De Prins en Johan de Witt of ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering

Part 8

Chapter 83,977 wordsPublic domain

In den morgenstond van den volgenden dag stierf Pieter Dirksz, en liet zijne kinderen als weezen achter. Ik zal u hunne droefheid niet schetsen; het was een heele troost voor hen, dat oom Klaas bij hen was. Hij gaf hun den noodigen raad, hoe zij te handelen hadden met de begrafenis, en wat hun verder te doen stond om de zaken van hun overleden vader te regelen, volgens de toenmalige wetten. Intusschen moet ik u nog een enkel woord van de begrafenis mededeelen. Toen vader Dirksz overleden was, zond oom Klaas den winkeljongen naar den gildeknecht, die den doode aan al de broeders van het pruikenmakersgild aanzeide. Vervolgens werd den leden van het gild, die volgens den rooster dragen moesten, door gemelden gildeknecht aangezegd, om met lamfers aan hunne hoeden en rouwmantels om, op den dag der begrafenis op het daartoe bepaalde uur te verschijnen ten sterfhuize, ten einde den overledene te dragen; welke rouwmantels, een eigendom van het gild, hun door den knecht aan huis bezorgd en later bij hen afgehaald werden. De andere leden van het gild, die twee aan twee achter het lijk zouden gaan, moesten in hunne gewone kleeding, in hunne wijde en lange mantels op hetzelfde uur komen. Vóór het lijk uit ging een lid van het aansprekers- of biddersgild, dat sedert 1626 tot op tien leden verminderd was, welke door den Magistraat moesten beëedigd worden. De aanspreker of bidder ging eerst, op hem volgde de knecht van het gild met het beeld van den schutspatroon op een vaandel, daarop de lijkkist met een lakensch rouwkleed (pelt) bedekt, welks slippen door den deken en de drie hoofdlieden werden vastgehouden, terwijl de kist zelf door de reeds genoemde leden van het gild werd gedragen. Vlak daarachter volgden: eerst Karel en Jacob, toen Marie's man met Evert en eindelijk oom Klaas met Pieter, alle zes met lamfers aan de hoeden en rouwmantels om, welke hun door het biddersgild verhuurd waren. Achter hen aan traden twee aan twee de leden van het gild. Zoo trok de stoet de _Spuistraat_, _Vlamingstraat_ en _Schoolstraat_ door, tot aan de Groote kerk, waar de kist van Pieter Dirksz in een graf, dat in het daarom gelegen kerkhof gedolven was, werd nedergelaten, en de stoet naar huis terugkeerde. Hier hadden Marie en Martha intusschen gezorgd voor het noodige. Brood, vleesch, kaas, worst, bier, brandewijn, alles stond in overvloed voor het "begrafenismaal" gereed. Men zou gemeend hebben, als men dien opgetorenden schotel met brood zag, dat deze mannen van verre plaatsen gekomen waren en nog heel wat te reizen hadden, of dat die wandeling van de Spuistraat naar de Groote kerk hun hongerige magen bezorgd had. Maar dat was toen en nog lang daarna de gewoonte, en hoe meer brood en vleesch en kaas en worst en bier en brandewijn er gebruikt werd, hoe meer men daarmede den overledene eer bewees,--een treurig overblijfsel van de Germaansche lijkfeesten. Het gebeurde dan ook dikwijls, dat zulk een begrafenismaal vrij wat vroolijker afliep dan menige bruiloft, en dat er bij den afloop menig vriend van den overledene naar huis ging, die zoo lang drankoffers aan den afgestorvene geplengd had, tot hij eindelijk, mooi boven zijn bier en zwaaiend langs de straten, blij was, als hij zonder vallen en horten en stooten zijn woning bereikt had. Men had dan ook begrafenisbier, begrafeniskaas en dergelijke. Gelukkig dat die "begrafenismalen" in de steden althans [18] zijn afgeschaft.

Daar men gedurende de dagen tusschen het overlijden en de begrafenis toch niet altijd over vader Dirksz kon spreken, zoo had Pieter oom Klaas verzocht, te verhalen, wat hem alzoo gedurende zijne laatste reis gebeurd was, en de goede man voldeed hieraan volgaarne, te meer, daar ook de anderen hem zulks vraagden. Ik zal u intusschen dat verhaal niet in zijn geheel mededeelen, maar er liever enkele bijzonderheden van aanstippen.

In het laatst van de maand Mei 1661 met een vloot van tien schepen in zee geloopen, keerde de Vice-admiraal De Ruyter den 30sten Juni daarop naar _Texel_ terug, werwaarts hij ettelijke Nederlandsche schepen begeleid had. Eerst den 17den Juli vertrok hij met zeventien bodems naar de _Middellandsche zee_, om de Turken voor het nemen onzer schepen te tuchtigen en de zee, zooveel mogelijk, van roovers schoon te vegen. Ik zal u niet verhalen, hoe De Ruyter ook hier aan zijn last voldeed, en hoe zelfs de Turken hem groote eer en vriendschap bewezen.--Eene aardigheid echter wil ik u vertellen, die plaats vond, terwijl De Ruyter voor de haven van _Farina_ (eenige mijlen noordwestelijk van het oude _Karthago_) lag, in welke hij zeven Turksche zeeschuimers gejaagd had. Terwijl de Vice-admiraal met den koning van _Tunis_, Mahomet Pacha en den bassa Dublet Lie Hadsje Mustapha aan het onderhandelen was over de inwisseling en loskooping van de bij de Turken gevangene Christenslaven, terwijl hen de Turken van eenige versche proviand voorzagen, kreeg hij van den schout-bij-nacht van _Algiers_, Suliman Bassa Reys den volgenden bluffenden brief:

"Mijnheer!

"Hoewel ik U, wegens den godsdienst, geheel tegen ben, evenwel hoop ik, dat gij mijn verzoek zult toestaan. Gij hebt mij tot driemalen vervolgd bij _Maltha_, bij _Sicilië_, en nu bij de haven van _Farina_, waarin gij mij gejaagd hebt. Ik nam telkens de vlucht, niet bij gebrek aan moed, maar door ongelijkheid van macht; want ik heb slechts een bark tegen uw zeekasteel. Daarom doe mij de eer, en zend tegen mij, als Schout-bij-nacht van _Algiers_, uwen Hollandschen Schout-bij-nacht, om schip tegen schip mijn fortuin en het geluk van den oorlog te beproeven, en mij te weren als een soldaat. Word ik overwonnen, ik zal uw slaaf zijn. Win ik, het zal mij eere zijn. Geef hiertoe verlof, en indien ik dan niet uitkom, zoo ben ik als de lafste vrouw van _Holland_. Mijnheer, zijt gegroet van mij

Uwen dienaar."

De Ruyter antwoordde op dit schrijven, dat zijn Schout-bij-nacht Van der Zaan, met zijn schip op plaats en tijd, die de Turk zou goedvinden, den tweekamp zou aanvaarden; terwijl hij beloofde, dat noch hij noch één der Hollandsche kapiteins genoemden Schout-bij-nacht eenige de minste hulp zou toebrengen. Den admiraal van _Tunis_ verzocht hij, kampvechter in dat zonderlinge gevecht te zijn.

Maar nu bleek het, welk een bluffer de Turk was. Van der Zaan kwam wel ter bestemder plaats, maar wachtte tevergeefs op den grootspreker, die den moed niet had om de haven uit te komen, maar zich bij zijne makkers onder de veilige hoede der kasteelen verschool.

Na den moedwil der zeeroovers beteugeld en onzen naam weder geducht gemaakt te hebben onder de Turksche vrijbuiters, na verdragen met _Tunis_, _Algiers_ en _Tripoli_ te hebben gesloten, na tal van arme Christenslaven uit de ketenen der Turken verlost te hebben, keerde De Ruyter, zooals wij gezien hebben, in het laatst van April 1663 in het vaderland terug om toch eenmaal eenigen tijd rust te genieten te midden der zijnen; want hij bleef dat geheele jaar en een gedeelte van het volgende aan land.

Keeren wij thans tot onzen Pieter terug. Gij hebt gezien hoe zijn vader volkomen verzoend was met zijne idée om zeeman te worden, en ik ben u dienaangaande eenige opheldering schuldig. Gij moet weten, dat de Prins van _Oranje_, die den koenen knaap zeer genegen was, den pruikenmaker daarover gesproken had, daarbij tevens de verzekering voegende, dat hij Pieter aan den Raadpensionaris had aanbevolen en dit, als de jongen oppaste, nog wel eens zou herhalen, zoodat zijn fortuin gemaakt scheen. Intusschen was vader Dirksz altijd bij zijne meening gebleven, dat de knaap nog te jong was. Oom Klaas nu, aan wien na 's vaders dood de zorg voor den wees in het bijzonder was opgedragen, en die verlof gevraagd en gekregen had om, zoolang zijn schip buiten dienst was, thuis te blijven, had een ander plan met den knaap. Hij wist hem te _Rotterdam_ op de scheepstimmerwerf der Admiraliteit te plaatsen, opdat Pieter dan als timmerman op het schip in dienst zou komen, hetgeen hem van vele onaangenaamheden zou verlossen, die den bootsmansmaat op het oorlogsschip wachtten en niet zou beletten, dat ook hij, wanneer er gevochten moest worden, zich zou kunnen onderscheiden en op bevordering rekenen.

Pieter kwam alzoo op de werf van de Admiraliteit, en, daar hij bij baas Balkenende reeds aardige vorderingen in het timmeren gemaakt had, zoo kon men hem daar zeer goed gebruiken en verdiende hij een tamelijk daggeld. Van dit geld betaalde hij zijn kosthuis en voorzag hij zich van de noodige kleeding. Zoolang de zomer duurde, begaf hij zich alle Zaterdagavonden, nadat het werk afgeloopen was en hij zijn weekgeld had ontvangen, naar 's-_Gravenhage_, waar oom Klaas nog altijd in zijns broeders huis logeerde. Dat was dan een recht feest voor hem, en vooral voor Martha, die altijd zorgde, iets lekkers voor hem gereed te maken. Meestal voer hij slechts tot _Delft_ mede en wandelde den Delftschen weg op naar _Den Haag_. Zondagsavonds echter moest hij weder op weg; als het weer goed was, brachten hem oom Klaas, Jacob en Evert gewoonlijk tot _Rijswijk_, soms wel tot _Delft_ en dan ging Pieter in de schuit of, als hij er lust in had, wandelde hij tot _Rotterdam_ want onze knaap was heel zuinig en vond het te duur, om altijd te varen. Toen echter het najaar aankwam, moest Pieter in _Rotterdam_ blijven en dan was het hem wel wat eenzaam en treurig. Spoedig evenwel gewende hij daaraan, en ging hij als het weder goed was, Zaterdagsavonds buiten de poort een kroes bier drinken in de eene of andere herberg, waar hij dan meestal kennissen aantrof. Des Zondags ging hij gewoonlijk tweemaal ter kerk en wandelde na de middagpreek nog eens langs de _Maas_, waar hij zich vermaakte met de schepen te zien liggen. Gewoonlijk bracht hij dan den avond in de herberg "de Trouwe Harder" [19] door, waar hij echter zorg droeg, weinig te verteren.

Op zekeren avond zat onze Pieter weder in "de Trouwe Harder" zijn glas bier te drinken, toen hij zich onverwachts op den schouder voelde tikken. Hij keek om, en terstond herkende hij zijn ouden makker en vroegeren vijand, Jan IJzer. Ik heb mijne lezers omtrent dezen knaap in de onzekerheid gelaten en het spijt mij, dat ik dit gedaan heb. Maar het kwam zoo in mijn verhaal te pas, en ik wil de fout herstellen.--Wij hebben gezien, hoe onze Pieter dacht over het redden van zijn vijand, en ik behoef u niet te zeggen, dat hij geen moeite deed, om verder iets van den door hem geredde te weten te komen.--Nu moet ik u zeggen, dat Jan IJzer, hoe slecht van hart hij ook was, toch behoefte gevoelde, om Pieter zijn dank te betuigen; want hij begreep maar al te wel, dat hij zonder diens hulp verloren ware geweest. Zoodra hij dus beter was, ging hij naar Pieter toe; maar deze ontving hem zoo koel, dat de oude vijandschap in het hart van Jan herleefde. Zeker was het verkeerd in den knaap, zoo onverzoenlijk te zijn; maar wanneer men bedenkt, hoe Jan hem had behandeld, toen hij daar hulpeloos in den tuin van baas Gerritsz lag en daarbij in het oog houdt, hoe hij, toen Jan in gevaar was, zijn leven niet te kostbaar geacht had om zijn vijand te redden; dan kan men het onzen Pieter niet kwalijk nemen, dat hij zich zoo onverschillig omtrent den goudsmidsjongen gedroeg. Bij hem bestond geen haat,--hij mocht den knaap niet en liet hem links liggen. Maar bij Jan, die, had Pieter hem anders ontvangen, zeker zijn vriend ware geworden, bracht die onverschilligheid een ander gevoel te weeg: dat van onverzoenlijke vijandschap.

Jan, wien het goudsmeden niet meer beviel, en die het met meester Verhoef niet best kon vinden, had eenige weken geleden, stil _Den Haag_ verlaten en was naar _Rotterdam_ vertrokken: iets wat Pieter, die zich niets aan Jan gelegen liet liggen, in het geheel niet wist. Hij was dus zeer verwonderd, toen hij hem daar zoo onverwacht in een vreemde stad terugzag.

"Jij hier Jan?" zeide hij verwonderd. "Ik dacht, dat je nog hoog en droog in _Den Haag_ zat."

"Ik wenschte, dat dit zoo ware," zeide Jan op treurigen toon.

"Welnu, wat belet je dan, weder naar _Den Haag_ te gaan?" hernam Pieter koel.

Jan begon te schreien en zette zich naast Pieter neder.

"Ik weet wel," begon hij, "dat je mijn vriend niet zijt. Als ik hier iemand anders had, zou ik mij niet tot jou gewend hebben. Maar ik ben hier vreemd en heb niemand, die eenig belang in mij stelt. Daarom dacht ik zoo, toen ik je deze herberg binnen zag gaan: Pieter Pietersz is toch een Haagsche jongen net als jij en zal zijn stadgenoot niet in den nood laten."

"Maar wat moet dit alles beteekenen?" vraagde Pieter die niet begreep waar de knaap heen wilde.

"Dat zal ik je zeggen," antwoordde Jan, "en ik wil je oprecht alles bekennen. Weet dan, dat ik stil uit vaders huis ben weggeloopen."

"Maar dat is heel ondeugend van je, Jan!" hervatte Pieter. "En waarom heb je dat gedaan?"

"Omdat ik het bij dien knorrepot van een Verhoef niet langer kon uithouden en vader van geen anderen baas wilde hooren. Zoo nam ik, nu een week geleden, den pas onder de voeten, en met mijn weekgeld in den zak, stapte ik stilletjes over _Delft_ hier naar toe. Ik dacht gemakkelijk bij den een of anderen baas werk te zullen vinden, maar mijne hoop werd bitter teleurgesteld. Ik kreeg geen werk, teerde mijn geld op, en trachtte wat te verdienen met pakjes te dragen voor de heeren, die met de schuit aankwamen. Maar de Rotterdamsche jongens, die niet verkozen, dat een vreemde het geld verdiende, waarop zij meenden recht te hebben, beloofden mij een pak slaag, als ik het waagde mij weder aan een der schuiten te vertoonen, en tegen de overmacht kon ik slecht op. Zoo heb ik alles verkocht wat ik nog van eenige waarde bij mij had, en nu, sedert gistermiddag heb ik geen stukje gegeten."

"Je hebt zeer verkeerd gedaan, Jan," hervatte Pieter, "met van je vader weg te loopen. Maar ik wil geen zedepreek houden; wat gedaan is, is gedaan. Intusschen kan het hersteld worden. Je moet weer naar je vader terug en hem om vergiffenis vragen."

"Maar hij zal mij niet weer in huis willen nemen."

"Hij zal wel. Maar dan moet je evenals de verloren zoon uit de gelijkenis, met berouw bij hem komen."

"Ik wil dit doen, Pieter. Morgen reeds zal ik naar hem toegaan. Maar ik kan toch van nacht niet op straat blijven. O! ik weet geen raad! Als er zich maar iemand over mij erbarmde. Nog geen half uur geleden, was ik zoo wanhopig, dat ik in de _Maas_ wilde springen. Maar ik dacht: laat mij de stad nog eens ingaan. Misschien ontmoet ik de eene of andere medelijdende ziel, die zich mijner aantrekt. O, als je mij van avond slechts wat eten wilt geven en mij van nacht bij je wilt laten slapen, dan ga ik morgen naar vader terug, en ik zal er je altijd dankbaar voor zijn, dat je mij van den rand des afgronds hebt teruggebracht. Ik zal mijn leven beteren, en trachten een braaf mensch te worden."

Pieter dacht een oogenblik na. Hij had er niet veel zin in, zijn bed met den knaap te deelen. Maar hem aan zijn lot over te laten, dat kon toch ook niet, daartegen verzette zich zijn goed hart. Nu kwam het wel in hem op, Jan voor dien nacht in een logement te besteden; maar dat kostte geld en onze Pieter was heel zuinig. Hij besloot dus maar, om Jan mede te nemen naar zijn kosthuis.

"Hoor eens,"' zeide hij. "Kan ik er stellig op rekenen, dat je morgen naar je vader terugkeert?"

"Zoo zeker als ik hier voor je sta," antwoordde de andere.

"Welnu, ga dan met mij mede; dan zal ik de vrouw uit mijn kosthuis verzoeken, je wat eten te geven en dan slaap je van nacht bij mij."

Jan had hem wel de handen willen kussen van blijdschap, en onze scheepstimmerman, tevreden over zich zelf om de goede daad, die hij ging verrichten, liet den waard een glas bier voor zijn gast geven; niet lang daarna stapten zij naar huis.

Hoe verwonderd was onze Pieter, toen hij, den volgenden morgen wakker wordende, zijn slaapkameraad van zijne zijde miste.

"Hij zal niet hebben kunnen slapen van angst bij de gedachte aan de ontmoeting met zijn vader," dacht hij, schoof het bed-gordijn wat weg en keek in zijn kamertje rond. Maar wie hij zag, Jan niet. Waarschijnlijk is hij naar beneden om een noodzakelijke behoefte te verrichten, zeide hij en ging weer liggen. Maar hij kon den slaap niet meer vatten en stond dus op. Hoe verschrikt was hij echter, toen hij zijn wambuis en zijn hozen miste, die hij den vorigen avond op den stoel voor zijn bed had nedergelegd. Hij schrikte; want in den broekzak bevond zich zijn volle weekgeld, en de gedachte kwam eensklaps in hem op: "Hoe, indien Jan mij eens bedrogen, mij bestolen had!" Maar de knaap was zoo bedroefd geweest en had hem zoo plechtig beloofd, naar huis terug te zullen keeren. Had hij ook gisteren avond zijne kleeren ergens anders gelegd? Maar hoe hij zocht--en het kamertje was klein, dus behoefde hij niet lang te zoeken--nergens vond hij de vermiste zaken. Hij werd nu ernstig ongerust en riep zijne huiswaardin, aan wie hij vraagde, of zij ook iets wist van den knaap, dien hij den vorigen avond had medegebracht. Deze antwoordde hem, dat die reeds voor dag en dauw vertrokken was. Hij had een pakje onder den arm gehad en haar gezegd, dat hij met de eerste schuit naar 's-_Gravenhage_ wilde en dat hij maar heel stil was opgestaan, om zijn vriend niet wakker te maken; want de Zondag was de eenige dag, dat deze eens kon uitslapen, op de andere dagen moest hij toch altijd zoo vroeg naar zijn werk. Hij had haar ook wél verzocht, hem zijne hartelijke groete te doen.

Twee groote tranen sprongen den armen Pieter uit de oogen.

"Ik ben bedrogen, vrouw Martensz!" zeide hij, "schandelijk bedrogen en bestolen. De schurk heeft mijn hozen en mijn wambuis, ja, nog wat meer is, mijn volle weekgeld meegenomen. O, dat ik ook zoo dom was, aan zijne mooie praatjes geloof te slaan!"

En hij vertelde aan zijne huiswaardin, wie Jan was, wat er reeds vroeger met hem gebeurd was, en hoe hij hem den vorigen avond in "de Trouwe Harder" ontmoet had.

Vrouw Martensz schudde het hoofd.

"Ieder braaf mensch zou in jouw geval hetzelfde gedaan hebben," zeide zij op goedigen toon. "Wie zou ook op zulk een boosheid verdacht zijn! Gelukkig, dat hij je Zondagsche wambuis en boksen niet heeft kunnen meepakken. 't Is al heel singulier; anders leg ik het altijd Zaterdagsavonds voor je gereed. Nu je iemand bij je hadt, dacht ik, moest ik maar tot van morgen wachten."

"Dat is nog een geluk bij een ongeluk, vrouw Martensz." hervatte Pieter. "Maar wat maller is, nu zal ik je van de week mijn kostgeld niet kunnen betalen; want wat ik heb opgespaard, zal ik wel aan een nieuw werkpak moeten besteden."

"Dat is niets, mijn jongen," antwoordde vrouw Martensz. "Dat zal wel terecht komen. Je behoeft daar geen haast mee te maken. Maar ik zal mijn man eens roepen, en dan kunnen wij samen bespreken, wat wij aan de zaak zullen doen en of het niet goed zou zijn, den diefstal bij den Schout aan te geven."

"Waarschijnlijk zal dat niet veel helpen, vrouw Martensz," hernam Pieter. "De dief zal wel met zijn buit de stad verlaten hebben. Daarenboven, ik zou niet gaarne de oorzaak zijn, dat hij op het schavot en in het rasphuis kwam."

"_Jij_ moet het weten, Pieter!" hernam de vrouw. "'t Is jouw zaak. Maar als het mij te doen stond, dan wist ik wel, dat ik het zoo niet zou laten afloopen. Al kon ik mijn goed en mijn geld niet terugkrijgen, de schelm zou er zoo gemakkelijk niet afkomen."

Wat ook baas Martensz en zijne vrouw zeiden, Pieter wilde er niet van hooren om de zaak aan te geven: liever getroostte hij zich in zijn verlies, dan dat hij den knaap die hem zoo bedrogen had, voor zijn leven ongelukkig wilde maken.

NEGENDE HOOFDSTUK

Waarin wij een ouden kennis ontmoeten, die het ver gebracht heeft in de wereld.

Zoo stuurman, is dat nu je neef Pieter, van wien je mij gesproken hebt en die mij zelfs door Zijne Hoogheid den Prins zoozeer is aanbevolen?"

"Om Uwe Edelheid te dienen, Vice-admiraal," antwoordde de aangesprokene. "En ik hoop, dat Zijne Hoogheid met hare aanbeveling eer moge inleggen."

"Dat willen wij verwachten, stuurman. Hoe oud ben je, Pieter?" vervolgde de Vice-admiraal tot den jongeling.

"Aanstaanden twaalfden Augustus wordt ik, als het God belieft, achttien jaar," antwoordde deze.

"En je bent een knap timmerman?" vervolgde de Vice-admiraal. "Welnu, als zoodanig kun je van nut zijn, terwijl je voor het overige dan gewonen dienst zult verrichten."

"En zoo ik hoop met trouw en ijver, Vice-admiraal," hernam Pieter. "Ik zal mijn best doen, uwe tevredenheid te verwerven en steeds trachten, Uwe Edelheid na te streven, zij het dan maar in de verte."

"Dat is braaf gedacht," vervolgde de Vice-admiraal. "En dan kun je tevens een voorbeeld nemen aan je braven oom. Maar vooral, mijn jongen! bij al wat je ontmoet, het oog naar boven, den blik geslagen op den Heer, in wiens hand ons leven, onze adem en ons lot berust. Dan zul je altijd kalm en bedaard blijven te midden van den woedenden storm, onder het gefluit, van den dichtsten kogelregen."

Mijne lezers zullen wel reeds begrepen hebben wie de drie personen waren, tusschen welke het boven aangehaalde gesprek den achtsten April 1664 plaats had op het schip "de Spiegel" dat met vijf andere schepen en een vaartuig met proviand door de Admiraliteit van _Amsterdam_ was uitgerust tot een nieuwen tocht naar de _Middellandsche zee_. De Admiraliteit van _Rotterdam_ had de "Prinses Louise", gekommandeerd door den schout-bij-nacht Van Nes, met twee andere schepen daarbij gevoegd, en van het Noorder-kwartier waren er insgelijks drie vaartuigen bij de vloot, waarvan het schip "het Noorder-quartier" door den Vice-admiraal Meppel werd gevoerd.

Het waren de Vice-admiraal De Ruyter, Klaas Dirksz en Pieter Pietersz. Intusschen zien wij daar nog een knaap naast De Ruyter staan, wiens fijn lakensche kleeding zijn aanzienlijken stand en goede afkomst verraden. Hij is nog geen vijftien jaren, maar fiks uit de kluiten gewassen, en als wij hem goed aanzien, dan schijnt het ons toe, dat er in dat gelaat veel gelijkenis ligt met dat van den Vice-admiraal. En geen wonder; want die vijftienjarige knaap, die daar stilzwijgend maar met blijkbaar welgevallen onzen Pieter aanstaart, is niemand anders dan de eenige zoon van den grooten zeeheld: het is Jonker Engel de Ruyter, die voor de eerste maal ter zee zal varen, om onder het oog van zijn beroemden vader "het soldaat- en zeemanschap te leeren." Hij heeft tijdens het bezoek, dat stuurman Dirksz ten huize van den Vice-admiraal bracht, reeds zooveel van onzen Pieter gehoord, dat hij al verlangend was, om hem te zien. 't Zal u dus ook niet verwonderen, dat beiden spoedig goede maatjes zijn; want al is Jonker Engel van adel, hij heeft de deugd der nederigheid van zijn edelen vader geërfd, en een karakter als dat van Pieter kan niet anders dan den vurigen en fikschen knaap innemen.

Den volgenden dag voer De Ruyter met zijne zeven schepen naar het _Vlie_, vanwaar hij eerst den achtsten Mei in zee liep en den 21sten dier maand te _Cadix_ aankwam, om zich met het smaldeel van den Vice-admiraal Meppel en den Schout-bij-nacht Van Nes te vereenigen. Hierop verdeelde hij de vloot in twee smaldeelen of eskaders van welke hij het eerste als opperhoofd en Admiraal der vloot aanvoerde; terwijl de kommandeur De Wild als Vice-admiraal en de kapitein Willem van der Zaan als Schout-bij-nacht onder hem kommandeerden: het tweede eskader stond onder den Vice-admiraal Meppel als tweeden Admiraal, den Schout-bij-nacht Aart van Nes als Vice-admiraal en den kapitein Deendert Haaxwaard als Schout-bij-nacht.