat men uit zichzelf wint. Mijn natuur zoekt naar eene nieuwe wijze van zelf-verwezenlijking. Dat is het eenige waar ik mede heb te maken. En het eerste ding dat voor mij te doen staat, is mijzelf te bevrijden van alle mogelijke verbitterdheid tegenover de wereld.

Ik ben volkomen zonder middelen en volstrekt zonder tehuis. Toch, er zijn erger dingen dan dit in de wereld. Ik ben volkomen oprecht wanneer ik zeg dat ik, liever dan uit deze gevangenis te gaan met bitterheid tegen de wereld in mijn hart, blij en reede mijn brood zoû willen bedelen van deur tot deur. Indien ik niets kreeg aan het huis der rijken, zoû ik iets krijgen aan het huis der armen. Zij die veel bezitten, zijn vaak gierig, zij die weinig hebben, deelen steeds. Het zoû mij niet kunnen schelen des zomers in het koele gras te slapen, en als de winter kwam, te schuilen in den warm en dicht met riet gedekten hooiberg of onder het afdak eener groote schuur, als ik maar liefde had in mijn hart. De uitwendige dingen des levens schijnen mij nu van niet het minste belang toe. Gij ziet tot wat hoogeren trap van individualisme ik gekomen ben--of liever bezig ben te komen, want de weg is lang en "daar zijn doornen waar ik ga".

Ik weet natuurlijk wel dat het mijn lot niet zal zijn aalmoezen te vragen langs den weg, en dat als ik ooit bij nachttijd nederlig in het koele gras, het wezen zal om sonnetten te schrijven op de maan. Wanneer ik uit de gevangenis kom, zal Robbie op mij wachten aan de andere zijde der groote met ijzer beslagen poort, en hij is het zinnebeeld niet enkel van zijn eigen genegenheid, maar van veler anderen genegenheid buitendien. Ik denk dat ik genoeg zal hebben om ongeveer achttien maanden in ieder geval te kunnen leven, zoodat ik, al schrijf ik voorshands geen schoone boeken, tenminste schoone boeken zal kunnen lezen; en is er wel grooter vreugde dan deze?

Na dien tijd hoop ik instaat te zijn mijn scheppingsvermogen te herscheppen.

Maar stonden de zaken anders: had ik geen vriend over in de wereld, stond geen eenig huis in medelijden voor mij open, moest ik den bedelzak en lompenmantel der uitgeschudde armoede dragen--zoo lang als ik vrij ben van alle wrokgevoel, hardheid en haat, zoû ik instaat zijn het leven met veel grooter gerustheid en vertrouwen in het gelaat te zien dan wanneer mijn lichaam in purper en fijn linnen gekleed zoû zijn, en de ziel binnenin mij krank van haat.

En ik zal inderdaad geen moeilijkheden ondervinden. Wanneer gij liefde werkelijk behoeft, zult gij haar op u vinden wachten.

Ik behoef niet te zeggen dat mijn taak daarmede niet ophoudt. Het zoû vergelijkelijkerwijze gemakkelijk zijn als dit zoo was. Daar ligt veel meer vóor mij. Ik moet veel steiler heuvelen beklimmen en veel donkerder valleien doorgaan. En allen bijstand moet ik uit mijzelf halen. Noch godsdienst of moraal, noch rede kan mij eenigszins helpen. De moraal komt mij niet te hulp. Ik ben buiten de wet geboren. Ik ben een van hen die geschapen zijn voor uitzonderingen, niet voor wetten. Maar al zie ik dat er niets verkeerds is in wat men doet, ik zie tevens dat er iets verkeerds kan wezen in wat men wordt. Het is goed dat ik dit geleerd heb.

Godsdienst helpt mij niet. Het geloof dat anderen geven aan wat onzienlijk is, geef ik aan wat men kan aanraken en aanschouwen. Mijn goden wonen in tempelen met handen gemaakt; en binnen den kring der feitelijke ervaring heb ik mijn geloof volkomen en volledig gemaakt, te volledig mogelijk, want als velen of allen van diegenen die hun hemel op deze aarde hebben geplaatst, heb ik er niet enkel de schoonheid van den hemel, maar ook den afschuw der hel gevonden. Wanneer ik over godsdienst hoegenaamd denk, gevoel ik als lust een orde te stichten voor hen die niet kunnen gelooven: de Broederschap der Vaderloozen zoû men haar kunnen noemen, waarin op een altaar waarop geen kaars brandde, een priester in wiens hart vrede geen woning had, de mis zoû dienen met ongeheiligd brood en een ledigen wijnkelk. Om waar te zijn, moet alles een voorwerp van godsdienst worden. En agnosticisme behoort zijn eeredienst te hebben evenzeer als geloof. Het heeft zijn martelaren gezaaid, het behoort zijn heiligen te oogsten, en God dagelijks te prijzen dat hij zich voor den mensch verstoken heeft. Maar hetzij mijn godsdienst geloof of agnosticisme zij, het mag niets wezen, dat uitwendig voor mij is. Zijn zinnebeelden moeten mijn eigen schepping zijn. Slechts datgene is geestelijk, dat zijn eigen gedaante schept. Indien ik zijn geheim niet in mijzelf vind, zal ik het nergens vinden: als ik het niet reeds bezit, zal het nimmer tot mij komen.

De rede helpt mij niet. Zij zegt mij dat de wetten waaronder ik veroordeeld ben, verkeerde en onrechtvaardige wetten zijn, en dat het stelsel waaronder ik geleden heb, een verkeerd en onrechtvaardig stelsel is. Maar op een of andere manier moet ik deze beide rechtvaardig en goed voor mij maken. En juist zooals men in kunst er enkel mede vandoen heeft wat een bijzonder ding op een bijzonder tijdstip voor onszelf is, zoo gaat het ook toe bij de ethische ontwikkeling van ons karakter. Alles wat mij overkomen is, moet ik maken tot iets dat goed voor mij is. De houten brits, het walgelijke voedsel, het harde touw dat tot werk wordt geplozen totdat de vingertoppen gevoelloos worden van pijn, het knechtswerk waarmede iedere dag begint en eindigt, de barsche bevelen die een noodzakelijk gevolg schijnen te zijn van de sleur, de afschuwelijke kleeding die smart bespottelijk maakt om aan te zien, de stilte, de eenzaamheid, de schaamte--al deze dingen afzonderlijk en gezamenlijk moet ik omzetten in een geestelijke ervaring. Daar is geen enkele vernedering van het lichaam, die ik niet moet trachten te maken tot een vergeestelijking der ziel.

Ik wil zoo ver komen dat ik instaat ben in allen eenvoud en zonder inbeelding te zeggen dat de twee voorname keerpunten in mijn leven waren, toen mijn vader mij naar Oxford zond, en toen de maatschappij mij naar de gevangenis stuurde. Ik bedoel niet dat de gevangenis het beste is wat mij kon zijn overkomen, want die uitspraak zoû smaken naar te groote bitterheid tegen mijzelf. Ik zoû eerder zeggen, of zoû het van mij willen hooren zeggen, dat ik zulk een eigenaardig kind van mijn tijd was dat ik in mijne verkeerdheid en om die verkeerdheid de goede dingen in mijn leven tot booze en de booze dingen in mijn leven tot goede omzette.

Doch wat ik zelf of anderen mogen zeggen, komt er weinig op aan. Het ding van belang, de taak die voor mij ligt, wat ik te doen heb, zal het kortstondig overschot mijner dagen niet verminkt, verdorven en onvolledig zijn, is dat ik in mijn natuur moet opnemen en verwerken al wat mij is aangedaan, dat ik het tot een deel van mijzelf moet maken, dat ik het moet leeren aannemen zonder klacht, vrees of verzet. De opperste ondeugd is oppervlakkigheid. Al wat men doorkend heeft, is goed.

Toen ik pas in de gevangenis werd gezet, raadden enkele menschen mij aan, dat ik trachten zoû te vergeten wie ik was. Het was een verderfelijke raad. Enkel door mij bewust te maken wat ik ben, heb ik eenigszins troost gevonden. Nu raden anderen weêr mij aan om wanneer ik ontslagen word, mijn best te doen te vergeten dat ik ooit van mijn leven in een gevangenis geweest ben. Ik weet dat dit evenzeer noodlottig zoû zijn. Het zoû beduiden dat ik voor altijd vervolgd zoû worden door een ondragelijk gevoel van schande, en dat die dingen die voor mij evenzeer als voor ieder ander bedoeld zijn--de schoonheid van zon en maan, de feeststoet der jaargetijden, de muziek van den dageraad en de stilte der groote nachten, de regen die komt vallen door de bladeren, of de dauw die het gras besluipt en verzilvert--dat dat alles voor mij bezoedeld zoû zijn en zijn heelkracht en vreugdmeêdeelende macht zoû verliezen. Onze eigen ervaringen betreuren is onze eigen ontwikkeling tot staan brengen. Onze eigene ervaringen verloochenen is een leugen leggen op de lippen van ons eigen leven. Het is niet meer of minder dan een verloochening der ziel.

Want juist zooals het lichaam allerhande dingen verwerkt, dingen gemeen en onrein evenzeer als wat de priester of een visioen heeft gereinigd, en hen omzet in snelheid of kracht, in het spel van schoone spieren en de vorming van bloeiend vleesch, in de golvingen en de kleuren van haar, lippen en oogen, zoo heeft de ziel op haar gebied ook hare voedingsverrichtingen en kan omzetten in edele gedachtestemmingen en hartstochten van hooge waarde wat in zichzelf laag, wreed en vernederend is; ja, wat nog meer is, de ziel kan hierin vinden de meest verheven wijzen van zelfbevestiging en vermag vaak zichzelf op de meest volmaakte wijze te openbaren door tusschenkomst van wat bedoeld was haar te ontheiligen of te verwoesten.

Het feit dat ik een gemeen gevangene in een gemeene gevangenis geweest ben, moet ik onvoorwaardelijk aannemen, en, al moge het buitengewoon schijnen, een der dingen die ik mijzelf zal te leeren hebben, is daarover niet beschaamd te zijn. Ik moet het aannemen als een bestraffing, en als men beschaamd is over het feit dat men bestraft is, kon men even goed in het geheel niet bestraft zijn. Natuurlijk zijn er vele dingen waarvoor ik veroordeeld werd zonder dat ik ze gedaan had, maar daar waren ook vele dingen waarvoor ik veroordeeld werd, die ik wel gedaan had, en een nog grooter aantal dingen in mijn leven, waarvoor ik nooit of nimmer terecht stond. En daar de goden ondoorgrondelijk zijn en ons straffen voor wat goed en mensonwaardig in ons is, evenzeer als voor wat boos en ontaard is, moet ik het feit aannemen dat men voor het goede dat men doet, even goed gestraft wordt als voor het booze. Ik twijfel niet of men wordt dit volkomen terecht. Het helpt ons, of behoort ons te helpen, om beide te doorkennen en niet te ingebeeld te zijn over een van twee. En als ik dan niet beschaamd zal zijn over mijn straf, zooals ik hoop dat ik niet wezen zal, zal ik instaat zijn te denken en te wandelen en te leven in vrijheid.

Velen dragen, als zij vrijgelaten worden, hun gevangenis met zich mede naar buiten, en verbergen haar als een geheime schande in hun hart en kruipen ten slotte als arme vergiftigde wezens in een of ander hol om te sterven. Het is erbarmelijk dat zij daartoe moeten komen, en het is een onrecht, een verschrikkelijk onrecht van den kant der maatschappij hen daartoe te dwingen. De maatschappij matigt zich het recht aan het individu een afschrikwekkende straf op te leggen, maar zij heeft ook de opperste ondeugd der oppervlakkigheid en laat na zich rekenschap te geven van wat zij gedaan heeft. Wanneer 's mans straftijd voorbij is, laat zij hem aan zichzelf over, dat wil zeggen, zij laat hem in den steek juist op het oogenblik wanneer haar hoogste plicht tegenover hem begint. In waarheid is zij beschaamd over haar eigen daden, en schuwt diegenen die zij gestraft heeft, zooals de menschen een schuldeischer schuwen, aan wien zij hun schuld niet kunnen betalen, of iemand wien zij een onherstelbaar, een onvergoedbaar kwaad hebben aangedaan. Ik kan van mijne zijde eischen dat indien ik mij rekenschap geef van wat ik geleden heb, de maatschappij zich rekenschap geeft van wat zij mij heeft aangedaan, en dat er geen verbittering of haat zal zijn van weêrszijden.

Natuurlijk weet ik dat, van éen kant beschouwd, de zaken anders zullen staan voor mij dan voor anderen, dat dit uit den aard zelf van mijn geval moet. De arme dieven en verschoppelingen die hier met mij gevangen zitten, zijn in menig opzicht beter af dan ik. Het klein bestek in de grauwe stad of op het groene land, dat hun zonde zag, is beperkt; om menschen te vinden, die niets weten van wat zij gedaan hebben, behoeven zij niet verder te gaan dan een vogel zoû vliegen tusschen de morgenschemering en den dageraad. Maar voor mij is de wereld tot een handbreed ineengekrompen, en overal waar ik mij wend, slaat mijn naam in looden letters op de rotsen geschreven. Want ik ben niet uit de duisternis tot de oogenblikkelijke bekendheid van de misdaad gekomen, maar uit een soort eeuwigheid van roem tot een eeuwigheid van eerloosheid, en soms komt liet mij voor dat ik bewezen heb, indien daarvoor inderdaad bewijs noodig is, dat tusschen roem en eerloosheid maar éen schrede is of nog minder dan dat.

Toch, juist in het feit dat de menschen mij zullen herkennen overal waar ik ga, en wat zijn dwaasheden aangaat, alles omtrent mijn leven zullen weten, kan ik ook iets goeds voor mij ontdekken. Het zal mij de noodwendigheid inprenten van mij weêr als kunstenaar te doen gelden, en dat zoo snel als ik bij mogelijkheid kan. Indien ik slechts éen enkel schoon kunstwerk zal kunnen voortbrengen, zal ik instaat zijn boosaardigheid haar venijn en lafhartigheid haar grijns te ontrooven, en de tong van den smaad bij den wortel uit te rukken.

En als ik, zooals ik werkelijk doe, tegenover het leven als tegenover een raadsel sta, staat het leven niet minder tegenover mij als tegenover een raadsel. De menschen moeten een of andere houding tegen mij aannemen en zoodoende een oordeel vellen zoowel over zichzelven als over mij. Ik behoef wel niet te zeggen dat ik geen bepaalde persoonlijkheden bedoel. De eenige menschen met wie ik nu gaarne zoû omgaan, zijn kunstenaars en menschen die geleden hebben: menschen die weten wat schoonheid is, en menschen die weten wat smart is. Niemand anders boezemt mij belangstelling in. Ook stel ik geen enkelen eisch aan het leven. Alles wat ik besproken heb, heeft enkel te maken met mijn eigen geestelijke houding tegenover het leven in zijn geheel, en ik gevoel dat niet beschaamd te zijn over het feit dat ik straf ondergaan heb, een der eerste dingen is, die ik moet bereiken, ter wille van mijn eigen vervolmaking en omdat ik zoo onvolkomen ben.

Dan moet ik leeren gelukkig zijn. Eenmaal wist ik het, of dacht het te weten, bij instinkt. Toen was het altijd lente in mijn hart. Mijn gemoedsgesteldheid was verwant met vreugde. Zooals men een beker tot den rand vult met wijn, vulde ik mijn leven tot den rand met genot. Ik nader het leven nu van een volslagen nieuwen kant. En zelfs mij een denkbeeld te maken van geluk is vaak uiterst moeilijk voor mij. Ik herinner mij hoe ik eens in mijn eerste jaar te Oxford las in Pater's _Renaissance_ (dat boek dat zulk een wonderbaren invloed op mijn leven heeft gehad) hoe Dante diep in den Inferno hen plaatst, die eigenzinnig leven in droefenis, en hoe ik naar de boekerij van het College ging en de plaats opsloeg in de _Divina Commedia_ waar onderin het sombere moeras diegenen liggen die "gemelijk waren in de zoete lucht", die altijd door zeggen door hun zuchten heen:

"Tristi fummo Nell' aere dolce, che dal sol s'allegra."

Ik wist dat de Kerk _acidia_ veroordeelde, maar het gansche denkbeeld leek mij volkomen fantastisch, juist de soort van zonde, verbeeldde ik mij, om uit te vinden voor een priester die niets van het werkelijke leven afwist. Ook kon ik niet begrijpen hoe Dante die zegt dat "smart ons herhuwt met God", zoo hard kon geweest zijn voor hen die op den weemoed verliefd waren, indien er werkelijk zulke wezens bestonden. Ik vermoedde niet dat dit eenmaal voor mij een der grootste verzoekingen van mijn leven zoû worden. Terwijl ik in de gevangenis te Wandsworth was, haakte ik naar den dood. Het was mijn eenige begeerte. Toen ik na twee maanden hospitaal hierheen overgebracht werd en ik bevond dat mijn lichamelijke gezondheid gaandeweg verbeterde, kwam ik tot de heftigste verwoedheid. Ik besloot zelfmoord te plegen op den eigen dag waarop ik de gevangenis verlaten zoû. Mettertijd ging die booze stemming over, en ik vatte het plan op om te leven, maar om neêrslachtigheid te dragen zooals een koning zijn purper draagt: nooit zoû ik weêr glimlachen, ieder huis waar ik binnentrad, zoû ik maken tot een huis van rouw, ik zoû mijn vrienden in loome droefenis met mij doen wandelen, ik zoû hun leeren dat droefgeestigheid het ware geheim des levens is, ik wilde hen verlammen met de smart van een ander, ik wilde hun leven verderven met mijn eigen leed. Nu ben ik volkomen anders gestemd. Ik zie in dat het zoowel ondankbaar als onvriendelijk van mij zoû zijn een zoo lang gezicht te trekken, dat wanneer mijn vrienden mij kwamen bezoeken, zij een nog langer gezicht moesten zetten om hun medegevoel te toonen; of om, als ik hen te gast wilde hebben, hen uit te noodigen in stilzwijgen aan te zitten bij bittere kruiden en gerechten van een begrafenismaal. Ik moet leeren opgewekt te zijn en gelukkig.

De laatste twee gelegenheden dat het mij vergund was mijn vrienden hier bij mij te zien, deed ik mijn best zoo opgewekt mogelijk te zijn en mijne opgewektheid te toonen om hun een kleine vergoeding te geven voor de moeite die zij namen om heel uit de stad mij te komen bezoeken. Ik weet wel, het is slechts een geringe vergoeding, maar die, daar ben ik zeker van, hun meest genoegen doet. Zaterdag vóor acht dagen had ik Robbie hier een uur lang bij mij en ik deed mijn best zoo vol mogelijk uiting te geven aan het genot dat ik werkelijk in ons samenzijn gndervond. En dat ik in de beschouwingen en denkbeelden die ik hier op eigen gelegenheid vorm, op het rechte pad ben, blijkt mij uit het feit dat ik nu voor het eerst sinds mijn gevangenschap een werkelijke begeerte heb om te leven.

Er wacht mij zooveel werk dat ik het als een verschrikkelijke ramp zoû beschouwen indien ik stierf vóor het mij vergund werd er tenminste een klein deel van te volbrengen. Ik zie nieuwe mogelijkheden van ontwikkeling in de kunst en in het leven, waarvan elk een nieuwe vorm van vervolmaking is. Ik begeer te leven om te kunnen onderzoeken wat voor mij niet meer of minder dan een nieuwe wereld is. Wenscht gij te weten wat deze nieuwe wereld is? Gij kunt het wel raden, denk ik. Het is de wereld waarin ik geleefd heb. Smart en al wat smart ons onderwijst, is mijn nieuwe wereld.